De gelezen preek was van…
Iets toegevoegd en iets weggelaten
Mag je aan een leespreek iets toevoegen of er iets uit weglaten? Ds. G.J. van Aalst was er niet onduidelijk over: ‘Eigenmachtige veranderingen in dit opzicht zijn niet toegestaan. De gelezen preek was van… Dat moet dan ook werkelijk waar zijn. Anders doen we de waarheid geweld aan’.
Bij de kerkvisitatie wordt trouwens gevraagd: ‘Houdt de kerkenraad zich aan de regel dat er niets bijgevoegd wordt aan de te lezen preken?’
In 1934 zaten de broeders in Oudemirdum met een moeilijkheid. Een ouderling voegde soms wat toe aan de preken die hij las. Maar mocht dat wel? Het werd op 13 september 1934 voorgelegd aan de classis Barneveld. ‘Mag een ouderling met preeklezen de gemeenten aanspreken met verschillende omstandigheden tot waarschuwing voor feesten of andere zondige gewoonten?’ De classis gaf als advies: ‘Grote voorzichtigheid is hierin te betrachten, er is niets op tegen met bijzondere noden de gemeente te vermanen, maar laat het dan na de predicatie zijn, en niet tussen de predicatie die gelezen wordt in te lassen’.
Scriba van de classis was ouderling B. Roest. Ds. J.J. van Eckeveld schreef in 2001 in De Saambinder over hem: ‘Ik heb het vroeger in Scherpenzeel meermalen meegemaakt dat de eerbiedwaardige Bart Roest zijn prekenboek wel eens aan de kant schoof, zijn bril afzette en vanuit de volheid van zijn hart enkele woorden tot de gemeente sprak en daarna zijn bril weer opzette en de preek verder las. Dat mocht de oude Roest wel eens doen, maar laten onze ouderlingen dat maar nooit doen’.
Iets toegevoegd
In De Saambinder van 24 mei 1951 schreef ds. C. Hegeman over een leespreek waarin wat was toegevoegd. ‘In een van onze gemeenten waren eens enkele mensen die alleen Smijtegelt wilden horen lezen, en als het een andere schrijver was, hadden ze geen genoegen. En ze gingen zo ver om de ouderling daar steeds op te wijzen dat hij toch meer van de godzalige Smijtegelt moest lezen. Nu, daar was geen bezwaar tegen, daar de ouderling zeer veel hoogachting voor deze geliefde schrijver had. Maar volgens zijn gedachte had de Heere ook meerdere geschriften door andere oudvaders laten schrijven. Maar het bleef maar dwingen van die leden: Lees toch van vader Smijtegelt.
Op een keer kreeg die ouderling er genoeg van. Hij nam een preek van een andere achtenswaardige leraar, en gaf enige veranderingen aan die preek. Dat wil zeggen, op deze wijze dat hij de preek liet beginnen met: Wij lezen (zoals bij Smijtegelt), en vervolgens zei hij bij elke nieuwe gedachte: ten eerste, ten tweede, enzovoort, en zo werd de preek voorgelezen. Na de preek kwamen de bezwaarde broeders verblijd naar de ouderling om hem dank te brengen dat er weer eens een predicatie gelezen was van hun geliefde schrijver. Maar daar kwam de ouderling met het prekenboek, en zei: Vrienden, u vergist zich ditmaal, maar de predicatie is ditmaal niet van de godzalige Bernardus Smijtegelt. Het gevolg is geweest dat er nooit meer over gesproken is’.
Iets weggelaten
Ds. G. van Reenen diende van 1912 tot begin 1916 de gemeente Opheusden. Bij zijn komst was het niet zo rooskleurig in de gemeente, maar bij zijn vertrek, zo lezen we in een herdenkingsboek, liet hij een gemeente achter die in korte tijd weer een hechte gemeenschap geworden was. Maar er was een ouderling die hem niet goed gezind was. De man dacht een roeping voor predikant te hebben, maar ds. Van Reenen nam dat beslist niet over.
Toen jaren later ds. Van Reenen als emeritus predikant in Leiden woonde, kreeg hij regelmatig een mandje kersen uit Opheusden toegezonden. Toen het er weer eens over ging om de oude leraar te verblijden met een mandje kersen, mompelde de bewuste ouderling iets van: ‘Laten we hem maar een mandje spreeuwen geven’.
Maar wat gebeurde? Een medebroeder las eens een preek van ds. Van Reenen, en liet een aantal woorden weg die ds. Van Reenen nog weleens gebruikte, zoals ‘wel, wel’. De predikant begon soms een zin ook wel met ‘Kind’. Ook dat liet de ouderling weg. De man die niet zoveel met ds. Van Reenen ophad, genoot onder die preek een bijzondere zegen. In de consistorie vroeg hij van wie de preek was. ‘Van ds. Van Reenen’. Toen zei hij: ‘Ik zal nooit meer iets van hem zeggen’.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2025
De Saambinder | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 januari 2025
De Saambinder | 20 Pagina's