Dr. H. F. Kohlbrugge over de Heilige doop
(Referaat gehouden 11 mei 1996 op de conferentie van de Vriendenkring in de Nieuwe Kerk te Zeist)
Mag ik met de deur in huis vallen met wat Kohlbrugge zelf heeft gezegd'' Het gaat om uitspraken die hij heeft gedaan in de inleiding op dooppreken "De leer van de heilige Doop nader overwegende, willen wij niets nieuws naar voren brengen, maar het aloude Want hetgeen éénmaal waar is, blijft waar en moet slechts altijd opnieuw ingescherpt worden, daar wij het ware dikwijls vergeten en — evenals in andere zonden — zo ook in een verkeerde mening omtrent de Doop geraken wanneer ons het ware niet steeds opnieuw voorgehouden en ingeprent wordt" In een andere preek zegt Kohlbrugge "Het is voor de Gemeente van het hoogste gewicht, dat zij zo nu en dan een goede en duidelijke onderwijzing aangaande de Doop in het algemeen en de kinderdoop in het bijzonder ontvangt" Nooit genoeg kunnen wij deze weldaad (van de Doop) overwegen, zo vaak God ons daartoe de gelegenheid opent Welnu, zo'n gelegenheid is ons geopend via een
Welnu, zo'n gelegenheid is ons geopend via een verzoek van ons bestuur om op deze conferentie met elkaar na te denken over het thema Dr H F Kohlbrugge over de heilige Doop
Wij kunnen niet spreken over de leer van de heilige Doop in de theologie of in de dogmatiek van Kohlbrugge Een systematisch uitgewerkte 'doopleer' is in deze zin niet voorhanden Dit neemt echter niet weg dat WIJ in Kohlbrugges preken en geschriften zóveel gegevens met betrekking tot de betekenis van de heilige Doop tegenkomen, dat zijn visie wat betreft het verstaan van het Sacrament aan duidelijkheid niets te wensen overlaat Hij spreekt trouwens zelf van 'de leer van de heilige Doop', mogelijk gedachtig aan de inzet van het klassieke Formulier van de Doop Opvallend is dat in de onderscheiden dooppreken bepaalde uitdrukkingen herhaaldelijk voorkomen Dit wijst er naar mijn inzicht op, dat Kohlbrugge in de praktijk brengt wat wij hem reeds hoorden zeggen het aloude inscherpen Kohlbrugges boodschap in de preken wordt ondersteund door zijn getuigenis in een aantal geschriften zoals Vragen en antwoorden , Die Lehre des Heils en Gesprek over het zondvloedgebed Bovendien weten wij dat hij zijn goedkeuring heeft gehecht aan een verhandeling over het Sacrament van de heilige Doop van een van zijn meest getrouwe leerlingen. Joh Wichelhaus (1852, vert Ds D van Heyst), een geschrift dat parallellen vertoont met de inhoud van Kohlbrugges Gesprek over het zondvloedgebed Beiden, Kohlbrugge en Wichelhaus, beroepen zich op de kerkelijke traditie en putten uit de bronnen van het verleden, óók wat het verstaan van de Doop betreft In de gesprekken tussen oom en neef {over het zondvloedgebed) zucht neef om 'de vrede van de Kerk' Oom reageert dan als volgt (heel actueel) "Die vrede is immers gemakkelijk te bereiken" Neef "Op welke wijze, oom''" Treffend is nu ooms antwoord dat Kohlbrugge dus plaatst in het kader van de gesprekken over de Doop "Immers op die wijze dat gij aan dié mensen toegeeft die 18 eeuwen vóór zich hebben en dat gij ophoudt met het vernielen van wat 18 eeuwen voor waar gehouden en als op de Schrift gegrond omhelsd hebben en van hetgeen ook geheiligd is in het bloed en de dood van onze voorvaderen" Kohlbrugge IS er zich dus terdege van bewust, dat hij in zijn visie op de Doop het spoor van de vaderen volgt Hij roept ons terug naar de bronnen' Uiteraard gaat het daarbij om hulpmiddelen tot het verstaan van de heilige Schrift, dé Bron, ook wat betreft ons belijden aangaande de heilige Doop
Binnen het kader van ons onderwerp zijn wij voornamelijk aangewezen op een aantal dooppreken van Kohlbrugge en wel over Ps 22 11, Mark 16 16, Rom 6 3-4, Koll 2 10-12 en 1 Petr 3 15-22 Deze preken zijn gepubliceerd in de Twaalftallen Daarnaast zijn er enkele dooppreken voorhanden in het Amsterdamsch Zondagsblad, één daarvan is over Luk 3 21-22 Wie de jaartallen van de gedateerde preken en verhandelingen over de Doop op een njtje zet, ontdekt dat de gebruikte gegevens over ons thema zich beperken tot een periode in Kohlbrugges leven van tien jaren 1847 - 1857, zijn 44ste tot zijn 54ste levensjaar Met deze opmerking bedoel ik aan te geven dat we ervan uit mogen gaan dat Kohlbrugges visie op de heilige Doop dan is 'uitgegroeid' tot wat hij zelf 'de leer van de heilige Doop' noemt Bepaalde zaken heeft Kohlbrugge telkens aan de orde willen stellen Wat naar voren springt, is dat de leer van de
Wat naar voren springt, is dat de leer van de Wederdopers hem hoog heeft gezeten Ik stel dan ook voor, dat wij — nu we gaan letten op de inhoud van Kohlbrugges dooppreken — stilstaan bij zijn verzet tegen de leer van de Wederdopers Uiteraard heeft dit alles te maken met de betekenis en de waarde van de kinderdoop Daarom stellen wij allereerst de vraag Wat leren wij van Kohlbrugge aangaande de Doop van de kleine kinderen van de Gemeente'' Vervolgens horen wij tegen de achtergrond van Kohlbrugges visie op de kinderdoop wat hij zegt aan het adres van de Wederdopers In de derde plaats laten wij ons door Kohlbrugge leren wat de Doop in de praktijk betekent, om af te sluiten met een antwoord op de vraag binnen welk kader Kohlbrugge de leer van de heilige Doop verkondigt als een woord van tróóst
Toen ik mij afvroeg in welke vorm ik de gegevens van Kohlbrugge zou gieten, behoorde bij mijn overweging ook de vraag of het gewenst of noodzakelijk zou zijn Kohlbrugges 'doopleer' te vergelijken met die van anderen, met name de Reformatoren Ik zeg u bij voorbaat dat ik daarvan heb afgezien, met zozeer en alleen vanwege de beperking van de tijd (vandaag), maar vooral omdat het mij voorkomt dat ik u geen dienst bewijs met een discussie óver Kohlbrugges visie op de heilige Doop, maar wél wanneer de boodschap van Kohlbrugge zelf zoveel mogelijk doorklinkt Zodoende komt ons thema het meest tot zijn recht en hoop ik met u te ervaren wat Kohlbrugge met zijn preken en geschriften over de Doop vooral heeft beoogd, namelijk de Gemeente des Heeren te troosten (Wat de Reformatoren betreft, Kohlbrugge staat met zijn visie op de heilige Doop dicht bij de doopleer van Luther en Calvijn Wie zich nader wil verdiepen in de positie van Kohlbrugge ten opzichte van Luther, Calvijn, e a , verwijs ik naar het proefschrift van prof dr A de Reuver over de theologie van Kohlbrugge Bedelen bij de bron )
Richten wij ons nu op de tekst van wat voor ons uit de erfenis van Kohlbrugge is bewaard Om te beginnen valt het ons op dat Kohlbrugge bij herhaling waarschuwt de Doop niet uit gewoonte of uit bijgeloof — hij zegt ook "niet uit tijdgeloof' — te gebruiken, want het is met voldoende wanneer onze kinderen maar gedoopt zijn Wij moeten goed weten wat wij doen als wij hen ten Doop brengen
De Doop op zichzelf beschouwd, zonder het Woord, is mets Het geloof moet er zijn, het geloof dat let op de belofte des Heeren en op Zijn woord dat de Doop tot Doop maakt Dit wil niet zeggen dat de kracht en de werking van de Doop afhangen van ons geloof, want de kracht van de Doop is gelegen in het beloftewoord God spreekt en maakt van een 'kind van de toom' een 'kind van de belofte'. Zijn kind De waarde van de Doop is ook met afhankelijk van het geloof van de kinderen "Of zij tot heden tot het geloof mogen gekomen zijn of niet. God is geen leugenaar" HIJ heeft in de Doop aan een ieder van ons en aan onze kinderen plechtig verklaard "Ik ben uw God" Mét onze kinderen zijn wij in de Doop "op de Heere geworpen" (Ps 22) De Heere vervult immers Zijn Woord uit de achtste Psalm, dat Hij Zich uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen sterkte grondvest Zijn tegenstanders ten spijt De tegenstander — de duivel — ten spijt "Het is openbaar dat de duivel alles in het werk stelt om in de harten het vreselijkste ongeloof te voeden ten aanzien van de Doop der jonge kinderen en der zuigelingen ( ) Het is de macht der duisternis dat de betekenis van de Doop wordt verzwakt en uitgewist, zodat de mens niet meer weet wat hij aan de heilige Doop heeft" 'Vlees' ergert zich aan het Woord van God, want het wil zién' "Wat ziet men bij de kleinen, waaruit blijkt dat de Heere Zich uit hun mond sterkte zou hebben gegrondvest'^" Wij moeten met letten op wat wij zién, maar op wat wij horen Gods Woord, opdat wij onszelf met beroven van de eeuwige troost die we van onze eigen Doop kunnen hebben
Over 'troost' gesproken, — dit is een woord dat Kohlbrugge dikwijls herhaalt Met zijn uitleg van de betekenis van de heilige Doop bedoelt hij — ik zinspeelde daar reeds op — de Gemeente te troosten 'Tot onze troost' — zegt hij — mogen wij putten uit de Doop troost voor onszelf, troost met betrekking tot onze eigen kinderen en de kinderen der Gemeente in het algemeen Wat is dan zo troostvol Wel, het diepe geheim van de Doop, namelijk dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn, in Zijn dood gedoopt zijn Wij zijn met Hem begraven door de Doop in de dood, maar met en in Hem ook opgewekt tot een nieuw leven (Rom 6)
In zijn Vragen en antwoorden luidt het "Wat troost u de heilige Doop''" "Dat ik in dezelve op Gods koninklijke. Vaderlijke en zaligmakende Naam, ook in Zijn Boek des levens ben opgetekend met al mijn schulden, zonden en noden, en dat ik dus een rijke God en genadige Vader in de hemel heb" Vergelijk hiermee ook Kohlbrugges preek over Luk 3 21-22 in AZ, VII Daann zegt hij "De drieenige God heeft Zich tot u neergebogen, mijn kind' ( ), volwassene' ( ) Uw naam is overgebracht in het Boek des levens"
Kohlbrugge spreekt ook herhaaldelijk van 'toeeigening', 'toepassing' De weldaad van Christus' dood, van Zijn graflegging en opstanding is ons toegeëigend toen WIJ zijn gedoopt, toen wij met 'de besnijdenis van Christus' besneden zijn Gij zijt met Hem begraven in de Doop en gij zijt met Hem opgewekt tot een nieuw leven Gij hebt in Christus de oude mens afgelegd en gij zijt een nieuwe mens geworden om God te dienen in ware gerechtigheid en heiligheid De Doop is — zegt Kohlbrugge — 'teken en zegel van onze weder- geboorte' Hij doelt daarmee op het volbrachte werk van Christus op Golgotha en in de hof van Jozef van Arimathea "Gij hebt de belofte ontvangen van uw vernieuwing door de Geest van Christus, de belofte, dat gij herschapen zijt in Christus, wedergeboren tot een levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, de belofte, dat gij in Christus geschapen zijt in alle goede werken" "Toen wij gedoopt zijn, heeft het bloed van Christus ons besprengd en gereinigd van onze zonden, wij zijn toen door Zijn Geest herschapen van kinderen van de toom tot kinderen van God en sindsdien staan wij niet meer op ónze naam, maar op de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes"
"Van Godswege is op ons toegepast in de Doop, dat Christus eens voor altijd der zonde gestorven is en dat Adam met al zijn werken in de dood ging" "Met Christus zijn wij geheel met de aarde gelijk gemaakt (in eén preek herhaalt Kohlbrugge deze uitdrukking nog tweemaal) Dit is niet in werkelijkheid in de Doop geschied, in werkelijkheid is het geschied in Christus' dood en begrafenis In de Doop is dit alles krachtens toeeigenmg geschied, dat wil zeggen God heeft op deze wijze deze weldaad van Christus op ons toegepast"
Dit bewerkt het doopwater op zichzelf niet "Christus' bloed en Geest doen het en het Woord betuigt het ons op het duidelijkst, dat Christus' bloed en Geest dit doen" Terwijl Kohlbrugge spreekt van de wedergeboorte in de Dóóp, predikt hij de noodzaak van de wedergeboorte door Woord en Geest Het zwaartepunt ligt echter daar waar hij Christus verkondigt en spreekt van de wedergeboorte op Golgotha en in de opstanding van Christus Daarvan is de Doop teken en zegel en dat is méér dan die wedergeboorte waarin wij persoonlijk tot geloof komen Het ene is echter niet zonder het andere Kohlbrugge zegt dan "Wat vóór achttien eeuwen in Christus' dood en graflegging IS geschied, heeft God op ons toegepast in de Doop" Hij heeft aan ons toegeëigend onze rechtvaardiging in Christus' dood en begrafenis met het doel ons deelachtig te maken de heiliging des Geestes, die voor ons bereid is in Christus' opstanding" Het 'deelachtig maken' geschiedt door de prediking van het Evangelie, opdat we ons als kinderen van God gedragen in een leven van geloof en bekering, als een nieuwe schepping in Christus (Later kom ik hierop terug)
Tegen de achtergrond van Kohlbrugges doopleer horen wij nu wat hij naar voren brengt aan het adres van de Wederdopers
Allereerst stelt Kohlbrugge —ik heb terloops gezegd dat zijn doopleer dicht bij die van Luther en Calvijn staat —dat de leer van de Reformatoren is verdonkerd door "wederdoperse gevoelens en beschouwingen, waarbij men meer waarde hecht aan hetgeen bij de mens wordt waargenomen, dan aan hetgeen Gód doet" De dwaalleraars die de apostel Paulus bestrijdt in zijn brief aan de Kollossenzen, ontmoeten WIJ vandaag in de Wederdopers, zoals dezen zich van oudsher doen kennen "Met hen op eén lijn staan allen die de kinderdoop niet toelaten en even zo erg, ja erger nog dan dezen, zijn allen die hun eigen Doop en de kinderdoop op de ene of andere wijze voor niets achten Men IS onverschillig voor de hoogste barmhartigheid van God, of men wil aan het stervende kind eerst dan de moederborst reiken als het tekenen van wederopleven geeft, zo zoekt men het altijd in en bij het vlees, wat men zoeken moest in en bij het Woord, hetwelk het leven te voorschijn roept uit de dood"
De Wederdoper ot de Baptist zit "in ons aller hart verscholen, in ons aller hart zit die eigendunk, die dwaasheid dat wij eerst de vrucht willen zien vóórdat er gezaaid wordt, dat wij eerst de boom willen hebben en dan het zaadje waaruit de boom voortkomt" "Wij zijn zo eigengerechtig, dat wij alles — wat de apostel Paulus ons leert — omkeren en verdraaien wat God naar de raad Zijner zaligheid recht geschapen heeft ( ) WIJ zouden de woorden van de apostel 'in de Doop' (Koll 2 / Rom 6) nog wel willen laten gelden wanneer wij als volwassenen gedoopt waren Dat komt daarvandaan, dat wij wat bijzonders willen zijn " Maar het Woord vergeten wij "omdat wij niet willen weten dat wij, wat wij zijn, door het Woord zijn Het Woord evenwel éérst en dan de gevolgen van het Woord daarom de Doop eerst en daarna de gevolgen van de Doop God de Heere ( ) schrijft brieven van een eeuwig erfdeel eer wij nog geboren zijn, hecht ze aan de wand van ons hart bij onze geboorte en bezegelt ze bij onze Doop Zullen wij nu, omdat deze brieven eerst dan leesbaar voor ons worden wanneer wij in lichaams- en zielenood, in aanvechting, kruis en tegenspoed komen, het beter willen weten dan Gód en beweren dat Hij die brieven eerst dan had moeten schrijven als wij in de nood geraakten'^ Is het dan voor ons, als WIJ in zondenood komen, niet een verrassende vondst om te lezen 'Ik heb u gekend van moederslijf aan, van eeuwigheid heb Ik u liefgehad, dit heb Ik aan uw lichaam reeds verzegeld in de Doop, waarmee gij naar Mijn bevel gedoopt zijt"^"
Tot degene die zucht "Hoe kom ik toch aan de nieuwe schepping, waarbij de oude mens is afgelegd"^", zegt de Wederdoper "Laat u nog eens onderdompelen in het water, dan is uw oude mens verdronken" Zo neemt de duivel de mensen bij de neus' "Wilt gij de duivel geloven, zo daal nog eenmaal af in het water Wilt gij de duivel geloven, zo begin nog eens en bekeer u nogmaals en nogmaals, en kruisig u en heilig u meer en meer, en verander aan u zoveel gij kunt, totdat gij ten laatste weer in staat zijt om tot God te zeggen 'Ik ben weer vroom'' Wilt gij echter Gód geloven, zo laat u verdoemen en veroordelen, maar hoor wat Hij u verkondigt Het Evangelie Gods houdt u de Christus voor. Die de Vader u besteld heeft" En de Vader verzekert u "Door de Geest van Mijn Zoon, Die Ik u geef, is in het reinigende bloed van Mijn heilig Kind Jezus uw oude Adam met al zijn werken verdronken, IS uw dood, IS uw onreinheid van u weggenomen en gij zijt opgestaan, een nieuwe mens, om te wandelen aan de hand van de Geest des geloofs, om te beerven al de schatten Mijner zaligheid welke Ik u schenk in Mijn Naam die Ik op u gelegd heb" "Dat is de Doop, zijn waarheid en zijn troost" *
Soms bekruipt je de gedachte Gaat het bij Kohlbrugge niet al te gemakkelijk toe'' Is er bij hem louter sprake van het objectieve Heil dat ons in de Doop wordt toegeëigend'' Waar is bij hem het werk van de Heilige Geest'' Bij zulke vragen doen we er goed aan vooral te luisteren naar wat Kohlbrugge in zijn dooppreken zegt Hij hamert namelijk telkens op de beleving van de Doop in de dagelijkse bekering Dogmatisch uitgedrukt nadat wij Kohlbrugges accenten hoorden op de 'christologische wedergeboorte' (in Christus' kruisdood en opstanding), horen wij nu wat hij zegt over de 'pneumatologische wedergeboorte', de vernieuwing door de Heilige Geest
Ik citeer uit Kohlbrugges dooppreek over Rom 6 "De Apostel houdt ons hier waarheden voor die zeer zeker in de toerekening liggen, evenwel niet in zulk een toerekening die slechts in de verbeelding zou bestaan of die in de lucht zweeft, maar die zich in de werkelijkheid zal uiten, welke in handel en wandel en in de gehele gezindheid van de mens zich zal openbaren, indien er maar geloof is Levende waarheden zijn het en geen dode Hetgeen in de toerekening waar is, is niet in die zin waar dat God niet ook door middel van Zijn door Christus verworven Geest in het leven zou roepen wat Hij een gelovige toerekent Gelijk God scheiding gemaakt heeft tussen licht en duisternis, zo heeft HIJ ook scheiding gemaakt tussen onze toestand in Adam en onze stand in Christus Jezus Alleen, dat WIJ in waarheid hongeren en dorsten naar gerechtigheid, dat het ons om heiligheid te doen zij'"
In de Doop heeft God het volbrachte werk van Christus op ons toegepast, "opdat wij in deze wereld zouden zijn gelijk de uit de dood verrezen Christus, nieuw geschapen in Hem, een mens in ware gerechtigheid en heiligheid "
"Zo heeft God het dan in de Doop op ons toegepast, dat WIJ in Christus Jezus alles zouden terughebben wat WIJ in Adam verloren hebben", zodat wij niet meer in Adam zouden wandelen in alle boze werken, maar in en met Christus in alle goede werken, gelijk de verrezen Christus in alle goede werken is en leeft
Het 'wandelen in alle goede werken' treffen wij zeer frequent aan in Kohlbrugges dooppreken, juist dan wanneer hij spreekt van het 'in-werk' van de Heilige Geest in ons hart Wij krijgen deel — zegt hij — aan de 'heiligmaking van de Geest', "de Heilige Geest met Diens ganse vrucht", zodat wij als een nieuwe schepping voor God staan en wandelen, in- en uitwendig, in alle goede werken De Doop roept ons tot een nieuw leven, tot boete,
De Doop roept ons tot een nieuw leven, tot boete, bekering, de werken der bekering De Doop is een daad voor ons gehele leven Of zoals Luther heeft gezegd — Kohlbrugge citeert Luther uitvoerig in het Gesprek over het zondvloedgebed — "De Doop is een blijvende zondvloed die niet ophoudt " In het leven van hen die zich aan Christus houden "wordt alles verdronken wat van de oude Adam en dus zondig IS"
Tot gedoopten die nog midden m de wereld leven, die de duivel, hun vlees en eigen lusten dienen, zegt Kohlbrugge "Vraagt uzelf eens af Ben ook fk niet met die Doop gedoopt'' Waar is de nieuwe geboorte, waar is het nieuwe leven, waar is de wandel naar de Geest, waar is de kracht der opstanding van Christus bij mij'' Waar is dit alles waartoe ik in de Doop ben verplicht'^ O, keer eens tot uzelf in en gun uw ziel geen rust totdat het nieuwe leven ook bij ü een aanvang genomen hebbe Zo niet, elke druppel water, in de Doop op uw voorhoofd gegoten, zal uw kwelling vermeerderen in de eeuwige verdoemenis, terwijl God het Zijne heeft gedaan, maar gij uzelf als bastaarden en niet als kinderen hebt gedragen"
Met zijn dooppreek over Kollossenzen 2 heeft Kohlbrugge heel wat losgemaakt Wat hem ter ore komt, IS voor hem een aanleiding om een week later nóg eens een preek te houden waarin de Gemeente wordt onderricht in de leer van de heilige Doop (Rom 6) Kohlbrugge zegt dan in zijn inleiding op de tekstuitleg "Menig uwer denkt, dat hij de bekering (Busze) niet meer nodig heeft Daarom hebt gij allen opnieuw acht te geven op een andere preek die ik voor u over de Doop wil houden" Kohlbrugge verwijst dan naar het formulier van de heilige Doop — hij placht het klassieke formulier onverkort te lezen' — dat oproept tot waarachtig berouw en leedwezen over onze zonden, tot het verloochenen van onszelf en het ons onderwerpen aan de wil van God en alle zonden van harte haten en ontvluchten in lust en liefde om naar de wil van God in alle heiligheid en gerechtigheid te leven Waar dit met is, daar ziet het er treurig uit Wij kunnen voor God niet bestaan als onze handel en wandel niet waarlijk in overeenstemming met onze belijdenis zijn Wie neemt het ter harte'' Die vememe de leer van zijn Doop'
Wat Kohlbrugge in dit kader ons bedoelt te leren, komt ook helder aan het licht in zijn preek over Markus 16 16, de bekende woorden van Jezus "Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden " Kohlbrugge geeft van deze tekst een merkwaardige exegese Hij zegt dat het geloof niet genoeg IS om zalig te worden, maar dat men ook gedoopt moet zijn Of het geloof is mets als men niet gedoopt wordt Kohlbrugge laat Markus 16 16 in de context staan van de tijd der Apostelen en zegt dat de evangelist Markus zich richt tot Joden die "in stilte tot het geloof overgaan", maar zich niet laten dopen, want met zo'n daad zouden zij er openlijk voor uitkomen bij Jezus de Nazarener te behoren Men vreest — aldus Kohlbrugge — 'de uiterlijke smaad van het kruis'
De toepassing naar de Gemeente toe luidt dan "Welnu, WIJ zijn in onze jeugd gedoopt, ( ) wij zullen slechts dan zalig kunnen worden, wanneer wij voor ons geloof dat wij hebben, openlijk uitkomen" Dat wil zeggen met de Doop gedoopt worden waarmee Christus werd gedoopt, dat is 'een voortzetting van de Doop' die WIJ als kind hebben ontvangen Concreet met alle gevolgen van dien tot de openlijke belijdenis willen komen ik ben van Christus, Hij is de mijne Op die punten voor de Waarheid uitkomen, waar het belijden gepaard gaat met lijden Het gaat in de Doop niet alleen om 'toerekening', maar ook om 'doen', zegt Kohlbrugge, want openbaar belijden is geen werk der lippen, maar van 'handel en wandel', tenzij het geloof geen levend geloof is, maar dood De levende (= de met Christus opgestane uit de doden) zoekt de dingen die Boven zijn, waar Christus is, bedenkt de dingen die Boven zijn (Koll 3), zoekt zichzelf niet, vreest God, verheft zich niet boven de naaste in hoogmoed en eigenliefde, maar zoekt wat van de ander is, verloochent zichzelf en jaagt naar gerechtigheid en vrede
Déze openbare belijdenis wordt niet zo gemakkelijk afgelegd, aldus Kohlbrugge Dit is 'een Doop waarmee men zich moet laten dopen', namelijk in het doen van de v/il van God, in het opnemen van het zachte juk en de lichte last van Christus, in een leven naar Gods geboden, waaruit blijkt dat Jezus Heer is en niet ik, niet de duivel, niet de wereld, niet de zonde, met vlees en bloed "God moet God blijven, met al het overige kan ik mij niet ophouden, het verdwijne met al zijn schone schijn" Wie de wil van God niet zal gedaan hebben, wie Zijn geboden niet zal bewaard hebben, zal verdoemd worden De macht van Christus' opstanding zal zich bij ons bewijzen, opdat genade genade zij door de Heilige Geest, en wij leven uit geloof dat door de liefde werkt
WIJ moeten (in dit verband) beducht zijn voor de duivel die — zegt Kohlbrugge — zich 'zeer geestelijk' kan voordoen, namelijk door ons te willen wijsmaken dat we aan allerlei geestelijke eigenschappen moeten voldoen alvorens te mógen geloven De ervaring leert dat wij die eigenschappen telkens weer verhezen, dat de 'duivelse heiligheid' ons ontvalt
Kohlbrugge richt zich dan tot de aangevochtenen, die — wanneer zij een blik op het Lam van God willen werpen — te horen krijgen Dat is niet voor ü Als gij u daaraan houdt, zijt gij verloren, verdoemd, want gij hebt geen wérken, gij hebt mets dan zónde, hoe wilt gij geloven*^ Tot dezulken zeg ik dat zij achtgeven op het woord des Heeren "Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden" Laat u maar gerust de verdoemenis voorpreken door duivel en wereld, door zonde en dood en door uw eigen hart, stoor u er niet aan, leen uw oor er niet aan "Aldus moet gij spreken, o gij aangevochtenen Zo zegt de Heere'" Wat Gód zegt moet gelden
Kohlbrugge werpt ons dus telkens op het Woord' De aangevochten gelovige verwijst hij direct naar het Lam Gods en predikt hij de beloften van de God van onze Doop
'Aanvechting' neemt in Kohlbrugges dooppreken een belangrijke plaats in Daarom staan wij tenslotte stil bij het gegeven dat de troost van de Doop bij Kohlbrugge geen kwestie is van automatisme of 'veronderstelde wedergeboorte' in Kuyperiaanse zin, maar functioneert in de aanvechting Als een parallel van de troost van de uitverkiezing die van kracht is in de aanvechting, zijn de doopbeloften — als een samenvatting van Gods persoonlijk gerichte eedzwering, door Kohlbrugge ook wel aangeduid met het woord 'Verbond' — tot grote troost in het leven van de gelovige die wat zichzelf betreft wordt aangevochten door duivel en zonde, of die wordt geplaagd met de Doop van zijn kinderen die met wandelen in de vreze des Heeren
Ik ben ervan overtuigd, dat ieder die Kohlbrugges dooppreken losmaakt uit de context van de aanvechting, geen recht doet aan diens boodschap Veronachtzamen van het kader van de aanvechting verklaart wellicht, dat men gekomen is en komt tot oppervlakkige conclusies wat betreft Kohlbrugges doopleer Eerst in de aanvechtmg verstaan wij wat hij bedoelt Naar mijn inzicht staat hij — wat dit betreft — heel dicht bij Luther (Opvallend is - tussen haken - dat ook in de Dogmatik van Dr Ed Bohl, de schoonzoon van Kohlbrugge, de boodschap van de heilige Doop staat in het kader van de aanvechting) Wij treffen bij Kohlbrugge geen leerstellige verhandeling over de Doop aan Wie deze zoekt, wordt — gelukkig — teleurgesteld 't Is alles Geest en leven in wat ons wordt verkondigd Let wel verkondigd' Binnen het raam ook van de boodschap van de rechtvaardiging van de goddeloze
Ik geef een aantal voorbeelden van Kohlbrugges prediking Hij zegt "Al heeft het de schijn alsof alle duivelen bij u hun spel gewonnen hebben, ncht gij uw blik getroost op de Voleinder des geloofs. Wie alle macht gegeven is om u uit alles te verlossen, en Die reeds alles voor u onder Zijn voeten heeft geworpen ( ) GIJ die met God worstelt om de bekering van uw kinderen ( ), neemt toch de leer ter harte welke God in Zijn grote barmhartigheid van de Doop geopenbaard heeft De een onder u heeft een deugdzaam kind dat zich goed gedraagt, maar het is tot hiertoe dood in zijn zonden, toont ook nog hoegenaamd geen spoor van bekering, de ander onder u heeft een goddeloos kind dat de ouders grijze haren bezorgt' Wat moeten nu deze dode kinderen'^ Ach, mijn zwakke hart vraagt ook menigmaal zo, wanneer ik de kinderen der Gemeente onderricht Blijven wij daaraan gedachtig op Wiens Naam zij staan en houden wij aan met bidden en smeken tot de almachtige Heiland en grote Ontfermer' ( ) Wij, Gemeente, hebben grote en dierbare beloften voor ons en voor ons zaad "
"Als alle duivelen of ook uw versaagd hart u aanvechten en 'neen' roepen, zie op uw Doop, zie op hetgeen God u daarin heeft beloofd en wees niet langer ongelovig, maar gelovig en verwacht uw heil van Gods belofte Hij is getrouw en rechtvaardig, zodat HIJ niet laat varen de werken van Zijn handen Zet van u af het kunnen of met-kunnen en vraag wat zegt Gód en wat heeft Hij aan mij gedaan toen ik nog een kind was en toen Hij beval mij te dopen'' ( ) Gij, die in bange strijd zijt met duivel, zonde en wereld, in hete kamp met de oude mens en zijn werken, daar gij hem voor en na in u nog niet gedood vindt ( ), zie op deze woorden 'Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af' ( ) De gebeden en tranen van uw godvruchtige ouders zullen niet vergeefs zijn, nog minder vergeefs uw Doop' Zal genade ooit ophouden genadig te zijn'^ Zo gij kinderen hebt werpt hen op God' Wat op God geworpen wordt, dat zal God niet van Zich afwerpen ( ) HIJ, Die het water in de Doop gaf, gaf de belofte en de belofte moet eindelijk altijd komen en zal niet achterblijven Laat ons de Heere deze belofte voorhouden, dan zullen wij welgetroost zijn en goede moed hebben om in al onze ellende onze Doop te gedenken en met onze ogen op Christus' bloed — ten spijt van duivel, van inwonende en ons kwellende zonden, ondanks nood en dood — met verbroken harten te spreken 'Gij zijt mijn God van mijn moeders lijf aan' en zó te overwinnen'"
"Zegt Mijn God, mijn God, hebt Gij mij niet laten dopen'' O God, het is toch waar, dat Gij mij op Uw Naam hebt overgeschreven, dat Gij mij voor Uw rekening hebt genomen Ontferm U over mij'"
"Denk niet, dat gij eerst lange tijd boete moet doen, dat gij eerst béter moet worden, om eerst dan tot God, uw Heiland, te mogen gaan Dat beweert de duivel GIJ zijt verzegeld' Gij hebt het teken Boven in de Doop' God wil uw God zijn' ( ) Wat Hij gisteren deed, is Hij vandaag met vergeten En wat Hy voor veertig jaren en voor achttien eeuwen deed, is Hij voorzeker heden niet vergeten Wat Hij voor jaar en dag heeft bevestigd en verzegeld, zal Hij handhaven en geen duivel zal zijn klauw aan Zijn heilig zegel slaan"
Maar — zegt iemand — ik gevóél niets' "Laat Gods Woord nochtans waar blijven' Wie gelooft wat God in de Doop verzegelt, zal in de aanvechting altijd deze vaste grond vinden Jezus Christus en Zijn gerechtigheid Dit is de Waarheid voor God en een ieder die zich daaraan houdt, zal wel wéér aangevochten worden, maar de Heere zal Zich bewijzen als zijn gerechtigheid"
In de aanvechting dus Nog één ding 'aanvechting' komen wij ook tegen in het door Kohlbrugge gebruikte formulier van de heilige Doop In plaats van de zin in het bij ons in gebruik zijnde formulier "Als wij uit zwakheid in zonden vallen ", leest Kohlbrugge "Und ob wir auch das Widerspiel bei uns wahmehmen " "Als wij worden aangevochten" moeten wij aan Gods genade met vertwijfelen'
Het zal u bekend zijn, dat Kohlbrugge het Doopsformulier beschouwde en gebruikte als een kostbaar kleinood Hij zegt, dat het formulier "heel de inhoud van het Evangelie omvat" Het is "een formulier van zó grote waarde dat, al weet ik heel goed Wie mij gezonden heeft en Wie mij de prediking geeft, ik anderzijds toch al mijn preken zou willen inruilen voor dit ene formulier Daarom dring ik er ook zo op aan dat u bij de bediening van de heilige Doop niet weggaat, maar blijft zitten om te luisteren naar een boodschap die wij niet vaak genoeg kunnen horen en die mij althans altijd weer gelukkig maakt en met grote blijdschap vervult"
Een goed voorbeeld om ons te verdiepen in het klassieke formulier van de heilige Doop en mét Kohlbrugge te ervaren de grote blijdschap van het rijke Evangelie van Gods genade in Christus Kohlbrugge wilde al zijn preken inruilen voor het Doopsformulier Gelukkig, dat het niet nodig was' Wij hebben zodoende èn het formulier èn de preken om te luisteren naar een boodschap die wij — aldus Kohlbrugge — niet vaak genoeg kunnen horen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1996
Ecclesia | 16 Pagina's