Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Kohlbrugge over wet en Evangelie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kohlbrugge over wet en Evangelie

27 minuten leestijd

Het thema dat onze aandacht vraagt, betreft Kohlbrugge's visie op de Wet en haar relatie tot het Evangelie. Wij leggen ons enkele beperkingen op. In de eerste plaats zien wij af van de vraag naar Kohlbrugge's denkbeelden over de ingeschapen Godskennis en het daarmee samenhangende besef, dat de Wet Gods in ieders hart en geweten is ingeschreven. Kohlbrugge is deze gedachte uitdrukkelijk toegedaan, ofschoon de gegevens hierover in zijn oeuvre spaarzamelijk zijn. In de tweede plaats gaan wij voorbij aan de vooral door Calvijn uitgewerkte en door Kohlbrugge slechts zijdehngs gehonoreerde notie van de zogeheten burgerlijke betekenis die de Wet heeft voor de staatkunde en de openbare samenleving. Geheel in Kohlbrugge's geest concentreren wij ons op twee brandpunten die het persoonlijke geloofsleven raken, namelijk enerzijds de betekenis van Wet en Evangelie voor de zondekennis en de vergevingsken-nis, anderzijds hun betekenis voor de normering en regulering van het christenleven. Om het in Calvijns terminologie te zeggen, gaat het ons om de elenchtische - overtuigende - en de normatieve functie van de Wet {Institutie II, 7, 6-9 en 12-15). Het zal duidelijk zijn dat onze thematiek cirkelt om het centrum van Kohlbrugge's theologie: de twee-eenheid van rechtvaardiging en heiliging.

I Kader

God kennen in de eigenlijke en diepe zin van het woord behelst voor Kohlbrugge niets minder dan Hem te kennen in Zijn vergevende genade. Alle andere Godskennis noemt hij 'in de grond slechts ijdelheid' (1859. Zoveel mogelijk heb ik het jaartal vermeld waarin de geciteerde preken zijn gehouden). De vergeving der zonde is volgens Kohlbrugge dus de vitale inhoud van het geloof. Deze vergeving nu voltrekt zich in geen geval achter onze rug om. Wij komen terdege aan de weet, wat God vergeeft. Geen vergevingskennis zonder zondekennis! Wie Kohlbrugge een beetje kent, behoef ik niet te vertellen, met wat voor hardnekkige nadruk hij de noodzaak van de zondekennis aan het hart weet te leggen. Eén van zijn eerste in het Wuppertal gehouden Gastpredigten (1833) zet hij in met de retorische vraag: 'Wat is in het begin of ook in de voortgang op de weg van het heil noodzakelijker dan de erkentenis van de grootte van onze zonde?' Deze overtuiging heeft hij nimmer prijsgegeven. Hij acht dit 'der Anfangsgrund oder das Elementarstück' om het Woord Gods te verstaan ('46).

Dit wil niet zeggen dat Kohlbrugge de zondekennis ziet voorafgaan aan het geloof als zodanig - alsof zij daarvan een voorstadium vormen zou -, maar dat het geloof zelf altijd weer eerst Gods vonnis gelooft, als rehëf van het geloof in Zijn genadige vergeving. 'Het gaat erom. God te geloven' ('59). Dit geloof in God betreft Zijn vonnis èn Zijn vrijspraak. Het eerste gaat voorop. Want het Evangelie geldt zondaren. Wie niet aan zichzelf 'desperat wird'(wanhoopt), komt niet tot de Ontfermer en gaat niet door de Evangeliedeur ('50). Daarom bestookt God ons, door ons uit de verschansing van eigengerechtigheid en zelfgenoegzaamheid op te jagen naar het oord van schuldbesef en verlegenheid. Dat is heilzaam. Als immers een vermogend man een paar daalders wordt beloofd, doet dat hem niets. Maar een schooier is er rijk mee (z.j.). Ontberen leert waarderen. En om dit laatste gaat het.

Kohlbrugge's interesse in het zondebesef ontspringt niet aan pessimisme en is evenmin psychologisch van aard, maar van theologisch gehalte. Zondekennis maakt en houdt arm. En deze armoe is doelmatig. Want 'waar armoe is, daar is een bedelkind, en waar een bedelkind is, daar is een rijke Heere, Die geeft en niets verwijt' ('59). Kohlbrugge heeft hierin iets Rembrandtieks. Tegen het donker van onze verlegenheid en verlorenheid, tekent zich het licht van Gods welwillende vrijgevigheid des te scherper af: 'Zo geweldig kan bij iemand de dorst naar genade niet zijn, als Christus geweldig is in Zijn verlangen om de dorstige in de wijnkelder te voeren' ('49).

Nu is Kohlbrugge er als weinig anderen van op de hoogte, dat echte verlegenheid geen gewas is dat op onze eigen akker groeit. Zij is geschenk van God. Van Hem komt niet alleen de lafenis, maar evenzeer de dorst. En daar heeft God zo Zijn methode voor. Het is om te beginnen Zijn Wet, waardoor Hij onze armoe onthult. In dit verband horen wij Kohlbrugge zeggen: 'Ik kan het iemand niet genoeg inscherpen, dat hij zijn leven lang de bekende vraag van de Heidelberger in zijn hart bewaart: Waaruit kent gij uw ellende? Antwoord: Uit de Wet van God! Dan zal er behoefte zijn naar waarheid, gerechtigheid en troost' ('46). Op de betekenis van de Wet willen wij nu nader ingaan.

II De Wet

Th. Stiasny is van oordeel dat volgens Kohlbrugge de grondslag van alle ware theologie, alsmede de sleutel tot het verstaan van Gods Woord is gelegen in de erkenning van de Wet {Die Theologie Kohlbrügges, 16). Het beeld van de Wet als sleutel tot het rechte Schriftverstaan ontleent hij inderdaad rechtstreeks aan Kohlbrugge zelf ('46). Treffend is ook, dat Kohlbrugge zijn befaamde preek over Romeinen 7:14 begint met de veelbetekenende verklaring: 'Door de geheele Heilige Schrift henen wordt door de Evangeheprediking Gods Wet in hare onwrikbaarheid bevestigd' ('33).

Hoog kan Kohlbrugge dan ook opgeven van de Wet. In Die Lehre des Heils omschrijft hij de heilige Tien Woorden als 'de zichtbare vertegenwoordigers (Vertreter) van God op aarde'. Wij hebben deze Wet niet alleen in ere te houden, maar daadwerkelijk te onderhouden. Daar staat God op. Onherroepelijk. Maar het is juist op het moment dat Gods eis met de zondige mens in aanraking komt, dat er kortsluiting ontstaat. Hoe komt dat? Kohlbrugge geeft een tweevoudig antwoord. Enerzijds wordt het veroorzaakt door een reactie waarin de mens zich verontschuldigt met een beroep op zijn onvermogen. Kohlbrugge maakt er korte metten mee: 'Daar zal God veel naar vragen!' God schiep ons zo dat wij Zijn Wet konden nakomen ('58). 'De duivel maakt u wijs dat ge het niet kunt. Waar ge echter in waarheid ervaart dat ge het niet kunt, kom daar met uw zonden, en omarm het Lam dat der wereld zonden draagt, en zeg tot Hem: Ik kan het niet! en zie dan wat Hij vermag en doet' ('72). Op deze wijze ontmaskert Kohlbrugge een al te vlot beroep op het onvermogen als een schijn-excuus. Let wel, niet omdat het onvermogen geen realiteit zou zijn, maar omdat het niet waarachtig existentieel beleden wordt. Kohlbrugge's weerwoord is niet: U vergist zich, want u kunt het wèl!, maar: meende u het maar, want u kunt het inderdaad niet! Zo wil hij de weg vrij maken naar de enige bron waaraan de Wetsgehoorzaamheid ontspringt: Christus.

Van ten diepste hetzelfde gehalte is zijn weerwoord aan het adres van mensen die precies omgekeerd reageren op Gods Wet, namelijk met de pretentie, wèl tot de gehoorzaamheid in staat te zijn. Naar ons inzicht is het déze gestalte van de botsing met de Wet waartegen Kohlbrugge inzonderheid te velde trekt. (Vergunt u het mij, om hier enige gedachten te herhalen en nader toe te lichten, die ook tijdens onze vorige conferentie ter sprake kwamen). Stellig gaf God Zijn Wet opdat wij ernaar zouden handelen. Maar - zo luidt het in Die Lehre des Heils - Hij wil dat deze gehoorzaamheid geen product van ónze creativiteit zal zijn, maar Hij 'wil het van de mens uit de volheid van Christus 91 hebben', uit welke volheid Hij Zelf verschaft wat Hij gebiedt. Maar hierop reageren wij, eigendunkelijke mensen, averechts, namelijk 'met dezelfde lichtzinnigheid en aanmatiging als de kinderen Israels, toen zij zeiden: "Al wat de Heere heeft gesproken, zullen wij doen", terwijl wij niet indachtig zijn in welke dood wij liggen'.

Over deze menselijke eigenmachtigheid kan de Wet slechts toornen, in die zin dat zij die brandmerkt als zonde en vlees. Romeinen 7 : 14 noemt Kohlbrugge in dit verband de hoofdsom van onze belijdenis aangaande Gods geboden. De Wet is geestelijk, ik ben vleselijk. Aan deze werkelijke stand van zaken coram Deo (ten overstaan van God) ontdekt ons de Wet.

Er vindt dus een merkwaardige omslag plaats. Terwijl de Wet voluit gedaan wil zijn, velt zij om te beginnen het vonnis over al ons bedrijf. De reden daarvan is, dat onze bron vergiftigd is. Er is voor ons geen "doen" meer aan. Het is ons zelfs verboden. Wij zijn niet 'bevoegd om nog iets voor God te doen' en 'vroom te zijn' ('59). 'Gij zijt' - zo preekt hij - 'uit de dienst van God weg, rein hinweg, in Adam ... En nu, doe wat ge wilt, het hete goed of kwaad, het is alles misgegrepen'. In Adam 'hebben wij ons de handen en de voeten afgesneden en de ogen uitgestoken' en 'zijn wij zo zeker de dood gestorven als allen die in het graf liggen' ('59). Buiten het geloof in Christus is er volgens Kohlbrugge niet alleen sprake van onmogelijkheid om de Wet te vervullen, maar vooral ook van onbevoegdheid. Met ons doen, willen en moeten lopen wij God slechts voor de voeten. Het enige dat Hij wil, is dat wij bekennen, door en door goddeloos te zijn. De kern van deze goddeloosheid bestaat niet zozeer uit enige morele mankementen, maar veeleer hierin, dat wij menen iets te kunnen en te moeten ('59). Het is deze waan van arrogantie die de Wet ons ontneemt. Zij ontdekt ons zelfs met dodelijke afloop, waarbij wij sterven aan 'eigen kunnen en moeten'. 'Dus nu de rekening gemaakt en gesloten: om zalig te leven en te sterven zij de mens bankroet gegaan'. Maar juist daar waar onze overmoed wordt geslecht

Maar juist daar waar onze overmoed wordt geslecht en wordt omgesmolten tot ootmoed, ligt de opheffing van het conflict gereed. In het faillissement gloort de winst. Want wanneer wij 'wegzinken' voor de Wet, gebeurt het 'dat de barmhartigheid Gods in Christus Jezus over ons komt' {Die Lehre). En daar is de Wet tevreden, namelijk met Christus in ons. Zij is immers geestelijk! Dat wil volgens Kohlbrugge twee dingen zeggen, namelijk dat de Wet zelf 'overeenkomstig de Heilige Geest' is - zeg maar: van goddelijke komaf en kwaliteit -, èn dat zij derhalve slechts door diezelfde Geest kan worden vervuld {Romeinen 7). Deze Geest is de Geest van Christus, welke Geest ons in de gemeenschap met Hem door het geloof ten deel valt.

Kohlbrugge wil bijgevolg met zijn gestage en zware klem op de geestelijkheid van de Wet pertinent niet haar concrete gebodskarakter spritualistisch vervluchtigen, maar veeleer haar goddelijk gehalte onderstrepen, en meteen aanduiden langs welke weg het tot Wetsgehoorzaamheid komt. Wij mensen hebben geen verstand van het wandelen in Gods geboden, en misduiden de Wet in moralistische zin, maar de Geest van Christus maakt ons door het geloof aan de Wet gelijkvormig {Die Lehre). 92

III De omweg

De Wet wil dus gedaan zijn. Opdat het echter bij ons tot deze daad zal komen, maakt zij om zo te zeggen een omtrekkende beweging. Het gaat haar immers niet om werkgerechtigheid van menselijke makelij, maar om die vervulling die niets minder is dan Christus' genadegeschenk. Vandaar dat de Wet ons ontdekkend naar Hem uitdrijft. Zij doet dit via de omweg van de verootmoediging onder haar oordeel. Onder dit oordeel vindt dan plaats wat Luther en Calvijn hebben aangemerkt als een wezenlijk onderdeel van de rechtvaardiging, namelijk het rechtvaardigen en gelijkgeven van God door de zondaar. Kohlbrugge neemt deze gedachte onverkort over: 'God wordt gelijk gegeven. Men veroordeelt zichzelf' ('56).

Deze zelfveroordeling gaat echter gepaard met de toevlucht tot Christus. Bij Hem wil de Wet ons hebben. Niet om van ons af te zijn, of om ons van haar goddelijk gezag te ontslaan. Integendeel. Zij stuwt ons in haar aanklagende functie veeleer daartoe naar Christus heen, om ons haar diepste intentie te leren verstaan. Kohlbrugge doet in dit verband de veelbetekenende uitspraak, dat wij door het geloof in Christus, in dezelfde Wet zowel onze veroordeling als onze redding vernemen ('56). Mèt dat zij namelijk onze zogenaamde gerechtigheden aan de kaak stelt, drijft zij ons in de armen van Hem Die alle ware gerechtigheid voor ons vervulde en Die ook in ons de gerechtigheid der Wet tot vervulling brengt.

Het valt nu te begrijpen dat Kohlbrugge stelt: waar de 'rechte sleutel' van de zondekennis wordt gehanteerd, daar verstaat men Mozes als 'een zoet Evangelie' ('61). Heet de Wet de sleutel tot het Schriftverstaan, de zondekennis tot op Christus is de sleutel om de Wet zelf te verstaan. En hóe verstaan wij - in Christus - dan de Wet, inclusief haar cultische verordeningen? Niet als een wettisch commando, maar als veelbelovend Evangelie! Haar aanklacht is, hoe geducht en radicaal ook, niet haar laatste en beslissende woord. Haar ware en eigenlijke aard komt aan het licht wanneer zij ons vanaf het zicht op onszelf het zicht verleent op Christus ('46), op Wie de vloek der Wet is uitgewoed en in Wie al de geboden evenzovele beloften zijn.

Kohlbrugge leest dit af aan de aanhef van de Wet: "Ik ben de Heere, uw God ..." Daarin ontwaart hij 'de sterkste uitgieting (Ergusz) van de ingewanden, de liefde en barmhartigheid Gods' {Die Lehre). In dit verbondskader staan de geboden. Zij vormen geen 'dreigende eisen', maar de regel van Gods genadeverbond. In de aanhef van de Wet hoort Kohlbrugge: 'Volk, gij zult niet ongelukkig zijn, maar het goed hebben. Ik heb u tot Mijn volk verkoren, en als uw God geef Ik u nu deze Tien Woorden als koninklijke voorrechten' ('53). Heel de Thora is zo beschouwd het complete tegendeel van alles wat wettisch, moralistisch en dwangmatig is. 'Elk woord van de Wet verkondigt ons luide: Aanschouw Gods goedheid' ('51). Zij bestaat in 'een keten van de trouwste beloften Gods en de heerlijkste handhaving van zowel Gods eer als ons eigen geluk' {Die Lehre). De gebiedende wijs wil Kohlbrugge niet weergegeven hebben met "gij moet" (solist), maar met "gij zult" (wirst), dat wil zeggen: Ik zal maken dat gij zult ('46). Tot dit be-vrijdend inzicht in het beloftekarakter van de Wet geraakt men echter niet dan langs de omweg van de verootmoediging.

IV Wet en Evangelie

Wanneer wij nu wat nader doorvragen naar Kohlbrugge's gevoelen omtrent de verhouding van Wet en Evangelie, kan het ons na het voorgaande niet bevreemden dat hij het Evangelie doorgaans laat volgen op de Wet. Immers voert de Wet ons via de omtrekkende beweging van haar aanklacht tot de vrijspraak en vrijheid in Christus. Geen anderen valt deze bevrijding ten deel dan hun die onder arrest zijn gesteld. Met opmerkelijke regelmaat vindt men deze lijn bij Kohlbrugge vertolkt. De 'korf vol levensbrood en levenswijn wordt slechts uitgereikt waar de zonde wordt erkend en betreurd' ('59). Kohlbrugge knoopt hieraan de exclamatie vast, dat men 'heden ten dage' maar met zijn vuile handen in de korf van de genade grijpt, zonder te belijden: "Ik heb gezondigd". Hoe komt het toch - vraagt hij -, dat men vroeger zoveel van waarachtige bekeringen hoorde? 'Waar komen die lieden vandaan, die enkelen nog? Hun aantal wordt kleiner en kleiner, ook in onze gemeente; de meesten liggen al op het kerkhof. Waar kwamen zij vandaan, die profeten en profetessen, die van Gods genade en erbarmen konden getuigen en het wisten: Dit is goud en dat is valse munt? Waren zij niet in de afgrond van de verlorenheid geboren, terwijl zij wegzonken voor Gods Wet? Daaraan schort het heden ten dage' ('59).

Kohlbrugge klaagt over de 'treurige gewoonte' uit zijn dagen, om elke overtreding met de een of andere evangelische belofte 'toe te pleisteren'. Maar - zegt hij -, God deelt Zijn genadegaven alleen uit aan hen die het van Hem hebben geleerd, om met Hem Zijn dierbare Wet te handhaven. De wereld wil wel graag evangelisch zijn, maar hoeveel meer liefde zouden wij voor het Evangelie hebben als wij een hart hadden dat op Gods heilige Wet acht sloeg ('46). Als men het Evangelie met vrucht wil opslaan moet men 'in het ziekenhuis liggen; alleen daar is het van nut' ('57). Het is vanwege de onmisbare betekenis van de Wet dat Kohlbrugge zijn gemeente 'bidt', de Wet in hoge eer te houden, 'want voorwaar, niemand komt van Sinai op Golgotha, tenzij door waarachtige boete, door de Wet verootmoedigd'.

Tot nu toe lijkt Kohlbrugge's opvatting eenvoudig en rechtlijnig: de Wet gaat voorop, het Evangelie volgt. Toch is hiermee niet alles gezegd. De zaak ligt beweeglijker. Kohlbrugge's hoofdinteresse is namelijk stellig niet gelegen in de volgorde van Wet en Evangelie, maar in de volgorde van zondekennis en verlossingskennis. Terwijl deze laatstgenoemde volgorde voor hem onopgeefbaar is, weet hij dat het vonnis van de Wet niet alleen vóór maar ook in het Evangelie opklinkt. De aanklacht van de Wet wordt in het Kruisevangelie zelfs verhevigd. Want op de vraag wat ons nu eigenlijk veroordeelt, geeft hij ten antwoord: 'Dat doet Gods Wet, en als Gods Wet het doet, dan doet het Kruis het nog meer' ('59). En niet alleen het Kruis, maar ook de kribbe heeft deze verootmoedigende functie ('47). Kortom, in de ontmoeting met de ontluisterde Christus, ons in het Evangelie geschilderd, wordt de mens 'het meest tot een arme zondaar gemaakt' ('51).

Nu staat deze ontdekking uit het Evangelie per se niet in tegenstelling tot die uit de Wet. Het is veeleer zo dat het hart van het Evangelie ons te zien geeft, hoe ernstig Gods Wet te nemen is en hoe zwaar God aan de zonde tilt. In de lijdende Christus komt de laatste ernst van de vloek der Wet onweersprekelijk op ons toe. Vandaar dat Kohlbrugge stelt, dat onze zonden 'eerst recht' worden ontmaskerd in de school van Christus' lijden ('48). Aangrijpend weet Kohlbrugge dit te vertolken: 'Dat Hij (Christus) naar het zichtbare zo geheel geen statuur heeft, dat Hij de doornenkroon draagt, dat het bloed Hem uit zeven wonden neerwaarts stroomt, dat Hij daar hangt aan het schandhout, het hoofd gebogen, het lichaam verscheurd, bleek en dood - zoals geschreven staat: Rood en blank is mijn Vriend -: dat zijn mijn zonden die Hem zo geteisterd hebben, dat is mijn ellende, mijn grondeloos bederven dat Hem zo gefolterd heeft' ('51). Zó hebben wij de lijdensgeschiedenis te lezen, dat wij ons van harte schamen ('46). Zonder op Christus' lijden te zien, kan zelfs nie

Zonder op Christus' lijden te zien, kan zelfs niemand een verbroken geest hebben. De Farizeeër komt met de donder van de Wet en schrijft allerlei boetedoeningen voor. Dat richt niets uit. Maar Jezus' liefde weet het weerbarstigste hart te verbrijzelen ('47).

Terwijl Kohlbrugge dus enerzijds stelt dai het tot zondekennis komt door de Wet, blijkt anderzijds dat de Wet deze overtuigende werking niet uitoefent zonder het Evangelie. Zelfs dienen wij dit inzicht nog aan te scherpen: het Evangelie geeft hierbij de doorslag. Eerst in het Evangelie komt de onderste steen boven. Eerst het Evangelie - inzonderheid het hart ervan, namelijk het Kruisgebeuren - maakt de aanklacht van de Wet effectief. In dit kader kan Kohlbrugge dan ook de formulering hanteren, dat de overtuiging der zonde niet wordt verricht door de 'Wet der werken', maar door Christus en het Evangelie ('54). Elders - voorzichtiger -, dat wij van zonde overtuigd worden in het licht van de Wet èn van Christus' genade ('48). Kennelijk ontleent de Wet haar ontdekkende werking aan Christus' genade in het Evangelie.

Als één ding in deze dialectische benadering duidelijk is, dan is het wel dit dat Kohlbrugge niet primair hecht aan een volgordelijk schema van Wet en Evangelie, maar veeleer aan hun beider onafscheidelijkheid. Zij gaan en werken samen. Gaat de Wet voorop, dan is het toch het Evangelie waardoor de zondekennis eerst echte diepgang krijgt. Gaat het Evangelie voorop, dan is het toch het Wetsoordeel dat daarin wordt uitgezegd. Niet hun volgorde is van belang, maar hun samenhang. Beide flankeren en kwalificeren zij elkaar. Zij vormen eikaars onopgeefbaar relief. Het Evangelie grenst de Wetskennis af tegen een verwettelijkt moralisme. De Wet bewaart ons voor een ordinair opportunisme. Beide zijn zij hierin één, dat zij ons bijbrengen dat genade uitsluitend en voluit genade is.

Om dit volstrekte genadekarakter van het heil in Christus te bewaken laat Kohlbrugge de heilskennis permanent geflankeerd gaan door de zondekennis. Ongetwijfeld betekent deze flankering dat de zondekennis aan de heilskennis voorafgaat. Daarover is Kohlbrugge niet onduidelijk. Maar evenmin laat hij onduidelijkheid bestaan over de werkelijkheid dat de heilskennis op haar beurt de zondekennis in haar gevolg heeft en verdiept. Juist wanneer de Zon der gerechtigheid ons bestraalt, wordt het zondebesef een 'blijvend gevoel' in ons, merkt hij op ('54). Het eerste stuk van de Heidelberger beschouwt hij nimmer als een fase die tot het verleden behoort, maar als de blijvende, levenslange omtrek en grondtrek van het christengeloof. Hierbij zijn Wet en Evangelie als correlaat te beschouwen.

V De heiliging

Een even hardnekkig als tragisch misverstaan van Kohlbrugge's prediking is gelegen in het verwijt van antinomianisme. Wellicht rijst hier of daar de vraag of Kohlbrugge tot dit misverstand dan nooit aanleiding gaf. Mijn antwoord is: nee. Ik acht me ervan ontslagen om Kohlbrugge op dit punt tegen aantijgingen te verdedigen. Voor wie ooit slechts één preek van hem heeft (uit-)gelezen, is zo'n apologie overbodig. Wie losse citaten wegpinkt, moet eerst maar leren lezen. Uit de aard der zaak komt Kohlbrugge tot misprijzende uitspraken over de Wet, dat wil zeggen over een legalistisch verbasterde Wet. Hij doet dat in gehoorzaamheid aan Paulus, in sterke verwantschap met Luther, en uit hoogachting voor wat de Wet werkelijk is, in haar verstrengeling met het Evangelie.

Waar de Wet van de genade wordt losgepeld of tegen het Evangelie wordt uitgespeeld als een alternatieve weg om het heil op eigen kracht te bereiken, daar komt Kohlbrugge in het geweer. Romeinen 7 heeft hij gespeld en tot in de laatste consequenties vertolkt. In Christus' dood zijn wij van die Wet vrijgemaakt, verlost van haar harde eis en haar gestrenge vloek. Wij zijn thans met een Ander gehuwd en van een Ander geworden. En 'wat van de vorige man was - hetzij vroomheid of heiligheid of wat ook maar tot de Wet behoort - kunnen wij even weinig gebruiken als volwassenen hun kinderschoenen' ('33). Wij zijn in Christus dood voor de Wet, en de Wet is het voor ons (id.).

Waar het Kohlbrugge in deze uiterst negatieve benadering echter om gaat, is voluit positief te onderstrepen dat de Wet in ons leven geheel tot haar recht komt, wanneer wij ons houden aan Christus. Want van Hem, Die ons Hoofd is, stroomt genade voor genade op ons - Zijn leden - neer, zodat het ons aan geen deugd zal ontbreken. In Hem zijn wij immers geschapen tot goede werken, welke God heeft voorbereid, opdat wij er in gewandeld zullen hebben (id.).

Over deze heilige levenswandel is Kohlbrugge even beslist als concreet. De heiliging vormt voor Kohlbrugge zonder meer een wezenlijk criterium van het geloof. Geloof zonder werken is schijn en bedrog. Het heeft ons getroffen hoe frequent en klemmend Kohlbrugge deze visie poneert. Ongetwijfeld ontspringt dit accent aan zijn hoogachting voor de Wet. God vraagt daarin om daadwerkelijke geloofsgehoorzaamheid. En Hij schépt die ook. In zijn Opleiding tot recht verstand der Schrift omschrijft Kohlbrugge het geloof zelfs - veelzeggend! - als 'het wandelen in Gods geboden'. Wat de Wet zegt, moet er bij ons zijn, niet in beschouwing, maar metterdaad. Het geloof is 'niet 94 slechts een gedachte, maar een leven, dat zich uit in alle verhoudingen ten opzichte van God en in de wereld, een uitoefenen van de gerechtigheid en de liefde tot God en de naaste' ('49). Dergelijke uitspraken zouden zonder moeite te vermenigvuldigen zijn.

Hij gaat het hierbij niet uit de weg om de dingen bij de naam te noemen. Ongeflatteerd weet hij schijnchristenen te portretteren. Zij willen Christus wel tot priester, maar niet tot koning en profeet. Zij praten over geloof en wedergeboorte, maar willen daarnaast echtbreken, stelen, hebzuchtig zijn en niemand het zijne geven ('48). Velen horen 'zondags het Evangelie, maar door-de-weeks heeft het gehoorde geen consequenties. Drankzucht, genotzucht en eerzucht beheersen hun leven. Zij beroepen zich op genade, en verkeren in de mening dat de dankbaarheid en de heiliging hun niet aangaan' ('49). God echter wil dat wij geen 'zondagsheiligen', maar 'weekdagheiligen' zijn ('47). Wanneer straks in Gods gericht de boeken zullen opengaan, dan komen déze vragen aan de orde: 'Hebt ge gerechtigheid gedaan, ieder jegens zijn naaste, gerechtigheid met de weegschaal en de el? Hebt ge barmhartigheid beoefend jegens uw naaste in het gericht en hem met blijdschap geholpen waar hij verlaten was?' God zal vragen: 'Hebt ge niet de vrome gespeeld, maar gedaan wat Ik u bevolen heb?' (id.). Zo is Kohlbrugge's passiviteitsleer heilzaam omrankt door een praktisch appèl op verantwoordelijkheidsbesef en de onderhouding van Gods geboden.

Hoewel zijn normerende vermaningen het smalle spoor van de micro-ethiek - de persoonlijke heiliging - betreffen en geen breed politieke en sociale pretentie voeren (vgl. voor een kritische noot hierbij het artikel van G. W. Locher, 'Hermann Friedrich Kohlbrugge (1803-1875), getuige der vrije genade', in Ecclesia 82 (1991), p. 124), kan men er concreetheid niet aan ontzeggen. Met C. Graafland valt te stellen, dat Kohlbrugge 'het leven met God plaatst midden in het concrete leven van alle dag' (C. Graafland, 'Kohlbrugge's prediking in het licht van de Nadere Reformatie', in Kerkblaadje 68 (1977) p. 198). In het alledaagse bestaan moeten de ons toebetrouwde talenten - volgens Kohlbrugge: de woorden Gods - tot daden leiden ('50): in huwelijk en gezin, in ambt en werkgelegenheid. Het hemelse leven met Christus is niet gereserveerd voor de luwte van de binnenkamer, maar doortrekt het volle leven. 'Uw hemel is daar waar Christus is. Christus nu is in het huishouden, in de kelder, in de stal, in de keuken, op de werkplaats, in de fabriek, aan de weefstoel (...). Aan de oven, bij de kast, aan de wastobbe staat Christus; voor Hem neemt ge stof af, voor Hem maakt ge bedden op, voor Hem gaat ge naar de markt' ('51).

Natuurlijk laat zich de vraag stellen of er nooit misbruik is gemaakt van al die anders getinte passages uit Kohlbrugge's geschriften, waarin hij de vrije genade verkondigt en de brand steekt in alle subtiele gestalten van Wetsgerechtigheid. Dat is stellig het geval. Daarmee bevindt hij zich trouwens in gezelschap van Paulus. En moest ook Luther zich niet verweren tegen de antinomisten die in eigen kamp opstonden? Het parool: "niet door de werken der Wet, maar door genade alleen" laat zich blijkbaar niet in alle bevrijdende scherpte vertolken, zonder een kwetsbare flank naar de kant van antinomistisch misbruik. Wie er voortdurend op uit is deze flank te verdedigen, zal aan de genadeverkondiging niet toekomen. Zo ergens - om met Noordmans te spreken - de dogmatiek wordt scheefgetrokken, dan rond het hart van het sola gratia. Maar als er één geweest is die het bij alle onverzettelijke kritiek op een zelfgefabriceerd heiligmakingsactivisme, te doen was om de waarachtige heiliging - in Christus ons toegerekend en geschonken, èn door Zijn Geest in ons leven voltrokken -, dan is het Kohlbrugge. Het is op dit punt dat hij naar mijn overtuiging niet onderdoet voor een man als Calvijn, die zo bij uitstek op de heiliging was gespitst. Kohlbrugge was het niet minder. Om het met diens eigen woorden te zeggen: 'Ik word stellig wel zeer slecht begrepen, als men het de prediking die ik u houd van de macht van Christus' genade niet afvoelt, dat deze prediking de dood is voor de zonde, de dood van de wereldse begeerlijkheid, de dood van de eigenhefde, en van alle onheilig bestaan, terwijl zij bedoelt de waarachtige heiliging'. En wat hij met deze kwalificatie "waarachtig" bedoelt, laat hij niet in het midden. De Koning zal eenmaal vragen of wij onze vrouw hebben liefgehad zoals Hij Zijn gemeente; of wij onze kinderen hebben opgevoed met scheldwoorden of in de vreze van Zijn Naam; of wij ons huis hebben gebouwd met gebeden of afgebroken met vloeken; of wij onze boze driften hebben nagejaagd of tot een voorbeeld zijn geweest. Nadrukkelijk voegt hij hieraan toe, geenszins te beweren, dat wij uit de werken gerechtvaardigd worden. Maar niettemin houdt hij meteen staande: 'Al wat uit het geloof-alleen is gerechtvaardigd, zal ook uit dit werk gerechtvaardigd worden, dat de liefde het hem zal hebben ingegeven, daarvoor te zorgen, dat hij met de olie in de lamp óók olie in het vat heeft'. En bij deze olie denkt Kohlbrugge aan ... de Geest der heiliging ('50).

VI Betekenis

Als wij ter afronding vragen naar de betekenis van Kohlbrugge's beschouwingen over Wet en Evangelie, kiezen wij voor een drietal overwegingen. De eerste is deze. Mede van Kohlbrugge kan men leren, dat de toegang tot de heilskennis van Christus voert door de grensovergang van de Wet. Zij laat ons niet passeren zonder ons onze eigengerechtigheid te ontnemen en ons als overtreders te identificeren. Zij doet dit met het oog op het karakter van het heil. Dit heil is namelijk niets minder dan vrijspraak van een ter dood veroordeelde, onvermoed wonder van genadige vergeving. Opdat dit wonder ook in ónze ogen wonderbaar zal zijn, gaat de zondekennis heilzaam vooraf aan de heilskennis.

De tweede overweging. Kohlbrugge weet dat men met een volgordelijk schema Wet-Evangelie niet uitkomt. Wet en Evangelie zijn de tweevoudige sprake van de ene God. Weliswaar vormen zij in zoverre een tegenstelling dat de Wet eist en het Evangelie geeft, en dat de Wet nimmer schenken kan wat het Evangelie schenkt - hier is te spreken van een overwicht van het Evangelie! -, maar zij zijn het in die zin volkomen eens, dat genade genade zal zijn. Vandaar dat het Evangelie, met name het Evangelie van de Gekruisigde, het oordeel van de Wet verdiept en radicaliseert. Het Evangelie laat ons de ernst van Gods heilige Wet tot op de bodem peilen. En de Wet is daar, om het hartsgeheim van het Evangelie te bewaken. Willen wij in verkondiging en geloofservaring het Evangehe niet reduceren tot goedkope genade, en willen wij de Wet niet falsificeren tot moraal, zullen wij de door Kohlbrugge vertolkte vervlochtenheid van Wet en Evangelie zorgvuldig in acht dienen te nemen.

De derde overweging. Kohlbrugge gaat ons erin voor, de Wet niet alleen in haar oordelende functie ernstig te nemen tot op Christus, maar ook in haar eisende aard, eveneens tot op Christus. De Wet wil immers waarachtig gedaan zijn; niet slechts geprobeerd, maar vervuld; niet dwangmatig, maar uit liefde. Wie kan dat? Eén deed het en volbracht het. De man Christus, God de Zoon. Daarom stuwt de Wet ons tot Christus heen, om in Zijn gemeenschap de geboden te horen als beloften. Want wat Hij eenmaal deed en volbracht, dat doet Hij nog heden in de Zijnen door de Geest des geloofs. Hij staat er voor in dat wij de Wet gaandeweg vervullen. Dat moet niet, maar het zal, zo waar Hij door Woord en Geest in ons leeft en regeert. Dit heft onze verantwoordelijkheid niet op en legt evenmin de oproep tot gehoorzaamheid lam. Integendeel. Vanuit het ene grondappèl om in Hem te blijven - als rank in de Wijnstok -, komt er een veelkleurig palet aan concrete vermaningen mee. Maar steeds gedragen door de belofte: "Ik ben de Heere, uw God. Ik zal maken dat ge in Mijn inzettingen wandelt". Deze zienswijze lijkt me van groot belang. Zij bevrijdt van prestigejacht en van prestatiedrang, een krampachtige vlijt, die het geloof van de ziel en de ziel van het geloof tot schade is.

Referaat, gehouden 4 april 1992 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge" in de Jacobikerk te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1992

Ecclesia | 8 Pagina's

Kohlbrugge over wet en Evangelie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1992

Ecclesia | 8 Pagina's