Kohlbrugge En Het Hooglied
Kohlbrugge en het Hooglied vragen vanmorgen onze aandacht. Het is wellicht goed u in het kort te zeggen wat u bij het aanhoren van deze inleiding te wachten staat. Allereerst zeg ik iets over de manier van Kohlbrugge's Schriftuitleg: zijn methode van exegese past binnen een lange traditie, inclusief die van het Jodendom, zoals wij zullen zien. Vervolgens stel ik het proefschrift van Kohlbrugge aan de orde. Als wij daarna hebben gezien hoe bij hem het Hooglied functioneert binnen de prediking in de gemeente, kunnen wij afrondend nadenken over de actualiteit van Kohlbrugge in de lijn van de traditie.
Manier van Schriftuitleg
Wij spreken dus met elkaar over Hermann Friedrich Kohlbrugge en het Hooglied. Dan val ik maar met de deur in huis. Moderne exegeten hebben Kohlbrugge's uitleg van het Hooglied van de hand gewezen als achterhaald en minderwaardig. Toch is het niet zo dat deze afgewezen uitleg voortkomt uit zijn gebrek aan vorming en zijn gemis aan een goede opleiding. Immers, Hermann Friedrich Kohlbrugge was een geleerde, zeer bedreven in het bijbels Hebreeuws en Aramees. Ooit stond hij in Leiden op de nominatie voor hoogleraar om Oosterse talen te doceren. De drijfveer achter zijn exegese was zijn gelóóf. In dat geloof benaderde hij de Heilige Schriften als één geheel. Daardoor heeft hij gezocht naar de eigen boodschap van het Hooglied in samenhang met de totale tekst die ons als Heilige Schrift is overgeleverd. Ik wil dan ook de stelling poneren dat Kohlbrugge de Heilige Schriften heeft gelezen vanuit Christus als centrum. Daarmee is hij gegaan in het hoofdspoor van de oudchristelijke Schriftuitleg. Deze uitleg wortelt op zijn beurt in de 82 traditie van de Synagoge. Met deze methode wordt elke Schriftplaats geïnterpreteerd vanuit het geheel van de Schrift om zodoende te komen tot een 'geestelijk verstaan' van de tekst. Schrift met Schrift vergelijken is een goede reformatorische regel. Zo komen wij achter de structurele samenhangen in de Bijbel en zo ontdekken wij de hoofdlijnen waar het in de Schrift om gaat. Op deze manier willen wij in het Hooglied zoeken naar de geestelijke boodschap van dit bijbelboek. Het gaat daarbij om de boodschap die in overeenstemming is met het getuigenis van Wet en Profeten en Psalmen Wellicht maakt de auteur van het Hooglied gebruik van de taalschat van andere volken Dat betekent evenwel nog met dat we kunnen zeggen dat reeds bestaande profane Oosterse liefdesliedjes bij elkaar zijn gevoegd tot een Lied Evenmin IS het aannemelijk dat men aan dit Lied een religieuze inhoud heeft toegekend, een inhoud die het Lied van zichzelf niet heeft Dat zou erop neerkomen dat WIJ de letterlijke tekst met al te serieus moeten nemen De inleg overheerst dan de uitleg Dan is de deur geopend voor allerlei willekeurige interpretaties
Ik noemde de oudchristelijke Schriftuitleg en de traditie van de Synagoge Om bij het laatste te beginnen, de Synagoge leest vanouds het Hooglied op de achtste dag van Pesach, het joodse Paasfeest Zij heeft het Hooglied opgevat als een gelijkenis, een allegorie Daarin wordt de liefde van God, de Bruidegom, tot Zijn volk Israel, de bruid, bezongen Deze liefde krijgt gestalte in de geschiedenis, met name de uit tocht uit Egypte, de doortocht door de Schelfzee en de Wetgeving op de Sinai, de Verbondssluiting Het gaat om de grote daden des Heeren Hij heeft Zijn volk verkoren, geleid en bewaard onder zeer kritieke omstandigheden Dat deed Hij met alleen in Egypte, maar ook in de ballingschap en in de periode van de verwoesting van Jeruzalem, van stad en tempel en in de verstrooiing De verstrooiden moeten de tempel prijsgeven Het volk van God zoekt echter in de plaats daarvan naar een 'geestelijk huis', dus toch een tempel, ZIJ het niet van steen Men vindt die in wat wij de 'canon' van het Oude Testament noemen Daarin hebben de gelovigen in de verstrooiing hun middelpunt, hun houvast gevonden.
Welnu, het Hooglied maakt deel uit van de Heilige Schrift Het is een onderdeel van die 'tempel' die geestelijke vrijheid en verweer biedt tegen de machten die Gods volk willen uitroeien In die tempel wordt het Hooglied beschouwd als 'het heilige der heiligen' Rabbi Akiba heeft gezegd "Het was de mooiste dag van de wereld toen aan Israel het Hooglied werd geschonken " Wij voelen wel aan dat hier aan meer is gedacht dan aan uitsluitend profane liefdesliedjes Wat zouden die ook voor houvast en bescherming bieden voor het volk in de verstrooiing, voor vreemdelingen en bijwoners'^ Nee, het Jodendom heeft het Hooglied opgenomen in het geheel van de Heilige Schrift Daarmee heeft het tegelijk uitgesproken dat het met de bedoeling is dit Lied louter te benaderen als profane liefdespoëzie Wij moeten de eenheid van Wet en Profeten vasthouden, dus de eenheid met het geheel van de Heilige Schriften
Voor de rabbijnen staat het vast dat Salomo de auteur van het Hooglied is, evenals het feit dat hij Spreuken en Prediker schreef Wat mondeling is overgeleverd, is door de dienaren van de godvrezende koning Hizkia geordend op schrift gesteld Salomo heeft in het Hooglied een gedurfde beeldspraak gehanteerd, zeggen de rabbijnen Zo wilde hij Israel inleiden in de verborgenheid van de Tora, in het geheimenis van de heilige leer Het gaat oorspronkelijk met om een liefdeslied zonder meer, maar om een klaagzang over de verstoorde verbondsrelatie tussen Israel en zijn God Zo'n klaagzang horen we ook in Ezechiel 16 en in Hosea 2 Volgens het rabbijnse principe gaat het in het Hooglied dus om het geheimenis van de heilige leer Dat IS van groot belang voor de wijze waarop christelijke exegeten reeds in de Vroege Kerk met het Hooglied zijn omgegaan Welke gelovige, die hoort van het Oude Testament, denkt met aan wat Christus na Zijn opstanding sprak tot Zijn discipelen, namelijk dat vervuld moest worden wat van Hem geschreven is m de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen (Luk 24)''
Joden en christenen hebben vanouds het Hooglied gelegd naast Hosea 2 en Psalm 45 De christenen hebben daarbij in Efeziers 5 de sleutel tot 'het heilige der heiligen' gevonden Daar gaat het om wat Paulus zegt over het mysterie van de eenheid van man en vrouw, ziende op Christus en Zijn gemeente
Kohlbrugge's proefschrift
WIJ zijn begonnen met de stelling dat Kohlbrugge de Heilige Schriften heeft gelezen vanuit het Centrum. Christus, en dat hij daarmee is gegaan in het hoofdspoor van de oudchristelijke Schriftuitleg, die op zijn beurt wortelt in de joodse traditie Kohlbrugge is in het jaar 1829 (hier) te Utrecht gepromoveerd op een dissertatie over Psalm 45 Zijn proefschrift is van groot belang voor ons onderwerp Immers, Kohlbrugge leest Psalm 45 als een parallel van het Hooglied Boven het tweede hoofdstuk van zijn proefschrift - dat in een eigen Nederlandse vertaling van de auteur in handschrift wordt bewaard in het Kohlbrugge-archief van de Utrechtse Universiteit - schrijft Kohlbrugge dat hij weergeeft "de gevoelens over dien Psalm, zoowel van vroegere als latere uitleggers", en dat hij een eigen beoordeling zal toevoegen
Kohlbrugge bewijst zeer belezen te zijn in de Ooodse) Targum (Bijbelvertaling) en Talmud Met citaten uit de rabbijnse literatuur toont hij aan dat het in Psalm 45 (en dus in het Hooglied) gaat om een geestelijk huwelijk HIJ laat zien dat deze Psalm een profetie is van de Messias Het derde vers leest hij met de rabbijnen als volgt "Uwe schoonheid, o Koning Messias' is voortreffelijker dan die van de menschenkinderen " BIJ vers 8 citeert Kohlbrugge instemmend de beroemde rabbijn Kimchi Deze heeft gezegd dat "de oly der vreugde wordt genoemd, omdat de geheele wereld vrolijk zijn zal over de zalving en zending van de Messias " En bij vers 15 lezen wij " de dochter des Konings zijn volkeren, die allen zullen gehoorzamen aan de bevelen van Koning Messias "
Kohlbrugge laat ook de geschriften uit de Vroege Kerk aan de orde komen Ondanks zijn scherpe kritiek op Origenes (± 185 - 253/4) - vanwege diens vergeestelijkende wijze van Schriftuitleg - laat Kohlbrugge zich niettemin leiden door wat Origenes bij Psalm 45 schrijft "Versta het (Lied) van Christus, den Bruidegom, en van Zijne bruid, de gemeente zonder vlek of rimpel, waarvan geschreven is, opdat Hij zich zoude daarstellen eene heerlijke gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat ZIJ zoude heilig en onberispelijk zijn Christus, de 83 Bruidegom komt, gezonden van den Vader, gezalfd tot de bruid. Tot Hém wordt gezegd: Gij hebt de gerechtigheid bemind en de ongerechtigheid gehaat. Daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met oly der vreugde." Het staat voor Kohlbrugge vast dat de bruid is "de geheele algemeene (Christelijke) Kerk van het eene einde der aarde tot aan derzelver ander einde te saam vergaderd uit alle volkeren ...". Uit het Hooglied blijkt dat de Kerk "de eenige volmaakte Duive van Christus" is.
Kohlbrugge beroept zich voor deze uitleg ook op Hieronymus (347 - 420). Bovendien zegt hij dat alle Kerkvaders hierin te zamen overeenkomen dat zij "ook vooral onze Psalm (45)" (en het Hooglied) zien als geschreven door "aanblazinge en aandruivinge des H. Geestes. Aldus is onze Psalm geschreven op Christus en Zijne Kerke en moet derhalve geestelijk worden verstaan."
Kohlbrugge beroept zich ook op Athanasius (295 - 373), Chrysostomus (354 - 407), Augustinus (354 - 430) en Theodoretus (393 - 463). Samenvattend zegt hij tégen de hoofdlijn van de verklaring der Kerkvaders "geene oorzaak" te vinden.
Ook uit andere geschriften van Kohlbrugge blijkt over welke bronnen uit de Vroege Kerk hij heeft beschikt. In zijn bibliotheek komen wij de namen tegen van TertuUianus, Cyprianus, Macarius en Ambrosius. In zijn geschrift 'Historisch-theologische gesprekken tusschen twee Gereformeerde predikanten betreffende de christelijke doop' (1855) citeert Kohlbrugge Justinus de Martelaar (tweede eeuw), TertuUianus, Origenes, Cyprianus, Ambrosius, Gregorius van Nazianze, Cyrillus, Augustinus, Isidorus, Theodorus, e.a.
Na de Kerkvaders bespreekt Kohlbrugge in zijn dissertatie de Middeleeuwen. Hij zegt dan: "Op geen andere wijze dan de Kerkvaders hebben de Uitleggers in de Midden-eeuwen, vooral van de achtste Eeuw en vervolgens, onzen Psalm verklaard. Deze bijna allen ... Augustijn gevolgd zijnde, stemden geheel overeen in de Geestelijke uitlegging van ons heilig lied. Zij willen dat men het van Christus en Zijne Kerk verklaren zal. Onder hen bekleedt een voorname plaats Beda de Eerwaardige (627 - 735), een bijzonder navolger van Augustinus, die het eerst met opzet waarschuwt dat men den Psalm niet van Salomo verstaan moet, maar van Christus".
Terloops noemt Kohlbrugge voorbeelden van onbetamelijk 'vergeestelijken' van de tekst. Paschasius Radbertus (± 800) bijvoorbeeld heeft zich daaraan schuldig gemaakt.
Vervolgens wordt stilgestaan bij de 86 preken over het Hooglied van Bernardus van Clairvaux (1090 - 1153). Ook Bonaventura (1221 - 1274), Albertus de Grote (1193 - 1280), Thomas van Aquino (1225 - 1274) en vooral Nycolaas van Lyra (tl340) passeren de revue. Daarna krijgt Luthers uitleg van Psalm 45 veel aandacht. Kohlbrugge schrijft: "Eindelijk brak de glansrijke dag der Hervorming door, verdrijvende de nacht van domheid en dweperij en geheel de toen bekende wereld met zijn licht overstralende. De grote Luther dan, die met alle wapenen des geloofs het Pausdom 84 nederbonsde, greep ook uit onzen Psalm geweer en pijlen op, waarmede hij de vijanden verjoeg". Luther zingt Psalm 45 als een profetie van het geestelijke Rijk van Christus en van de Kerk, waar Christus Koning is.
Kohlbrugge heeft helaas geen aandacht geschonken aan Luthers colleges over het Hooglied. Binnen het raam van zijn dissertatie over Psalm 45 is dat verstaanbaar en verdedigbaar. Ook in andere publikaties dan die over Psalm 45 komt Luthers exegese van het Hooglied niet aan de orde. Dat bevreemdt ons. Enerzijds heeft Kohlbrugge namelijk veel te danken aan Luther; hij is hem in veel opzichten gevolgd. Kohlbrugge kan worden bestempeld als een navolger van Luther. Toch moeten wij anderzijds dan wel oog hebben voor een zelfstandige verwerking van de 'lutherse' gegevens. Kohlbrugge is beslist geen epigoon of copiïst. Dat bewijst zijn uitleg van het Hooglied zonneklaar.
Wij kunnen ons afvragen waarom Kohlbrugge Luther niet is gevolgd in diens exegese van het Hooglied. Daarbij gaan wij ervan uit dat Kohlbrugge Luthers werk heeft gelezen. Dan komt het mij voor dat we de oorzaak allereerst moeten zoeken in hetgeen Luther zegt in zijn inleiding op de colleges over het Hooglied. Daar stelt hij namelijk heel duidelijk dat hij zich distantieert van het grote aantal commentaren op het Hooglied dat in het verleden is geproduceerd. Deze legt hij terzijde als 'onvolkomen' (WA, XXXI, II, 586). Een tweede reden waarom Kohlbrugge Luther niet volgt, ligt in de publikatie van Luthers colleges in 1539. En in zijn 'woord vooraf' èn in het 'ten besluite' van zijn uitleg houdt Luther namelijk de mogelijkheid open dat hij zich in zijn visie op het Hooglied heeft vergist.
Overigens staat Luther dicht bij de rabbijnen. Het loont de moeite hieraan afzonderlijk aandacht te besteden. (Ik moge hier verwijzen naar de artikelen over het Hooglied van Dr. W. Aalders, gepubliceerd in 1987, in wat toen nog het 'Kerkblaadje' heette. Deze artikelen vormen de inhoud van wat aanvankelijk zou worden aangeboden in een referaat op onze jaarlijkse conferentie).
Waar het ons nü om gaat, is dat Kohlbrugge met zijn verklaring van het Hooglied recht wil doen zowel aan de joodse als aan de oudste christelijke bronnen. Hij leest (zingt) het Hooglied als een bruiloftszang bij het geestelijke huwelijk van Christus en Zijn Kerk. Hij voelt zich verwant met bijvoorbeeld Beza en de Kanttekenaars bij de Statenvertaling van het Hooglied. Ook weet hij zich gesteund door Calvijn. Van Calvijn is bekend dat ook hij het Hooglied beschouwt als een parallel van Psalm 45.
Kohlbrugge doet in zijn proefschrift een aanval op exegeten die beweren dat een bijbeluitlegger in Psalm 45 (het Hooglied) een gewoon ('vleeschelijk') huwelij kslied moet zien. Volgens deze exegeten is ieder die meent dat de relatie van Christus en Zijn gemeente wordt bezongen, negatief beïnvloed door de Griekse filosofie en door de methode van exegese van de Joden. Kohlbrugge zegt dat dit soort exegeten "de gods- dienst en de kennisse der zaligheid" wil beperken "binnen de enge grenzen van het vernuft "
De rabbijnen zijn van mening dat Salomo - de auteur van het Hooglied - Israel heeft willen inleiden in de verborgenheid van de Tora, in de geheimen van de heilige leer, zo zei ik Welnu, kenmerkend voor de hoofdlijn van de uitleg van het Hooglied door de eeu wen heen, is dat in bijna alle verklaringen de strijd wordt aangebonden tegen de dwaalleer Daarbij wordt allereerst het accent gelegd op de belijdenis dat God de Drieenige is, Vader, Zoon en Heilige Geest, en dat Jezus Christus is waarachtig God en waarachtig mens Juist dit belijden - vastgelegd op de grote Oecumenische Concilies in de Oude Kerk - is dikwijls van de hand gewezen als 'besmet', namelijk besmet door de Griekse filosofie
Kohlbrugge schaamt zich niet in wat hij noemt zijn 'eigen beoordeling' van Psalm 45 en het Hooglied te spreken van "een geheel geestelijk bruiloftslied" van Salomo Salomo is "een Schaduwbeeld van Koning Messias" Kohlbrugge zegt dat Salomo's huwelijk "eenigermate die geestelijke vereeniging tusschen Christus en de Gemeente afgeschaduwd "heeft Kohlbrugge komt dan tot de volgende uitspraak Indien WIJ deze traditionele wijze van uitleg met zouden aanvaarden, dan zou "in het verklaren van onzen Psalm (45, en dus van het Hooglied) die geheele menigte der christenen gedwaald hebben, die van de eerste eeuwen af aan tot op den huidigen dag den Psalm van Christus en Zijne Gemeente of Kerk verklaard" heeft Met andere woorden Wanneer het Hooglied niet moet worden gelezen als een allegorie (gelijkenis), dan hebben de Kerkvaders en al hun leerlingen zich vergist!
Het Hooglied en de Gemeente
Als het gaat om de verklaring van het Hooglied, is ons duidelijk geworden welke positie Kohlbrugge inneemt in zijn wetenschappelijke publikatie Nu gaan wij luisteren naar de toepassing van Kohlbrugge's opvatting m zijn functioneren binnen de Gemeente Wij vragen ons dan af of Kohlbrugge ook over het Hoog lied heeft gepreekt Dat is inderdaad het geval In het 'Amsterdainsch Zondagsblad' vinden wij gege
In het 'Amsterdainsch Zondagsblad' vinden wij gegevens over de wijze waarop Kohlbrugge over het Hooglied heeft gepreekt Opvallend zijn de overeen komsten tussen de uitleg van Kohlbrugge en de kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel Dat bevreemdt ons met, want wij weten dat de Kanttekeningen een samenvatting bieden van wat in de ge schiedenis van de exegese van het Hooglied is bewaard uit de periode van de Vroegchristelijke Kerk, de Middeleeuwen en de Reformatie In het begin van deze inleiding hebben wij gezien dat Kohlbrugge's exegese wortelt in de oudste traditie Wij herinneren ons ook zijn uitspraak over "de geheele menigte der christenen van de eerste eeuwen af aan tot op den huidigen dag "
Een aantal van Kohlbrugge's preken over het Hoog lied is bewaard gebleven Ik wil vier voorbeelden noe men Zo vinden wij in de 'Feeststoffen' een preek van hem over Hooglied I, 1 - 5 Het betreft een Pinksterpreek uit het jaar 1852 Kohlbrugge is dan bijna 50 jaar Ik bedoel hiermee te zeggen dat wij mogen aan nemen dat zijn visie is gerijpt Wij horen Kohlbrugge preken In het Hooglied wordt JEZUS bezongen Hij is de Bruidegom, de Vredevorst en de Gemeente is de bruid, de enige, de schone, de zuster De Geest zingt de Gemeente voor wat voor haar bestemd is om te zingen "Die zoete melodie doet haar aanheffen Hij kusse mij met de kussen Zijns monds, dat is Hij geve mij Zijnen vrede, Hij, mijn Koning Salomo, mijn Zaligmaker Jezus Christus mijn Goei, mijn Borg mijn lieve Man en getrouwe Schepper " De Gemeente zegt niet "Hij kust mij", maar "Hij kusse mij" "Daaruit kan men afleiden haren inwendigen nood, en een reikhalzend verlangen naar den Heere en naar Zijn openbaring in zulk eenen nood Intusschen kan men er tevens uit besluiten, dat zij reeds ondervindin gen van des Heeren liefde gemaakt heeft Een dode klaagt niet, vraagt en zoekt evenmin, en waar een ver langen opgewekt is naar den hemelschen Salomo, daar heeft Hij Zelf dit verlangen opgewekt, en zal het ook te Zijner tijd bevredigen" De 'kus' betekent ver zoening, genezing, barmhartigheid In de kus is het hart van de Bruidegom
In deze preek waarschuwt Kohlbrugge de Gemeente niet op een verkeerde mystieke wijze met het Hooglied om te gaan Het moet worden verstaan "naar de gezonde leer en naar den regel des geloofs" Men moet zich namelijk geen Gemeente voorstellen die zich van alle schepselen heeft afgekeerd, die in innerlijke beschouwingen in zichzelf is verdiept en die vervolgens zegt dat men zich verliest in de Heere Nee, want "datgene toch waarin men daarbij meent op te gaan, IS het eigen lieve Ik, hetwelk men voor den Heere aanziet " "Naar den regel des geloofs echter staat de zaak alzoo, dat men arm en ellendig is, temidden van dood, angst en tegenspoed, terneder gedrukt door allerlei aanvechting dat men angstig en bekommerd den Heere zoekt in het Woord Bij het zoeken in het Woord wordt men levend gemaakt door den Geest des Heeren en vertroost Het ware geestelijke leven wordt voortdurend fel bestreden " Daarom moet de Heere Zijn kinderen "altijd weder opnieuw Zijne goedertie renheid, genade en liefde bezegelen Daarom zingen ZIJ dit Lied der liederen "
BIJ Hooglied I, 3 ("Uwe olien zijn goed tot reuk") zegt Kohlbrugge dat de 'olien' zijn de gaven van de Geest Die heeft Christus, "boven alle anderen, zon der maat ontvangen", Die heeft Hij "voor Zijne Gemeente verworven Het is de Heilige Geest met al Zijne genadewerkingen Ja, het zijn de zalven en olien des Heeren, met welke Hij overgoten werd, naar Psalm 45 8, Jesaja 11 en 61" De 'Naam' in Hoog lied I, 3 IS "de liefelijke en heil-aanbrengende Jezus naam" Deze Naam is als "een uitgegoten olie op de Gemeente gekomen in de Doop" De Naam wordt 'uitgegoten', "omdat de hemelse Koning Salomo Zich als het ware gelijk olie uitstort en ontledigt in Zijnen Naam " Zo openbaart Hij Zijn liefde Het gevolg daarvan is wederliefde "Daarom hebben U de maag den hef " Als 'maagd' de Heere hef te hebben, betekent de goede strijd strijden en het Lam volgen, waar 85 het ook heen gaat (Openb. 14 : 4). Het 'volgen' is er alleen dan, wanneer de Heere trekt. Daarom bidt de bruid: "Trek mij ..." (I, 4). In dit gebed spreekt de bruid de begeerte uit "dat haar hart en gemoed door de prediking des Evangelies en de krachtige werking des Heiligen Geestes daarheen geneigd worde, en geneigd blijven moge, dat zij den Heere gewillig volge door onbezaaide zoowel als door bezaaide landen ...". Gaandeweg komt de bruid dan in de 'binnenkamers' van de Koning. Welke Koning? Jezus Christus! Wat zijn deze binnenkamers?, vraagt Kohlbrugge. "Het zijn al de liefelijke verborgenheden van Zijn Koninkrijk." De verschillende kamers van het heil zijn: Christus' geboorte. Zijn lijden en sterven, Gethsémane, Gabbatha, Golgotha, Zijn opstanding. Zijn hemelvaart en ook de kamer van het eeuwige leven. De bruid zegt: "Ik ben zwart, doch liefelijk" (I, 5). Volgens Kohlbrugge geeft zij daarmee haar afkomst te kennen, haar geboorte. In zichzelf is de bruid goddeloos, maar in de ogen van de Bruidegom is zij "schoon, dat is: rechtvaardig en heilig voor Hem". Zo legt de Gemeente des Heeren de goede belijdenis af. In zichzelf is zij verwerpelijk, verdoemens waardig, lelijk, vleselijk en verkocht onder de zonde. Tegelijkertijd is zij "in de heerlijkheid van haren Koning Hem lief en aangenaam." De duivel maakt de bruid zwart voor de rechterstoel van Christus, maar de Gemeente grijpt naar het 'nochtans' van het geloof en ervaart de genezende kracht van de Naam van Jezus.
Op 30 augustus van het jaar 1863 heeft Kohlbrugge te Fijnaart gepreekt over de tekst: "Trek mij, wij zullen U nalopen" (Hoogl. I, 4). In deze preek zegt hij onder meer dat "de ziel in den waren Salomo, dat is Christus, dien Koning des vredes. Die alleen onze vrede is, het alles eenig en geheel vindt, wat tot hare zaligheid en gelukzaligheid van noode is; en hoe de Koning door Zijn liefde en almachtige trekking de vrijmoedigheid geeft om het te wagen, zich geheel en onverdeeld aan Hem over te geven, hoe ellendig men ook in zichzelven zij ... Als Hij (Christus) ons Zijn liefde doet smaken, dan zeggen wij dat zij uitnemend is, en wij werpen den wijn, wij werpen de wereld en de genietingen der zonde bij zulke liefde weg ... Als de Koning Zijn Jezus-naam niet besloten houdt, maar voor ons uitstort, zoo vlieden duivel, zonde en dood van ons. En de ziel, die het in waarheid zegt:
"Geef mij Jezus, of ik sterf,
Jezus is het zieleleven.
Buiten Jezus slecht" verderf,
Jezus alleen - en anders geen".
die behoort onder de maagden die Hem liefhebben, omdat Hij haar eerst heeft liefgehad ...". Uit deze preek wordt duidelijk dat de 'bruid' in de uitleg van Kohlbrugge 'de Kerkbruid' is. De eerder omschreven ervaring van de kracht van de Naam JEZUS is volgens Kohlbrugge dan ook verbonden met de gemeenschap der Kerk en de dienst van het Woord. Binnen die gemeenschap trekt de Koning ons door Zijn Woord en Geest, zodat de praktijk uitwijst wat de bruid in het Hooglied zegt: "Wij (!) zullen U nalopen!".
Op diezelfde 30ste augustus van het jaar 1863 heeft 86 Kohlbrugge ook in de namiddag over het Hooglied gepreekt en wel over de vraag in hoofdstuk 3: "Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn?" (vs. 6) en het gebed in hoofdstuk 4: "Ontwaak, Noordenwind! en kom, gij Zuidenwind ..." (vs. 16). Kohlbrugge verbindt Hooglied 3 : 6 met Openbaring 7:13- 14: "Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen? Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen, en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams." De bruid komt op uit de woestijn, zoals Israël, "door een hooge hand uit Egypte verlost, uit de woestijn opkwam". Hier herkennen wij weer joodse motieven. Ons treffen ook duidelijke parallellen met gegevens uit de exegese van de Kerkvaders. Kohlbrugge besluit zijn preek met de oproep uit
Kohlbrugge besluit zijn preek met de oproep uit Hooglied 3, 11: "Gaat uit en aanschouwt ... den Koning Salomo met de kroon waarmede Hem Zijn moeder kroonde op de dag van Zijn bruiloft ...". De 'Koning' - zegt Kohlbrugge - is Christus, de Vredevorst, en Zijn 'moeder' is de Heilige Geest, Die op de Pinksterdag, de dag van Christus' bruiloft, de bruid van Christus als een verloren schaap heeft binnengebracht in het koninklijk paleis. De Geest leert smeken om de Geest: "Ontwaak, Noordenwind! en kom, gij Zuidenwind!". De bruid ziet ernaar uit dat de Geest onwederstaanbaar blaze als de noordenwind, om de lucht te zuiveren van de vele boosheden en kwade dampen. Ook kijkt zij uit naar de zuidenwind, die de vruchten tot rijpheid brengt. "Zoo mogen dan des Heeren specerijen, die Hij Zelf geplant heeft in onzen hof uitvloeien. Onze hof is Zijn hof. O, dat mijn Liefste, mijn eenig eeuwig Al, tot Zijnen duurgekochten hof kwame! Ja, kom, Heere Jezus, en eet Uwe edele vruchten ...".
Wij komen bij het vierde en laatste voorbeeld van Kohlbrugge's prediking over het Hooglied. Daarvoor put ik uit de bundel 'Door Zijne wonden is ons genezing geworden'. Dat is een verzameling brieven van Kohlbrugge, uitgegeven door Georg Helbig. Als aanhangsel is er een preek van de Elberfeldse pastor over Hooglied 4:12- 16. Daarin gaat het om de 'besloten hof', de 'verzegelde fontein', en weer het gebed: "Ontwaak, Noordenwind! en kom, gij Zuidenwind ...". (Deze preek is in het Nederlands vertaald door Ds. D. van Heyst). Kohlbrugge heeft boven deze preek geschreven: "Seine Kirche" (Zijn Kerk). Hij stelt tegenover elkaar het eerste paradijs met Adam en Eva, en het nieuwe paradijs met Christus en de Gemeente. God de Heere heeft de nieuwe Adam en Diens bruid een plaats gegeven in de nieuwe tuin. De Bruidegom noemt de bruid Zijn zuster. Waarom? Wel, beiden hebben dezelfde Vader. "Hij als de eeuwige Zoon van de eeuwige Vader; en zij is van dezelfde Vader, omdat zij uit God geboren is." De Bruidegom noemt Zijn bruid ook 'een tuin' en 'een fontein'. Dat is hemelse poëzie, zegt Kohlbrugge. De bruid is 'een besloten hof'. Dat wil zeggen dat de Bruidegom haar voor Zich alleen heeft. Zij dient niet twee heren. Dat zij ook een fontein wordt genoemd, wil zeggen dat stromen van levend water uit haar binnenste zullen vloeien. Dat is naar het Woord van Christus. Ten diepste is echter de Bruidegom de fontein. Daarom geeft de bruid Hèm de eer en zegt: Gij zijt de bron van de levende wateren die van de Libanon vloeien! (vs. 15). Wat ik kan doen, komt van U; het daalt van bovenaf neer.
Deze en nog veel méér voorbeelden zijn voorhanden om aan te tonen hoe Kohlbrugge met de Gemeente het Hooglied heeft gelezen. Wij kunnen de tekst vergelijken met geschriften van de Kerkvaders en hun leerlingen in de Middeleeuwen en de Reformatie. Dat kan ons ervan overtuigen dat de exegese van het Hooglied - die voor ons is bewaard als erfenis van de begenadigde en begaafde prediker te Elberfeld - niet maar ergens in de lucht hangt. Nee, de uitleg van Kohlbrugge vormt een schakel in de keten van een eeuwenlange traditie. Hermann Friedrich Kohlbrugge - zo zijn wij begonnen - heeft de Heilige Schriften - inclusief het Hooglied - gelezen vanuit Christus. Dankzij de joodse benadering van het Hooglied kon en kan de Christelijke Kerk toegang vinden tot dit bijbelboek. Zij kan het Hooglied zingen als een gelijkenis van de verhouding van Christus tot Zijn Kerk. Vanuit de joodse wortels klinkt het Lied der liederen als een Psalm van de hoop, in het uitzien en verlangen naar de komende Messias.
Helaas heeft Kohlbrugge geen preek nagelaten over wat wel wordt genoemd het 'refrein' van het Hooglied. Dat refrein luidt: "Ik bezweer u ... dat gij de liefde niet opwekt... (2 :7, 3 : 5, 8 : 4). De joodse exegese van deze woorden vinden wij het duidelijkst terug bij Luther. In die uitleg wordt het volk van God gemaand niet eigenmachtig vooruit te grijpen op het Messiaanse Rijk door in opstand te komen tegen de overheersende machten. Gods volk moet achter de Héére aankomen. Het moet Zijn tijd afwachten, Hem verwachten en in de tussentijd het Hooglied zingen. In deze uitleg wordt de geest van de revolutie bestreden. Al ontbreekt dit aspect bij Kohlbrugge, dat neemt niet weg dat in zijn uitleg van het Hooglied duidelijk wordt dat de Gemeente des Heeren wordt aangevuurd tot een leven van hoop. Christus Zelf, de Bruidegom, zegt: Wacht op Mij, Ik kom er aan! En de bruid bidt, roept - zo besluit het Hooglied: "Kom haastig, mijn Liefste!". "En de Geest en de bruid zeggen: Kom!".
Actualiteit van de traditie
Zó zingt Kohlbrugge het Lied der liederen. Hij doet ons denken aan het beroemde werk van Augustinus: De Civitate Dei. Daarin citeert de Kerkvader uit het Hooglied. Augustinus spreekt dan van de verhouding tussen Koning Jezus en de koningin van Zijn stad, ofwel van Christus en de Kerk.
Kohlbrugge's exegese van het Hooglied heeft heel oude papieren. Niettemin wordt deze uitleg door moderne exegeten getypeerd als 'achterhaald', om niet te zeggen 'achterlijk'. Velen schuiven deze verklaring ter zijde. Dat betekent ondertussen wèl dat men zich losmaakt uit een zeer lange en rijke traditie, die blijkbaar voluit actueel is. Wie zich laatdunkend uitlaat over de traditionele exegese, moet wel weten wat hij doet. Ik zeg dat niet omdat ik ten koste van alles Kohlbrugge wil imiteren of copieren, alsof hij het laatste woord heeft gesproken. Nee, wij willen mét Kohlbrugge de kerkelijke weg gaan. Wij willen staan in de traditie van de heilige katholieke Kerk, in de gemeenschap der heiligen.
De opvattingen van de Vroege Kerk moeten ons wat te zeggen hebben. Ook in de Vroege Kerk waren er exegeten die zich niet voegden in de hoofdlijn van de uitleg van het Hooglied, zoals deze was uitgestippeld door de rabbijnen. Exegeten die het Hooglied niet lazen als een gelijkenis, werden als heterodox geëxcommuniceerd. Oók binnen de grenzen van dat deel van de Nederlandse kerken dat zich 'gereformeerd' of 'reformatorisch' noemt, geeft de gehanteerde klassieke methode van uitleg in de laatste decennia steeds meer te denken. Ook daar overheerst namelijk een natuurlijke exegese van het Hooglied, die de oudchristelijke Kerk in de persoon van Theodorus van Mopsuestia (350 - 428) heeft veroordeeld. Deze beschouwde het Hooglied als een erotisch tafellied. Een herhaling van een veroordeling vanwege de uitleg van het Hooglied zien wij later in Geneve, in de confrontatie tussen Calvijn en Sebastien Castellio (1515 - 1563).
Wanneer wij de oorspronkelijke joodse exegese serieus nemen, mogen wij zeggen: Het Hooglied heeft de allegorese niet nodig! Het Lied is een allegorie, een gelijkenis die heenwijst naar Christus. Deze methode van uitleg vinden wij ook in de Kanttekeningen bij het Hooglied in de Statenbijbel; de exegese van Kohlbrugge komt daarmee goeddeels overeen. Soms citeert hij de Kanttekeningen zelfs letterlijk. Wanneer het Hooglied allegorie is, dan is de gelijkenis
Wanneer het Hooglied allegorie is, dan is de gelijkenis zelf de letterlijke betekenis. Exegeten die strijden voor de handhaving van de letterlijke bijbeltekst, komen binnen dit kader dan ook tot hun recht. Daarvan geeft Kohlbrugge een toepassing in de preken waaruit ik heb geciteerd. Christus staat centraal. Van Hém uit en met het oog op Hem gaat het om het geheel van het Schriftgetuigenis dat tot ons komt, óók in het Hooglied. Dat is de actualiteit van de traditie waarin het Lied der liederen wordt gezongen. Binnen deze traditie valt de verklaring van Hermann Friedrich Kohlbrugge niet uit de toon.
(Referaat, gehouden 20 maart 1993 op de conferentie van de "Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge" in de Jacobikerk te Utrecht.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 mei 1993
Ecclesia | 8 Pagina's