De Verzegeling Met De Heilige Geest Naar Bijbels-Reformatorische Opvatting
1. Inleiding
Het onderwerp van deze morgen voert ons in het hart van het evangelie en daarmee ook tevens in het hart van de Reformatie.
In het werk van de Heilige Geest komt Gods eeuwige genade tot ons, zoals Christus die heeft verworven. De Heilige Geest is het, die Christus verheerlijkt, zodat het heil niet maar voor ons in de eeuwigheid blijft liggen, in Gods eeuwige Raad en welbehagen. De Heilige Geest verheerlijkt Christus voor ons, zodat het heil evenmin een zaak is van vèr in het verleden liggende tijden, die onderdeel vormen van de historie. De Heilige Geest verheerlijkt Christus aan en voor en in ons, zodat wij hier en nu delen in de zaligheid, op de manier van het geloof, dat de wereld overwint. Op de manier van de liefde, die het leven verandert. En op de manier van de hoop, die ons bindt aan de toekomst van Christus. De Heilige Geest legt een relatie tussen ons leven en de levende Christus, zodat het ver in de tijd liggende Golgotha in ons eigen leven een plaats krijgt en zodat zelfs de eeuwigheid van Gods welbehagen in Christus voor ons een realiteit wordt. Wie spreekt over de Geest, spreekt over het hart van het evangelie.
Maar wie spreekt over de Heilige Geest, spreekt evenzeer over het hart van de Reformatie. ledere reformator is op zijn beurt een theoloog van de Heilige Geest genoemd. Zwingli, Bucer en Calvijn, zij dragen deze naam zeer terecht. En ook Luther weet van het werk van de Geest, die ons aan Christus zó verbindt, dat wij "één koek" met Hem worden. Het is voor de hand liggend, omdat de Reformatie zelf de Geest weer een plaats heeft gegeven binnen de gemeente van Christus. Waar voor Rome de kerk staat, daar staat voor de Reformatie de Geest. We zeggen wellicht beter, dat de Geest zelf die grote beweging van de Reformatie op gang heeft gebracht, die tot op heden van zo grote betekenis is geweest en die haar betekenis ook nimmer zal verliezen.
Het onderwerp van deze morgen voert ons ook binnen het terrein van onze eigen levensvragen. De verzegeling met de Heilige Geest raakt het eigenlijke van het Geesteswerk. Zij raakt de kwestie van de zekerheid van het heil van God, hier en nu in ons eigen leven. Onze tijd zoekt zekerheid niet alleen, zij roept ook om de ervaring van die zekerheid. Aan beschouwingen heeft zij geen behoefte. Zij tast naar de laatste grond. En de verzegeling met de Geest brengt ons op die allerlaatste grond van de zekerheid van het geloof. Daarom is ons onderwerp niet alleen een boeiend onderwerp. Het raakt ieder mens, die de vraag omtrent de levende, de genadige God voor zichzelf heeft leren stellen. De Schrift geeft op die vraag een duidelijk en een heerlijk antwoord.
2. Waar lezen wij ervan?
Wij lezen de uitdrukking "verzegeling met de Heilige Geest" op verschillende plaatsen, die we hier eerst willen noemen. In Ef. 1 : 13v.: "In Hem zijt gij ook, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid". We willen straks nader op deze woorden ingaan. We vermelden nu nog dezelfde zegswijze, zoals deze voorkomt in Ef. 4 : 30: "En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing". Ook in de tweede brief aan de Corinthiers uit Pau
Ook in de tweede brief aan de Corinthiers uit Paulus zich over de verzegeling met de Heilige Geest. Te vermelden valt 2 Cor. 1 : 20vv. Paulus spreekt daar over de vastheid van Gods beloften. De woorden zijn bekend genoeg: "Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja. Daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons. Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook het zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft". Ook in 2 Cor. 5 : 5 treft ons een gelijksoortige uitdrukking, in de volgende woorden: "God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand heeft gegeven".
Ik ga nu voorbij aan de andere teksten uit het Nieuwe Testament, die spreken over een zegel. Men vindt ze in sommige andere brieven van Paulus en in het laatste bijbelboek. Maar ze raken daar niet de specifieke betekenis, die Paulus er in de hierboven genoemde teksten aan toekent. De verzegeling met de Heilige Geest heeft daar een eigen betekenis, waarvan ik straks een aantal bijzondere aspecten zou willen noemen. 73
3. Verzegeling in trinitarisch licht
Maar eerst zou ik willen opmerken, dat we ons moeten wachten voor een opvatting, die het werk van de Geest versmalt. Dat kan op twee manieren gebeuren. We kunnen het werk van de Geest versmallen, doordat we het isoleren van het werk van de Vader en dat van de Zoon. Het is opmerkelijk, dat Paulus, met name in het eerste hoofdstuk van Efese, het werk van de Geest plaatst in correlatie met dat van de Vader en van de Zoon. Het werk van de Geest wordt daardoor geplaatst in een trinitarisch kader. Over de Vader wordt in het bijzonder gesproken in verband met de verkiezing van de gemeente. Wij zeggen: "De Vader". Paulus spreekt echter over de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Daarmee wordt de verkiezing geplaatst binnen het raam van de verlossing. En niet omgekeerd: de verlossing geplaatst binnen het raam van de verkiezing.
Dat heeft nogal wat gevolgen. Men kan blijkbaar over de verkiezing niet anders spreken dan als verkiezing in Christus. Daarbij denk ik aan de woorden van Von Staupitz tegen Luther: Je vindt je verkiezing in de wonden van Christus. Ik vind Christus niet in mijn verkiezing, maar ik vind de eeuwige liefde van God in Christus en in zijn werk. De Geest geeft déze zekerheid.
Ook is te letten op de relatie tussen het werk van de Geest en dat van Christus. In Hem, in Christus hebben wij de verzoening. Paulus spreekt over de verzoening geenszins op een abstracte manier. Het kruis van Christus maakt alleen wijs. Wijsheid en verstand is er in de theologie van het kruis: alle wijsheid en verstand zelfs. Ook de wijsheid omtrent de Geest en zijn werk ontlenen wij aan de kennis van Christus en zijn kruis. We mogen, zeiden wij, het werk van de Geest niet versmallen, doordat we het isoleren van dat van de Vader en van de Zoon. De verzegeling met de Heilige Geest staat in dit trinitarisch kader. Wanneer we het werk van de Geest verzelfstandigen ten opzichte van dat van de Vader en van de Zoon, moet eenzijdigheid het gevolg zijn. Maar we mogen het werk van deze verzegeling ook
Maar we mogen het werk van deze verzegeling ook niet versmallen, doordat we het beschouwen als een onderdeel, een aspect, een interessant bijkomend effect van het werk van de Geest in de wedergeboorte, of in de heiliging, of in de bekering. In zekere zin geldt, dat de Geest het einde is van al Gods wegen. De algehele vervulling met de Heilige Geest zal de heerlijkheid vormen van de komende bedeling: God alles en in allen. Dat is iets anders dan een sluitstuk. Het is de climax, het hoogtepunt, waarheen de geschiedenis heenstuwt, naar Gods Raad en door zijn kracht, die alles in allen werkt. Er is niet alleen een werk van de Vader en van de Zoon. Er is ook een werk van de Geest. En dit werk bestaat niet zozeer in verkiezing, of in verzoening, maar in verzegeling. Daarom beschouwen we die verzegeling met de Heilige Geest ook niet als een deelaspect van zijn werk, dat velen missen, en enkelen misschien ontvangen. Maar we zien daarin een aanduiding van het volle en rijke werk van de Geest. Het werk van de Vader is te tekenen als verkiezende genade. Dat van de Zoon in zijn volheid als verzoenende, verlossende genade. En dat van de Geest als verzegelende genade. Het is ons een aanduiding 74 van de gehele volheid van zijn werk.
4. Aspecten van de verzegeling met de Heilige Geest Teneinde die volheid enigszins in het licht te stellen, wijs ik op de volgende zeven aspecten, zoals die met name uit Ef. 1 : 13v. zijn af te leiden.
Allereerst mag het ons niet ontgaan, dat juist in de brief aan Efese een belangrijke bijdrage wordt geleverd voor de visie op de verhouding tussen Israël en de heidenen. Zij is al te zeer verwaarloosd in ons denken over en in ons gesprek met Israel. Wij hebben niet alleen Rom. 9-11. We hebben ook Efese, waar sprake is van de tussenmuur, die scheiding maakte. Eén lichaam is het, de gelovigen uit Israël en die uit de volken. Christus is van dit éne lichaam de hoeksteen (Ef. 2 : 11-22). Die gedachte duikt niet eerst in het tweede hoofdstuk op. Zij presenteert zich reeds in het eerste hoofdstuk. In vs. 13 spreekt Paulus de Efesiërs aan: ook gij zijt in Hem. Daarvoor lezen we, dat Paulus zegt: wij die eerst, tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. Israël was Gods erfdeel in een heel bijzondere zin. Maar door het werk van de Heilige Geest zijn ook de heidenen medeërfgenamen geworden van dezelfde belofte. God heeft ook op hen zijn zegel gezet. Wij eerst zegt de apostel. Nu ook gij! De eenheid tussen Israël en de kerk is gelegen in het werk van de Geest. Wij waren eerst een erfdeel van de Here. Nu blijkt dat ook gij zijn eigendom zijt. De Heilige Geest verbindt in Christus de gelovigen uit Israël met degenen, die uit de volkeren worden toegebracht. Men kan zich in dit licht afvragen of het gesprek met Israël niet veel meer zou moeten gaan ovei het werk van de Heilige Geest.
Vervolgens is een heel belangrijk aspect van de verzegeling met de Geest, dat zij geschiedt "in Christus". In de verzen 3-10 komt die uitdrukking tien maal voor: "in Hem", "in Christus", "in de Geliefde". Wij mogen over de verzegeling met de Geest niet spreken los van Christus. Sterker nog: buiten Christus is van een eigendomsmerk geen sprake. Dit "in Christus" duidt op een levensgemeenschap, die gegrond is in de rechtvaardiging en die de grond vormt van de vernieuwing en die nimmer denkbaar is zonder de unio mystica, de verborgen gemeenschap met Christus. Een zaak van de rechtvaardiging, een zaak van de heiliging is het, maar vooral omdat het een zaak is van de hartelijke en existentiële verbondenheid aan Christus. De Geest is de band aan Christus. Omgekeerd is Christus zelf de bron voor de verzegeling. "In Hem zijt gij verzegeld". Nimmer is er sprake van Geestesbezit buiten Christus om. Door Hem ontvangen wij de Geest. Hij heeft uitgestort, wat wij zien en horen op Pinksteren. Wie Geestesvolheid zoekt, moet bij Christus wezen en nergens anders.
Het derde aspect, dat in de tekst wordt aangewezen, is, dat er van verzegeling met de Heilige Geest alleen sprake kan zijn door de relatie die er ligt tussen Woord en Geest. Het Woord der waarheid, het evangelie van ons behoud, moeten wij horen. Het geloof is uit het gehoor. De verzegeling met de Geest geschiedt eveneens door het gehoor van het Woord Gods. Het Woord der waarheid, het evangelie van het behoud: zo wordt het genoemd. Niet het Woord van de wet, maar het evangelie van het behoud,de belofte is het die ons de Geest schenkt. Woord en Geest: men heeft die verhouding wel genoemd het scharnier van de theologie. Wanneer hier de zaken fout gaan, gaat het over de gehele linie fout. De valse mystiek dient zich dan aan. Of de steile orthodoxie. Woord en Geest zijn met een onlosmakelijke band aan elkaar verbonden. De een kan niet zonder de ander. Het werk van de Geest is een effectieve kracht van het Woord der waarheid. En dit Woord der waarheid functioneert als het evangelie der zaligheid.
Een vierde aspect wordt gevormd door de relatie tussen het geloof en de Geest. We zeggen het eerst zo: het geloof en de Geest, tussen geloof en verzegeling. "In Hem zijt gij, nadat gij het woord der waarheid gehoord hebt, namelijk het evangelie van uw behoud, in Hem zijt gij, nadat gij geloofd hebt, verzegeld ". We denken daarbij aan Paulus' woorden uit de Galatenbrief: "Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?" (Gal. 3 : 2). Niet de werken der wet verlenen ons de Geest, maar alleen het geloof in Christus. Door dit geloof ontvangen we de Geest, zo leert ons de brief aan de Galaten en zo leert ons ook onze tekst. Het geloof is het middel waardoor wij het eigendomsstempel ontvangen van de Geest. De relatie is een bijzonder sterke en een onmiddellijke.
Hoe hebben wij het "nadat" van de tekst op te vatten? Bedoelt Paulus dat er eerst het geloof is, en daarna, misschien wel geruime tijd daarna een verzegeling met de Geest? Ik meen, dat we dit niet in de tekst moeten lezen. Er is geen sprake van een temporele aanduiding: eerst geloven we, en daarna, misschien heel lang daarna, misschien ook wel helemaal nooit daarna, volgt de verzegeling. Niet in temporele zin, maar in causale zin hebben we dit "daarna" op te vatten. De verzegeling geschiedt door het geloof. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God, door het evangelie van ons behoud. En waar dit geloof kwam, daar zette God zijn zegel, zijn eigendomsmerk, zijn Geest er op. Door het geloof komen wij tot zekerheid. Ook het omgekeerde is waar. Alleen de Geest leert ons geloven. Geloof is Gods gave! De Geest is het ook, die het leven van het geloof in stand houdt, zodat er niet één daad van geloof is, of wij ontvangen van Hem de kracht daartoe. Maar juist zo, in en door het geloof vertoont het kind des Heren het eigen merkteken van de Geest, het eigendomsstempel van God zelf.
In de vijfde plaats leggen we een verband tussen zekerheid van het geloof en verzegeling. We beschouwen deze twee niet als afzonderlijke zaken. Er staat niet dat wij verzegeld worden dóór de Geest, maar mèt de Geest. Het ontvangen van de Geest zelf is het kenmerk, dat het eigendomsrecht van God aangeeft. God kent degenen die de zijnen zijn. Het zegel behoort bij het vaste fundament van God. God weet het. Maar zouden de gelovigen het zelf niet weten? Wie het zegel draagt wordt daardoor voor God gekenmerkt. Maar zou het ooit de bedoeling kunnen zijn, dat Gods kinderen zelf daarvan onwetend blijven? Dat laat zich niet denken. God kent hen. Zij worden ook voor het oog van de mensen aan de vruchten en gaven van de Geest herkend. En zelf weten zij het door het geloof in Christus.
En zesde aspect is dat van de verzegeling door het sacrament. De roomskatholieke exegese legt daarop vrij sterk, soms eenzijdig de nadruk: het zou in deze tekst gaan om het ontvangen van het sacrament van de doop en daarbij dan tevens om de sacramentele doop met de Heilige Geest. De reformatorische exegese doet dit minder sterk. Maar we vergeten niet, dat ook de catechismus spreekt over de zegelen van de genade, geschonken in de sacramenten. Luther wist daarvan gebruik te maken. Eens zei hij tot iemand, die aangevochten werd: "Ben je niet gedoopt? O, welk een grote gave is de doop en het Woord van God! Daarom moet men God van harte danken, dat wij deze gave hebben. God is het die ons sterkt en die ons de Geest als pand heeft gegeven". De sacramenten zijn heilige waartekenen en zegelen. Zij dienen om de belofte van het evangelie des te beter te doen verstaan en haar te verzegelen.
Het laatste aspect is dat van de christelijke hoop. Wij worden verzegeld tot de dag der verlossing. De Heilige Geest is een onderpand van onze erfenis, tot verlossing van het volk dat Hij zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. Daarom staat er ook in Ef. 4 : 30: "En bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door welke gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing". Zo is de Geest het onderpand, als zegel waardoor het eigendomsrecht van God zelf tot uitdrukking wordt gebracht. God herkent de zijnen aan de Geest, die Hij hun heeft gegeven. Het gehele werk van de verlossing, zoals het door de drieènige God is be- 75doeld, door Christus is verworven, wordt door de Heilige Geest geëffectueerd, "in Christus", door het geloof, uit kracht van het Woord der waarheid, het evangelie van de zaligheid. In dat geloof ligt de zekerheid vast, omdat het vast ligt in het Woord, d.i. in Christus. In de sacramenten worden ons van dit heil de tekenen geschonken, tegelijk ook als zegelen van de Geest. En de hoop richt zich door de Geest op de toekomst van het rijk, waarin God zal zijn alles en in allen.
5. De reformatorische opvatting. Luther
Het is de rijkdom van de Reformatie geweest, dat zij deze bijbelse visie op het werk van de Geest weer naar voren heeft gebracht. Daarnet zeiden we, dat iedere reformator in zekere zin een theoloog van de Heilige Geest is geweest. Tegenover Rome legt de Reformatie de nadruk op de Geest. Tegenover de Dopers, die er altijd op de een of andere manier óók bij zijn, legt zij de nadruk op het Woord. En zo spreekt de Reformatie altijd met twee woorden: Woord èn Geest.
We laten nu de accentverschillen tussen Luther en Zwingli rusten. Luther heeft vooral op het Woord alles laten aankomen. Maar het is opmerkelijk, dat hij juist wanneer het gaat over de verzegeling van dat Woord spreekt over de Geest. Hij doet dit, als ik één voorbeeld mag noemen, in zijn uitleg van Joh. 3 : 33: "Die zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is".
Luther schrijft: "Dit klinkt zonderling en dwaas. Kan God niet betrouwbaar zijn, ook al zetten wij ons zegel er niet op, dat Hij betrouwbaar is?" Met andere woorden: is de betrouwbaarheid van God afhankelijk van ons geloof? "Ik heb altijd aangenomen", zegt Luther, "dat wij het zegel van Hem hebben te ontvangen, en nu lezen wij het omgekeerde!" "Maar", zegt Luther, "dit is vanaf het begin de ellende geweest, dat men niet wil toegeven dat God waarachtig is, zoals Hij zich openbaart in Christus. Het gaat er niet om, dat men God in zijn majesteit erkent. Dat wil de wereld ook nog wel. Maar wie wil geloven, dat God in Christus, in zijn Woord, dat van lijden spreekt, betrouwbaar is? Hij moet geloofd worden, zoals Hij zich openbaart in zijn Zoon. Dat doet de wereld niet. Zij noemt God een leugenaar. Maar de gelovigen verzegelen, dat God waarachtig is, d.w.z. zij beamen, dat God God is, en dat Hij betrouwbaar is." Hoe komt het tot deze verzegeling? Of anders gezegd, hoe geraakt een christenmens tot deze zekerheid, die hem volkomen doet geloven in God?
Op dit punt gekomen, keert Luther de zaak om en begint hij te spreken over wat de Geest doet. Wij verzegelen, dat God waarachtig is, volkomen betrouwbaar in zijn spreken. Maar dit geschiedt op geen andere manier, dan doordat de Geest het Woord in onze harten legt. En daarbij gebruikt de Geest de prediker en het woord van de prediking. Zo verzegelen wij, dat God in Christus waarachtig is, en zo verzegelt de Geest het Woord in ons hart.Luther geeft volkomen de eer aan het Woord, omdat het betrouwbaar is. En tegelijk geeft Hij alle eer aan de Geest, omdat Hij het Woord in ons hart tot zekerheid maakt. Luthers theologie is theologie van het Woord. En daarom ook theologie van de Geest. 76
6. Verzegeling met de Heilige Geest bij Calvijn
Luther heeft veel te maken gehad met revolutionaire geestdrijvers. Ook bij Zwingli, Bucer en Calvijn is sprake van een afweerhouding ten opzichte van Dopers en spiritualisten. Maar de accenten liggen hier toch wel anders dan bij Luther. Sterker hebben zij de nadruk gelegd op de relatie van Woord èn Geest.
Is de brief aan de Galaten vooral Luthers brief (hij noemde haar zijn Kathe), voor Bucer en Calvijn is vooral de brief aan Efese van betekenis geworden. Men vindt vooral in de gereformeerde traditie heel wat commentaren op deze zogenaamde kerkbrief van Paulus. We denken aan de commentaren van Bucer, Calvijn, Zanchius en Olevianus. Ik beperk me nu voornamelijk tot Calvijn. Hij schrijft helder en de reformatorische positie komt bij hem duidelijk uit.
Bijzonder scherp tekende hij de positie van de Reformatie op dit punt tussen Rome en de Dopers in. Bekend is het woord uit zijn brief aan Sadoletus, dat zowel Rome als de Dopers inzake de opvatting van de Geest elkaar de hand geven. Zij beroemen zich beide op de Geest. Maar zij doen dit op het graf van het Woord van God.
"Door twee secten worden wij bestreden, die onderling bijzonder veel schijnen te verschillen. Want wat voor overeenkomst heeft de paus met de anabaptisten?" Toch stemmen zij op één punt met elkaar overeen. "Want wanneer zij zo overvloedig zich op de Geest beroemen, hebben zij werkelijk niets anders in de zin, dan dat zij op het onderdrukte en begraven Woord van God plaats maken voor hun eigen leugens".
Calvijn bond op een bijzonder krachtige manier Woord en Geest aan elkaar. Ook zijn spreken over de verzegeling met de Geest vertoont verschillende aspecten. Ik noem met name de volgende vier:
Allereerst is het opvallend, dat Calvijn de verzegeling met de Geest betrekt op de zekerheid van hel Woord, zodat die verzegeling vrijwel komt samen te vallen met het getuigenis van de Heilige Geest. Wat Calvijn daarover schrijft, behoort tot de fraaiste gedeelten van de Institutie. De Geest is het, die ons het Woord niet alleen doet verstaan, maar die ook de evidentie van het Woord zo klaar en duidelijk voor ons maakt, dat er geen twijfel meer overblijft.
Wat Luther onderging toen de Schrift zich voor hem opende en hij als een herboren mens het paradijs binnenstapte, dat heeft Calvijn in zijn spreken over het getuigenis van de Heilige Geest beschreven. Dat getuigenis overtreft alle redenering. "Want evenals God alleen een voldoende getuige is aangaande zichzelf in zijn Woord, zo zal ook dit Woord niet eerder geloof vinden in de harten der mensen, dan wanneer het door het inwendig getuigenis van de Geest bezegeld wordt". Dezelfde Geest, die het Woord gaf aan de apostelen en profeten, is het ook die het Woord aan ons zo overtuigend meedeelt, dat er niets anders overblijft dan het te geloven: "Dit moet dus onveranderlijk vastgesteld blijven, dat zij die door de Heilige Geest innerlijk onderwezen zijn, volkomen rust vinden bij de Schrift, en dat deze haar geloofwaardigheid in zichzelf heeft, en niet onderworpen mag worden aan bewijsvoering en redenering, en dat zij niettemin de zekerheid, die zij bij ons verdient te hebben, door het getuigenis van de Geest verkrijgt. Want ook al verwerft zij zichzelf door haar eigen majesteit eerbied, zo grijpt zij ons toch dan eerst ernstig aan, wanneer zij door de Geest in onze harten verzegeld is. Door diens kracht verlicht, geloven wij niet meer op grond van ons eigen oordeel of op dat van anderen, dat de Schrift van God is; maar boven het menselijk oordeel uit, stellen wij als zekerder dan zeker vast, even alsof wij daar de godheid van God zelf aanschouwden, dat zij door de dienst van mensen, van Gods eigen mond zelf tot ons gekomen is" (Inst. I, 7, 5). Calvijn gebruikt hier dezelfde terminologie als in zijn commentaar op Ef. 1:13, over de verzegeling met de Heilige Geest.
Een tweede aspect is dat van de nauwe verbinding tussen de verzegeling met de Heilige Geest en het geloofsbegrip. Het is uiterst boeiend om te zien, hoe Calvijn stap voor stap zijn definitie van het geloof opbouwt. Hij wijst het ingewikkelde geloof van Rome af. Hij gaat dan verder spreken over het geloof, dat in het algemeen genomen een kennis is van Gods wil over ons. Maar dit is niet genoeg gezegd. Het geloof richt zich niet op Gods wil. Dat zou tot algemeenheden leiden. Daarom moet niet maar de wil van God zo in het algemeen worden genoemd als de inhoud van ons geloof, maar de welwillendheid van God, zijn vaste wil om voor ons het allerbeste te willen.
En deze welwillendheid wordt gekend. Deze kennis berust op de waarheid van Gods Woord, nauwkeuriger: op de waarheid van Gods genadige belofte in Christus. Deze belofte is het gewaad, waarin Christus tot ons komt. Christus is "buiten ons". Hij komt in zijn belofte tot ons. En in Christus treedt de welwillendheid van God op ons toe. Hoe kennen wij Hem? Hoe weten wij dit?
Calvijn zegt, dat er twee daden zijn van de Geest, die elk met een eigen werkwoord worden aangeduid en die zich ook elk afzonderlijk richten op een bijzondere zielefunctie van de mens. Er is sprake van een daad van openbaring. Zij geschiedt aan ons verstand. En er is een daad van verzegeling. Zij geschiedt aan ons hart. De kennis die wij ontvangen is vrucht van openbaring. Daardoor wordt ons verstand verlicht. We ontvangen door deze openbaringsdaad een heldere kijk op de waarheid Gods. Maar daarnaast is er een daad van de Geest, die samenvalt met zijn verzegelend werk. Deze verzegeling vindt plaats aan ons hart. Maar deze twee werkzaamheden van de Geest vallen niet uit elkaar. Calvijn kan zeggen, dat de kennis de eerste stap vormt op de weg van het geloof. Er is sprake van een tweevoudig effect van de Geest, waardoor zijn eigen werk heenstuwt naar de vervulling: het vertrouwen. Wat de Geest doet is tweevoudig. Maar deze tweeërlei daad vormt in haar totaliteit het éne, vaste, het zekere geloof.
En zo heeft Calvijn de verzegeling met de Geest ingebouwd in het geloofsbegrip zelf. Zij vormt niet een toevoeging aan de daad van het geloof. Zij is niet een bekroning van het geloof, een hogere trap, een bijzondere acte in aansluiting aan het geloof. Zij vormt een inhaerent bestanddeel van het geloof zelf. Dat is in de lijn van Ef. 1 : 13.
In de derde plaats: Calvijn heeft een nauwe relatie gezien tussen verkiezing en verzegeling. Om te beginnen bracht hij zijn leer van de verkiezing onder bij het werk van de Geest. Dat verleent aan zijn uiteenzettingen hier en daar een bijzondere warmte. De verkiezing is voor Calvijn de bekroning van de leer van de rechtvaardiging. De rechtvaardiging vindt plaats uit louter genade. Om dit volstrekte en absolute genadekarakter tot uitdrukking te brengen is er geen beter middel denkbaar dan dat van de leer der verkiezing, waarbij zelfs geen mogelijkheid van verdienste in aanmerking genomen kon worden.
Toch hangt de leer van de verkiezing niet als een donkere en dreigende wolk boven het hoofd van de gemeente. Zij wordt gekenmerkt door de gedachte van de verkiezing in Christus, d.w.z. in gemeenschap met Christus. Er vindt geen enkele daad van heil plaats of zij komt voort uit de gemeenschap met Christus. De Geest legt de relatie, meer nog. Hij is zelf de band van onze vereniging met Christus. En men zou derhalve het werk van de Geest bij Calvijn kunnen omschrijven als de zichtbare kant van de eeuwige verkiezing Gods in de tijd, binnen onze eigen levenswerkelijkheid.
De verkiezing wordt door haar binding aan het werk van de Geest ook niet een exclusief gegeven. Ik zou een aantal citaten kunnen geven, waaruit blijkt dat Luther, Bucer, Capito, Hyperius en Zanchius, evenals Calvijn over de verkiezing hebben gesproken op de "inclusieve" manier.
Het getuigenis van de Geest maakt in ons hart en in ons geweten de verborgen verkiezing van God openbaar. Dit getuigenis van de Geest raakt niet allereerst de ander, het heeft betrekking op onszelf. "Men behoeft niet zo bekommerd een onderzoek in te stellen naar de verkiezing van onze broeders. Zij moet veeleer beoordeeld worden vanuit de roeping, zodat wij voor uitverkoren houden allen die door het geloof in de kerk zijn opgenomen. Want God zondert hen van de overige wereld af. En dit is een teken van de verkiezing" (1 Petr. 1 : 1).
Een vierde aspect is dat van de totaliteit van het werk van de Geest. Het gehele leven van de gelovige valt er onder. Het leven uit het geloof tot rechtvaardiging. Maar ook de heiliging van .het leven. De overdenking van het toekomende leven. Maar ook de vervulling van de goddelijke roeping in dit leven. Het geduld onder het dragen van het kruis in zelfverloochening. Maar ook de blijdschap van de christelijke vrijheid, die ons voor God (dank zij de rechtvaardiging) en voor de mensen (in hartelijke naastenliefde) doet leven in de vreze des Heren.
Deze totaalconceptie hangt samen met Calvijns visie op de drie concentrische cirkels, waarin het werk van de Geest is onder te brengen. In de meest wijde zin van het woord omvat dit werk de gehele schepping. In een nauwer verband staat het tot het mense- Hjke leven. In het bijzonder echter betreft dit werk van de Heilige Geest de kinderen van God, die geleid worden door de Geest van God, zodat in hun gehele leven de rijkdom van Gods genade weerspiegeld wordt.
Verzegeling door het Woord. Verzegeling door het geloof Verzegeling als zichtbare kant van de verkiezing En verzegeling over de totaliteit van het leven we menen, dat Calvijn door oog te vragen voor dit viervoudig aspect van het werk van de Geest, recht heeft gedaan aan wat de Schrift omtrent de verzege ling met de Geest ons heeft te zeggen
Misschien moeten we zeggen, dat een aspect wat onderbelicht is gebleven dat van de onderlinge relatie tussen Israel en de volkeren, zoals het in Ef 1 13v aan de orde kwam Overigens zijn sommige andere aspecten in de na-reformatorische tijd eveneens verlo ren gegaan
Zonder daarop nu nog breed te kunnen ingaan, WIJS ik op de gang van zaken in de orthodoxie en bij het pietisme Reeds bij Zanchius treft ons de opvatting van de verzegeling met de Geest als een later bijkomende daad van de Geest, die binnen het geloofsbegrip zelf een scheiding kan doen ontstaan, zoals deze in het pietisme straks inderdaad is te constateren De zekerheid van het geloof vraagt dan om een be vestiging achteraf, waarbij de grond van het geloof gaat verschuiven van de belofte van God naar de ken merken, die gaan functioneren als een tweede funda ment
Hoe actueel vandaag het onderwerp is, dat we hebben besproken, mag blijken uit de belangstelling die men in sommige charismatische kringen heeft voor de verzegeling met de Geest Deze wordt dan opgevat als een second blessing, een tweede zegen, of ook als doop met de Heilige Geest Wij menen dit streven te kunnen plaatsen binnen het raam van het algemene zoeken naar en roepen om ervaring, dat op vele terreinen van het leven, ook op dat der theologie is op te merken
Die vragen hebben hun recht Maar een bevredigend antwoord is slechts te verwachten, wanneer in dat antwoord iets doorklinken mag van wat de verzegeling met de Heilige Geest naar bijbels reformatorische opvatting inhoudt En wat is dit anders, dan het afhankelijke en toegewijde leven uit de genade van God, de Dneemge, die verkiest, verzoent en verzegelt En die daarin zijn Woord betrouwbaar doet zijn voor het geloof in het evangelie van ons behoud En die ons op deze wijze hoop geeft en zekerheid tegen de dag der verlossing En die ons daarvan verzekert door wat HIJ aan ons verstand openbaart en aan ons hart verzegelt
(Referaat, gehouden zaterdag 6 april 1991 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr H F Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht )
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1991
Ecclesia | 8 Pagina's