Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het tellen van onze jaren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het tellen van onze jaren

8 minuten leestijd

Kort van dagen

In het veertiende hoofdstuk van het boek Job wordt een indringende beschrijving gegeven van ons menselijk leven. Het hoofdstuk vat dat aan begin samen: De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust. In het vijfde vers wordt onomwonden gesteld dat het áántal dagen ook vast ligt: Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is; en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal.

Drie beelden uit de natuur

We nemen u in dit artikel mee door de zes beelden, die Job gebruikt om de kortheid van het leven te illustreren. In het tweede vers wordt het beeld gebruikt van een bloem, die afgesneden wordt. Wat is er brozer, breekbaarder en vergankelijker dan een bloem? Snij deze af van zijn wortel, en na zeer korte tijd is er van die bloem niets over.

Ingrijpend is ook het beeld van de schaduw (vers 2). Als de zon schijnt valt er soms een scherpe en duidelijke schaduw op de grond. Er hoeft echter slechts een moment een wolk voor de zon te schuiven, of de schaduw is verdwenen. Zo is ons leven. Als een schaduw.

Ook maakt Job in vers 11 gebruik van het beeld van de wateren van een rivier. Als de wateren van een rivier eenmaal de zee instromen, komen ze nooit meer terug in die rivier. Als het water van de top van een berg wegstroomt, zal dat water nooit meer terugkeren naar die top. Zo is het leven van een mens. Het keert nooit meer terug.

Een dagloner

Minder bekend in onze samenleving is het beeld van een dagloner. Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe (vers 6). Wie in Zuid-Afrika ’s morgens op stap gaat, ziet langs de weg soms mannen of vrouwen staan, die geen werk hebben. Zij wachten op het moment dat iemand hen voor een dag inhuurt. Nee, voor hen is geen sprake van een benoeming voor maanden of van een vaste betrekking. Die mensen worden vaak ingehuurd voor maar één dag. Zó is ons leven. Een korte tijd. Een voorbijgaande tijd. En dan volgt het einde.

Een boom en een rivier

Job vergelijkt het leven van een mens ook met een boom. Die boom wordt omgehakt. Dan ligt hij daar en we zouden denken dat er geen verwachting meer is. Maar als een boom aan het water is geplant, is het zo maar mogelijk dat er uit de stam of uit de boom nog een scheut tevoorschijn komt. Die scheut zal misschien na lange tijd nog uitgroeien. Maar als een mens eenmaal gestorven is, is dat geheel onmogelijk. Maar een man sterft als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest; waar is hij dan? (vers 10). Zo aangrijpend is het sterven van een mens. Wie korter of langer tijd geleden bij een overledene heeft gestaan zal het beamen. Dit is onomkeerbaar. Onze geliefde man of vrouw, vader of moeder, of in welke relatie we ook tot een overledene stonden, komt niet meer terug. De scheiding is voor wat het natuurlijke betreft, voorgoed.

Het tellen van onze jaren

Als wij spreken over ons leven, tellen wij ons leven vaak in jaren. Als iemand jarig is, tellen we een jaar bij zijn leeftijd op. Dat is heel vanzelfsprekend. De jaren die achter hem liggen, zijn inderdaad met een jaar toegenomen.

In het licht van ons levenseinde en de naderende eeuwigheid ligt dit echter anders. Er is geen sprake van toename, maar van afname. Want als we een verjaardag mogen meemaken, is er weliswaar een jaar bij onze achterliggende jaren bijgekomen, maar is er ook een jaar afgegaan. Dan is er een jaar afgegaan van de jaren die voor ons liggen. Dan tellen we niet vanuit ons levensbegin, maar vanuit ons levenseind.

Ongetwijfeld is dat de achtergrond van Davids vraag in Psalm 39: HEE- RE, maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete hoe vergankelijk ik zij (vers 5). Dan leven we in het diepe besef dat elke dag, week, maand en jaar die we mogen beleven, ons dichter brengt bij ons einde. Daarom past ons dagelijks het gebed van de dichter van Psalm 90: Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen (vers 12). Tellen vanuit het einde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 2020

De Wachter Sions | 12 Pagina's

Het tellen van onze jaren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 januari 2020

De Wachter Sions | 12 Pagina's

PDF Bekijken