A.J.Th. Jonker: dagmens en nachtmens tegelijk*
Twee jaar geleden verscheen van de hond van ds H.J. Lam, in Ecclesia een zeer lezenswaardige artikelenreeks over leven en werken van dn A. J. Th. Jonker. De auteur vermeldde dat hij de stof die hij in zijn artikelen verwerkte vooral had opgediept uit de biografie van prof Jonker van de hand van prof. dr. Maarten van Rhijn, die in 1939 werd gepubliceerd, maar die ook de hedendaagse lezer nog van het begin tot het eind weet te boeien.
Het is bekend dat prof. Van Rhijn een zeer goede vriend geweest is van prof. Jonker Zijn biografie draagt don ook een persoonlijk stempel en is doortrokken van, ik mag wel zeggen, eerbied voor de persoon van A. J. Th. Jonker.
Prof. Van Rhijn schreef een mooi en stichtelijk boek over een theoloog, wiens leven een waarlijk christelijke geest ademde! Een boek dat gezien de benadering van de persoon van A.J.Th. Jonker, aan wie hij zich nauw verbonden wist, een bijzonder karakter heeft.
Het moet dan ook geen geringe onderneming geweest zijn voor drs. B.H. Weegink uit Katwijk aan Zee om zich ruim een halve eeuw na het verschijnen van het boek van prof. Van Rhijn te wagen aan een nieuw boek over A.J.Th Jonker
Het zal drs. Weegink niet altijd meegevallen zijn om in de beschrijving van het leven en werk van ds. Jonker los te komen van de levensschets die prof Van Rhijn van Jonker gegeven heeft Toch is ds Weegink daarin geslaagd. Hij zag kans om een boek te publiceren dat een eigen stempel draagt. Het heet Dagmens en nachtmens tegelijk. Het is keurig uitgegeven door Antiquariaat/Uitgeverij "Blassekijn" in Bleskensgraaf.
Dat het boek van ds. Weegink een eigen couleur heeft, hangt ongetwijfeld samen met het feit dat de auteur zozeer vertrouwd is geraakt met de stof - dat wil zeggen met de preken, de brieven en de verhandelingen van prof Jonker - dat hij deze op een eigen wi|ze kon verwerken. Een voordeel daarbij was dat drs. Weegink toegang had tot bronnen, die prof. Van Rhijn niet kende. Te denken valt aan brieven die prof. Jonker aan kennissen en leerlingen in den lande verstuurde. Drs. Weegink spoorde ze op en maakte ze vruchtbaar voor zijn studie! Enkele daarvan zijn mijns inziens zeer waardevol
Daar komt bij dat drs. Weegink als predikant enkele jaren de Hervormde gemeente van Heerde gediend heeft, de plaats waar ds. Jonker van december 1878 tot mei 1882 zijn standplaats had en waar hij zich - nadat hij zich om medische redenen genoodzaakt zag om zijn hoogleraarsambt neer te leggen - in 1909 opnieuw vestigde, om er tot zijn dood in 1928 te bli|ven wonen Als ik goed geïnformeerd ben, is drs. Weegink in de gelegenheid geweest om in de Heerdense gemeente oudere gemeenteleden te spreken, die ds Jonker persoonlijk gekend hebfcien De liefde voor de figuur en de geschriften van prof. Jonker zal in de pastorie van Heerde, zo lijkt me, bij ds. Weegink alleen maar toegenomen zijn!
Vanuit de bredere kennis die drs. Weegink door het boven vermelde wist op te doen, is het hem zelfs mogelijk om de eerdere biograaf op sommige onderdelen te corrigeren.
De afstand qua tijd in vergelijking met de biografie van prof. Van Rhijn, heeft bovendien nog het voordeel dat sommige gegevens uit het leven van prof. Jonker op grond van de ontwikkelingen die zich nadien in de kerk en in Nederland voordeden, beter gewaardeerd kunnen worden, waardoor hun relevantie voor de dag van vandaag toeneemt. Aan het einde van deze bespreking hoop ik op dit punt nader in te gaan
De ettiisctie rictiting
In het eerste deel van zijn boek, komt drs. Weegink tot een plaatsbepaling van prof. A.J.Th Jonker op kerkelijk gebied.
Jonker die leefde van 1851 tot 1928 behoorde tot de ethische richting. Hij voelde zich verwant aan figuren als de Zwitserse Reveilman Alexandre Vinet (1797-1847), D. Chantepie de la Saussaye (1818-1874) en J.H. Gunning jr (1829-1905). De ethische theologen waren sterk gericht op de innerlijke gesteldheid van de mens tegenover God.
Vanuit het hort zijn de uitgangen van het leven' is een devies dat helemaal past bij deze kerkelijke richting, die met name in de tweede helft van de negentiende eeuw illustere predikers voorbracht. De ethische richting nam in haar strijd tegen het oprukkend modernisme binnen de Hervormde Kerk naast de confessionele richting (waartoe Groen van Prinsterer zich rekende) en de rechts-orthodoxe richting een eigen plaats in. Ze werd gekenmerkt door grote openheid voor de cultuur Ze stelde zich ten doei om de tijdsvragen in verband te brengen met de boodschap van de Schrift, die zich volgens de ethischen vooral richtte op het menselijke individu. Dit maakte haar kracht uit, maar ook haar zwakte. Iemand als Groen van Prinsterer had grote waardering voor de ethische theologen.
[Desondanks verweet hij hen zo nu en dan gebrek aan helderheid en zwakte in het belijden. De nadruk op de individuele geloofsbeleving en de belichting van kerk en maatschappi| vanuit dit principe had tot gevolg dat de ethischen zich gemakkelijker neerlegden bij de deplorabele kerkelijke en maatschappelijke toestand zoals die na de Franse tijd ook in Nederland ontstaan was.
Tot aan de Tweede Wereldoorlog vormde de ethische richting een factor van betekenis in de Hervormde Kerk, Tot deze richting rekenden zich in meerdere of mindere mate dr I. van Dijk, dr O. Noordmans, de genoemde prof. dr. M. van Rhijn en prof. dr F.W.A. Korff. Hun betekenis voor de kerk was groot. Na de Tweede Wereldoorlog verdween de invloed van de ethische richting echter als sneeuw voor de zon. Het opkomend Borthianisme overvleugelde de ethische richting volkomen!
Drs. Weegink voert in zijn boek een pleidooi voor een herwaardering van deze richting en ziet ook tekenen die in de richting wijzen. Terecht rekent ds. Weegink ds. Jonker tot één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de ethischen. Toch nam Jonker in deze beweging een eigen plaats in. Van groot belang is immers voor Jonker de figuur van Sören Kierkegaard (1813 - 1 855) geweest, Kierkegaard werd door Jonker bewonderd, Kierkegaard heeft volgens ds, Weegink Jonker ervoor behoed om in het proces van irenische vervloeiing waar de ethische richting meer en meer in terecht kwam, mee te gaan. Zijn geloofsmatig denken, zijn preek- en schrijfstijl kregen onder de invloed van Kierkegaard iets hoekigs en markants. Kierkegaards oeuvre vormde voor Jonker het zout, waardoor het hem overgeleverde geloofsgoed pittig en krachtig en werkelijk voedzaam bleef.
Dagmcns en nachtmens
Het markante in Jonkers geloofsbewustzijn komt tot uitdrukking in de titel van ds. Weeginks boek. Jonker typeert zichzelf immers als 'dagmens en nachtmens' tegelijk. Het lijkt erop dat we in deze uitdrukking te doen hebben met een variant op Luthers karakterisering van de christen. Hij is: simul Justus ac peccator - de gelovige is rechtvaardig en zondaar tegelijk.
Voor Jonker is dit niet louter een gezegde. Integendeel. Door levenservaring heen heeft hij geleerd wat hij in later laren opschreef: "Vroeger meende ik, dat het bij aKvisseling ging. 'Himmelhoch jauchzend' en 'zum Tode betrübt' (hemelhoog juichend en bedroefd tot de dood, H.K.). Nu weet ik het: die tegenstellingen zijn één. Dat eerste wordt uit het laatste geboren. Voortdurend opnieuw In dat 'zum Tode betrubt' staat de Jacobsladder opgericht, waarlangs de jubel opstijgt, hemelhoog, de wonderladder, die blijkbaar slechts droom is, nochtans werkelijkste werkelijkheid." Jonker schri|ft deze zinnen niet zomaar. Als hij het heeft over lijden, over sterven aan zichzelf en over het ten dode bedroefd zijn, dan spreekt hij uit eigen, soms bittere ervaring Zijn leven kende perioden van veel leed en van diep verdriet In 1 886 was Jonker in het huwelijk getreden met Geertruijd Agnes barones van Hcersolte van Haerst. In 1895 werd, na negen jaar huwelijksleven, een dochtertje geboren. Het meisje overleed op de dag van haar geboorte. In 1 898 werd Hansje geboren. Drie jaren na zijn geboorte overleed Jonkers echtgenote, aan een ongeneeslijke ziekte (5 juni 1901). Trefffend merkt prof Van Rhijn naar aanleiding van dit smartelijke gebeuren op: "Nu trad de rouw als eeuwig leed het leven van Jonker binnen." Het was niet het laatste verlies dat ds. Jonker zou beleven: op 8 juli 1909 overleed zijn zoon Hans, elf jaar oud, aan de gevolgen van een blindedarmontsteking. Drs. Weegink typeert Hans terecht als "de vleesgeworden toekomst van zijn vader, zeker nadat hij hem uit eigen beweging had verteld in de zendingsdienst te willen gaan." In zijn laatste levensperiode moest hij ook zijn broer Gerrit, predikant te Utrecht, op wie hij erg gesteld was, missen. Gerrit overleed in 1924. Kortom: een leven van veel leed was het deel van prof. Jonken En toch midden in de vele en zware en aanhoudende stormen klemde Jonker zich vast aan God. Hoe donker Gods weg ook mocht zijn, het is verbazingwekkend om te merken hoezeer prof. Jonker vaak in alle rust wist te roemen in Gods troost en genade, juist als hij het kruis zwaar voelde drukken op zijn zwakke schouders N.a.v. het verlies van zijn broer schrijft hij. "Voor het eerst na zoveel jaren moest ik ditmaal bij mijn verjaring van hem een liefdeteeken missen. (.. ) zijn gemis wordt mij steeds meer 'gemis'. Degenen, die we echt liefhebben, komen toch ook door hun heengaan in de eeuwigheid nader tot ons en dieper in ons. Zoo wordt in zekeren zin hun verdwijnen' verschijnen," Hoezeer Jonker weet van lijden en verdriet, nooit heeft hij "de minste drang gevoeld om er God een verwijt van te maken. Indien ik ter helle vaar, zal ik daar zelfs niet kunnen laten Hem te danken Eigen schuld. Eigen vloek. Summa summarum: wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich (Ps, 32) omringd met,,, doodsgevaren, doodsangsten, doodsnoden, voor 't geloof, dat niet ziet, niet zien wil, niet zien kan, voor 't geloof alléén louter vorm van louter weldadigheid " Meer dan eens kwamen mij bij lezing van dit boek de paradoxale woorden van Paulus te binnen "als ik zwak ben, ben ik machtig." Het geheim ervan lag in de woorden die volgden: God had tot hem gezegd: "Mijn genade is u genoeg."
De paradox: geen theologisch systeem
Het woord paradox viel. Het is wellicht bekend dat Kierkegaard het christelijke geloof omschreven heeft in paradoxale termen. Het is geen wonder dat de denktrant van Kierkegaard Jonker bijzonder heeft aangesproken. Graag gebruikte hij de paradoxale stijlfiguur in zijn preken en overdenkingen Hij doet dat niet om gewild en geforceerd het hele geloofsleven in de categorie van het para- doxale te gieten. Nee, omdat hij het geloofsleven ervoer in de tegenstellingen van zonde en genade, van droefheid en hoop, van verdriet en uitkomst, voelt men het levensechte in zijn uitdrukkingen en in de vaak zeer illustratieve uitbeelding van het geloof. Er brandt veelal een krachtig vuur in zijn betoog. Men voelt: zo paradoxaal was zijn geloofsleven! Tekenend daarvoor is hetgeen hij aan zijn leerling, de predikant J.P. van Bruggen schrijft: "Bijna alles in mijn leven lost zich op in één paradox. Al maar ondervinding van de sterkste kontrasten: het hemelsche en 't helsche, verloren zijn en behouden zijn, vleesch en geest, kunnen en nietkunnen, zinken in wanhoop en vleugels uitslaan in groot verwachten." Daarbij moet de kanttekening gemaakt worden dat het zwaartepunt van Jonkers geloofsleven lag in de vreugde over Christus' werk op aarde en in Diens opstanding uit de doden. Als hem gevraagd wordt mee te denken over een preek die ds. Van Bruggen moet houden op Pasen, en deze hem vraagt om daarbij in overweging te nemen dat het geloof ons gelijktijdig doet zijn met Christus - iets waar Kierkegaard op gewezen heeft - dan vult Jonker deze gelijktijdigheid met Christus op een zeer positieve manier in, namelijk vanuit het medebeleven van en het betrokken zijn op Christus'opstanding: 'Tijdgenoot van Hem, d.i. zijn leven meeleven. Zich in zijn leven laten intrekken, fHem beslag op zich laten leggen. Zijn leven is het 'eeuwige' leven (natuurlijk iets anders dan verlengstuk van het tijdelijke). De heerlijkheid van dat eeuwige leven ontplooit zich in de overwinning van graf en dood. In die overwinning te deelen, zich van die overwinning bewust te worden _ dat is Paaschfeest vieren."
Zoals gezegd, het paradoxale wordt bij Jonker nooit tot een theologisch systeem. Jonkers preken komen op uit een diep doorvoeld geloofsleven en ze blijven betrokken op het leven van zijn hoorders en lezers. Hij verzandt niet in een theologische schematisering. Het leven zelf liet het hem niet toe om theologische hoogstandjes te willen leveren of een systeem van het lijden of van het paradoxale uit te denken Het zou hem dan ook tegen de borst gestoten hebben om het paradoxale, zoals hij dat bij Kierkegaard vond, dogmatisch te systematiseren of tot een exegetisch principe te maken.
jonker en de dialectische theologie
In dat opzicht onderscheidt Jonker zich van de dogmaticus Karl Barth en van de bijbelse exegeet Rudolf Bultmann, die in de twintiger jaren van de vorige eeuw allerlei Kierkegaardiaanse categorieón voor hun dogmatische en exegetische inzichten trachtten vruchtbaar te maken. Beiden moeten gerekend worden tot vertegenwoordigers van de zogenaamde dialectische theologie. De opkomst van deze theologie, waarvan zij de belangrijkste vertegenwoordigers waren, heeft Jonker nog meegemaakt. Leerrijk is wat Weegink in dit verband uit de correspondentie van prof Jonker aan nieuwe dingen naar voren brengt Men kan eruit af lezen hoe Jonker stond tegenover de rijzende ster van Barth en diens theologie.
De reeds genoemde ds. Van Bruggen kwam in de jaren twintig onder de bekoring van Barths beroemde commentaar op Romeinenbrief uit 1921. Wie dit commentaar leest, merkt vanaf de eerste pagina dat Barth met behulp van vooral Kierkegaards categorieën Paulus' brief probeert te verklaren Ze leken toegesneden te zijn op de situatie van kort na de Eerste Wereldoorlog. Vanzelfsprekend werd Jonker erdoor aangesproken Wie enigszins op de hoogte is van de crisisachtige sfeer waarin deze oorlog het Westen gestort heeft, kan volledig begrijpen dat men heel gemakkelijk onder de bekoring van Barths uitleg van de Romeinenbrief kwam Barth leek via Kierkegaard een reformatorisch geluid te laten horen, in een tijd van crisis van zekerheden en waarden! Bevlogen en met een diepe overtuiging gaf Barth uitdrukking aan een algemeen gevoelen: men was in de negentiende eeuw in de kerk te mat geweest, te stichtelijk, te burgerlijk, te optimistisch. De toekomst van de wereld bleek veel minder rooskleurig te zijn, dan men het tot voor kort had voorgesteld De afgrondelijkheden van het kwaad waren open gegaan. Het bleek een put, die van menselijke zijde niet gedicht kon worden.
Een ondergangsstemming maakte zich meester van de geesten. Oswald Spenglers Untergang des Abendlandes (Ondergang van het Westen) is er het klassieke voorbeeld van. Het Woord van God bleek op die situatie te zijn toegesneden. Het bevestigde het onvermogen van de mens en de volstrekte afhankelijkheid van Gods genade Bovendien bleek het Evangelie veel kritischer tegenover de menselijke werkelijkheid te staan dan men veelal, verblind door een optimistisch mensbeeld had ingezien
Jonker is, blijkens een briefkaart aan Van Bruggen, die hij op 13 mei 1922 verzond, aanvankelijk verrukt over Barths geschrift "Sommige gedeelten van Barths Römerbrief worden mij iets van Bijbel. Kon ik eruit preken! Er zitten heerlijke beloften in die beweging. Hoeveel onwezenlijks en verstorvens wordt erdoor weggevaagd!"
Maar dit aanvankelijk enthousiasme luwt snel. "Inderdaad" schrijft hij in 1925 - en hij wist waarover hij sprak! -: "Niets zien, absoluut niets, toch gelovenl" Jonker bedoelt geloof is niet hetzelfde als ervaring, |a, het staat veelal haaks op de ervaring. Naakt vertrouwen op het Woord is het wezen van het geloof. "Maar", zo laat hij er direct op volgen, "het moet nu geen theologische mode worden, om te spreken van God als verterend vuur Luther en Calvijn openden de ogen voor de eenzijdigheid van Barth. Want de echte ervaring blijft, wanneer we ons steeds weer terugwerpen op het geloof. Het is de geloofsmensch die het van de scepticus winnen zal. Uiteindelijk doet Barth het Evangelie toch tekort." Even later merkt hij zelfs op: "In de crisistheologie voel ik een groot gevaar voor onze ziel
Door het forceren van de negatie bereiken we de affirmatie nooit." Jonker doelt hier op de overdreven uitdrukkingen, waarmee Barth in zijn commentaar het Evangelie typeert. God is zozeer de Geheel Andere, wedergeboorte en gerechtigheid van God zi|n zozeer categorieën die niet passen in het raam van deze wereld, dat er geen enkel raakvlak meer is tussen tijd en eeuwigheid, hemel en aarde. Van enige gestalte van het Evangelie op aarde, ook tijdens Jezus' leven op aarde en in Zijn opstanding is geen sprake Barth spreekt van een raaklijn, die een cirkel op geen enkel punt echt raakt, dan alleen in het voorbijgaan! Terecht merkt Jonker op: met het forceren van de negatie bereikt men het positieve nooit.
Treffend is wat Jonker in een volgende brief stelt. Het vormt een illustratie van de scherpe, geestelijke en vooruitziende blik van deze bijzondere man: "Niet in theorie, maar wel in werkelijkheid scheelt het bij Barth soms niet veel of de genade wordt bij hem niet slechts terzijde geschoven, maar eenvoudigweg verzwolgen Waardoor dan meteen de verzoeking, de satanische verzoeking ontstaat om zaligheid te gaan zoeken in verdoemenis. Bij Luther is dat nooit zo..."
jonker en Kierkegaard en een apocalyrtische tijd
We zouden aan kunnen vullen: ook bij Kierkegaard niet De laatste opmerking is van belang. Het is toch opvallend, dat Jonker zich negatief uitlaat over Barths Römerbrief, terwijl hij dit niet deed met betrekking tot Kierkegaard. Deze bleef hij zijn leven lang citeren en bewonderen. Ds. Weegink besteedt weinig aandacht aan dit feit Het valt ook enigszins buiten het bestek van zijn boek. Toch zou het de moeite waard geweest zijn hier enkele zinnen aan te wijden.
Het lijkt standaard te zijn om Kiekegaard af te schilderen als de man van de radicaliteit, van de paradox, van het kritische Ook ds Weegink lijkt zich aan te sluiten bij deze typering Het is echter de vraag of Kierkegaard hiermee recht gedaan wordt. Is het niet opvallend dat Kierkegaard naast zijn meer thematische geschriften - die hij, ook dat is het signaleren waard, onder pseudoniem schreef - zogenaamde stichtelijke redenen het licht deed zien, als geestelijke toepassing en vrucht van wat hij zijn pseudoniemen liet zeggen. Deze redevoeringen kwamen onder zijn eigen naam uit, hetgeen erop duidt dat hij zich daarin gaf, zoals hij was. Welnu, deze stichteli|ke redenen zijn vol van diepe, positieve godsvrucht, waarin zowel ernst als aan het Woord georiënteerde vreugde doorklinkt. Ze vormen er het bewijs van dat Kierkegaard, overeenkomstig zijn eigen zeggen, voorvoelde dat er in Europa zwaar weer op komst was, iets wat hij gemeen had met veel Reveilfiguren, zoals Kohlbrugge, Da Costa en Groen van Prinsterer. Als weinig anderen heeft Kierkegaard, voor wie het leven overeenkomstig Gods Wet en orde zo'n groot goed was, dit voorvoeld. In dit opzicht is het veelzeggend dat hij in zijn Entweder Oder honderden pagina's lang de loftrompet opsteekt over het gelukkige gezins- en huwelijksleven, dat gewaarborgd is in het luisteren naar Gods geboden.
Daarin komt een mens tot zijn bestemming. Dat is zijn boodschap. Maar... blijkens een redevoering die hij aan dit boek toevoegt, wordt dit geluk overschaduwd door wat in de toekomst kan gebeuren. Kierkegaard schrijft aan het slot van het boek een overdenking over Lucas 19: 41, een tekst over de verwoesting van Jeruzalem, uit de apocalyptische redevoering van Christus. Daarmee sluit Kierkegaard dit boek, waarin hij een pleidooi voert voor de levenshouding overeenkomstig Gods Wet af! Duidt dit gegeven erop dat Kierkegaard inzag dat het rustige negentiende eeuwse leven bedreigd werd door catastrofes? Als dit het geval is, dan is het de vraag welk antwoord Kierkegaard daarop gevonden heeft. Een poging tot een antwoord in christelijke zin heeft hij verwoord in zijn boeken Vrees en beven en De herhaling. Het voert te ver om in dit bestek hierop uitvoerig in te gaan, maar duidelijk is dat hij aan de hand van de figuur van Abraham en van Job een antwoord gevonden heeft op de vragen die hem bezig hielden: Abraham die het dierbaarste van zijn leven door het geloof offert aan God en die het als nieuw uit Gods hand terugontving en Job die evenals Abraham vasthield aan Gods gerechtigheid, die zich schuldig erkende voor God en die zo, eveneens gelouterd, Gods heerlijkheid en betrouwbaarheid als nooit te voren leerde zien!
In deze richting moet een antwoord gevonden worden, op de vragen die opgeld doen in de apocalyptische tijd waarin Europa na de Franse Revolutie en na de Eerste Wereldoorlog gekomen is! Zien we het verkeerd als we beweren dat ten onzent dr. W. Aalders in zijn mooie studie over Job, maar ook in zijn laatste boek over de Septuagint het antwoord van het Evangelie op onze situatie in deze geest tracht te formuleren!?
Déze thematiek sprak Jonker aan. Het kan dan ook geen kwaad om erop te wijzen dat er geen is-gelijk-teken getrokken kan worden tussen Kierkegaard en de dialectische theologie van kort na de Eerste Wereldoorlog. Ik acht het van groot belang dat Jonker dit doorzien heeft en dat ds. Weegink dit door zijn speurwerk naar voren heeft weten te brengen. Jonker en Kierkegaard' het waren christenen die het om de realiteit, de gestalte van het Evangelie te doen was, juist terwille van de verlossende kracht ervan. Natuurlijk kenden ze de paradox. Soms presenteert deze zich, om met Noordmans te spreken, in een gebalde vuist. Maar het gaat er ten diepste om dat ze, zoals Noordmans zegt, wordt tot een open hand, tot een handreiking aan de mens in de apocalyptische nood van onze tijd. Dóór was het Kierkegaard om te doen. Hetzelfde geldt van prof Jonker. Het ging beiden om de verworteling van het Evangelie in de werkelijkheid, anders gezegd: om een v/cre Godsbetrekking, ook don als onweersv/olken zich boven ons werelddeel scmenpakkenl
Tot slot
Vanzelfsprekend is het zo dat er zich na Kierkegaard en Jonker in de theologie allerlei ontwikkelingen hebben voorgedaan Maar voorzover deze ontwikkelingen meer inzicht hebben gegeven in de boodschap van het Oude- en Nieuwe Testament, zijn ze goed te combineren met hetgeen zij ons voorhouden. Het mag waar zijn dat prof. Jonker zijn eenzijdigheden had - iets waar geen enkele theoloog, hoe rijk van gedachten ook aan ontkomt -, zijn oeuvre ademt een werkelijk christelijke geest, waarbij het goed toeven is. En daarom kan het boek van drs. Weegink én voor gemeenteleden, én voor predikanten van harte worden aanbevolen. Het brengt ons in aanraking met een man, die alle waardering verdient, zowel op het vlak van de prediking, als van de praktische-theologie en het christenleven als zodanig. Bovendien brengt het ons op een levendige manier in aanraking met een stuk kerkgeschiedenis en met de ethische theologie, die helaas al te vaak over het hoofd gezien wordt. Maar wellicht is het tij kerende, zoals drs. Weegink hoopvol veronderstelt. Wellicht dat zijn boek ook tot dit laatste een bijdrage kan leveren.
' N.a.v. drs. B.H. Weeginks gelijknamige boek, Bleskensgraaf 1999, ISBN 90-804867-3-6. Verkrijgbaar in de boekwinkel Eventueel telefonisch te bestellen bij Antiquariaat/Uitgeverij "Blassekijn", tel. 0184 691447. Prijs fl. 44,90.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 4 maart 2000
Ecclesia | 8 Pagina's