Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Over de toepassing van het heil - John Flavel (ca. 1630-1691) - 183

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Over de toepassing van het heil - John Flavel (ca. 1630-1691) - 183

Hoofdstuk 27 – De zonde gedood (6)

11 minuten leestijd

Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden. Galaten 5:24

Heilige beginselen doen de invloed teniet die de zonde ooit heeft gehad op de liefde en de vreugde van de ziel. De geheiligde ziel kan geen genoegen hebben in de zonde of zich verheugen in wat God verdriet doet, zoals zij zich daar eerder altijd wél in verheugde. Wat het voorwerp van vreugde was, wordt hierdoor het voorwerp van verdriet en haat. Romeinen 7:15: … hetgeen ik haat, dat doe ik.

Uit deze twee dingen komt een derde gunstige omstandigheid voort om de zonde te doden. Aangezien de zonde tegengesteld is aan de nieuwe natuur, en zij het voorwerp is van verdriet en haat, kan zij met geen mogelijkheid worden begaan zonder dat de geest er een afkeer van, en een zeer gevoelig berouw over heeft. Daden waarvan men spijt krijgt, doet men niet vaak en niet gemakkelijk. De situatie van een wedergeboren ziel die door de verzoeking wordt overrompeld en gedeeltelijk overwonnen, lijkt op die van een krijgsgevangene, die niet voor zijn genoegen met zijn vijanden mee marcheert, maar onder dwang. In Romeinen 7:23 zegt de apostel over zichzelf: Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangenneemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.

Zo steunt de Geest ons in het voornemen om de zonde te doden, doordat Hij tegengestelde eigenschappen inplant. Gods Geest staat deze ingeplante eigenschappen altijd bij wanneer het nodig is. Dat doet Hij op vele manieren. Soms is het dat Hij de genade op een opvallende manier wekt en ons opschrikt uit een toestand van dofheid en slaperigheid; als zij haar werkzaamheid en kracht tevoorschijn brengt, zodat zij zich krachtdadig en doeltreffend tegen de verleiding verzet. Het is zoals er staat in Genesis 39:9: …hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen en zondigen tegen God? Eerst wekt een heilige vrees alle krachten van de genade in de ziel op om de verleiding met kracht tegen te staan. Ook geeft de Geest de zwakke genade in de ziel kracht. 2 Korinthe 12:9: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. En omdat de genade zo wordt ingeplant en bijgestaan, ’bewaart hij die uit God geboren is zichzelf, en vat de boze hem niet’ (1 Joh. 5:18).

Het vijfde. De laatste vraag waarop een bevredigend antwoord moet komen, is hoe het doden van de zonde er een betrouwbaar kenmerk van is dat de ziel deel heeft aan Christus. Dit doet het op verscheidene manieren; het biedt de ziel die der zonde afgestorven is, er veel deugdelijke bewijzen van.

Welke blijken er in ons ook zijn dat Gods Geest in ons woont - het moeten er noodzakelijkerwijs blijken van zijn dat wij zaligmakend deel hebben aan Christus, zoals hiervóór ten volle werd bewezen. Het doden van de zonde levert er echter het duidelijke bewijs van dat Gods Geest in ons woont: we hebben immers ook bewezen dat dit uit geen ander beginsel kan voortkomen. Er is een hecht en onlosmakelijk verband tussen het doden van de zonde en de Geest, tussen de uitwerking en zijn ware oorzaak. Datzelfde verband is er tussen de inwoning door de Geest en het verenigd-zijn met Christus. Als we dan ook vanuit het doden van de zonde naar de inwoning van de Geest toe redeneren, en vanuit de inwoning van de Geest naar ons verenigd-zijn met Christus, is dit een strikt Schriftuurlijke wijze van redeneren.

Datgene wat bewijst dat een ziel onder het verbond der genade is, bewijst ook duidelijk dat zij deel heeft aan Christus. Christus is het Hoofd van dat verbond, en slechts zij die oprecht geloven zijn onder de zegeningen en de beloften ervan. Dat evenwel het doden van de zonde er een deugdelijk bewijs van is dat de ziel onder het verbond der genade is, is duidelijk uit de woorden van de apostel in Romeinen 6:12-14: Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams. En stelt uw leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelf Gode als uit de doden levend geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. Door deze bemoediging dringt de apostel er bij de gelovigen op aan de zonde te doden, wat er voor hen een goed blijk van zal zijn dat ze deel hebben aan het nieuwe verbond. Immers, alle wettische plichten en pogingen kunnen de zonde nimmer doden. Het is de Geest in het nieuwe verbond, Die dit teweegbrengt. Hij wiens verdorvenheden zijn gedood, heeft deel aan het verbond, en ook aan Christus. Dat is hem dan nu duidelijk gemaakt.

Wat de vrucht en het bewijs is van het zaligmakende geloof, moet noodzakelijkerwijs ook een betrouwbaar blijk zijn van ons aandeel aan Christus. Maar nu vormt het doden van de zonde de vrucht en het bewijs van het zaligmakende geloof: het is het reinigen van hun hart door het geloof (Hand. 15:9); dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof (1 Joh. 5:4). Het geloof overwint aan de ene kant de verlokkingen van de wereld, en aan de andere kant de verschrikkingen van de wereld doordat het het hart en de genegenheden aan alle aardse dingen doet sterven. Een hart dat der zonde afgestorven is, heeft niet zoveel op met de verlokkende genoegens van de wereld, en wordt niet zo erg bewogen door de ongenade, het verlies en het lijden dat haar van de wereld wedervaart. Zo worden de kracht en de sterkte van de verleidingen van de wereld gebroken; de ziel die der zonde afgestorven is, zegeviert erover - en dat alles door de werking van het geloof.

Er is een nauw en onlosmakelijk verband tussen het doden van de zonde en het leven der genade. Romeinen 6:11: …houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend zijt in Christus Jezus onze Heere. Het leven der genade moet noodzakelijkerwijs een zaligmakend deelhebben aan Christus inhouden.

Door dit alles werd de leerstelling vanuit deze tekst ten volle bewezen en verklaard. De toepassing komt in de volgende preek.

(wordt vervolgd)

© 2008 Den Hertog B.V., Houten.

Geschonken genade

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 2020

De Wachter Sions | 12 Pagina's

Over de toepassing van het heil - John Flavel (ca. 1630-1691) - 183

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 2020

De Wachter Sions | 12 Pagina's

PDF Bekijken