De Christusprediking Van Kohlbrugge
Referaat, gehouden op de conferentie van de ”Kring van Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge” op zaterdag 19 maart 1994 in de Marcuskerk te Utrecht. (Eerste gedeelte)
Toen ik mij bezon op de wijze waarop ik het aangekondigde thema het best zou kunnen behandelen, ben ik ertoe gekomen om mij vooral te richten op de vraag wat heeft de Chnstusprediking van Kohl brugge ons vandaag (nog) te zeggen'' U begrijpt, dat ik daarmee wel allereerst u en mijzelf wil richten op Kohlbrugge's Chnstusprediking zelf Maar dat ik te gelijk de lijnen wil doortrekken naar deze tijd En dan denk ik vooral daaraan, dat wij als predikers juist in deze weken ertoe geroepen worden om Christus te verkondigen in Zijn lijden en sterven en opstanding Ik weet met, hoe u dat vergaat Wat mij betreft is het zo, dat ik aan de ene kant ervaar, dat we met deze verkondiging van de lijdende en stervende Heiland in het hart van het evangelie ons bevinden Maar aan de an dere kant is het zo, dat ik er altijd erg tegen opzie om deze prediking te houden Want ik besef, dat we dan zo diep in het heiligdom worden binnengeleid, dat het ons denken en spreken verre overstijgt Ik voel dan mijn machteloosheid en dat kan me wel eens erg be droefd maken Ik zou Christus zoveel dieper en ook aansprekender willen verkondigen dan ik doe Ik zou Hem in Zijn bloed en wonden in de armen en de harten en de levens van de gemeente willen leggen En dat lukt me nu juist zo moeilijk
Vooral tegen deze achtergrond lees ik weer met nieuwe ogen, hoe Kohlbrugge dat heeft gedaan Hij heeft inderdaad de lijdende Christus verkondigd, zoals ik het ook zo graag zou willen doen Dat maakt me jaloers op hem, omdat hij mij jaloers maakt op Jezus
Dat ik de vrijmoedigheid heb om zo met Kohlbrugge's Chnstusprediking vanmorgen om te gaan, heeft ook nog een andere reden Ik heb de tijd van voorbereiding op deze lezing ook gebruikt om me nog weer eens breder te verdiepen m wat door anderen over Kohlbrugge IS gezegd en geschreven, de jaren door Het viel mij daarbij op, dat telkens de vraag werd gesteld wat kunnen wij nu van Kohlbrugge leren, of wat heeft Kohlbrugge te zeggen in onze tijd'' Het blijkt, dat er op dit punt een opmerkelijke am
Het blijkt, dat er op dit punt een opmerkelijke ambivalentie (dubbelgerichtheid) bestaan heeft en mis schien nog bestaat Ik vond die ambivalentie het dui- 171delijkst uitkomen bij O Noordmans Enerzijds meent hij, dat de Christusprediking van Kohlbrugge, waarin er mets van de mens overblijft, ook niet nadat hem genade IS bewezen, in al haar toegespitste scherpte eis kan zijn van de omstandigheden Anderzijds merkt Noordmans op, dat deze eenzijdigheid 'nooit blijvend' kan zijn Er is ook een opwassen in de genade van Jezus Christus, een afsterven van de oude en een opstaan van de nieuwe mens {Verzamelde Werken I, 96) Met andere woorden Kohlbrugge's prediking is eenzijdig Dat was kennelijk nodig en dat kan nog no dig zijn Maar het kan met altijd zo blijven Er is nog meer te zeggen, ook in de prediking
Maar dezelfde Noordmans zegt ook, dat Kohlbrugge juist in zijn toegespitste prediking een profetische figuur is, die meer betekenis heeft voor onze tijd dan voor zijn eigen tijd (A w , VI, 546) Het was in de dertiger jaren, dat Noordmans dit zei
Na de oorlog komt de vraag naar de betekenis van Kohlbrugge voor het heden opnieuw terug In 1946 publiceert J H GroUe zijn in het gijzelaarskamp in St Michielsgestel geschreven brochure De boodschap van Kohlbrugge nu' In de nood van de oorlogstijd en vooruitziende naar een nieuwe toekomst, meent hij dat juist nu Kohlbrugge's prediking voor ons een boodschap heeft
Ik denk ook aan het door G C Berkouwer in 1948 aan de Vrije Universiteit gehouden referaat over Kohlbrugge in onze tijd Opvallend is echter, dat hij niet verder komt dan op de eenzijdigheid en beperktheid van Kohlbrugge te wijzen
Maar in ieder geval hebben deze eerdere proeven van bezinning op de actualiteit van Kohlbrugge's prediking mij mede ertoe gebracht om ook de vraag te stellen De Christusprediking van Kohlbrugge - wat heeft ZIJ ons nu te zeggen'^
WIJ willen nu enkele momenten uit Kohlbrugge's Christusprediking naar voren laten komen en vanuit de zojuist aangegeven vraagstelling nader bezien Het zal u duidelijk zijn, dat wij ons moeten beperken tot slechts enkele 'momenten' Want het ene centrale thema van Kohlbrugge's Christusprediking is m haar geconcentreerdheid toch ook weer zo veelzijdig, dat we onmogelijk naar volledigheid kunnen streven Tegelijk realiseer ik me echter, dat als ik een selectie maak, ook daarin al de toespitsing ligt opgesloten naar het heden toe, met een persoonlijke, zelfs subjectieve inkleuring Dat kan met anders Maar dat laatste IS mijns inziens niet iets, dat tegen de geest van Kohlbrugge indruist
Graag zou ik willen beginnen met erop te wijzen, dat het terzake is om te spreken over Kohlbrugge's ChxKiusprediking Dus niet Kohlbrugge's christologie of leer aangaande Christus Dat laatste heeft Kohlbrugge namelijk met gegeven, althans niet in die zin dat hij een systematisch-dogmatische doordenking van de christologie heeft gegeven
Opvallend komt dat tot uiting in zijn geschrift Over de Godheid van Christus (AmsteTdam, 1940) J C S Locher heeft dit uit het duits vertaald en uitgegeven en wijst dan in zijn 'Woord vooraf' erop, dat het hierin gebodene geen preken van Kohlbrugge bevat, maar 172 dat het gaat om 'verhandelingen' Toch is het opmerkelijk, dat er boven het vierde hoofdstuk oorspronkelijk stond 'Vierte Predigt uber die Gottheit Christi' Dus toch prediking' Ik denk, dat dit voor Kohlbrugge kenmerkend is Zijn verhandeling over Christus is (oorspronkelijk) prediking geweest Maar ook omgekeerd Kohlbrugge brengt in zijn prediking verhandeling en appellerende en vertroostende verkondiging samen Dat doet hij ook in dit boek De leer van Christus blijkt het leven van Gods kerk te zijn
Die verbinding komen wij ook nog op een andere manier tegen U weet wellicht, dat Kohlbrugge vaak en heel intensief is bezig geweest met de uitleg van Jo hannes 1 1-18 (zie o a Twaalf Twaalftallen, Ed T Wever, Dl IX-X en Schriftverklaringen, Ed Berkel, 1971, Dl 17) 'lm Anfang ward das Wort' Wat daarin zo aangrijpend op ons afkomt, is, dat Kohlbrugge deze diepe woorden van wie Christus is het Woord, en dat Woord is God zelf -, dat hij dat zo, wat ik zou willen noemen, anti-speculatief uitlegt, zo direct verbindt met de practijk van het geloof en van de christelijke gemeente Wij, aangevochten maar ook telkens ons iets of heel veel verbeeldende christenen, hebben ons aan deze Christus te houden Want Hij is het Woord en dat Woord is met minder dan God zelf Daarom, omdat dit Woord God zelf is, geldt blijven in dit Woord, want dan blijven we in God Zo ontvouwt Kohlbrugge zijn christologie Ze is tegelijk voluit prediking van het heil
*
Nu lijkt het wat op gespannen voet daarmee te staan, wanneer wij, als wij nu meer inhoudelijk op zijn Christusprediking willen ingaan, om te beginnen ons richten op de eeuwige en goddelijke oorsprong van Christus Er wordt meestal meer aandacht gevraagd voor Kohlbrugge's prediking van Christus als mens Het Woord is vlees geworden Dat is ook aangrijpend Maar daar komen wij nog op
Even aangrijpend als verrassend is het, wat Kohlbrugge schrijft over het God-zijn van Christus Daar heeft hij het namelijk ook vaak over Ik noemde al zijn verhandelingen over de Godheid van Christus Opvallend is echter, dat juist als Kohlbrugge het over Christus' mens-zijn heeft, hij het ook over Zijn Godzijn heeft Juist dat samengaan van beide maakt het aangrijpende van zijn Christusprediking uit Sprekende over Christus' Godheid treft het ons, dat
Sprekende over Christus' Godheid treft het ons, dat Kohlbrugge het zo vaak heeft over de vrederaad van God of het raadsbesluit van God Daarvan is Christus de centrale inhoud We zouden zelfs kunnen zeggen het stralende middelpunt A de Reuver laat Kohlbrugge zelfs zeggen, dat Christus de grond ervan is (A de Reuver, 'Bedelen bij de Bron', Kohlbrugge's geloofsopvatting vergeleken met Reformatie en Na dere Reformatie, Zoetermeer 1992, 533)
U zult het wellicht kunnen begrijpen, dat mij dit hevig interesseert Het is trouwens ook in de huidige discussie rondom Kohlbrugge's verkiezingsleer actueel Daarop ga ik nu echter met in Wat mij nu bezighoudt, IS, dat ik zou willen verstaan wat Kohlbrugge bezield heeft, als hij telkens wanneer hij het over Christus en Zijn heil {ons heil dus) heeft, die vrede raad van God erbij betrekt
Is dat te verklaren uit een drang om alles naar de eeuwigheid terug te voeren, zoals we dat bijvoorbeeld bij A Comrie tegenkomen"' Ik denk het met Het geeft m i meer aan, dat Kohlbrugge in zijn concentratie op Christus, de trimtarische verbanden (de verbanden van Gods drieeenheid Vader, Zoon en Hei lige Geest) met uit het oog heeft verloren Want als het over Christus gaat, gaat het bij Kohlbrugge ook over God, over Zijn Wet, Zijn eer, Zijn recht, en over Zijn vrije en rijke ontferming over zondaren Het is die trimtarische stralenbundel, waarin Christus juist het meest schittert en de dieptedimensie van Zijn persoon en Zijn werk oplicht
Ik zou echter graag willen weten, hoe Kohlbrugge dat dan heeft gezien Hij is toch genoeg theoloog ge weest om te weten, dat de gereformeerde traditie de vrederaad Gods gezien heeft als een na-volgende uitwerking van het daaraan voorafgaande, eigenlijke raadsbesluit van Gods eeuwige verkiezing en verwerping In de goddelijke orde is Gods vrederaad een daarop volgende handeling, en dan alleen betrokken op de verkorenen Want God heeft besloten, dat die (alleen) zalig worden En met het oog daarop gaat de Vader in beraad met de Zoon en de Geest De disser tatie van B Loonstra (Verkiezing - verzoening - verbond, s-Gravenhage 1990) heeft ons erg geholpen om te leren zien, hoe de lijnen in de traditie op dit punt lopen Maar het trof ons, als we tenminste goed hebben waargenomen, dat Kohlbrugge die onderscheiding tussen het eeuwig decreet (raadsbesluit) van de dubbele predestinatie (verkiezing en verwerping) en de vrederaad Gods, het zogenaamde pactum salutis, met noemt Omdat hij ze met kent of erkenf Ik weet het niet Maar in ieder geval kon hij daarom Gods raadsbesluit zo voluit christologisch verstaan Daarom kon hij dit eeuwig raadsbesluit ook met zoveel vrijmoedigheid als evangelie, dat vol is van Christus, verkondigen
Dat heeft mij veel te denken gegeven Onder andere deze gedachte heeft de traditie er wel goed aan gedaan om die onderscheiding te maken tussen Gods predestinatiebesluit en Zijn vrederaad'' Is het met alleen in de geest van Kohlbrugge, maar ook in de geest van het evangelie zelf om die twee als een eenheid te zien'' Want dan hoeven wij Gods verkiezing met meer te verzwijgen, omdat ze voor ons verborgen is Dan mogen wij haar prediken als evangelie, alleen maar evangelie, waarvan Christus het middelpunt vormt *
*
Die trimtarische eenheid in het in Christus geschonken heil zien wij bij Kohlbrugge ook nog op een andere manier naar voren komen Ik kom dan weer bij Kohlbrugge's uitleg van Johannes 1 terecht In zijn prediking over Johannes 1 1 trekt hij expliciet (uitdrukkelijk) de parallel tussen Genesis 1 en Johannes 1 (Zo o a in Twaalftallen IX-X, 287 Vgl ook Th Stiasny, Die Theologie Kohlbrugges, Dusseldorf 1935, 42f) In den beginne was het Woord Dat slaat inderdaad terug op Genesis 1 Echter, in Genesis 1 gaat het alleen over de schepping door het Woord, terwijl het in Johannes 1 gaat over de schepping en de verlossing Als ik nu Kohlbrugge goed heb verstaan, trekt hij
Als ik nu Kohlbrugge goed heb verstaan, trekt hij schepping en verlossing wel heel dicht bij elkaar Dat doet hij, omdat het in beide om Christus gaat, het Woord, het ene en zelfde Woord, dat God is en op ons heil uit is De Reuver geeft aan, dat Kohlbrugge in de schepping de Christus incarnandus (die vlees moet worden) laat vooropgaan (A w , 23) Of zoals Kohlbrugge het ook zegt ' - zoo zal men de wereld wel zoo wereld moeten laten, als Christus ze gemaakt heeft, namelijk zoo, dat ( ) mets anders als toevlucht gezocht wordt ( ) dan de thans openstaande genadetroon' {Twaalftallen IX X, 93) In dit licht gezien geeft Stiasny Kohlbrugge goed weer, als hij zegt 'Alle kennis en leer is gericht op de redding van de zondaar' (A w , 43) Ook Stiasny legt hier een verbinding met Kohlbrugge's tnniteitsleer Ook de schepping is uitvoering van de raad des vredes en een daad van goddelijke barmhartigheid (A w 44 f ) In het kader van Gods raad staat de verlossing van de gevallen schepping al vast Daarom spiegelt het hele verlossingswerk zich al af in het scheppingswerk Het wordt erdoor 'bevorleuchtet' (A.w , 48)
Het IS bekend, dat er ook hierover reeds een eeuwenlange traditie bestaat, die rondom K Earths uitleg van Johannes 1 opnieuw in discussie is gekomen In de klassiek-gereformeerde traditie is het zo, dat men Genesis 1 en Johannes 1 juist zo veel mogelijk van el kaar heeft willen onderscheiden Dat deed men door ook weer binnen Johannes 1 een duidelijke caesuur (insnijding) aan te brengen tussen het eerste deel (vs 1 4), waar het gaat over het scheppende Woord en het tweede deel (vs 14 vv ), waar het gaat over het vleesge worden Woord In het scheppende Woord gaat het dan alleen over de Zoon als tweede goddelijke persoon, terwijl het in het tweede deel gaat over Jezus Christus, het vleesgeworden Woord Zo meende men schepping en verlossing uit elkaar te houden en men vond dat nodig Waarom'' Ik denk toch vooral om het particuliere van het heil zorgvuldig te blijven scheiden van het universele (algemene) van de schepping
Maar bij Kohlbrugge vind ik die zorg met Niet dat hij het heil m Christus universeel maakt Dat doet hij duidelijk met, getuige o a zijn uitleg van 1 Timotheus 2 4 (Vgl A de Reuver, A w , 528 v ) Maar zoals hij in Christus het eeuwig predestinatiebesluit van God laat samenvallen met Gods vrederaad, zo laat hij ook schepping en verlossing samenkomen in het Ene Woord, dat met alleen de Zoon is, maar dat Christus IS, de Zoon van God en de Zoon des mensen
Overigens staat Kohlbrugge hiermee ook in een oude traditie Augustinus dacht al in die richting Later kom je het o a bij J Coccejus en F A Lampe te gen Ik heb geen antwoord kunnen vinden op de vraag, of Kohlbrugge zich bewust in die traditie heeft bewogen Eerder ben ik geneigd om te menen, dat zijn centraal stellen van Christus, zijn alle nadruk erop laten vallen dat in Christus ons werkelijk alles is gege ven, dat ons hele bestaan met en in Hem is ingelijfd, dat dat hem tot deze verbinding van schepping en heil heeft gebracht
Ik moet zeggen, dat me dat heel erg aanspreekt Of dat komt doordat we na Kohlbrugge Karl Barth hebben gehad, die op die eenheid van schepping en heil een heel zwaar accent heeft gelegd'' Dat zou kunnen zijn Dan beseffen wij tegelijk, dat het ook weer niet- 173zonder risico is om die twee, schepping en heil, zo nauw met elkaar te verbinden, dat zij zelfs in elkaar opgaan. Maar dat risico moeten wij dan maar nemen. Het belangrijke ervan is, dat wij op deze wijze wel geen universalisten willen worden, maar dat we wèl oog krijgen voor de wereldomvattende uitstraling van Christus en de door Hem verworven en in Hem geschonken verzoening en verlossing.
En dat hebben wij nodig, omdat het ons zou mogen afhelpen van ons kerkelijk en geestelijk particularisme en wij meer de nood en de schuld van de wereld in het vizier zouden krijgen. Zo begrijp ik ook J. H. GroUe in zijn al genoemde brochure. Hij schrijft, dat Kohlbrugge's prediking ons leert om de moderne wereld van het ongeloof in het oog te krijgen. Kohlbrugge leert ons dat, doordat hij ons leert in ons goddeloos-zijn ons solidair te weten met deze wereld. Ik zou nu echter willen zeggen, dat Kohlbrugge ons dat leert, omdat hij schepping en verlossing in de ene Christus, het Ene scheppende en verlossende Woord van God, dat zelf God is, laat samenkomen.
Toen ik dit neerschreef realiseerde ik me, dat ik hiermee in feite bezig ben om duidelijk te maken hoe realistisch Kohlbrugge's Christusprediking is geweest. Daar wil ik nu op doorgaan omdat dit wel aan de orde moet komen, wanneer wij nagaan hoe Kohlbrugge het waarachtig God-zijn en mens-zijn van Christus in zijn prediking vertolkt.
Ik hoop, dat u mij toestaat om vanmorgen eerlijk met en tot u te spreken. Ik moet namelijk erkennen, dat ik de laatste tijd juist aan dat realistisch karakter van Kohlbrugge's Christusprediking ben gaan twijfelen. Dat wekte bij mij zelfs een zekere critische gezindheid op in de richting van Kohlbrugge. Ik denk eraan, hoe ik onlangs in mijn interview in Kontekstueel {S/4, Febr. 1994) mij over Kohlbrugge heb uitgelaten. Toen ik het later las, heb ik er wel even tegenaan gekeken. Nogal critisch, dacht ik. Is dat wel terecht? Ik mag toch zeggen, dat ik ontzaglijk veel aan Kohlbrugge te danken heb gehad en nog heb.
Maar ik zal zeggen hoe dat is gekomen. Kohlbrugge wijst met klem aan, dat wij mensen vlees zijn, goddelozen, tot geen ding nut, alleen het oordeel waard. Dat aan de ene kant. En aan de andere kant wijst hij met evenveel en misschien nog meer kracht Christus aan ais het Woord dat vlees is geworden, ons vlees, ons goddeloze onder Gods oordeel staande, ten dode gedoemd vlees. Dat is ons enig houvast, ons enig heil, waaraan wij ons in alle omstandigheden mogen houden... Nu is het mij opgevallen, dat uit deze op zich machtige waarheid een godsdienst kan opbloeien, die door en door docetisch*) is. Die vrijwel geen enkele aanraking meer heeft met de echte realiteit van ons bestaan. En dat uit zich dan o.a. in een prediking, die bol staat van grote woorden zoals: wij zijn goddeloos en doemwaardig, enz., maar Christus is ons één en al. Ik bemerk dan, dat beide waarheden geen realiteitsge-halte hebben. Integendeel. Juist zij die hun godsdienst ophangen aan deze waarheden, laten zich kennen als mensen die zó gevoelig zijn op hun eer en eigenwaarde dat, als er maar een vinger naar hen wordt uitgestoken, zij op hun gesstelijke strepen staan en zich afdekken met een ondoordringbaar orthodox, vaak ook nog bevindelijk, pantser van eigengerechtigheid.
Versta mij goed. Terwijl ik dit zeg, word ik het woord van de apostel indachtig: 'Gij die een ander leert, leert gij uzelf niet?' (Rom. 2 : 21). En ik voel me ook door de moordenaar aan het kruis aangesproken: 'Vreest ook gij God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?' (Luc. 23 : 40). Maar ik zie wel, dat dit ervan komt. Ik bedoel: daar kunnen wij met Kohlbrugge's Christusprediking uitkomen.
Trouwens, ook dit is al een vrij lange traditie. Ik denk dan niet zozeer aan het z.g. antinomianisme, hoewel dat ook een beroep op Kohlbrugge's leer aangaande het vlees-zijn en - blijven van de mens heeft gedaan. Ik bedoel het echter meer in de zin van het docetisch omgaan met de zonde en het oordeel èn Christus en Zijn heil. En dat allemaal op naam van Kohlbrugge. Hoe komt dat toch? Ik denk, dat ik 'een' (niet 'het') antwoord weet. Ik denk, dat het daardoor komt dat wij Kohlbrugge annexeren voor onze orthodoxe Christusprediking. Kohlbrugge zelf wijst daarop in een brief aan Stephen de Clercq. Hij zegt daarvan, dat in zo'n orthodoxe preek alles netjes op een rijtje staat. Eerst de wet, dan de zonde, dan Christus en dan nog iets over de verkiezing en de heiliging. Maar Kohlbrugge vervolgt dan: maar de 'haarden der zonden' worden met rust gelaten. Je kunt er zondaar bij zijn en blijven (Noordmans, A.w., III, 306). En dan geeft hij De Clercq het advies om in plaats van in deze leer te blijven hangen 'midden in het leven' te gaan staan. En dan bedoelt Kohlbrugge daarmee niet zozeer het bevindelijke leven met zijn 'dierbare nieten' a la Schortinghuis, maar 'het concrete mensenleven', het soldaten- en tollenaarsleven rondom Johannes de Doper, als deze mensen vragen: Wat moeten wij doen? Of om het nog eens in de stijl van Schortinghuis te zeggen: Wij zijn geen 'dierbare', d.w.z. bevindelijke 'nieten', maar wij zijn kei-harde, walgelijke 'nieten'. Dat is heel wat anders. Want Kohlbrugge had wel ontdekt, dat 'de grootste Enakieten wonen in de stad niets-wezen'. Ik vraag me dan wel eens af: Is Kohlbrugge niet bij ons in verkeerde handen terechtgekomen? *
*
Met deze voorstelling van zaken is het voor mij echter des te verrassender geweest, toen ik me opnieuw ging verdiepen in Kohlbrugge zelf. Want toen ontvouwde zich voor mij een heel ander beeld. Ik moet er wel bij zeggen, dat ik daarbij mede geholpen ben door Noordmans en Grolle. Zij hebben mij althans op een spoor gezet, omdat zij vooral op dat realisme van Kohlbrugge's Christusprediking hebben gewezen.
Ik geef een paar citaten. In zijn artikel over de Festpredigten van Kohlbrugge typeert Noordmans de kerstpreek van Kohlbrugge over Lucas 2:6,7 als 'een realistische preek', die geloof in het woord Gods vraagt, 'midden in de werkelijkheid, tussen tijd en toeval' (III, 314). 'Uitwendige en inwendige armoede lopen hier door elkaar heen' Jezus 'm vlees' (zonder lidwoord) gekomen, dat is 'een realistisch evangelie' (III, 315), dat 'door alles heenslaat', 'tot op de bodem der werkelijkheid, de meest dagelijkse en ellendigste werkelijkheid' (III, 317 Zie ook Grolle, A w , 24 vv ) Christus is met alleen voor de inwendige, maar ook voor de uitwendige mens gekomen, voor de ge wone arme en voor de arme van geest Noordmans trekt de lijn dan nog door en merkt op, dat deze prediking evengoed sociaal is als persoonlijk, even politiek ais kerkelijk, 'al heeft Kohlbrugge deze consequenties nog weinig getrokken' Zijn prediking gaat in ieder geval 'regelrecht in het vlees, de naakte, laatste werke lijkheid van het leven' Dat geldt niet alleen van Christus' komst in het vlees, het geldt ook van Zijn hjden en sterven en van Zijn opstanding Want als in Christus' opstanding de nieuwe mens is opgestaan, gaat het werkelijk om ons 'zoals wij leven en zijn, met huid, vlees en alle beenderen, hart, hoofd en verstand, handen, voeten en alle leden' (III, 318)
Dat IS het, wat mij in Kohlbrugge aanspreekt en waarvan ik het vermoeden heb, dat wij die boodschap juist nu dienen ter harte te nemen Maar het is intus sen de aandachtige luisteraar niet ontgaan, dat ik zo juist Noordmans heb geciteerd en niet Kohlbrugge zelf Ik merk dit zelf op, omdat er bij mij een vraag achter schuilt, namelijk deze is deze interpretatie van Kohlbrugge door Noordmans wel juist*^ Brengt Noordmans zelf dit realisme er met bij Kohlbrugge mf
Die vraag heeft mij beziggehouden en zij houdt me nog bezig Want het zou mogelijk zijn, dat al dat spre ken over het vlees door Kohlbrugge door hem toch niet realistisch maar veeleer docetisch, in wezen spiritualistisch IS bedoeld
Misschien is het mogelijk om dit na te gaan door Kohlbrugge's eigen leven, voorzover ons dat bekend is, te leggen naast zijn prediking Dat door en door verdorven en goddeloze vlees, is dat voor Kohlbrugge zelf bittere werkelijkheid geweesf Of is het alleen een extern predicaat van een bestaanswerkehjkheid, die er in feite heel anders uitzag en door Kohlbrugge zelf ook anders werd ervaren'' In een preek over Johannes 1 lb zegt Kohlbrugge, dat 'waar van zonde en el lende sprake is, (de mens) gewoonlijk aan lusten des vleesches denkt en erder nog aan een paar zwakheden HIJ kan er (echter) verzekerd van zijn, dat hij daaraan niet denken zou, indien hij zijn eigenlijke ellende in het oog kreeg, die wel in de eerste plaats daarin bestaat, dat hij het Woord in het geheel met indachtig is en niet verstaat wat hij heeft, als hij het Woord heeft' (Twaalftallen I-II, 294)
Met dat zondige vlees bedoelt Kohlbrugge dus ken nelijk niet, dat wij mensen doortrokken zijn van onze boze begeerten en gevoelens Dat hoort bij de categorieën van de 'kleine religie' (Noordmans, A w , III, 512), m a w het moralisme Nee, het gaat om de 'grote religie' en dan blijkt onze zonde te zijn, dat wij 'uit het Woord' treden, telkens weer Dat houdt in, dat WIJ het Woord wel willen horen, maar met met toepassing op onszelf, omdat wij, zelfs als wij met instemming het Woord horen, toch onszelf handhaven {Twaalftallen I-II, 295 298) Zo kan ook het Woord ons 'heilig huisje' worden (A w , 301) Dat is ons vlees-zijn en vlees-blijven Maar betekent dit dan, dat er geen enkele verbinding bestaat met de harde, concrete zonden van mijn vleselijk bestaan'' Is de zondekennis dan exen forensisch (rechterlijk) als de goddelijke rechtvaardiging''
Maar wie bovengenoemde citaten goed gehoord heeft, heeft eigenlijk al een antwoord op deze vraag Het trof ons, dat wij in dezelfde preek die wij boven noemden, ook lezen, dat het Woord geen 'tooverwoord' is, maar 'een Woord Dat, nadat Het in den beginne hemel en aarde geschapen heeft. Zich sedert in vleesch en bloed gekleed heeft Zoo was Het in Zijne Profeten, zoo is Het nog in Zijne heiligen en uitverkorenen, daar toovert Het echter iemand niet wat voor, Het begeeft Zich met den ellendige in diens ellendigen toestand, en spreekt aldaar door eenen, die ook ellende kent en gekend heeft, tot den ellendige "Doe dat" ' (A w , 306)
Zo concreet is onze ellende dus toch wel Ze heeft terdege met ons echte vlees en bloed te maken zoals het Woord ons vlees en bloed is ingegaan en zo waar als het 'm Zijn bloed', waarin wij de verlossing hebben, letterlijk moet worden opgevat, zoals Kohlbrugge ons leert in vraag en antwoord 230 van zijn De Leer des Heils 'Is dit "in Zijn bloed" letterlijk op te vatten'' Antwoord Ja, gewis'
Ik wil het daarom toch maar bij het genoemde realisme houden, al heeft het dan (ja, hoe moet je het noemen. Iaat ik zeggen ) iets dialectisch in zich Om dat nader te funderen, verwijs ik naar Kohlbrugge's Betrachting over het eerste Kapittel van het Evangelium van Mattheus (laatste vertaling door W B H van Linschoten en J C S Locher Amsterdam 1939) De geboortegeschiedenis van Jezus Christus, die niet bij Jozef of Maria begint, maar bij David en Abraham
*
Opmerkelijk en verrassend is het al, wanneer Kohlbrugge die wordingsgeschiedenis van Jezus in het Oude Testament zo lijfelijk-reahstisch tekent Het gaat maar met om typen of voorbeelden van Jezus in het Oude Testament, nee, het gaat daarin om Jezus zelf
Dat Jezus-zelf viel mij ook zo sterk op in Kohlbrugge's dissertatie over de uitleg van Psalm 45 Specimen philologico-theologicum inaugurale, exhibens commentanum m Psalmum quadragesimum qumtum (Amsterdam 1829) Kohlbrugge wijst erop, dat er zijn die deze psalm alleen op Salomo laten slaan Er zijn er ook, die haar op Salomo laten slaan en via hem profetisch op Christus Maar Kohlbrugge zelf geeft nog een andere uitleg Deze psalm slaat helemaal met op Salomo Zij slaat alleen en rechtstreeks op Christus Zo ziet Kohlbrugge het Oude Testament Christus zelf is in levende lijve daarin aanwezig
In zijn verhandeling over de Godheid van Christus geeft Kohlbrugge ditzelfde op een andere manier aan HIJ wijst erop, dat Christus in het Nieuwe Testament de Zoon wordt genoemd en in het Oude Testament de Engel des HEEREN Ook in die engelgestalte gaat het om een persoonlijke verschijning van Christus Hierin is Christus al aan het vlees-worden. Kohlbrugge spreekt over een 'aangenomen voorbijgaande gestalte', waarin 'Zijne toekomstige waarachtige volledige menschwording' werd 'voorafgeschaduwd', d.w.z., die 'in het Woord der belofte ontwikkelde' {Over de Godheid van Christus, 48). Kohlbrugge ziet in het Oude Testament reeds een zich ontwikkelende menswording van Christus, waarin zowel het 'reeds' als het 'nog niet' van deze vleeswording tot hun recht komen, omdat, zoals Kohlbrugge zelf het omschrijft, Jezus Zich toen 'nog in de ontwikkeling bevond wat de openbaring in 't vleesch aangaat' (A.w., 52). Zo verschijnt Jezus in de Engel des HEEREN 'vóór Zijn menschwording in een aangenomen zichtbare gestalte, (...) tegelijk Zijn komst in het vleesch tevoren afbeeldende...' (A.w., 71).
*
In dat licht ziet Kohlbrugge ook de geboortegeschiedenis van Jezus in Mattheus 1. Twee dingen vallen ons daarbij op. In de eerste plaats laat Kohlbrugge de geboorte van Jezus geheel en al opkomen uit het Oude Testament. Dat is het kenmerkende van het Mattheusevangelie. Het is de 'trait d'union' (verbindingsteken) (J. H. Grolle, A.w., 30) van het Oude naar het Nieuwe Testament. Zijn inzet met de geboortegeschiedenis van Jezus Christus is Oudtestamentische geschiedenis. Ja, alle Oudtestamentische geschiedenissen zijn 'Werdungen Christi' (Stiasny, A.w., 52). Geen wonder, dat het Oude Testament voor Kohlbrugge zo hoog genoteerd staat. Het geeft tegelijk aan, dat Kohlbrugge's Christusprediking vooral Oudtestamentische prediking is. Prediking van het geschiedende, vlees (en bloed) wordende Woord (zie boven). Zo is het in de Psalmen en bij de profeten en vandaaruit ook in het Nieuwe Testament, waarvan de ouverture (openingsstuk) ons in Mattheus 1 is gegeven.
Daarmee kom ik bij het tweede aspect hiervan. Mattheus 1 tekent ons niet alleen de Oudtestamentische, lijfelijke geschiedenis van Jezus' komen in de wereld, maar het tekent dit komen tegelijk als een komen in het 'vlees'. En wij weten dan van Kohlbrugge's voorkeur om de accenten daar te laten vallen, waar de zonde geheerst heeft in dit wordingsgebeuren van Jezus. Thamar, Rachab, Bathseba en tenslotte Maria zelf. Van haar zegt Kohlbrugge: 'Wanneer ooit een vrouw de vloek van haar geslacht gevoeld heeft, en wat het wil zeggen vrouw te zijn, dan was het Maria' (Geciteerd door Stiasny, A.w., 63). Dat 'vlees' is het, waarin Jezus de wereld is binnengekomen.
En dan kom ik weer bij mijn oude vraag terecht. Is dit nu door Kohlbrugge docetisch, louter predicatief, of realistisch bedoeld? Als het eerste waar is, dan zeg ik: stoere woorden, maar zij slaan nergens op. Of om het met Kohlbrugge's eigen woorden te zeggen: de haarden der zonden worden niet geraakt. Maar als hij het realistisch, d.w.z. gewoon-feitelijk bedoeld heeft dat Jezus in de weg van werkelijke hoererij en bloedschande deze wereld is binnengekomen, dan sta ik in grote ontsteltenis mij te ergeren en tegelijk te verwonderen. Want dat zou dus betekenen, dat Jezus niet bij ons 'nette, vrome' leven past, maar bij anderen die in het riool van deze samenleving zijn terechtgekomen en dat nog door eigen schuld ook. Anderen..., ja, dat 176 moet diep door ons heen slaan. Dat Jezus er niet voor ons is, want wij zijn voor Hem te netjes, te christelijk, te vroom. Maar Hij is er voor de anderen, die wij allang hebben afgeschreven. Tenzij ik zelf, niet predicatief, niet docetisch, niet dierbaar-bevindelijk, maar heel realistisch zo'n riool-mens ben of geworden ben, en ook dat door eigen schuld.
(Het tweede en laatste gedeelte verschijnt in het volgende nummer).
) Niet betrokken op de werkelijkheid van het lichamelijk bestaan. Het docetisme was een vroeg-christelijke dwaalleer, die loochende dat Jezus het echte menselijke vlees had aangenomen. Zie 1 Joh. 4 : 1-3. 174
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 oktober 1994
Ecclesia | 8 Pagina's