Luther En Kohlbrugge, Twee Theologen Onder Het Kruis
Zowel Luther als Kohlbrugge hadden een hartsgeheim, namelijk Christus de Gekruisigde. Beiden waren zij - niet minder dan Calvijn - zeer wel aan de weet gekomen, dat deze Christus ons niet ver en vreemd blijft, maar Zich door de inwerking van de Heilige Geest innestelt tot in de gronden van de existentie. Waar het Woord van de Gekruisigde door de Geest /ijn intrek neemt, daar reikt het diep en draagt het de vrucht van een onvervreemdbare, eigensoortige ervaiing. Luther en Kohlbrugge hebben niet nagelaten om deze werkelijkheid met onmiskenbaar gevoelsmatige categorieën te vertolken. 'Dit geloof - aldus Luther - maakt dat Christus je lief en welgevallig wordt en zoet gaat smaken in het hart!' Hij noemt in dit verband het geloof een allerzoetste aandoening van het hart. Het valt niet zwaar om ook bij Kohlbrugge een soortgelijke innigheid op te sporen. 'De Heere - zo verzekert hij - heeft voor de zijnen niet een zaligheid aangebracht waarbij zij dor en leeg zouden blijven, maar zij zullen reeds hier de eerstelingen ervan in volle heerlijkheid genieten. Hij heeft ons een schone hof geschonken, dat wij daarin wandelen, en somtijds de ellende van dit leven geheel vergeten mogen en ons verzadigen met het genot van de edele vruchten die Hij voor ons laat groeien'. Koningskinderen zijn wij, die van een hemels brood en van een bovenaardse wijn genieten. En wij hebben een 'woning waar wij ons in gestadig verkeer bevinden met de volzalige God, om Zijn lieflijkheid voortdurend te smaken'.
Hoe waar en wezenlijk dit aspect ook is, wij zouden toch zeer onvolledig blijven, wanneer wij Luthers en Kohlbrugge's prediking uitsluitend door deze innige, in zekere zin mystiek getinte uitspraken zouden karakteriseren. Zij zijn A'rw/.stheologen. Zij hebben bijgevolg geweten, dat de geloofsomgang met Christus niet alleen zoete en lieflijke kanten heeft, maar ook bittere en weerbarstige. Hun concentratie op het Kruis behelst een radicale kritiek op al wat niet ontspringt aan Gods Geest, maar aan ons vlees; op al wat met het geloof niet accordeert, maar ermee contrasteert. Dat moet aan het Kruis.
Inzonderheid drie gestalten hadden zij voor ogen, die onder het oordeel van het Kruis doorgaan, namelijk 's mensen autonome denken, zijn wettische werken en zijn eigenste leven. Het zijn deze drie momenten van beider kruistheologie die wij willen adstrueren, waarbij wij telkens ons vertrekpunt nemen in Luther. "
I
Tijdens zijn hongertochten door de Schrift heeft Luther van hogerhand geleerd, dat geen heilzame Godskennis ons ten deel valt buiten het Kruis van Christus om. Dit Kruis alleen is het brandpunt van Gods openbaring, het trefpunt met Zijn hart. Dat is een streep door onze rekening. Wie had gedacht dat God zó God zou zijn? Gedacht hadden wij heel iets anders. Maar dat denken deugt niet. Heel die denkweg, die God op het spoor wil komen, ligt versperd. Daar wist Luther van mee te praten.
In de middeleeuwse, scholastieke theologie speelt het zogeheten speculatieve denken een vitale rol. Het betreft een theologie van de mens uit, van beneden naar boven. Het impliceert een geloof dat redeneert, filosofeert, concludeert. Het is een dus-gsXooï. Het doordenkt en doorziet, en dus gelooft het. Deze theologie noemt Luther een theologia gloriae, een theologie der heerlijkheid, omdat zij de pretentie voert, uit de macht, de majesteit en de glorie van God die in de schepping waar te nemen zijn, tot een ontwerp te kunnen komen van het wezen Gods. Deze theologie gaat uit van de optimistische vooronderstelling, dat er een betrouwbare kennisweg loopt van het schepsel naar de Schepper.
Toen Luther de Gekruisigde ontmoette, ging het Kruis door heel deze hovaardig optimistische methode van theologiseren. Geloven werd hem in de grond nochtans-gt\ooï. Het doorziet niet, maar het laat zich blindelings gezeggen en verlaat zich, door alle paradoxen heen, nochtans op het Woord van de Onzienlijke. Dit nochtans-karakter acht Luther onopgeefbaar voor het geloof. 'Opdat er ruimte zij voor het geloof, is het noodzakelijk dat alles wat geloofd wordt, verborgen is. En het kan niet dieper verborgen zijn dan wanneer het aan ons inzicht en onze zintuigen tegengesteld en onder het tegendeel verborgen is'. Tussen ónze wijsheid en die van Gód loopt een on
Tussen ónze wijsheid en die van Gód loopt een onneembare breuklijn. Hij is volstrekt anders dan wij in de hoogvlucht van ons knapste denken konden vermoeden. 'Dat verstand van ons is omtrent de kennis Gods een duistere chaos - schrijft Luther in 1518 aan zijn vriend Spalatinus - het is stekeblind'. Luther kan zich ook wel bitser uitlaten. Dan spreekt hij van 'die Hure Vernunft'. Zich daarmee af te geven, bergt een groot gevaar in zich. 'Wilt ge de boze vijand niet in zijn net vallen, laat dan varen uw haarkloverijen, eigenwaan en subtiliteiten, en houd u aan het godde- 81lijke Woord! Da kreuch hinein, und bleib drinnen, wie ein Hase in seiner Steinritze'.
Het Kruis trekt een kras, een diepe kerf door onze intellectualistische pretentie. Het is de onverbiddelijke storing in iedere poging, om via de rationele methode vat op God te krijgen. Rond het Kruis wordt heel ons natuurlijk Godsontwerp te schande. Er lóópt geen kennisweg van ons uit naar God. Er loopt alleen een weg van God uit naar ons. Het is de weg van Zijn openbaring, waarin Hij Zich te kennen gééft. En wat blijkt daar? Dat God Zich niet in glans en glorie openbaart, maar in bloed en verberging; niet in macht en luister, maar in ontlediging en ontluistering. Gans anders dan we ooit bevroedden. 'In de gekruiste Christus is - naar Luthers oordeel - heel de ware theologie en Godskennis gelegen'. Christus' Kruis 'is de enige onderwijzing in de woorden Gods, en de betrouwbaarste theologie'.
Heel de aanmatiging om God van ons uit te kennen, op de wijze van de scholastieke theologia gloriae, ontmaskert Luther als drieste zelfvergoding. God maakt er korte metten mee. Want Hij 'stoot met kracht terneer wat zichzelf God wil maken'. Kort en kras voegt Luther de genoemde Spalatinus toe: 'Wir sollen Menschen (und nicht Gott) sein. Das ist die Summa'. Het zijn deze "mensen" die niet zouden weten, hoe zij God ooit moesten bereiken. Daar is hun afgrond te diep voor. Alle wegen zijn geblokkeerd. Ook de denkweg. Maar terwijl zij niet omhoog kunnen, komt God zelf omlaag. Allerlaagst. In Christus de Gekruiste. 'En zie - zegt Luther - daar achten wij deze bespuwde, gegeselde en allerschandelijkst gekruiste Christus hoger dan alle schatten van de rijken, dan alle kracht van de machtigen, dan alle wijsheid der vernuftigen en dan alle vroomheid van de heiligen'. Daar ontsluit God ons Zijn hart. In de verborgenheid van het Kruis openbaart zich Gods wezen. Dat is God kennen in Zijn hoogste liefde: Hem te omhelzen waar Hij het "teerst" is. Daar mag ik bedenken: 'Ja, dat is God! Zo is Gods wil en welbehagen, dat Christus alles voor mij volbrengt. Met Hem voor ogen ervaar ik de onuitsprekelijke barmhartigheid Gods, dat Hij Zijn lieve Kind voor mij gegeven heeft in smaad en schande en dood'.
ledere poging om de Godskennis buiten de vernederde Christus om te bemachtigen, is niet alleen vergeefs, maar ook vermetel en riskant. 'Begint ge - zegt Luther - bij Gods hoge Majesteit, dan zult ge onverwijld uw nek breken en van de hoge hemel naar beneden storten, zoals Lucifer gevallen is. Ge moet geen dak gaan bouwen, aleer de fundering is gelegd'. 'Geloof me op dit punt, want ook zelf ben ik in die school (van de hoge speculaties) geweest. Ik verbeeldde me dat ik temidden van de engelenkoren verkeerde, maar in werkelijkheid bevond ik me onder de duivels. Leer door mijn scha en schande maar wijs worden en zoek het maar in de diepte, bij Gods Zoon, die Zich daarom tot u neergebogen heeft, opdat ge in Hèm God Zelf mocht leren kennen'. Niemand verstoute zich tot God te gaan, dan over deze Brug. Christus is het voetpad tot de Vader!
Laatste ernst heeft Luther gemaakt met het "God in Christus". Kohlbrugge deed niet voor hem onder.
Ofschoon hij de bekoring van de theologie der glorie niet zo aan den lijve heeft ondervonden als Luther, was hij even vastberaden in zijn oordeel over de waan dat God zou zijn te kennen langs de weg van de rede, buiten de Gekruisigde om. 'Ons verstand - schrijft hij - beoordeelt alles naar de zeer enge gezichtskring waarin het om zich heen kan zien. Het kan niets zien van de heerlijkheid Gods. Het kent geen andere heerlijkheid dan de vermeende heerlijkheid van het zichtbare'. Een mens komt met zijn wijsheid nog niet eens zó ver dat hij het voor waar houdt, mens te zijn. Laat staan dat hij Gód zou kunnen kennen. Gods liefdeshart te kennen, wordt met het verstand niet bereikt. Wij moeten dan ook niet 'nutteloos over het wezen Gods speculeren, noch met ons denken de hoogte en de diepte in, om te doorgronden hoe Gods wezen op zich is, want daarin is het leven niet, veelmeer de dood!' Kohlbrugge noemt het 'eine trostlose Spekulation', waar zelfs het scherpste verstand in faalt. God laat Zich niet on-bemiddeld ontmoeten. Dat duldt Zijn Majesteit niet. De mens zou verteerd worden. Er is geen weg van ons naar omhoog. Maar nu buigt God Zich neer in Zijn Zoon. Hij komt neerwaarts tot wie niet opwaarts kan. Hij overbrugt de afstand. Zonder restrictie. Hij doet dat in het vleesgeworden Woord, in de vernederde Christus. In Hem spreekt God Zich uit. Zo zien wij de Vader in het hart en leren wij Hem kennen. 'Alleen op zodanige wijze weten wij hoe God over ons denkt; alleen zó, of en hoe Hij ons goedgunstig en genadig wil zijn, en wie de rechte, ware en levende God is'. Kohlbrugge acht elke roem in de kennis Gods en in een verborgen gemeenschap met Hem en in het aanschouwen van Zijn aangezicht buiten Christus, ijdel. Alleen in de Gekruisigde kennen wij God. 'Alleen in Hem weten wij of Hij gedachten des vredes over ons heeft'.
Ondubbelzinnig komt hier op ons toe, om welke soort Godskennis het Kohlbrugge - evenzeer als Lu-ther - te doen is. Het gaat hem niet om speculatieve, theoretische, afstandelijke informatie, maar om existentiële heilskennis. Zoals Luther Gods hart en welbehagen voor hem ontsloten zag, juist in die gegeselde en bespuwde Kruiseling, zo horen wij ook Kohlbrugge zeggen: 'Dat Jezus naar het zichtbare zo geheel geen gedaante heeft, dat Hij de doornenkroon draagt, dat het bloed Hem uit zeven wonden nederstroomt, dat Hij daar aan het vloekhout hangt, met neergebogen hoofd, het lichaam verscheurd, bleek en dood, dat zijn mijn zonden ( ). O, hoe schoon, hoe schoon is Koning Jezus! Wil heel de wereld Hem niet hebben, ik verbind mij aan Hem, zo dood als Hij daar hangt'. Zó nu worden wij 'ingeleid in de raad van het eeuwig welbehagen Gods'. Zo zien wij God in het hart.
Luther en Kohlbrugge zijn het erover eens: in Christus de Gekruisigde geeft God Zich te kennen zoals Hij in Zijn diepste wezen is, - een God van een weergaloos erbarmen. De geloofskennis, waarmee wij dit Godsgeheim verstaan, is ten diepste niet meer - maar ook niet minder - dan een groot verbazen. Waar het mondige weten sterft, vangt de eenvoud der verwondering aan.
II
Luther heeft, zoals wij zagen, scherp de overmoed gehekeld van het religieuze intellectualisme dat in de scholastiek in zwang was. De stelling, dat men zonder Aristoteles geen theoloog wordt, keerde hij onverschrokken om: Geen theoloog dan zónder Aristoteles. Zijn aanval was echter niet alleen, wellicht zelfs niet voornamelijk, gericht op het intellectualisme. Trefzeker doorzag hij hoe dit intellectualisme verstrengeld lag met het moralisme. Wie van mening is. God te kunnen vatten en bereiken met zijn denken, die matigt zich licht ook aan. Hem te kunnen verzoenen (mede) op grond van zijn verdienstelijk gewaande werken. Eigen-wijsheid gaat hand in hand met eigen-gerechtigheid. Maar dit is de doe-godsdienst van de wettische mens, wiens godsdienst tenslotte niets anders voorstelt dan de hovaardige waan dat God hèm moet dienen, op grond van eigen productie en prestatie. Het is deze euvele grondstemming, die Luther de dood is geworden. Dat overkwam hem in de omgang met de Schrift, met name de Psalmen, de Romeinenbrief en de Galatenbrief, zijn 'Epistelchen', zijn 'Kathe'. Tegen heel die fictie van de werkgerechtigheid trekt hij onopgegeven te velde. Luthers grond ligt elders. Niet in wat de mens aanbrengt, maar in wat God volbrengt. 'Het eigenlijke gehalte van de theologie' noemt hij dan ook 'de door de zonde schuldige mens en de rechtvaardigende God en Heiland van deze zondaar. Wat daarbuiten in de theologie wordt gezocht en behandeld, is dwaling en gif'.
Luthers grond was dus meteen ook zijn grens. Al zijn Wetsgerechtigheid leed schipbreuk. Buiten het verzoenende Kruis is God voor Luther niet alleen onkenbaar, maar vooral ook ongenaakbaar. Gods heiligheid is slechts te verduren onder 'het gewelf van Gods genade', dat is onder de bedekking van het Kruis.
Dit bedekkende Kruis is overigens in eerste instantie ontdekkend. Is daar immers niet in alle scherpte aan het licht gekomen, hoe ver wij het hebben gebracht met al ons monnikenwerk? Want nergens klinkt de aanklacht van de Wet zo vernietigend als rond het Kruis. Het Kruisevangelie schuift de Wet niet ter zijde, maar intensiveert haar vloekkracht tot het uiterste.
Luther hanteert in dit verband de terminologie van Gods opus alienum en Zijn opus proprium -, Zijn vreemde (oneigenlijke) en Zijn eigenlijke werk. God gaat tweeledig te werk. Enerzijds legt Hij o«/dekkend onze goddeloosheid bloot, anderzijds vergeeft Hij die, bedekkend. In het Evangelie van het Kruis verbergt Hij in eerste instantie Zijn vrijspraak achter het vonnis der Wet en hult Hij het Ja van Zijn genade in het Neen van Zijn toorn. Niet slechts eenmaal, ter voorbereiding van het geloof, maar veeleer als levenslange grondtrek en omtrek van alle geloof.
De geestelijke Wet vormt de slagboom voor ieder die op eigen vleselijke kwaliteit vertrouwt. Zo bewaakt zij de toegang tot het heilige hart van het Evangelieheil. Dit is immers niet maar zó toegankelijk en open, dat ieder er maar binnen vallen kan.
De Farizeeërs moeten buiten blijven. Niet omdat zij zulke zondaars zijn, maar omdat zij in volle ernst in de mening verkeren, het niet te zijn, en denken, op grond van eigen daad en dank over Gods gunst te kunnen beschikken. Zulken verspert de Wet de toegang. En Luther wist, dat deze Farizeeër huist in ieders hart, en dat daarom een ieder vroeg of laat voor deze slagboom van Gods heilige Wet wordt halt gehouden. Ook zelf had hij de ontzagwekkende werkelijkheid hiervan ervaren. Dr. W. Aalders omschreef het ooit zo {De tijdgeest weerstaan, p. 209): 'Leven onder het beslag van de Wet betekent: het Evangelie zien als een afgescheiden en ontoegankelijke wereld. Gods genade en vergeving zijn dan een "binnen", waar wij "buiten" staan. Zij zijn gesloten gebied, heilige grond; wel werkelijkheid, maar niet voor mij. Een engel met het heen en weer bewegende zwaard houdt de toegang gesloten'. Maar wie onder de tucht van dit heilzaam oponthoud door de knieën gaat, mag binnen. 'Zo - zegt Luther - is de Wet dienaar en deurwachter tot de vrijspraak der genade'.
Maar nu is het opmerkelijke dat de Wet haar vonnissende werk niet zónder, maar ónder het Evangelie verricht. 'Want - verklaart Luther - de Wet verschrikt mij nooit dieper dan wanneer ik hoor dat Christus, Gods Zoon, de vloek voor mij gedragen heeft'. Onder dit oordeel komen twee dingen openbaar: óns volstrekte debacle en Gods volstrekte gelijk. En ik kan niet anders dan Hem gelijk geven, mezelf veroordelen en Hem rechtvaardigen. Dit nu zou absoluut mijn dood worden, ware het niet dat daar aan het Kruis mijn plaats werd ingenomen door Hem di€ voor mij Gods oordeel draagt. Hoor, Hij roept wat. 'Het is volbracht'. Volbracht is het wegdragen van de Wetsvloek, volbracht het aandragen van het Evangelieheil. Hier kan en mag ik geen vezel aan toedoen. Het komt ons door de inwerking van de Heilige Geest ter ore en wij nemen het ter harte als een boodschap van louter ontferming. Hier valt alleen te ontvangen, in die heilige passiviteit van het verwonderd geloof. Christus' Kruis heeft eens voorgoed een eind gemaakt aan iedere bijdrage van onze kant. Genade is exclusief genade. 83
Het IS deze door het Kruis gemarkeerde en gegaran deerde puurheid van de genade, die in Luthers ziel staat gegrift en zo'n veelbetekenend spoor trekt door heel zijn oeuvre Het is zijn vaste overtuiging, dat 'zo weinig de dorre aarde uit zichzelf weet bij te dragen tot een zegenende regenval, ook wij mensen evenmin kunnen bijdragen aan Gods gerechtigheid Neen, wij moeten haar door schenkende toerekening, als een onuitsprekelijke gave Gods ontvangen Daarom is het de hoogste wijsheid van de christenen, mets te willen weten van de werken der Wet en de zelfontworpen ge rechtigheid' 'Ik heb er - bekent Luther - tot mijn grote ellende vele jaren anders over gedacht Maar nu God mijn heil heeft losgemaakt van mijn willen en doen, om mij door genade-alleen te redden, nu ben ik zeker dat niemand mij uit Zijn handen rukken zal' 'Dit is schrijft hij in zijn Galatencommentaar - de grondoorzaak waarom onze theologie zeker is zii voert ons weg van onszelf, en verankert ons op wat buiten ons is, op de belofte van God die niet liegen kan' Wie de rechtvaardigheid uit de Wet wil zoeken, doet net zo dwaas als iemand die uit een lege buidel geld uitgeven wil En hoe komt men tot die onge njmdheid'' Men is met door het Kruis geleerd en ge oefend'
De theologie van de glorie spoort een mens aan, om voor God te verschijnen als een handelend individu, bijna zouden wij zeggen, als een handelaar, die God iets heeft te bieden De theologie van het Kruis maakt de mens 'te niet', maakt hem armlastig, afhankelijk, en ontvankelijk en voert hem zo tot Gods bestem ming Wat is deze bestemming van de mens'' Niet zijn geëmancipeerde zelfbeschikking, maar zijn horigheid aan God en behoefte aan genade
Het IS bekend hoe ook Kohlbrugge de werkgerechtigheid der Wet aan de kaak heeft gesteld Ook in dit opzicht laten zich frappante overeenkomsten met Lu ther traceren
In Kohlbrugge's theologie neemt de Wet een een trale plaats in Deze Wet wil ongetwijfeld gedaan zijn Maar dit gaat met buiten Christus om Over alle eigenmachtige Wetsgerechtigheid breekt Kohlbrugge de staf Adams bron deugt niet Er is voor hem geen doen meer aan De Wet is geestelijk, goddelijk, volkomen En wij zijn vleselijk Wij zijn niet 'bevoegd om nog iets voor God te doen' Men lope de Heere dan ook niet voor de voeten met zijn doen, willen en moe ten Voordat het tot gehoorzame Wetsbetrachting komt, ontneemt de Wet ons onze ingewortelde arro gantie 'God snijdt zo menigeen zijn heilige neus en oren af, en laat hem diep in de modder vallen, opdat alle vlees ophoude met roemen' Kohlbrugge deinst er met voor terug, te zeggen 'Blijf gij met uw handen van het orgel van mijn Christus af, - gij hebt geen spelen geleerd Blijf van Gods Wet af Gij zijt niet bevoegd, om ook maar een tittel of jota te doen'
Het is dit echec ten overstaan van de geestelijke Wet, dat winst oplevert 'Wegzinken' voor de Wet, dat zet vrucht Dan gebeurt het namelijk, dat de barmhartigheid Gods in Christus Jezus over ons komt En daar is de Wet tevreden Zij 'neemt slechts Christus in ons aan'
Waar en hoe vindt dit nu plaats'' Daarover laat 84 Kohlbrugge geen misverstand bestaan Bij uitstek het Kruisevangelie is het oord waar God het oordeel velt Wie de Gekruisigde aanschouwt, verneemt de vloek der Wet 'Wanneer wij op Golgotha, wanneer wij aan de voet van het Kruis vergaan (hinschwinden) voor Gods rechtvaardig gericht, wegzinken voor Zijn hei lige Wet als onheiligen, dan zal de Geest van Christus het bloed van het Lam op ons sprengen' Kohlbrugge vindt dat het Kruis ons 'nog meer' veroordetlt dan de Wet In de ontmoeting met het Kruisevangehe wordt de mens 'het meest tot een arme zondaai gemaakt', en in de school van Christus' lijden worden onze zonden 'eerst recht' ontdekt Rond het Kruis komt de on derste steen boven Daar wordt de bodem zichtbaar van ons afgronddiep bederf, en niet minder de diep gang van Gods oordeel Maar wanneer Gods Wetsoordeel wordt bijgevallen, ontsluit zich de toegang tot Hem die plaatsbekledend onze vloek gedragen heeft 'Laat ons voor God in de schuld vallen, onszelf aan klagen en Hem gelijk geven' Waaraan Kohlbrugge dan onmiddellijk de oproep verbindt, om de toevlucht met te versmaden die wij naar luid van het Evangelie hebben 'Want tegen alle vloek hebben wij een eeu wige, machtige zegen Deze is Christus voor ons' In Hem hebben wij de rechte Man, die zegt Vervloekt is zulk een vloek waarmee Mijn arme schaap beladen is Ik heb zijn vloek gedragen Ik werd een vloek voor hem Nu moet deze arme zondaar enkel zegen zijn, in weerwil van al zijn verderf Immers kan de Wet niet tweemaal met de vloek beladen' En op een ander mo ment luidt het 'Dit is de stem van het Evangelie tot u, gij arme, vermoeide en beladene, dat gij geheel met aan uzelf te denken hebt, wanneer gij aan God denkt, behalve in deze zin dat God u genegen is als de God en Vader van onze Heere Jezus Christus Christus volbracht alle gehoorzaamheid en straf voor ons 'Houd dit "voor ons" vast Het is voor u, voor mij, voor allen wie het om verlossing van ongerechtigheid gaat ( ) Daarom, wanneer u toegefluisterd wordt Wat', gij zoudt zalig zijn'' gij tot God gekomen zijn, gij een erfgenaam der heerlijkheid zijn'' Gij hebt toch niets dan zonde'' -, antwoord dan getroost Gij liegt, gij valse profeet, gij aanklagend geweten, gij krachte loos hart, gij ellendige duivel' Christus is mijn zonde, en ik ben Zijn gerechtigheid Ik heb geen zonde Het Lam droeg ze weg' En wat IS nu geloven'' 'Geloven - zegt Kohlbrugge
En wat IS nu geloven'' 'Geloven - zegt Kohlbrugge - IS het Woord van Christus meer vertrouwen schen ken dan je eigen twijfels Het is het ongereserveerde Amen op de daad en de belofte van de Gekruisigde Hij nam mij alle werken uit handen, en gaf mij de ver zekering van Zijn volbrachte werk m handen' 'Hier hebt ge Mijn gouden ring, op Mijn eer' En bij welke grenzen en m welke oorden gij ook aangehouden wordt, dit IS uw paspoort'' Het geloof vindt geen deel der gerechtigheid in zichzelf Het ontzegt zich iedere eigen inbreng en zoekt het heil uitsluitend buitenwaarts Het leeft van wat het krijgt aangereikt in het Kruisevangehe Heel de rijkdom van het geloof bestaat in gevulde armoe
III
Er is nog een derde facet dat wij onder ogen willen zien In de geloofsgemeenschap met Christus de Ge-kruisigde sterven niet alleen ons eigenzinnige denken en ons eigenwillige doen de kruisdood, maar ook ons leven zelf. Stellig, wie met Christus is gekruist, is ook met Hem opgestaan ten leven. Maar even stellig is het waar, dat dit opstandingsleven in al zijn compleetheid en heerlijkheid nog met Christus verborgen is in God en dat het christenbestaan vooralsnog de trekken draagt van het Kruis. Een dienaar is niet meer dan zijn Meester. De heerlijkheid is niet bereikbaar dan via de smartenweg. Niemand wil er eigener beweging aan. Geen sterveling begeert die weg. Maar de Meester weet hoe heilzaam zij is. Daarom legt Hij ieder van Zijn volgelingen een kruis over de schouders, opdat zij Zijn smaadheid dragen en Hem gelijkvormig zijn. Bondig brengt Luther het op formule: wie geen crucianus is, die is geen christianus. Hij bedoelt: een christen gaat een kruisweg, een lijdenstocht, een stervensgang. Een christen is, juist omdat hij christen heet, onder het heilige lieve kruis geworpen. Dit kan het lijfelijke martelaarschap behelzen. Het zal zich echter meestentijds manifesteren in de "mildere" gestalte van de tentatio, de aanvechting. Maar ook deze is niet licht te achten. Zij legt het geloof op de zeef. Daarin heeft stellig ook de duivel de hand. Maar wie het in de hand heeft, is God zelf. Hij vecht ons aan, gestaag en levenslang, om die rebelse, weerbarstige vijand die "vlees" en "oude mens" heet ten onder te brengen, en om het geloof te stalen tot op het nochtans-gehalte. Luther acht de aanvechting dan ook strikt noodza
Luther acht de aanvechting dan ook strikt noodzakelijk. Zij is geen incidenteel ziekteverschijnsel, maar onlosmakelijk met het geloofsleven gegeven. 'Zonder het lieve kruis en de aanvechting' is het onmogelijk God recht te kennen. Zij vormen de 'Prüfestein', de toetssteen, waardoor wij niet alleen leren wéten, maar ook ervaren hoe troostrijk Gods Woord is. Nood en engte 'behalten uns fein im Christentum'. De aanvechting leert ons, zoals Luther herhaaldelijk verklaart, op het Woord acht slaan. Dit acht slaan betekent hier niets minder dan dat wij er genoeg aan hebben en het nochtans laten gelden, ten spijt van alle tegenstrijdige geruchten, gevoelens en omstandigheden die de betrouwbaarheid ervan betwisten.
Hoe spanningsvol het in deze geloofsakte kan toegaan, blijkt wanneer Luther niet alleen gewag maakt van een 'contra conscientiam deum invocare' (God inroepen tegen eigen geweten), maar ook van een 'ad deum contra deum confugere' (tot God tegen God vluchten). God kan immers in de aanvechting Zijn genadewoord verbergen achter Zijn toorn. Ook in dit dodelijk uur van de aanvechting, waarin de gestalte van de aan het Kruis verlaten Christus zich diep in onze existentie inkerft, gaat het erom, niet ons gevoel te laten gelden, maar louter Gods genadige belofte. Luther waagt de koene uitspraak, dat wij met het Woord van Gods belofte tegen God Zelf de strijd aanbinden. De Kananese vrouw staat hier model. Een- en andermaal krijgt zij een zware slag te verduren, maar zij blijft hardnekkig hangen aan het Woord. Zo moeien ook wij ons in de aanvechting gedragen. Ons hart kan soms niet anders denken dan dat de Heere "nee" tegen ons zegt. Maar dan moet men zich van zulk gevoelen afkeren, en het diepe, verborgen "ja" onder het "nee", met een vast geloof in Gods Woord, aangrijpen en vasthouden, 'wie dies Weiblin tut'. Zo vangen wij Hem in Zijn eigen woorden.
Het is met dit geloof overigens wel zó gelegen, 'dat hij die meent te geloven, helemaal niet gelooft, en dat hij die meent niet te geloven, maar te vertwijfelen, het allermeest gelooft'. Juist waar de sikkel Gods de zelfgenoegzaamheid van onze levensakker scheert, daar doet God de Heilige Geest op deze kaalgesneden grond de plant van het authentieke geloof opwassen.
Gearriveerd kan een christen niet worden, óf hij moet zijn onderscheidingsteken 'crucianus' verliezen. Hij blijft onderweg. Op de kruisweg. Op weg naar huis. Telkens weer kan hij niet uit de voeten. Dan denkt hij het nooit te halen. Hij haalt het ook niet. Hij wórdt gehaald. En zó komt hij thuis. Nooit op eigen kracht. Die is gebroken.
Als geen ander heeft Kohlhrugge in Luthers geest het gekruisigde leven vertolkt. Zijn aanvechtingsleer en aanvechtingstroost lijken sprekend op die van Luther. Wij zullen dat illustreren.
'Waar God beloften des levens geeft, daar gaat het de dood in, daar vindt afbraak plaats. Waar Hij komt met beloften van volheid, daar gaat het laatste rund van de stal. Waar Hij te geloven geeft: Hij zal het maken, - daar breekt God het bij de handen af'. De vloed van de aanvechting kan zó hoog stijgen, dat men heel het Woord van God zou gaan verdenken. Toch moeten wij ons in zulke bestrijdingen niet wijs laten maken, dat God vertoornd op ons is, maar het er liever op houden, dat 'waar bij ons nood voorhanden is. Hij met Zijn beloften Zich daar middenin bevindt', al zouden wij ook niets voor ogen hebben dan het tegenovergestelde van wat beloofd is.
Dat de aanvechting nuttig en nodig is, acht Kohlhrugge buiten kijf. Juist daar waar iedere andere bodem onder onze voeten weggeslagen wordt, gaan wij 'de zoetheid van het Evangelie' proeven. Zolang het ons alles voor de wind gaat, geloven wij niets, is Kohlbrugge's oordeel. Dan geloven wij wel dat de Bijbel een kostelijk boek is, maar er staat zo weinig in voor ons. Eerst de aanvechting leert op het Woord acht geven. 'De geleerdheid van alle eeuwen komt nooit op de ware uitleg van de Schrift. Waar vindt men haar dan? In de diepte der verlorenheid, in de aanvechting'. Zij is een oefenschool, waar het onderricht bestaat uit 'de leer van het tegendeel', en waar het vlees met al zijn streven de dood in moet, opdat Jezus' leven overblijft. Christus echt kennen als ons leven, omschrijft Kohlbrugge als een 'Passionsgeschichte' in Christus' gemeenschap. Het is deze gekwalificeerde kennis aan Christus die in de aanvechting geboren wordt.
De conformiteit, de gelijkvormigheid aan Christus krijgt vooral ook gestalte in de wijze waarop het geloof de aanvechting doorstaat en zelfs weerstaat, namelijk op de wijze van het "nochtans". Christus ging ons in het nochtans-geloof voor. Aan het Kruis ervoer Hij 'juist het tegenovergestelde' van wat Hij geloofde, maar 'nochtans, nochtans, juist zo, juist daar, in zulk een tegenstrijdigheid' hield Hij voor waarheid wat leugen scheen.
Van dit geloof is Christus niet alleen prototype en grondlegger, maar ook de Schenker. 'Dat is het won- 85derbare van het geloof, dat het van het Kruis af wordt gewerkt; het is er nochtans, en het houdt niet op, zelfs niet in de hitte van de hel, ofschoon de aangevochtene in het geheel geen geloof heeft'. Het is om deze reden dat Kohlbrugge het nochtans-geloof het 'nochtans van Christus' noemt.
Ofschoon Kohlbrugge weet dat dit geloof een geschenk van hogerhand is, belet hem dit niet er ongereserveerd toe op te roepen. Hij noemt het een 'sprong uit al het zichtbare vandaan'. 'Waag het op het geloof van Jezus Christus. Wanneer het dan toch verloren is, dan kan het immers niet erger worden. Sla de golven met het Woord van God. Waag het met Hem, en ge zult ervaren dat bij de Heere Heere uitgangen zijn uit de dood, uitgangen in het leven'.
Het is met name op zulke momenten, dat Kohlbrugge's prediking die bevrijdende ruimte verschaft die zo typerend voor hem is. Hij geeft permissie om zich, zo aangevochten als men is, aan het Woord der belofte vast te smeden, en verzekert dat de sprake van dit Woord geloofwaardiger is dan alle tegenspraak.
Over dergelijke passages hangt bijkans een gloed van triomfalisme. We zeggen: bijkans. Want het Kruis trekt tè diepe voren in het christenleven dan dat dit ooit nog triomfalistisch kan zijn. Er is wel sprake van triomf, maar dat betreft een zege die volledig buiten ons en ondanks ons tot stand komt. Het is de paradoxale zege van het Kruis. Daarin zullen wij roemen, vanuit eigen diepe deemoed.
Nog één keer Luther: 'Welaan, wij hebben het op die Man, de Heere Christus die gekruiste was, gewaagd. Ons lijf en leven staat onder Zijn hoede. Waar Hij doorkomt, komen ook wij door. Anders zou ik niet weten, waarin ik roemen kon'.
En nog één keer Kohlbrugge; 'Als wij tot het besef komen hoe wij ten spijt van zonde, duivel, wereld, nood en dood met het hart op Hem - de gekruiste Christus - zijn gezonken, - welk een oorzaak hebben wij daar niet om op de mesthoop een koningszetel, in de groeve en afgrond de hemel te ontwaren, om heilig te lachen om elke verdrukking, en om ons hogelijk te verheugen, dat het "nochtans" van het geloof de ganse macht van de hel zal verslaan; welk een oorzaak om ons bij voorbaat te verheugen over de afloop van heel de strijd'.
(Referaat, gehouden zaterdag 6 april 1991 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge" in de Marcuskerk te Utrecht.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 mei 1991
Ecclesia | 8 Pagina's