Vijftig jaren vrij - waarvan, waartoe? (Tweede en laatste gedeelte)
Laten wij eens proberen Nederland te zien door de ogen van een emigrant, die in 1946 zijn land verliet en in 1995 voor het eerst weer een bezoek brengt aan het land van zijn geboorte. (Tussen haakjes: in de naoorlogse jaren werd door onze overheid emigratie wegens de dichtbevolktheid van ons land aanbevolen, terwijl merkwaardigerwijs ons land 40 jaar later, nu de bevolkingsdichtheid sterk is toegenomen, een immigratieland geworden is). Onze imaginaire reiziger geniet, hoewel inmiddels bejaard, een goede gezondheid, heeft een heldere geest en is een scherp waarnemer. Toen hij als jongeman van 25 jaar zich elders in de wereld een bestaan ging opbouwen had hij zijn vaderland goed in zijn herinnering gesloten, zodat hij in staat is te vergelijken tussen toen en nu.
Wat zou hem zoal treffen in zijn reizen en trekken door ons land en in de gesprekken die hij voert? Ik denk allereerst dat hij vindt dat ons land, hersteld van de enorme oorlogsschade, overvol is geworden. In de jaren van zijn afwezigheid is de bevolking bijna verdubbeld. Steden en dorpen zijn immens uitgebouwd en de wegen kunnen het verkeer van de gemotoriseerde mens nauwelijks meer verwerken. Klaagde J. Huizinga al in 1943 over de ondergang van het landschap^^, het landschap is nu, een halve eeuw later, nog veel meer ontluisterd en slibt dicht door de almaar uitdijende steden en dorpen en industriegebieden. Bovendien is het karakteristieke van dorpen en steden veelal moedwillig verwoest door sloop op grote schaal en het bouwen van smakeloze en foeilelijke gewrochten, ontworpen op de tekentafels van geestloze architecten. Wanneer onze gefingeerde reiziger door de straten van een willekeurige stad zou wandelen en kennisnemen van het leven in Nederland, zou hij zich, dunkt me, verbazen over geheel onze maatschappij, haar multi-raciaal karakter, haar junks, haar onveiligheid, haar criminaliteit, de gokhuizen, de algemene verloedering, ons individualisme en het feminisme, de cultus rondom de sport, het gemak waarmee abortus provocatus wordt bedreven, de geringe waarde die aan het leven nog wordt gehecht, het gering besef van recht en slecht, de ontkerkelijking en ontkerstening. Ik zie hoe onze nog steeds imaginaire reiziger bij een kiosk het dagblad "Trouw" koopt, ooit vanuit het verzet ten huize van de gereformeerde dr. Gezina van der Molen opgericht. Hij bladert en leest er in, legt het dan teleurgesteld weg. Dit is "Trouw" van destijds niet meer. Dit is ontrouw. Hij bezoekt de Vrije Universiteit, waar hij lang geleden wel eens wat lessen bijwoonde en volgt daar als gast enkele colleges. Wat hij daar nu hoort Ieren, hoorde hij er toen bestrijden. Hij zucht. Dit is de V.U. niet meer. Op zijn hotelkamer stemt hij af op de N.C.R.V. Wat hij daarvan nu opvangt is de N.C.R.V. niet meer. Destijds had hij politieke belangstelling en sommige van zijn vrienden waren lid van de A.R.P., andere waren op de C.H.U. georiënteerd. Hij informeert waar hij voor enkele ontmoetingen terecht zou kunnen en verneemt dat het C.D.A., waarin beide partijen samen met de K.V.P. zijn opgegaan, ondanks deze gezamenlijkheid minder zetels in de Tweede Kamer heeft dan de sociaal-democraten hebben en buiten de regering staat. Hij hoort ook dat de Hervormde Kerk honderdduizenden leden heeft verloren, nog altijd een kerk met grote tegenstellingen is en niet bij machte een betrouwbaar leidinggevend woord te spreken in de Nederlandse samenleving, dat de Gereformeerde Kerken door neo-modernisme zijn uitgehold, dat in de kleine kerken van gereformeerde belijdenis veel verscheurdheid is, terwijl de roomse kerk sterk is gehumaniseerd.
Deze en nog veel meer dingen ziet en hoort onze bezoeker van Nederland en hij wordt daar niet vrolijk van. Hij merkt hoe materialisme, ontkerkelijking en ontkerstening hebben toegeslagen. Hij ondervindt dat het respect voor ouderen weg is en geen jongere in de tram voor hem opstaat. De hernieuwde kennismaking met zijn vaderland valt hem bitter tegen en wanneer hij heeft gehoord hoe gemakkelijk en hoe in toenemende mate euthanasie wordt gepleegd, ziet hij er van af zijn levensavond in Nederland door te brengen. Hij reist terug naar het land dat voor zijn kinderen een vaderland is geworden, maar voor hem altijd wat vreemd gebleven. Het is daar niet zo veel beter dan in Nederland, maar het doet hem pijn dat Nederland geworden is wat het niet was en niet geworden is wat velen in de tijd van het verzet voor hun land hadden gehoopt.
Zou hij geen oog hebben voor het goede, onze vrijheid, onze welvaart? Mogen wij daar geen oog voor hebben? Zeker wel, maar het ging mij in het kort om het contrast tussen toen en nu. Daarbij moet ons toch, bij alle materiële welvaart, wel zeer doen het geestelijk verval van Nederland.
Verval - juist ook in de kerken. De Nederlandse Hervormde Kerk ontwaakte in de oorlogsjaren uit haar verstarring en kwam tot een belijdend en getuigend spreken en handelen. Zij kreeg al spoedig na de bevrijding een nieuwe kerkorde, die haar verloste van de Algemene Reglementen. Er was veel hoop dat zij nu een waarlijk belijdende Kerk zou zijn, een Christus belijdende volkskerk, die zou weerspreken en weerstaan wat haar belijden weerspreekt en waarin de "richtingen" zouden hebben afgedaan. Maar ieder van ons hier weet wat van dit élan geworden is: een intern hopeloos verdeelde Kerk die zucht onder een immense bureaucratie. De andere kerken van gereformeerde belijdenis zijn evenzeer verdeeld, niet bij machte elkaar te vinden en groot is het verval van de Gereformeerde Kerken, die voor een aanzienlijk deel het tegendeel geworden zijn van hetgeen zij waren.
Wanneer wij ons afvragen hoe toch in kerk en maatschappij zulk een verval kon intreden, staan wij voor een vraag die wij die in deze tijd leven waarschijnlijk moeilijker kunnen beantwoorden dan zij die naderhand, op een verdere afstand staande, onze tijd zullen bestuderen. En misschien houdt ook dan deze vraag iets van een raadsel, even moeilijk te beantwoorden- 75 als de vraag hoe het duivelse Nazisme met zijn rassenwaan zich nestelen kon in het Duitse volk en een oorlog veroorzaken die zijns gelijke nimmer heeft gehad.
Vergeten wij niet dat de tendenzen al direct bij de capitulatie van 1945, ja al voor het uitbreken van de oorlog aanwezig waren. Luisteren wij nog eens naar de bekende dr. H. Kraemer, die in 1945 schreef: "Geestelijk teert de 20e eeuw eigenlijk niet meer op de schat der eeuwen, hoe ijverig wij ook in het verleden delven, niet alleen van eigen cultuur, maar van alle culturen. Die schat der eeuwen is, wat de groote massa betreft, zoowel van de intellectueelen als het volk, opgesoupeerd. Geestelijk is er een vacuum, en leven wij steeds meer in een cultuurloozen, stijUoozen, barbaristischen tijd. Ons volk, dat door zijn hang naar eigengereidheid al zoo tuchteloos en stijlloos is, wordt door deze algemeene situatie zeker niet stijlvoller. Integendeel, de bandeloosheid, de tuchteloosheid, nemen toe, en doen des te sterker uitkomen hóe zwak bij ons de neiging tot zelftucht is 21).
Met een beroep op Berdjadjev stelt hij dat het probleem, het achtergrondsprobleem bij uitstek religieus is. "De holheid van ons daverende moderne leven is dat het alle metaphysische achtergrond mist, dat alle band met een wereld van hooger orde ontbreekt, kortom dat het zweeft in het luchtledig van het nihilisme" 22). Daarom is het nodig dat een nieuw herscheppend geloof macht over de gemoederen krijgt 23). "Met een volle maag, met een goedwerkend economisch apparaat, zelfs met een wereldorganisatie voor vrede en veiligheid scheppen we geen geest, die bouwt en niet vernielt. Dat doen we alleen als God de Heer der heeren is en door Zijn gerechtigheid, heiligheid en liefde en waarheid ons menschen regeert. Onze menschelijke gerechtigheid, liefde en waarheid blijven, als ze er zijn, tastende heenwijzingen in die richting. Over menschelijke heiligheid hebben we heelemaal te zwijgen, als we eenmaal eenig besef van de heiligheid Gods hebben gekregen. Zonder Hem en de levende verbinding met Hem stikt en sterft op den duur de ware mensch" 24). Nog eenmaal een citaat uit het boekje van H. Kraemer. "Het kan daarom niet nadrukkelijk genoeg gezegd worden: het godsdienstige probleem is het primaire probleem, de Godsvraag is de brandende vraag. Zonder dat geen waarachtig fundament, geen waarachtig gezag, geen waarachtige bezieling en geen waarachtige zin in het leven, nóch in dat van personen nóch in dat van gemeenschappen' '25).
Geheel in dezelfde geest was de boodschap die in april 1945 uitging van de Hervormde Kerk na de bevrijding van de drie noordelijke provincies en die werd overgenomen door de gezamenlijke Kerken in de maand mei toen ook de rest van Nederland was bevrijd. Daaruit deze passage: "Maar alleen om Hem te dienen maakt God vrij. Daarom worde door een ieder persoonlijk, door de Kerk en door het volk, voor het eerst of opnieuw, de boodschap van Jezus Christus gehoord: Bekeert u! Mogen in het bijzonder de Kerken aan wie door haar Heer en Heiland de verkondiging van het Woord Gods is toebetrouwd, Zijn Naam belijden en getuigen van Hem, die nu, als steeds de Weg, de Waarheid en het Leven is"26).
In de maand juli van het bevrijdingsjaar ging opnieuw een boodschap uit, nu van het Interkerkelijk Overleg. Horen wij ook daaruit een passage: "God heeft groote dingen aan ons gedaan, daarom zijn wij verblijd. Maar het moet ons voortdurend voor den geest staan, welke zware offers voor onze vrijheid zijn gebracht en welke dure verplichting deze aan het Nederlandsche volk opleggen. Ons volk staat voor nieuwe mogelijkheden, maar ook voor groote moeilijkheden. De zware tuchtiging die wij ondergingen mag niet vergeefs zijn geweest. Temidden van de oordeelen heeft het Evangelie van Jezus Christus ons opgeroepen om God in oprechtheid te dienen en in gehoorzaamheid Zijn wegen te gaan". "Het niet gehoorzamen aan den onrechtmatig handelenden bezetter is ons een dure plicht geweest. Doch thans toone het volk van Nederland ontzag te hebben voor het over ons gestelde gezag. De Overheid is Gods dienaresse, ons ten goede. In de gehoorzaamheid aan God is gegrond de gehoorzaamheid aan de over ons gestelde macht. Tijdens de bezetting is aan ons volk groote moreele schade toegebracht. De grenzen tusschen ware vrijheid en bandeloosheid, eerlijkheid en bedrog, moreel en immoreel handelen, zijn uitgewischt. Groote zelfzucht ten koste van anderen is aan alle kanten openbaar geworden. ... Het gezinsleven is op ontstellende wijze geschonden. De misdraging van velen, jongeren en ouderen, in het bijzonder in de verhouding van de sexen, geeft reden tot groote bezorgdheid. De Kerken hebben den duren plicht het volk op te roepen tot de normale christelijke levenshouding terug te keeren. Ieder heeft den plicht, welken God op hem legt, met allen ernst te vervullen '.27
Wanneer wij nu, na vijftig jaren, vragen wat er van onze vrijheid geworden is, dan huiveren wij. In Mattheüs 12 vertelt de Heere Jezus van een mens uit wie een onreine geest is uitgevaren. Maar deze geest ontdekt na verloop van tijd leegstand van zijn laatste behuizing en keert dan terug met zeven geesten die bozer zijn dan hijzelf. Zijn waarschuwing sluit de Heiland af met de woorden dat het laatste van die mens erger wordt dan het eerste.
Moeten wij niet zeggen dat de klemmende oproep om de herschonken vrijheid te gebruiken om God te dienen, door ons volk niet is verstaan? Is vrijheid niet geworden ongebondenheid en losbandigheid, een gezindheid die wars is van alle gezag? Een persiflage van de ware vrijheid, omdat eerst "Ik" komt, en dan nog eens "Ik"?
Ligt niet de bron van alle ellende daarin dat God, de Heilige en daarmee het heilige steeds meer uit onze samenleving is weggedrongen? Wij herkennen deze zaken als ik enkele woorden ter typering noem: de ontkerstening - de ontkerkelijking - het verzet tegen gezag en het ontbreken daarvan - de consumptie- en weggooi-maatschappij - de geringschatting van het leven - de criminaliteit en onveiligheid - de verafgoding van de economische groei - de ondermijning van huwelijk en gezin - de uitwissing van de invloed van het christelijk geloof in de samenleving, waar zich zelfs meer en meer anti-christelijke tendenzen manifesteren - het opdringen van de hang naar het occulte - velerleivormen van verslaving - het verdwijnen van normen en waarden, met name onder invloed van vormen van "literatuur", film en televisie^^). Ach, nog veel meer zou te noemen zijn. Moest niet kortgeleden president Havel van Tsjechië zijn zorg uitspreken over de negatieve invloeden die vanuit het Westen op de volkeren in Midden- en Oost-Europa inwerken?
In de eerste jaren na de herkregen vrijheid was van dit alles nog geen sprake zoals nu. Die jaren waren als het ware een incubatietijd, totdat een duidelijke omslag in onze cultuur kwam in de jaren zestig. Reeds vóór de laatste wereldoorlog waren er ontwikkelingen die door deze oorlog zowel werden vertraagd als in kracht verhevigd, om na enige tijd fel los te barsten. Het was de generatie van hen wier ouders als jonge mensen de oorlog zeer bewust hadden meegemaakt en in wier leven de geestelijke ontwrichting tengevolge van leugen en geweld blijkbaar diepe sporen had getrokken. Zij waren opgegroeid in de chaos, waarvan dr. J. Koopmans in een schets voor een preek over Psalm 127 schreef: "De menschelijke samenleving staat aan den rand van de wanhoop. De onafzienbare daemonic van de zonde overspoelt de resten der europeesche samenleving. Wij trachten onszelf en elkaar te troosten: na den oorlog...! Jawel - maar wie zal den chaos meester worden, die nu is ontketend?"^^). De jaren zestig waren de jaren van de Provo-bewe
De jaren zestig waren de jaren van de Provo-beweging, van "Ik, Jan Cremer", van "Tien over rood", van de oprichting van D'66, die het bestel wilde opblazen, van de Bijlmer, als stad van de toekomst, van de oprichting van de PPR, van het VARA-TV-programma "Zo is het toevallig ook nog eens een keer", van het VPRO-programma "Hoepla", van de rellen in Amsterdam die het aftreden van burgemeester mr. G. van Hall ten gevolge hadden en vooral van de studenten-opstanden met de bezetting van het Maagdenhuis in Amsterdam en de benaming van Karl Marx Universiteit voor de universiteit van Tilburg, de jaren dat Christenen voor het socialisme = communisme pleitten. De laatsten konden zich beroepen op Karl Barth. Had deze Stalin niet een man van formaat genoemd, wie het ging om de oplossing van het sociale vraagstuk?30) En had Martin Niemöller in Moskou niet de hoogste onderscheiding voor burgers, de Leninorde, in ontvangst genomen? Het dwepen met Marx was in. Ernst Bloch en Herbert Marcuse hadden vele willige volgelingen. Opnieuw vond een gevaarlijke, totalitaire ideologie vele aanhangers. En was er toen de stem van de Kerk om dit kwaad te weerspreken?
Ik kom nog even terug op het beeld van zoeven: boze geesten keerden onder aanvoering van de oude bekende terug. Het valt niet te ontkennen dat ook die eerste boze geest zich nog roert. We kunnen hem herkennen in racistische uitingen en antisemitisme, in omgaan met eugenetische programma's en pleidooien voor euthanasie. Nog weer is er het gevaar van de uitholling van de democratie, temeer nu de afstand tussen overheid en burgers groeit en onze volksvertegenwoordigers dikwijls de indruk wekken meer eigen belang en partijbelang te dienen dan het goede te zoeken voor het volk. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de belangstelling van de burgers voor de politiek en hun betrokkenheid bij de verkiezingen gaandeweg afneemt 31). Daarom is het van het grootste belang dat de betekenis van de democratie alsook van de rechtsstaat aan de burgers wordt ingeprent - maar wie neemt dit werk ter hand? Regeert onze overheid niet pragmatisch, zonder visie, zonder visioen? Hebben onze achtereenvolgende regeringen niet een kortzichtig beleid, waarin het succes van de regerende partijen een veel te sterke rol speelt? Hollen onze regeerders niet meer en meer het overheidsgezag zélf uit? Geeft ook de huidige praktijk van de rechtspraak niet grote zorgen? Wat staat ons nog allemaal te wachten nu fraude en corruptie tot in de hoogste gelederen aan de orde van de dag zijn? Komt alle desintegratie en alle kwaad van onze tijd niet daaruit voort dat het Goddelijk Woord tot aan de rand van de samenleving is teruggedrongen? Wie maakt uit wat goed en wat slecht is, hoe kan het geweten van de kinderen van ons volk worden opgevoed en gescherpt, wanneer God niet meer in tel is? 32)
Maar hoe hebben ook de Kerken gefaald de goede richting aan te geven! Aan de Kerk is het Woord Gods toebetrouwd. Zij is geroepen dit onverkort door te geven, in aansluiting aan de historie en de grote leerstukken die haar met de Kerk der eeuwen en de Wereldkerk verbindt, leerstukken als die van Gods heilige Drieeenheid, de menswording van Gods Zoon, diens goddelijke en menselijke natuur, diens zoendood, waarachtige opstanding en wederkomst. Naar een woord van de lutherse bisschop Wilhelm Staehlin komen alle haeresieen (ketterijen) van het evangelische geloof uiteindelijk hieruit voort dat er geen dragende Triniteitsleer meer in de evangelische kerken gevonden wordt 33). Of hij hierbij dacht aan de theologie van Karl Barth
Of hij hierbij dacht aan de theologie van Karl Barth met diens christomonisme en verwerping van het ontische en metaphysische, weet ik niet. Maar zeker is dat de theologie van hem die wel de kerkvader van de 20e eeuw is genoemd, naast het goede dat zij bracht, ook veel onheil heeft gesticht. Dit laatste geldt eveneens van Rudolf Bultmann met zijn streven de Bijbel van zijn mythen te ontdoen en het geloof voor de rationele mens van nu toegankelijk te maken. Hoe heeft het boekje "Eerlijk voor God" van de engelse bisschop Robinson, die wilde afrekenen met Gods transcendentie, luide bijval geoogst. Te onzent is er de invloed van H. Berkhof die de grote christelijke leerstellingen heeft laten vallen en van H. M. Kuitert die niet moe wordt zijn lezers het christelijk geloof te laten betwijfelen. De ervaringstheologie heerst in wijde kringen. De Bijbel wordt verstaan niet als Woord van God, zwaard van de Geest, maar als een verhalenboek, een mensenboek. Inderdaad, theologen gingen voorop. Niet alle, maar
Inderdaad, theologen gingen voorop. Niet alle, maar hun stem is als die van roependen in de woestijn.
Bevrijd zijn wij van een boze geest, een afschuwelijke ideologie. We kunnen er God niet dankbaar genoeg voor zijn. Bevrijd om God te dienen. In het dienen van Hem ligt immers de ware vrijheid. Maar hoe nu verder, nu wij zo ver zijn afgeraakt van de hoop die na het einde van de oorlog in zo menig hart gloorde? Nu waarheid, gerechtigheid en trouw, in 1871 door de opperrechter E. L. von Gerlach, een vriend van mr. G. Groen van Pnnsterer, genoemd als de grondslag voor de vrede, in de naoorlogse jaren met zijn versterkt, maar verzwakt en ondergraven?
Waarschijnlijk moeten wij nog zware tijden door Niet in de eerste plaats omdat onze vrijheid van buiten af wordt bedreigd. Na de bevrijding van 1945 volgden immers de jaren van de Koude Oorlog, jaren van nieuwe dreiging met soms heel spannende perioden. Wie moet met denken aan de blokkade van Berlijn, de tragedie van Hongarije in 1956 en aan de Praagse lente! Voor óns kwam vrijheid in 1945. Niet voor de volkeren van Midden-Europa, die van de regen van het nazisme in de drup van het communisme kwamen. Maar wat niemand dorst hopen is werkelijkheid geworden: de muur is gevallen, ook voor de zo lang geknechte volkeren is vrijheid aangebroken Ook voor hen echter blijkt het o zo moeilijk na zo vele jaren van verschrikking, onrecht en terreur de vrijheid inhoud te geven. Ook voor hen heeft de chaos, die daar zo veel langer heeft geduurd dan bij ons, ontwrichtend gewerkt, naar te vrezen is voor lange tijden. Na eeuwen van oorlogen tussen volkeren in Europa beleven WIJ nu de ongekende situatie van vrede, een situatie zonder dreiging van de kant van onze buren en bij naburen. Ondertussen dienen wij met blind te zijn voor de internationale spanningen die bestaan en zo maar kunnen ontstaan. Ook is er het gevaar van aanslagen zowel van de kant van de georganiseerde misdaad als van de kant van ethmsche minderheden die conflicten in hun thuisland elders in de wereld uitvechten.
Wanneer ik spreek van zware tijden, bedoel ik ook niet in de eerste plaats moeilijke tijden in sociaal-economisch opzicht, hoewel ons bestel in deze uiterst ingewikkeld en uiterst kwetsbaar is Er behoeft immers maar zo heel weinig te gebeuren of heel dat raderwerk stagneert Onze alles-regelende overheid kan niet alles regelen!
Ik denk evenwel in de eerste plaats aan het geestelijk karakter van de tijd die wij beleven en die voor ons ligt WIJ dienen ons in te stellen op een geestelijk zware en donkere tijd. Een tijd waarin het moeilijk zal zijn als chnsten te leven. Waarin belijdende christenen meer en meer in de hoek worden gedrongen, omdat de geestelijke vrijheid, die zo duur bevochten is, in onze cultuur gevaar loopt.
Maar verwonderen wij ons niet. de Kerk is een strijdende Kerk zolang zij op aarde is. Zij is een Kerk onder het Kruis en zij heeft het nodig steeds weer gericht te worden op Hem die komende is.
Zó wil HIJ nabij zijn allen die Hem als hun enige Verlosser eren en die in Hem hun ware vrijheid hebben ontvangen Vrijheid om God te dienen. Vertrouwen op Hem dat alle vrees overwint, omdat Hij gezegd heeft: Ik zal u met begeven noch verlaten. Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Waar HIJ ging kan Zijn Gemeente gaan, waar Hij is zal Zijn Gemeente zijn
AANTEKENINGEN
Het bovenstaande is de tekst van het referaat dat gehouden werd op de conferentie van de Vrienden van Dr. H. F. Kohlbrugge op 4 maart 1995 in de Marcuskerk te Utrecht.
Vanwege de lengte ervan kon toen een aantal passages niet worden uitgesproken. Hier vindt u de tekst integraal, vermeerderd met nog enkele passages die mede naar aanleiding van vragen werden toegevoegd.
1. Zie over kolonel Oster: L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 2, 's-Gravenhage 1969, passim. Ontroerend was zijn afscheid van majoor Sas op de avond van de 9e mei 1940, omstreeks 10 uur duitse tijd: "Mijn beste vriend, nu is het werkelijk afgelopen. Het zwijn is afgereisd naar het Westfront, nu is het werkelijk voorgoed afgelopen. Hopelijk zien we elkaar na deze oorlog weer". Maar deze wens is met vervuld. Oster wist zich tot in juli 1944 te handhaven. Na de mislukte aanslag op Hitler van 20 juli 1944 werd hij echter met duizenden anderen gevangengenomen en in april 1945 in het concentratiekamp Flossenburg omgebracht. Daar werd op 9 april 1945 ook de theoloog Dietrich Bonhoeffer ter dood gebracht. Majoor Sas heeft de oorlog wel overleefd.
2. R. C. van Caeneghem, Geschiedenis van Engeland, 'sGravenhage/Antwerpen 1982, blz. 375.
3. De volledige tekst van de capitulatievoorwaarden is te vinden in Onderdrukking en Verzet - Nederland in Oorlogstijd, onder red. van mr. J. J. van Bolhuis e.a., Arnhem/Amsterdam, z.j., deel 1, blz. 264-277. Aan nederlandse zijde waren toen 2.200 militairen gesneuveld. Daarbij waren er 2.700 gewonden, van wie er 850 blijvend invahde waren. Onder de burgerbevolking waren ruim 2.500 slachtoffers.
4 De zakelijke gegevens van deze passage gaan terug op W Drees, De ontwikkeling van Nederland sinds 1945 en de perspectieven, A. J. G. Strengholt's Uitg. MIJ. te Amsterdam z.j. Oorspronkelijk was dit een rede voor de Commerciële Club in Groningen, gehouden op 21 oktober 1957.
5 Geciteerd door H. J. A. Hofland, Nawoord in Hitlers Tafelgesprekken, Amsterdam 1983, blz. XXIV.
6. Van dit geschrift van mr. G. Groen van Pnnsterer ("L'Empire prussien et l'Apocalypse) uit 1867 gaf onlangs de Bibhothèque Wallonne een herdruk uit, voorzien van een inleiding van prof. dr. F. R. J. Knetsch. 7. J. W Falter, Hitlers Wahler, Munchen 1991
7. J. W Falter, Hitlers Wahler, Munchen 1991
8 Walter Kunneth, Lebensfuhrungen - Der Wahrheit verpflichtet, Wuppertal 1979, S. 94 f. Men bedenke overigens dat de Bekennende Kirche een zeer complex verschijnsel was. Niet weinigen van hen die zich tot haar rekenden, stonden welwillend tegenover de nationaal-socialistische staat op zich. Vooral voor de Lutheranen was het heel moeilijk tot een critische, afwijzende houding tegenover deze staat te komen. 9. E. L. von Gerlach (1795-1877), president van het
9. E. L. von Gerlach (1795-1877), president van het hooggerechtshof in Maagdenburg, was een vriend van mr. G. Groen van Pnnsterer en als deze anti-revolutionair. Het citaat is uit H J. Schoeps, Bismarck uber Zeitgenossen - Zeitgenossen uber Bismarck, Ullstein Sachbuch, Frankfurt 1981, S. 354.
10. De eerste predikant die slachtoffer werd van het nazi-regiem was Paul Schneider, de "prediker van Buchenwald", die op 18 juli 1939 op 41-jarige leeftijd omkwam. Over het duitse verzet bestaat zeer veel literatuur. Men zie bijvoorbeeld G. van Roon, Het duitse verzet tegen Hitler, Utrecht/Antwerpen 1986 en H. Rothfels, The German Opposition to Hitler (1948), in 1958 in duitse vertaling verschenen onder de titel: Deutsche Opposition gegen Hitler. Hiervan een nieuwe uitgave in 1969, Frankfurt/Hamburg. Te noemen IS ook Das Gewissen steht auf- Lebensbilder aus dem deutschen Widerstand, uitgegeven door K. D. Bracher, Mainz 1984. In 1989 verscheen bij Kok, Kampen De kracht van de stilte, de nederlandse vertaling van een aangrijpend boekje over het verzet rondom Peter York von Wartenburg. Bij de Siedler Verlag in Berlijn verschijnt de reeks Deutscher Widerstand 1933-1945, onder redactie van K. O. von Aretin. Daarin is o.a. een afzonderlijk deel gewijd aan Helmuth James graaf von Moltke.
11. Helmut Gollwitzer gaf een bundel afscheidsbrieven uit onder de titel Du kast mich heimgesucht bei Nacht. Ook verschenen als nr. 9 in de reeks Siebenstern-Taschenbucher, Munchen/Hamburg.
12. K. H. Miskotte, Gods vijanden vergaan, Amsterdam 1945, blz. 22 resp. 24 Ad den Besten zinspeelde op deze preek in het gedicht:
Nooit lichter ving de lente aan
dan toen Uw hand ons volk bevrijdde.
Hoe hebben we in dat schoon getijde
verheugd, maar huiverend verstaan:
Gods vijanden vergaan.
13. W. Aalders, De overlevingskansen van een protestantse natie, Den Haag 1987, blz. 164-178. Aalders beroept zich o.m. op de historicus K. D. Bracher in diens Die Krise Europas - 1917-1975, (= Propylaen Geschichte Europa, Band 6), Propylaen Verlag, Frankfurt a.M /Berlin/Wien 1976
14. H. G. Leih, De droom der revolutie. Kampen z.j., blz. 128.
15. "Wir mussen das gute Gewissen zur Grausamkeit wiedergewinnen", aldus Hitler. Zie Walter Theimer, Lexikon der Politik, Bern 1947, S. 183. H. G. Leih, a.w., blz. 127, schrijft: "Haat - daad - vernietiging, de trits wordt als een nieuwe drieeenheid van de "Germaanse god"."
16. Tafelgesprekken, blz 111.
17. Idem, blz. 3; verg. blz. 44-46, 229, 392v., 552v 18. H. M. van Randwijk, In de schaduw van gisteren
18. H. M. van Randwijk, In de schaduw van gisteren - kroniek van het verzet 1940-1945, Den Haag/Amsterdam/Baarn 1967, blz. 114
In 1970 werd een deel van het Amsterdamse Weteringplantsoen omgedoopt tot H. M. van Randwijkplantsoen, ter herinnering aan deze leider van het verzet. Op het monument de bekende regels:
Een volk dat voor tirannen zwicht
zal meer dan lijf en goed verhezen.
Dan dooft het hcht ...
19. H. Kraemer, Op welken grondslag - een woord tot het nederlandsche volk, Amsterdam 1945, blz. 24 v.
20. In diens Geschonden Wereld, Haarlem 1945, geschreven in 1943. In de Verzamelde Werken, Haarlem 1950, deel VII, blz. 545.
21. H. Kraemer, a.w., blz. 51 v.
22. id., blz. 69
23. ld., blz. 69.
24. id., blz. 71.
25. ld., blz. 73.
26. H C. Touw, Het verzet der Hervormde Kerk, deel II, 's-Gravenhage 1946, blz. 198 v.
27. ld., blz 201
28. De gemiddelde nederlander kijkt IVi uur per dag naar de TV. Over de schadelijke uitwerking schreef in Amerika, zeer critisch, Neil Postman. Het verscheen in 1986 bij het Wereldvenster te Houten in nederlandse vertaling onder de titel: Wij amuseren ons kapot. Te onzent publiceerde A. G Knevel een en andermaal over de negatieve invloed van de TV.
29. J. Koopmans, Laatste Postille, Nijkerk 1947, blz. 177.
30. In zijn geschrift Die Kirche zwischen Ost und West.
31. Een sterk voorbeeld van politiek handelen dat volkomen indruist tegen de wensen en belangen van burgers, IS de wijze waarop eind 1994 ondanks het verzet van de gehele bevolking van het dorp Rosmalen, de Tweede Kamer besloot deze gemeente op te heffen en bij 's-Hertogenbosch te voegen. Zulk handelen vervreemdt de burger van de pohtiek en holt werkelijke democratie volkomen uit
32. Een anonymus in F. B. Bakels' Uitzicht, Amsterdam/Brussel 1983, blz. 97 stelt: "De ellende ontstaat als men de levenswetten veronachtzaamt. Wat wij nu in Nederland aan verloedering meemaken, wordt veroorzaakt door frustratie, afgunst, met-werken, een materialistische instelling" Bakels zelf wijdt een hoofdstuk aan "De oorzaken van verloedering" (blz 143 tot 150) en somt vijftien oorzaken als de voornaamste op
33. Deze notie trof ik aan bij Fr. Heer, Der dritte Kraft, Frankfurt am Main 1959, S 658.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 mei 1995
Ecclesia | 8 Pagina's