Het Geheimenis Dat Niet Geheim Blijft
Kohlbrugge over de verkiezende God
I Gods genadige soevereiniteit
U kent wellicht het antwoord dat Kohlbrugge gaf aan de man die — 'nog met stof en zweet van de lange mars bedekt' — hem vroeg wat hij moest doen om zalig te worden: 'Ik antwoordde hem — schrijft Kohlbrugge — dat hij weer naar huis moest gaan, daar eerst uitrusten en het dan aan de levende God moest vragen, — dat Die hem dan zou leren dat het niet is van degene die wil, noch van degene die loopt, maar van de ontfermende God'.
Wat beduidt dit bitse antwoord? Dit (en 't is tekenend voor Kohlbrugge's visie): voor de zaligheid lope de mens zich niet in het zweet, maar zij hij aangewezen op de ontferming van de genadige God. Genade, dat is het trefwoord dat Kohlbrugge's boodschap beheerst. Genade die nooit en nergens anders is dan: vrije genade, d.w.z. die genadige gezindheid — Gewogenheit, toegenegenheid, formuleert Kohlbrugge! — die ons absoluut vóór is (een eeuwigheid lang!) en ons volstrekt kosteloos wordt betuigd en betoond. Zij heeft per sé het primaat. 'Gij kunt zo vroeg niet opstaan, of reeds is over u opgegaan de Zonne der gerechtigheid'.
't Is buiten twijfel dat Kohlbrugge in het woord genade deze notie van Gods vrijmachtig-voorafgaande liefde permanent hoort meeklinken. 'God is liefde — verklaart hij in de inzet van zijn befaamde preek "De Heer, Filippus en Nathanaël" uit 1862, in de St. Theodorskirche van Bazel gehouden — God is liefde, niet eerst dan als wij ons tot Hem hebben bekeerd (. . .), maar eer wij het daglicht konden aanschouwen, eer wij goed of kwaad konden denken en doen'. Wij zeggen wel niet te veel wanneer wij stellen, dat Kohlbrugge's prediking één onopgegeven protest is tegen iedere vorm van remonstrantiserende verbastering van de genade.
Zijn kritische vragen aan Dordt doen hier niets van af. Die betreffen in ieder geval niet de zaak en werkelijkheid van de Verkiezing, maar de isolering ervan van de rechtvaardiging. Mèt Dordt, met Calvijn, Luther en Augustinus, en vóór alles met Paulus weet Kohlbrugge de vastheid en vreugde van het geloof gelegen in de ankergrond van het welbehagen Gods. En hij kan daar vrolijk van zingen: 'In de levende en vrijmachtige God is al ons welgevallen, ons één en ons al, ons zilver en goud; ons heil, ons leven en ons erfgoed. Wij hebben aan Zijn genade genoeg en een rijke troost in Zijn raadsbesluit'.
Vanwaar die opgetogenheid? Hoe kan een mens zich nu in vrijmacht verheugen? Is vrijmacht niet veeleer te vrezen, als een bedreigend lot? Geen sprake van. Kohlbrugge weet dat het niet de vrijmacht betreft van het lot, maar van onze God! En God is niet het lot! Kohlbrugge hoort in de Verkiezing het hart kloppen van die God Die Zich over het hulpeloze en rechteloze ontfermt. Dit erbarmen is geen grillige willekeur, maar het complete tegendeel ervan: Zijn vrijwillige voorkeur voor het minste en geringste! Het is een soevereiniteit die alle trekken draagt van vaderlijke deernis, niet die van een granieten absolutisme. Veelbetekenend omschrijft hij deze soevereiniteit immers als volgt: 'De soevereiniteit des Heeren is: dat Hij kan doen wat Hij wil. Wil Hij dus Zijn goedheid over iemand laten dalen, dan doet Hij dat. Daar ziet Hij niet op het schepsel, maar, wat Hij doet, dat doet Hij eigener beweging, omdat het Zijn welgevallen is. Onze Heere is hier als een bronwei, een bron waaruit het water vanzelf omhoogborrelt (. . .). Zo is de Heere in Zijn soevereiniteit de bron van alle goeds. Het is Zijn vrijmacht eigen, te geven waar Hij niets ontvangt. Hij komt met Zijn goedheid, omdat Hij goed is. Al wat aan Hem is, is goed. Hij vergt niets, maar gééft alles. Hij geeft . . . Zichzelf'. Het erbarmen van deze God is een gestadige stroom, een rivier die net zomin is droog te leggen als de Rijn en de Rhone die uit de Alpen stromen.
Het is duidelijk dat Kohlbrugge Gods soevereiniteit vér uit de buurt wil houden van despotic, hardvochtigheid en willekeur, maar haar veeleer bezingt als: de wegschenking van Zijn liefde aan het verlorene! En het is in deze vrijwillige-goedgeefse liefde, dat God het zwakke, het onwaardige, het laagste en laatste verkiest. Zo was Zijn voornemen. Godlof. Dit voornemen handhaaft en realiseert Hij in een liefde die puur van één kant komt, maar dan toch zó dat het van ónze kant als zodanig erkend v^W zijn. Gods liefde komt af van één kant, maar komt niet bij ons aan alsof wij stokken en blokken waren.
Dat is het eigenaardige van dit strikte eenrichtingsverkeer der genade. Hoe eenzijdig ook qua herkomst, het brengt bij aankomst toch terdege een reële, bewuste relatie teweeg. Niet dat God tóch nog enige bijdrage of tegemoetkoming zou vergen; dat kan niet in aanmerking komen. God vordert geen bijdrage, maar verlangt en schept bijval. En alles wat onder die vrijmacht, waarin Hij het mindere verkiest en het meer- 105dere verwerpt, niet buigt, dat breekt erop stuk. Want — vindt Kohlbrugge — wil men 'uit zichzelf komen aanlopen met werken, zo zal men moeten ondervinden hoe God zulk lopen en streven, zulk een trotse verheffing boven de zwakkere broeder haat, zoals Hij gezegd heeft; Jakob (de mindere) heb Ik liefgehad, en Ezau (de meerdere) heb Ik gehaat'.
De toepassing die Kohlbrugge van dit niet zelden in deterministische zin gelezen Schriftwoord maakt, is onthullend. Hij hoort hierin beslist geen noodlotsbericht, maar een bloedwarm vermaan. Hoort u maar hoe hij vervolgt: 'Meent men in de zaligheid te delen (. . .), dan buige men zich onder Gods voornemen en zoeke men niet langer de meerdere te zijn als iemand die op Gods genade recht zou hebben omdat men zoveel gewerkt, ondervonden, geleden en gestreden heeft, of omdat men dit en dat van God ontvangen heeft, waarvan een ander (zo) niet mee kan praten. Want met dit alles betoont men zich een Ezau te zijn, die smadelijk neerziet op die Jakob die niet zo goed vooruitkomt. Wil men de meerdere zijn, dan houde men zich bij zulken die God Zich heeft verkoren, d.i.: bij zulken die niets zijn, ook niets willen zijn. Dat is het ware Israël'.
Nu is Kohlbrugge uiteraard op de hoogte van het menselijk verzet tegen déze vrijmachtige stijl van God Die verkiest hetgeen niets is. De manier waarop hij dit protest tegemoet treedt is opmerkelijk. Hij doet dit niet door een abstracte, scholastische uiteenzetting te geven over Gods absolute soevereiniteit, maar door erop te wijzen dat God goddelozen rechtvaardigt. Deze structuur van de rechtvaardiging is bepalend voor Kohlbrugge's benadering van de verkiezingsleer. Zoals het van de rechtvaardiging geldt, zo is het ook met de verkiezing gelegen: zij geschiedt om niet, d.i.: niet op grond van enige kwaliteit van de mens, maar bij louter gebrek daaraan, puur op grond van de kwahteit van Gods genade.
'Dit is Zijn eeuwige wil, dat Hij genade bewijst aan de verlorenen'. En als dit Zijn wil is, 'welnu, dan worde die wil op het hoogst geprezen. Buigen wij ons maar onder een heilsorde volgens welke wij niet als godzaligen, maar als goddelozen — niet als lieve christenen of vrome Joden, maar als heidenen — begenadigd worden. Dan zullen wij geen tegenredenen inbrengen
Het kan ons na deze volzinnen niet verbazen, Kohlbrugge te horen zeggen, dat één van de oogmerken van de verkiezingsleer is, (nee, niet dat wij erover filosoferen en speculeren, of tot doffe berusting vervallen, maar:) dat 'wij alle aanmatiging der eigengerechtigheid afleggen'.
Gods vrijwillige genadebetoon wil dus effect krijgen in onze genade-erkenning. Kohlbrugge aarzelt niet te stellen: 'Gods soevereiniteit kan alleen hij geloven die wegzinkt — dahinschwindet — voor Gods Wet en zich een overtreder weet van al Gods geboden en deze soevereiniteit erkent vanwege zijn eigen onwaardigheid en vanwege het wonderbare van de barmhartigheid Gods in Christus Jezus over het verlorene'.
II Gods verkiezende voorkeur
Nu raken wij hier inmiddels een aangelegen punt. De vraag laat zich namelijk moeilijk onderdrukken, of Kohlbrugge zijn uitgangspunt in de echt onafhankelijke vrijheid van de verkiezing wel trouw blijft. Wekken sommige uitspraken niet de schijn, dat het behoeftig, zich verootmoedigend geloof zóveel gewicht ontvangt, dat dit de rol gaat spelen van een voorwaardelijke "kwaliteit" in de mens die Gods verkiezend handelen (mede) motiveert? Wat b.v. te denken van een uitlating als deze: 'God verkiest diegenen, van wie Hij weet: Deze zal het maal goed smaken aan Mijn tafel. Hij verkiest de hongerigen en dorstigen'? Hoe valt dit te rijmen met de pure onafhankelijkheid van Gods verkiezing?
Hierop is dunkt me niet spanningloos te antwoorden. Ons antwoord valt in tweeen uiteen.
Enerzijds is het uit heel Kohlbrugge's oeuvre ondubbelzinnig duidelijk, dat alle geloof — inclusief honger en deemoed — geen creatie is van de mens die hij als voorwaarde tot de genade zou moeten opbrengen, maar vruchtzetting van Gód, door Woord en Geest. God verkiest niet om het geloof, maar tot het geloof.
Anderzijds laat Kohlbrugge intact dat Gods verkiezend welbehagen niet maar blindelings toeslaat, maar daar zijn adressering ontvangt, waar de mens zijn totale bankroet en misère in geloof beseft en belijdt. Dit laatste laat onverlet dat God verkiest wat niets is. Maar Hij wil kennelijk dat de mens deze "nulliteit" ook leert erkennen en bekennen. Hij verlangt — wat ik zoeven noemde — bijval, geloofsbijval. Is deze bijval dan tóch de voorwaarde op grond waarvan God verkiest? Nee, oorzakelijke voorwaarde is het niet (de grond ligt louter in Gods welbehagen!); maar wel is het de instrumentele voorwaarde, als de noodzakelijke weg waarlangs Gods welbehagen zich realiseert. Het spannende is dat deze voorwaarde tegelijk van een absolute noodzaak is, maar tegelijk toch géén grond uitmaakt. Kohlbrugge houdt niet op met enerzijds die noodzakelijke geloofsverootmoediging te onderstrepen, en anderzijds alle verdienstelijkheid daarvan weg te strepen. Dat hij deze spanning volhoudt (en niet verzandt in fatalisme, noch zich laat verleiden tot arminianisme), komt dacht ik hieruit voort dat hij al predikende overtuigd is van de overmacht van het Godswoord: wat God beveelt, dat geeft Hij ook! En zo is de geloofsootmoed wel voorwaarde, maar dan een vereiste die door de prediking van het welbehagen zelf wordt opgeroepen en geschonken. Het is geloof waarin Hij Zelf voorziet en dat van dien aard is dat het zich onder Zijn vrij machtige genade buigt.
Wij hebben hierbij geen moment uit het oog te verhezen dat Kohlbrugge niet over Gods vrijmacht speculeert als over een intellectualistisch stelsel, maar de vrijmachtige God verkondigt. En het adres van deze prediking wordt niet gevormd door een denkbeeldignaamloze massa verkorenen en verworpenen, maar door een gemeente van concrete mensen die God bij de naam noemt en tot zondaar kwalificeert. Het is nu juist deze persoonlijk toegesneden prediking die hem, in het spoor van de Schrift, die beweeglijkheid geeft, om tegelijk de strikte vrijheid van de verkiezing, en tegelijk die eigensoortige voorkeur van Gods verkiezend handelen te vertolken, een voorkeur die uitgaat tot wat zich daaronder en daardoor voor Hem verootmoedigt.
III De zekerheid aan de verkiezing
Het komt ons voor dat wij de weg hebben vrijgemaakt voor de beantwoording van de vraag die Kohlbrugge bij herhaling aan de gemeente voorlegt: Hoe kan ik weten uitverkoren te zijn? Hoewel hij de vraag steeds in dezelfde bewoordingen formuleert, bedoelt hij er niet altijd hetzelfde mee. Ik dacht dat het hem om drie vragen ging:
a) In welke gestalte kom ik het aan de weet?
b) In Wie ligt de zekerheid ervan?
c) Waar vind ik dit houvast?
a) In welke gestalte en hoedanigheid verneem ik, door God verkoren te zijn?
Befaamd is Kohlbrugge's antwoord: 'De tollenaar stond van verre'. Men misduidt dit woord compleet, wanneer men daar het advies in zou beluisteren, om in eigen boetvaardigheid de grond van de verkiezingszekerheid af te lezen en dusdoende tot eigen verkorenheid te concluderen. Dan zijn we precies bij de zelfverzekerdheid van de Farizeeër beland! Wat Kohlbrugge ermee zeggen wil, bevat veeleer een kritisch, maar heilzaam correctief: men vrage niet zo recht toe recht aan naar z'n verkorenheid, maar men sta liever op de plaats van verlorenheid, zoals de tollenaar, die te arm en verloren was om genade te kunnen ontberen. Daar zet ons immers het Woord, dat ons krachtens vrije verkiezing zoekt zoals we zijn (zoals wij in Gods ogen zijn): rechteloos, goddeloos, verwerpelijk. Daar hebben wij dan alle aanmatiging afgelegd en 'werpen wij ons op genade en ongenade in de handen van onze soevereine God, (evenwel) met de bede: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn'.
Kohlbrugge schrikt in dit kader niet terug voor die karakteristieke paradox: 'Die het zijn, zijn het niet. Die het niet zijn, die zijn de verkorenen.'
b) In Wie ligt de zekerheid?
Bij de beantwoording van deze vraag naderen wij dé hoofdader van Kohlbrugge's verkiezingsprediking. Volle ernst laat Kohlbrugge wedervaren aan het paulinische woord dat God ons heeft verkoren in Christus. Geen verkiezing los van Christus! Dan zullen wij de zekerheid van onze verkiezing ook niet los van Christus aan de weet komen. Wanneer iemand dan ook vraagt hoe hij weten kan in het Boek des Levens ingeschreven te staan, zegt hij: 'Vraag uzelf af: In Wiens Naam ben ik gedoopt? Hoor des Heeren Woord: Ga in door de enge poort. Laat uw eerste zorg zijn, om Christus deelachtig te worden. Die is de Eerst-Uitverkorene. Hoor Hem zeggen: "Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". In Hem staat uw verkiezing vast, en van Hem staat geschreven: Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen!' Waarop ik dan ook bij 1000 goddeloze tegenwerpingen tegen Gods voorverordinering heb te letten? Hierop: 'Op mijn eigen doemwaardigheid, op de vrijmacht van God Die de persoon niet aanziet, en op het bloed van het Lam dat zonder onderscheid of aanneming des persoons de zonde draagt van elk die zonde heeft en van elk die naar de wil van God op dit Lam zijn zonde legt.' Wie steunt op Hem, staat stevig in de verkiezing van God en ligt geborgen in de armen van Zijn liefde.
Hoe durft Kohlbrugge het zó te stellen? Daar is geen durf aan. Gewaagd moet het veeleer heten om de verkiezing los te maken van Christus en de toegang tot Hem te versperren door de hoogspanningsdraad van een verkiezingsidee. Alsof het niet het welbehagen van de Vader was waarmee Christus is doorgeurd, en alsof Christus ooit zou concurreren met de Vader. In Christus wordt het hart van de Vader juist onthuld. Betrouwbaar en volledig! Kohlbrugge preekt (in opmerkelijke analogie met Luther): dat Christus zondaren gaarne zalig maakt, dat heeft maar ene grond, namelijk dat Hij aan de boezem van Zijn Vader ligt en daar Diens hart en raad verneemt om die aan ons te openbaren, een raad die zijn grond heeft in Gods eeuwige verkiezing, maar zijn realisering in de Zoon Zelf. Zó innig ziet Kohlbrugge Christus' Woord en 's Vaders hart verstrengeld, dat hij verzekert: 'Wat Christus ons zegt, dat is alles uit het hart van de Vader genomen. Hij predikt ons niet: Mijn Vader is toornig op u, verberg u achter Mij! Nee, Hij wil dat wij het hart van de Vader kennen. Zo is het dan door de Zoon dat de Vader onze zaligheid wil'. In Christus is ons het geheimenis van Gods verkiezing niet langer geheim, c) Waar vind ik dit houvast?
Deze Christus Gods is nergens anders te ontmoeten
dan in de tooi van Zijn Woord. Daarom kan Kohlbrugge met evenveel klem naar dit Woord als naar Christus verwijzen. De verkiezende God is de Roepende. En Zijn roep neemt Kohlbrugge hoog op. Wie hem vraagt: 'Hoe weet ik dat ik, ik persoonlijk naar Gods voornemen geroepen ben?', die krijgt te verstaan: 'Dit Evangelie verkondigt u het voornemen Gods: "O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren (. . .)". Het voornemen Gods wordt u aldus verkondigd, dat Hij alles geeft om niet'. In deze roeping wordt geen onderscheid gemaakt,
In deze roeping wordt geen onderscheid gemaakt, voegt Kohlbrugge hieraan toe. En met een door eenvoud zeer aansprekende vergelijking brengt hij vervolgens de weimenende aard ervan nogeens heel dichtbij: 'Zoals bij de moeder die de kinderen aan tafel roept, het voornemen is, dat haar kinderen een 'Aller 107 ogen wachten op U' uitspreken en zij daarna smakelijk beginnen te eten, om verzadigd en gezond te worden en fris en vrolijk te zijn, zo roept ook God naar Zijn voornemen, opdat wij die geroepen zijn, alles om niet zullen hebben door Zijn genade en goedheid'.
Op een ander moment vraagt hij: 'Hebt ge ooit gehoord dat een goede, genadige koning een arme vrouw die zich, smekend om hulp en bescherming, aan zijn voeten wierp, van zich zou hebben weggestoten? Ik niet. En God is groter dan alle monarchen. Als ge tot Hem bidt, kunt ge daaraan weten dat ge verkoren zijt. Ten eerste om te bidden. Ten tweede: (om te geloven) — geloof niet de duivel met z'n "wee u", maar houdt daaraan vast dat 't Woord zegt: "wel u".'
Het is er dus verre vandaan dat Kohlbrugge de armslag van de Evangelieroeping zou beperken door een leerstellige verkiezingsidee. Het is veeleer zó dat hij het eeuwige voornemen Gods heden in de lokroep van het Evangelie tegenwoordig weet. Hier wordt het geheimenis ontsloten. Hier ontvouwt Zich de verkiezende God: in de beloften van het Evangelie, zonder iets achter te houden. Geen verborgen, verwerpende God gaat achter de roepende, verkiezende God schuil. Integendeel, in de Roepende hebben wij met de Verkiezende van doen.
'Zijn Woord is de bekendmaking van Zijn voornemen'.
Wie in dit Woord geborgen is, ligt in Gods hart genesteld.
Ja maar, er staat toch: Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren? 'Slechts één ding verlangt God — is Kohlbrugge's antwoord —: dat wij ter bruiloft komen. Is dat geen koninklijke genade?' Maar de bruiloftsklederen dan? Die hangen te geef in de kasten. 'Voor elk is hier een kleed ter hand. Wie wil er één hebben? Die trekke het over zijn lichaam aan . . . Dat is juist de wil van de koninklijke verkiezing'.
En al zou iemand voor een ondoordringbaar hekwerk staan, waar geen opening in te vinden was, ja, al zou God Zelf iemand toevoegen: "Ik heb u verworpen", dan nóg 'moest ge aan de deur van de genade blijven liggen. En zie dan maar eens of de poorten van het heil niet ongedacht en onverwacht voor u open zullen gaan'. De Kananeese vrouw staat hier model. "Heere, help me", roept ze. Weet u wat dit betekent?, preekt Kohlbrugge. Dit: 'Ik kan me niet storen aan verwerping of verdoeming, ik kan alleen maar daarnaar vragen dat ik in nood ben en dat Gij de Heere zijt ... Of ik tot Gods volk behoor of niet, of ik een schaap ben of niet, of Gij tot mij gezonden zijt of niet, — ik grijp U aan op Uw soevereiniteit! Gij hebt de ganse eeuwigheid. Gij hebt hemel en hel. Gij hebt verkiezing en verwerping . . . Gij zijt niet de duivel, maar de Heere, God en Koning'.
Zó luidt Kohlbrugge's spoorslag tot het nochtansgebed. En daar laat hij het niet bij. Frank en vrij stoot hij door tot het gebod om te geloven. En hij doet dat in die wondere belevende wijs van de belofte: 'Zie het Lam van God! Deze is de verzoening die ons gegeven is en die God voor ons laat neerzetten in de prediking van het allerheiligst Woord, onder de bezwering: Laat u met God verzoenen'. 108
Ik denk dat ik weet waarom Kohlbrugge zo onbekrompen uitdeelt van het Evangelie! Omdat hij zelf door vrije gunst uit de afgrond van verlorenheid was gered. Wie zijn leven en bevrijding heeft te danken aan dit verkiezend erbarmen, die kan het niet laten, om — zoals Kohlbrugge het noemt — 'aflaat te prediken aan hoeren, echtbrekers en tollenaren'. Dat dóet hij dan ook. Onbekommerd. Heel zijn prediking is één permissie en appèl jegens het gekwelde en gekooide, om te geloven. Wie zich met de hele wereld op één hoop geworpen weet, die mag het — op grond van dat ene Woord dat tuchtigt en troost — ervoor houden, dat het Lam van God zijn zonden droeg. 'De belofte — zegt Kohlbrugge — reikt zo ver als de wereld. En zonde en wereld reiken beide evenver. Waar mensen zijn, daar is de wereld. Waar wereld is, daar is de zonde. Déze zonde der wereld heeft het Lam gedragen. En hebt ge lust, zo hebt ge vrijheid en bevel, krachtens Gods eeuwige Wet, om uw zonden te leggen op het gezegende hoofd van het Lam'.
IV Verharding
Het is in het kader van deze welgemeende roeping en genade-afkondiging dat Kohlbrugge van de verharding spreekt. De ernst van Gods heilswil heeft een aangrijpende keerzijde. Hij vergelijkt het met de kracht van vuur. Vuur verspreidt een weldaad aan warmte. IVIaar wie het te nabij komt, wordt verschroeid. En dan ligt de schuld niet bij het vuur. Wat bedoelt Kohlbrugge met dit beeld? Dit: wanneer een mens Gods genadig geduld trotseert en zich op de been houdt met eigen daad en deugd, of anderszins God tart en vertoornt, dan wordt hij verhard. Betekent dit nu, dat Kohlbrugge de gereformeerde leer van de dubbele praedestinatie niet voor zijn rekening nam? Dat zou ik niet durven beweren. Zelf zegt hij immers, dat hij er geheel van overtuigd was geraakt. Onomwonden sluit hij zich in zijn Vragen en Antwoorden bij de Heidelbergse Catechismus dan ook aan bij art. 16 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Toch heeft hij zijn eigen accenten.
Ik ben het (althans in Kohlbrugge's prediking) nog nergens tegengekomen, dat hij de goddelijke verharding in het heden terug projecteert op een soevereine daad van verwerping in de eeuwigheid. Kohlbrugge brengt de verharding ter sprake als een huiveringwekkende reactie Gods, die haar grond heeft in de verharding van de mens tegen Gods heilswil. Naar mijn besef is Kohlbrugge in zijn prediking op dit punt terughoudender dan dat sommige dogmatische uitspraken van Calvijn en een brede stroom van het latere Gereformeerde Protestantisme zijn. Ook die hebben zich meestentijds weliswaar gewacht voor een logisch evenwicht tussen verkiezing en verwerping (asymmetrisch stelde Dordt: de grond van de verwerping is niet op dezelfde wijze in de vrijmacht Gods gelegen als die van de verkiezing), maar Kohlbrugge houdt blijkbaar als hij aan het preken is heel de gedachte op afstand dat de verwerping op enigerlei wijze terug te voeren zou zijn op Gods soevereine wil en voornemen om te verderven. De grond van de verwerping is dat de mens Gods genade verwerpt. Hoe zich dit met Gods soevereiniteit laat rijmen, laat hij open. Hij stond ook op de kansel, niet op de katheder. Of hield hij het op de docta ignorantia (wijze onwetendheid) die Calvijn zo begeerde, maar moest opgeven onder het spervuur van de kritiek? Zoals hij voor de verkiezing maar één grond weet te noemen, namelijk soevereine genade, zo geeft hij zijn gemeente voor de verwerping eveneens maar één grond op: de menselijke ongehoorzaamheid. Dat dit het denken op hoge spanning brengt, was hem kennelijk niet zo'n zorg. Liever deze spanning respecteren dan Gods heilswil diskwalificeren. De verwerping is niet Gods opzettelijke actie, maar Diens node betoonde reactie. Ook al willen wij Kohlbrugge's getuigenis dat hij van de Dordtse leer geheel overtuigd was serieus nemen, in de prediking hoort de eeuwige verwerping naar zijn besef kennelijk niet thuis. Daarin wil hij alleen weten van een welbehagen dat het heil wil, maar af kan stuiten op de weerstand van het ongeloof. De verwerping komt in de prediking niet "aan de orde" als mededeling, maar kan er zich voltrekken! Weet u wanneer? Wanneer God — zegt Kohlbrugge — al het mogelijke heeft gedaan en de mens met een eed betuigd heeft: "Zo waarachtig als Ik leef. Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze," maar heel deze 'neerbuigende en smekende liefde' afstuit op de 'hoogmoed' van de mens! Een treffende parallel lazen wij oktober 1988 van
Een treffende parallel lazen wij oktober 1988 van de hand van Dr. W. Aalders in het Kerkblaadje, naar aanleiding van de boze geest die Saul bezet. Dr. Aalders spreekt dan van de 'zwarte slagschaduw van het milde en vriendelijke licht Gods'. Die laat de Heere God soms in een leven toe. 'Niet zomaar als een willekeurige inval of grilligheid, doch als antwoord en reflex op 's mensen doen en laten. Het gaan van een boze weg, het leven uit een opstandige vrijheid, het hooghartig ontkennen van Gods soevereine hoogheidsaanspraak, — Hij neemt het hoog op! Zo vurig als de hartstocht is van Zijn trekkende liefde, zo brandend kan Zijn toorn zijn'.
Het is in deze geest dat Kohlbrugge van de verharding spreekt! In een onontkoombaar of-of verkondigt hij Gods ontferming. 'Met zulk een ontferming is geen scherts te drijven. Is het u om recht en verlossing te doen en verblijdt ge u daarom over het dierbare woord dat Jezus Christus in de wereld is gekomen om zondaren verlost te hebben, zo weet dat God u genadig is. — Denkt ge daarentegen dat ge de zaak wel op de lange baan kunt schuiven of toch iets bij uzelf moet aan kunnen wijzen, zo weet dat ge bezig zijt uzelf te verharden'.
Onze conclusie is dat Kohlbrugge's vertrekpunt in het welbehagen Gods de reikwijdte van de Evangelieverkondiging niet verkleint maar juist articuleert. De verkiezing blokkeert de lokkracht van de prediking niet, maar effectueert die. Uitgerekend dat het de Verkiezende en Vrijmachtige is Die in de prediking Zijn welbehagen volvoert, geeft Kohlbrugge die ongereserveerde royaliteit in de Woordbediening. Met de ene hand voorhouden en met de andere achterhouden is hem ten enenmale vreemd. Zijn prediking voltrekt zich niet in een oord waar altijd de dreigende schaduw valt van een geheimzinnig besluit, maar in het volle, klare daglicht van het Evangelie waarin van het geheimenis van Gods raad geen geheim wordt gemaakt. Niet ondanks, maar dankzij Gods verkiezend welbehagen kan Kohlbrugge de beloften van het Evangelie onbekrompen verkondigen. Vanwege dit welbehagen is het gepredikte Woord een basis van eeuwigheidswaarde, voor het allerarmste geloof. Bekoord en bedreigd als wij zijn door alle wankele woorden van wereld en tijd, is dit ons eeuwig houvast. Gods verkiezing is de eeuwigheidsgrond der genade waarin het rechtvaardigend geloof zijn wortels uitslaat.
Dit primaat van de genade vormt de dragende ondertoon van Kohlbrugge's prediking. Prediking die al onze argwaan en jamaars achterhaald verklaart door het Ja en Amen van Gods genadige beloften.
Wij moeten dan ook onze these die wij aan het begin poneerden nog uitbreiden: Kohlbrugge's prediking is niet alleen een doorlopend protest tegen remonstrantiserende verminking van de genade, maar brengt evenzeer zwaar geschut in stelling tegen die caricatuur van het Evangelie waardoor de welgemeende aard van de beloften wordt verduisterd door fatalisme.
V Volharding
Kohlbrugge's prediking is een prediking die het wankelende hart van a tot z weet vast te hechten aan Hem Die ons een eeuwigheid voor was èn tot in eeuwigheid vóór ons blijft: de A en de Z, de Alpha en Omega: Bron van eeuwigheid, Voleinder tót in eeuwigheid. Aan de verkiezing ligt de volharding vastgesmeed.
Ik moet over de volharding nu kort zijn. Maar zij is van onschatbaar belang. Wat in de nooitbegónnen eeuwigheid aan Gods Vaderhart in Christus is ontsprongen, reikt tot in de nimmereindigende eeuwigheid! Terwijl het onbehagen van de mens de oorzaak der verharding is, is het welbehagen Gods de oorzaak der volharding! Het geloof weet zich geborgen in de ontferming en trouw van de Eeuwige. Bij Hem was geen toeval. Bij Hem is evenmin afval. Met minder behoeft ook het zwakste geloof het niet te doen. Hij is ons houvast. Niet omdat wij Hem zo stevig vast kunnen houden, maar omdat Hij tot in eeuwigheid vasthoudt wat Hij van eeuwigheid in Christus vast heeft gehecht aan Zijn hart.
Om te illustreren hoe Kohlbrugge juist het aangevochten geloof weet vast te klinken in deze onophefbare eeuwigheidsgrond, rond ik af met een ervaring uit Kohlbrugge's pastoraat te vermelden, waarvan hij zelf verslag doet aan het slot van zijn avondpreek op 17 december 1871. Zijn tekst was uit Hosea 2: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid". Hij vertelt dan: 'Eens werd ik geroepen aan het sterfbed van een man die in diepe duisternis verkeerde omdat hij alles kwijt was. Kwijt? Was er dan toch ooit iets geweest? Ja. Lang geleden was hij krachtig geraakt door een Bijbelwoord. Welk? Hosea 2: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid".
- Hoe lang is dat geleden, vroeg ik.
- 35 jaar!
- Wat heb je toen eigenlijk precies gelezen?
- Ik zei al: "Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid".
- Dat staat er niet! - Wat zegt u?
- Wat zegt u?
- Dat het er niet staat! 109
- Maar dominee, hoe kunt u het zeggen? Dat staat er wel degelijk. Kijk maar in uw Bijbel. Ik sla de Bijbel open. En hij zegt:
- Wel, staat het er of niet?
- Nee, zeg ik. Het staat er niet.
- Maar laat mij dan zelf eens lezen. Ziet u wel? Hier staat het.
- Nee, zeg ik, er staat: Ik zal u Mij ondertrouwen voor 35 jaar!
- Ah, zei hij, — niet voor 35 jaar, maar tot in eeuwigheid!
En zo, zegt Kohlbrugge, kwam de stervende terecht!'
(Referaat, gehouden zaterdag 1 april 1989 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1989
Ecclesia | 8 Pagina's