Jezus, Messias - Koning
Ecn indringende vraag...
Het was midden in de Tweede Wereldoorlog. In het vrije Londen zot een nog tamelijk jonge vrouw aan een schrijftafel. Een pen in haar hand, enkele bloden papier voor zich, waarop zij met grote letters schreef. In ieder geval duidelijk, omdat zij wist dat wat ze aan het papier toevertrouwde, binnenkort door de drukker verwerkt zou worden tot een boek. Gezien haar gezondheidstoestand zou het wellicht een soort literair testament worden.
Deze vrouw was de bekende Franse schrijfster Simone Weil. Zij was van Joodse afkomst. Maar veel meer dan aan het Jodendom was zij gehecht aan haar vaderland Frankrijk, waar haar voorouders al tientallen jaren woonden Na gevlucht te zijn uit Frankrijk zette zij in Londen haar werkzaamheid als schrijfster voort, ondanks lichamelijke uitputting.
Deze Simone Weil vertrouwde de volgende vraag aan het papier toe: "Is het geoorloofd om van zijn vaderland te houden?" Vrij vertaald: Mag ik in van mijn geboorteland, Frankrijk, houden?
Een vreemde vraag, zegt wellicht iemand. Waarom zou je je dat afvragen? Dot spreekt toch bijna voor zich! En toch, gezien de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog lag deze vraag maar al te zeer voor de hand. Wie weet niet dat het Duitse nationalisme aan de wieg van deze oorlog stond en dat de Duitse bevolking opgehitst door de Führer haar afkomst, haar ras, haar Staat verafgoodde.
Wie het gehoord hebben, klinkt nog steeds de dreunende voetstappen van de Duitse soldaten in de oren, met hun gezang: Deutschland über alles.. .
Ja, zij verafgoodden hun volk, hun ras - het Germaanse ras. En dat was vreselijk, demonisch.
Simone Weil en andere Joden hebben de gevolgen ervan ondervonden, velen op een verschrikkelijke manier Geen wonder dat zij zich afvroeg' mag dat, mag iemand van zi|n vaderland houden?
Het zou in de gegeven omstandigheden niet verwonderlijk zijn als zij, zoals sommigen deden en doen, gedecideerd "neen" zou hebben geantwoord: "dat is teveel gevraagd, dat mag niet! En zeker niet als christen, want ons vaderland is boven, in de hemelen!"
Simone Weil gaf een heel ander antwoord'
Zij stelde dat het een mens |uist siert en dat het op een bepaalde manier iemands plicht is om zijn of haar vaderland lief te hebben. Als illustratie van die vaderlandsliefde die zij bedoelde, in tegenstelling tot de verafgoding van het Duitse volk, verwees zij naar Jezus Christus op het moment van Zijn intocht in Jeruzalem.
Vaderlandsliefde
Toen Jezus optrok naar Jeruzalem vanuit Bethanië zag Hij de stad vanaf de Olijfberg aan de overkant van het Kidrondal liggen. De stad, een metropool, met zijn machtige door Herodes zo verfraaide tempel - het Jeruzalem, dat sinds koning David het centrum vormde voor vele vrome Joden. We lezen dat Jezus op dat moment weende over de stad en later sprak Hij de ontroerende woorden: "Jeruzalem, Jeruzalem, hoe vaak heb Ik u bijeen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild!"
Ziet u, schreef Simone Weil, op deze wijze mag, men van zijn vaderland houden. Zij vervolgt: "In het Evangelie kon men eigenlijk geen kenmerken vinden van iets dat Christus gehad heeft met Jeruzalem en Judea dat lijkt op liefde, behalve als het gaat om liefde die gedrenkt was in medelijden, in compassie. Nooit heeft Hij zich op een andere manier aan Zijn volk gehecht dan zo. Hij heeft dit medelijden meer dan eens onder woorden gebracht. Hij heeft geweend over de stad, terwijl hij voorzag, wat niet zo heel moeilijk was in die tijd, dat de verwoesting aanstaande was. Hij sprak tot haar als tot een persoon: 'Jeruzalem, Jeruzalem hoe vaak heb ik u bijeen willen vergaderen'. Zelfs toen hij zijn kruis droeg, legde Hij getuigenis af van zijn medelijden. Deze innerlijke gewaarwording voor iets dat mooi is, voor iets kostbaars, voor iets breekbaars, voor wat vergaan kan, die van zo'n scherpe tederheid kan zijn, is op een andere manier warm en levendig dan nationale grandeur De energie waarmee hij geladen is, IS volstrekt zuiver, en ze is zeer intens. Is een mens niet heel gemakkelijk in stoot tot heldendaden waar het zijn kinderen betreft, of zijn oude ouders, waarvan de zorg geen enkel prestige oplevert?" Dus liefde uit medelijden. Zoals je kunt houden van je
Dus liefde uit medelijden. Zoals je kunt houden van je ouders of je kinderen. De liefde voor hen is teer, maar ook ferm en als het moet, mannelijk en strijdbaar Maar ze is ook eerlijk. Ze ziet gebreken en fouten niet over het hoofd, en ze kan, als daar reden voor is, daarover klagen en daarop wijzen.
Simone Weil verwees in dit verband naar Jezus' intocht. Zij had ook kunnen verwijzen naar de discipelen zoals we die tegenkomen in Handelingen 1, waar zij aan Jezus Christus vragen: "Meester zult u in deze tijd het Koninkrijk van Israël weer oprichten?"
Wat anders zo! er achter deze vraag gezeten hebben dan vaderlandsliefde, liefde voor hun volk, dat zo'n rijk verleden kende? Wat moeten de discipelen van hun land gehouden hebben! Een aanwijzing daarvoor vinden we in het Mottheüs-evangelie. Als de discipelen samen met Jezus op de Olijfberg zitten, zien ze de stad voor zich liggen. Bij het gezicht ervan raken ze enthousiast en roepen uit: "Meester, ziet u dat prachtige tafereel, die mooie gebouwen!" Vaderlandsliefde!
Tegen deze achtergrond spreekt het vanzelf dat de discipelen tijdens de veertig dagen na de opstanding van hun Heer, toen Hij uitdrukkelijk met hen sprak over de dingen omtrent het Koninkrijk Gods gevraagd hebben naar de toekomst van Israël en Jeruzalem "Wanneer Heer...? Zult U in deze tijd het Koninkrijk
"Wanneer Heer...? Zult U in deze tijd het Koninkrijk Gods oprichten^ Zult U in deze tijd Israël herstellen?" Want Jezus moet dat doen. Voor de discipelen was immers boven alle twijfel verheven dat Jezus de Christus was!
Dat zat er achter de vraag van de discipelen. En wie zal het hun euvel duiden?
Nu is het een heel wezenlijke vraag hoe de Here Christus daarop gereageerd heeft. Hun vraag betrof immers op directe wijze Zijn koningschap en de aard waarop Hij aan Zijn messianiteit, als ik het zo mag zeggen, op aarde gestalte zou geven.
Welnu, de eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat de Heiland slechts zijdelings ingaat op deze urgente vraag. Je bent geneigd om zelfs van een ontwijkend antwoord te spreken: "Het komt u niet toe te weten de tijden en de gelegenheden die Mijn Vader in zijn hand gesteld heeft... Gaat heen naar Jeruzalem en wacht tot de kracht van de Heilige Geest over u zal komen. Dan zult u mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem als in Judea en in Samaria en tot aan de uitersten van de wereld."
Dat is de korte inhoud van Jezus' antwoord op deze zo begrijpelijke vraag van de discipelen.
Cods wereldomvattende zorg
Wij stelden dat de vraag van de discipelen begrijpelijk is, omdat God Israël gedurende de hele geschiedenis op een heel bijzondere manier met Zijn zorg omgeven heeft. Het is echter van belang met nadruk op te merken dat Gods zorg zich óók uitstrekte tot de andere volkeren! Tol van Oud - en Nieuw-Testamentische gegevens zijn daarvoor aan te voeren. Men zou Gods ontferming kunnen vergelijken met een bron, waaruit veel water ontspringt. Nu is Israël lange tijd zonder twijfel de belangrijkste bedding geweest waardoor het water dat uit deze bron afkomstig was, stroomde. Maar dat betekent niet dat andere delen van deze wereld het zonder Gods ontferming moesten stellen en daardoor opdroogden. Aan de openbaring aan Israël ging een algemene openbaring vooraf, waaraan alle volkeren deel hadden. In de eerste hoofdstukken van Genesis, maar ook in andere Oud-Testamentische boeken komen we daarmee in aanraking. Archeologisch en tekstkritisch onderzoek bevestigt deze overtuiging, die in de negentiende eeuw al door Groen van Prinsterer werd uitgesproken, alleen maar
Vanuit Voor-Azië, de bakermat van onze beschaving, heeft God behalve de semieten ook andere delen van het mensdom onder Zijn hoede genomen.
Aanwijzingen daarvoor vinden we in de geschiedenis van Noach. Wie moet dan niet denken aan het Noachitische verbond, dat God sloot met Noach èn met zijn drie zonen, Sem, Cham en Jafeth en hun nageslacht!
Mozes verwijst daarnaar in Deuteronomium 32: 8 en 9, waar hij stelt dat de geschiedenis van de volkeren niet buiten Gods bemoeienis en zorg omgaat - God heeft aan de verschillende volkeren hun landstreken toebedeeld en hun grenzen bepaald. Opmerkelijk is dot de Hebreeuwse tekst, zoals die ons is overgeleverd, luidt: "Naar het getal van de zonen van Israël." Maar in de Septuagint staat: "Hij heeft de grenzen der volkeren verdeeld overeenkomstig het getal van de engelen Gods"! Deze vertaling is veelzeggend. Ze bedoelt: elk land heeft zijn eigen engel, zijn eigen karakter, zijn eigen plaats in het geheel van de geschiedenis, zodat er een veelkleurigheid ontstaat zoals die er ook is in de engelenwereld in de hemelse gewesten.
En zo komt het dat er met waardering gesproken kan worden over de wijsheid van Egypte, waar Mozes uit geput heeft. En met waardering over de Romeinen met hun besef van recht en orde, waar de apostel Paulus zo vaak een beroep op deed.
Zo valt de wijsheid van de Grieken te waarderen; hun diep invoelingsvermogen en hun wil om het wezen van de dingen te doorvorsen.
Op tal van manieren stond Israël in in verbinding met de omliggende volkeren: daar komt de koningin van Scheba bij Salomo op bezoek, en daar drijft diezelfde koning handel met de vorsten van de hele toenmalige wereld, en daar sijpelt de wijsheid van die volkeren Israël binnen. Daar gaat Elia naar de weduwe van Sarfath en daar komt Naaman de Syriër naar Elisa toe om genezing van zijn melaatsheid. Later, na Alexander de Grote, komt Israël in aanraking met de taal en de opvattingen van de Grieken, zelfs in die mate dat het gevaar ontstond van totale assimilatie in de volkerenwereld! En daar dient Daniël Nebukadnezar en koning Dorius, in de tijd die aan Alexander de Grote voorafging. En daar spreekt God bij monde van Jesaja over "Cyrus, Mijn knecht"!
En daar komen de wijzen uit het oosten, geleid door een ster en een algemeen levende verwachting van een wereldheiland. Het is niet voor niets dat Paulus in later tijden, in Derbe, zegt tot de heidense toehoorders: "God heeft zich niet onbetuigd gelaten aan u. Hij gaf regen, en vruchtbare tijden, en vervulde onze harten met vreugde en voedsel" (Handelingen 14: 17)! Met deze woorden verwijst Paulus direct naar Gods zorg over de volkeren op grond van het Noachitisch verbond. En is het niet veelzeggend dat dezelfde apostel op de Areopagus een van de grootste Griekse dichters, Kleanthes, citeert?
Het is niet voor niets dat Psalm 87 zegt dat God de Filistijn, de Tyriër, de Moor kent en inlijft in Zijn volk. Al de volkeren zijn bekend bij Hem. God heeft alle volkeren geleid en gezegend, zoals een herder zijn kudde.
En de engelen heeft Hij in Zijn herderschap in dienst genomen.
Dr W. Aalders heeft in zijn jongste boek over de Septuagint aangetoond dat deze wereldomvattende blik op Gods zorg en goedheid authentiek Joods was.
Diaspora Joden als Philo kenmerkten zich door een grote openheid naar de volkerenwereld Hetzelfde vindt men in Daniël en in het boek Job.
Gods zorg gaat ook over de volkerenwereld! Dot is niet een exclusief voorrecht voor IsraëlI
In de tijd vóór het Evangelie was dat al het geval. En zeker nadat de Nieuw Testamentische tijd was ingegaan, toen het Evangelie over de wereld stroomde en het wijde landschap van de wereld vruchtbaar maakte.
Volk na volk...
Welnu, de gevolgen daarvan zijn met de handen te tasten. Daar rijd je dan op één van de Duitse autowegen, en links van je zie je de oude stad Worms opdoemen aan de horizon Naarmate je dichterbij komt, zie je tientallen torens en torentjes met hun pinakels de lucht in prijken. Van kerken, godsgebouwen en kloosters. Eén grote prediking van het christelijke geloof dat daar zijn beslag heeft gekregen
Of daar doemt in Frankrijk bij Metz de katfiedraal voor je op. Al aan de buitenzijde is het een prachtig bouwwerk, een levende prediking van Christus' heerlijkheid, moor dot toch vooral aan de binnenzijde, met zijn koor, zijn koortrappen, zijn altaar en zijn preekstoel. Of je komt in Denemarken met zijn mooie verzorgde witte kerkjes en keurig ingedeelde en bijgehouden begraafplaatsen. Dan zie je door in Ribe een ingemetselde steen in een gebouw, die duidelijk maakt dat daar ooit bisschop Brorson (1694-1764) woonde , en je herinnert je een gezang van hem gezongen te hebben in één van de diensten. Later kom je zijn naam weer tegen en wordt het je duidelijk welk een invloed de man gehad heeft in de zeventiende eeuw voor de Kerk èn voor de Staat, en hoe vroom deze man was
En dan zie je daar een grote steen op een open plek naast de kerk van Sodding, waarop staat dat de vader van Sóren Kierkegaard daar gewoond heeft, alvorens hij naar Kopenhagen verhuisde. En je realiseert je dat zijn zoon zoveel ten gunste van het christelijke geloof geschreven heeft. Tientalen boeken, die hij op eigen kosten uitgaf. Totdat hij in 1855 zijn laatste pamflet bij de drukker had gebracht. Zijn geld was op en al lopend naar huis, vroeg hij zich af wat hij nu moest gaan doen.. Pardoes werd hij getroffen door een acute ruggemergontsteking, viel neer, werd in het ziekenhuis gebracht, waar hij een week later overleed Eén van zijn laatste woorden waren' "God heeft me omhoog geworpen het leven in. Nu vangt hij me na 42 jaar weer op en haalt me Thuis."
Of je komt in Engeland, en het is op een dog toegestaan om de Parlementsgebouwen te bezoeken. Na de nodige controle sta je ineens in de hal, waar tol van standbeelden staan, van grote, betekenisvolle politici. En plotseling zie je in die kleine gaanderij het standbeeld staan van Edmund Burke. En mét dat je daar staat, realiseer je je van hoe een eminente betekenis deze man geweest is, voor Engeland, in zijn strijd tegen de geest van de Revolutie. Welk een invloed had hij op Groen van Prinsterer en via hem op ons!
Hoezeer kwam hij op voor het geloof, en de staatkunde die verbonden was aan het goddelijk recht, tegenover de Franse Revolutie. En tegelijk: hoezeer nam hij het op tegen de heersende trend in het koloniale systeem en vóór het welzijn van de vele Engelse koloniën, waar niet alleen handel bedreven moest worden, maar waar ook de adel van het christelijke geloof getoond moest worden!
En iemand komt in Praag, de stad van de voormalige communisten, sommigen komen zelfs in Rusland, en je snuift er de lucht op: zeventig jaar communisme zijn op hun retour en cl die jaren onderdrukking hebben niet weg kunnen nemen, dot kinderen christelijke namen kregen. Een diepe onderstroom van kerkelijk leven bleef bestaan, en je herinnert je een Sjewarnodze, nu president van Georgië, die zich liet dopen.
Dat is er allemaal geweest en het is er nog.
Volk na volk is gezegend. En Nederland? Er bestaat een mooi verhaal over de christelijke vrienden uit het Réveil. Toen koning Willem III, Sophie, de dochter van de koning van Württemberg zou bezoeken, met wie hij in 1839 in het huwelijk trad, gaven de christlijke vrienden, waaronder Do Costa en Capadose, hem een geschenk mee voor de prinses. Het betrof de zogenaamde Archives de la correspondance de la maison d'Orange Nassau, waarin de correspondentie, die de Oranjevorsten vanaf prins Willem van Oranje door de eeuwen heen gevoerd hadden, was opgenomen. De toekomstige vorstin zou zich in deze brieven kunnen verdiepen, voordat zij naar Nederland overkwam. Ze zou er de geloofstool in leren kennen van vele Oranjes. De brieven met annotaties van Groen van Prinsterer zouden haar duidelijk maken in welk land zij zou komen wonen. Zo, vorstin, is ons volk gevormd, door het geloof der vaderen! Onuitgesproken hoor je de vraag van de vrienden erin door klinken: We hopen dat u en uw man in deze trant de regering over ons land zult voortzetten Hoe dicht staan we hier bij de discipelen in Handelingen 1. Horen wij het verlangen van de discipelen niet in dit aanbod doorklinken, de verwach-ting: "Here zult u ook in deze tijd...."
Steeds was er dat verlangen, bij elke troonswisseling. Voortdurend leefde deze hoop. U vindt haar bij Groen van Prinsteren Wat heeft deze man in en buiten de Kamer, gesteund door zijn vrouw, niet gedaan om het verleden weer actueel te maken!
U vindt het bij Kohlbrugge, getuige zijn uitspraak over Willem van Oranje: "Zijn marteloarsbloed, toen geplengd, roept nog goede dingen over ons land; dat smeekgebed 'Mon Dieu ayez pitié de moi et de ton pauvre peuple', is tegelijk met zijn ziel opgeklommen tot des Heren troon." Mede op grond van dit gebed spreekt Kohlbrugge de hoop uit op een herstel van de kerk in Nederland, en ziet hij daarnaar uit. U vindt dit verlangen bij iemand als Da Costa, maar ook Kuyper, die met het doel van een gezuiverde kerk de VU stichtte, evenals de Gereformeerde Kerken!
Kunt u begrijpen dat in Denemorken Kaj Munk zo betrokken was op de ontwikkelingen in zijn land, dat zijn eerste preek geheel gewijd was aan de zorg over zijn vaderland!? Begrijpen wij dat iemand als Jean Guitton in Frankrijk tot aan zijn overlijden op 98-jarige leeftijd maar schreef en maar schreef, 56 boeken vol, om met het Evangelie de ziel van zijn volk aan te boren!
Kunt u zijn zorg begrijpen, voor zijn land, zijn vrees ook voor de oprukkende islam, niet vanwege de moslims, voor wie hij respect opbracht, maar vanwege de verzwakking van de kerk, die het zichzelf aandeed, als ze het volk niet meer bereikte!
Is het niet alsof we bij hen allen iets horen van de vraag van de discipelen: "Heer, zult u in ónze tijd het Koninkrijk Gods herstellen?"
In deze tijd?
Deze vraag houdt óns toch ook bezig, gezien de kerkelijke malaise, waarin we zijn komen te verkeren! Gezien de politieke koers die al jaren in ons land is ingeslagen, en die meer en meer leidt tot de totstandkoming van een land, waarin het liberale denken zegeviert, waarin het christelijke geloof niet meer dan één van de religies is. Tekenend is het hoe men denkt over de christelijke feestdagen, die ons als volk zo nauw betrekken bij de heilsgeschiedenis. Zullen we het in de toekomst meemaken dat de nota bene de kerken zelf voor het inleveren van enkele christelijke feestdagen een hartelijk woord doen, waardoor een officieel islamitisch offerfeest in Nederland weer enkele stappen dichterbij komtl?
Is er in onze tijd een opwekking mogelijk? Met iemand als dr C.J. den Heyer, die als Nieuw-Testamenticus weliswaar een goede vraag aansnijdt - hoe wij de betekenis het lijden en sterven van Christus hebben te zien - maar die daar zelf zo'n onbijbels en onkerkelijk antwoord op geeft, dat er nota bene op neer komt dat hij niet in kan zien hoe de dood van een ander van betekenis kan zijn voor hemzelf!
Welke een andere weg had hij, als doctor van de kerk, als Nieuw-Testamenticus ook, kunnen aangevenl Wanneer, zo vraag je je af, bezint men binnen de kerken op de wezenlijke vraag, voor welke boodschap de kerk staat en hoe ze het uit kan houden in deze tijd en hoe ze volkskerk kan zijn, kerk die een boodschap heeft voor het volk!? Ik ben ervan overtuigd dat dr W Aalders in zijn boek over de Kerk zo'n waar woord heeft opgeschreven: als er op de vragen waar de kerk zich sinds de Franse Revolutie, en nog nadrukkelijker sinds de Tweede Wereldoorlog voor gesteld ziet geen wezenlijk antwoord komt, zal ze wellicht als een relict (nietig overblijfsel) blijven bestaan, maar niet als een factor van enige betekenis.
Maar niet alleen dr. Aalders heeft vanuit deze intense zorg een antwoord gezocht, dat geldt ook voor Kierkegaard, voor Groen van Prinsterer, voor Kohlbrugge, voor Da Costa en voor velen meer In hun spoor dan gegaan!
Heer zult u in deze tijd, nu nog?
Nu er zoveel grenzen en barrières doorgebroken zijn, nu er zoveel bedijking om ons heen is weggeslagen? Nu wij zo anders in de wereld zijn komen te staan door wat wij meemaakten vanwege de secularisatie. Is er een woord voor onze tijd?
De betekenis van de psalmen
Weet u wat ik van groot belang vind: dat in de woorden van de discipelen geloofstaal te horen valt. Zozeer zijn ze onder de indruk gekomen van de persoon van Christus, dat ze het na de bittere ervaringen die ze in Jeruzalem in de afgelopen weken opgedaan hebben, niet voor onmogelijk houden dat alsnog het gezag van Christus de barrières in Jeruzalem zouden doorbreken. Lezen we niet in Mattheüs 28, dat ze Jezus, voorafgaand aan Zijn hemelvaart, aanbaden^ Vanwege de heerlijkheid die Hij als Opgestane met zich omdroeg! Vanuit deze aanbidding van Jezus, als de Zoon van God aan wie alle macht gegeven is in hemel en op aarde welt deze vraag op' "Heer, nog in onze tijd?'" Uit deze woorden spreekt een hoge verwachting! Hoe kan het anders: zij hebben niet minder dan de introductie meegemaakt door God de Vader van Jezus als de Christus, als de Wereldheiland, aan wie alle macht gegeven is.
In dat opzicht is het instructief dat we bij Lucas lezen dat Jezus uit de profeten en uit Mozes èn uit de psalmen onderwijs gaf aan Zijn discipelen tijdens deze veertig dagen. Met nadruk verwijst Lucas naar de psalmen. Vanuit de psalmen valt er een machtig licht op de Persoon van Christus. In Jezus' leven komen de psalmen tot hun uiteindelijke vervulling. Het is niet voor niets dat het de Nieuw-Testamenticus Martin Hengel opgevallen is, dat de koningspsalmen in het kerygma van de vroegste christelijke gemeente in Jeruzalem een heel bijzondere rol gespeeld hebben. Dat valt vooral af te leiden uit de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen. Hengel verwijst met name naar Psalm 110.
Van evenveel betekenis is de tweede Psalm, die in Handelingen 13 in de grondtekst de eerste Psalm wordt genoemd (bijna alle vertalingen veranderen het woord eerste in tweede, omdat hij in ons Psalmboek de tweede is!). Bij Zijn doop hoort Jezus de woorden die komen uit deze Psalm: "Deze is Mijn Zoon, Mijn geliefde!" En wat te denken van Psalm 118, de Psalm die de aankomst van de koning verhaalt, die in de tempel zijn dank komt brengen vanwege de behaalde overwinning op de vijanden. Het is met de jubel van deze Psalm geweest dat de schare volgelingen Jezus verwelkomde bij Jeruzalem, op Palmzondag. Deze Psalm heeft Jezus gezongen bij het laatste avondmaal, voorafgaand aan zijn vertrek naar Gethsemane!
Vv'elnu in deze Psalm staan die bekende woorden: "de steen die de bouwlieden verworpen hebben, heeft God tot een hoeksteen gelegd." Van een nieuw gebouw. De verantwoordelijken van het volk, de bouwlieden, wisten geen raad met deze steen, ze konden Hem voor de bouw van hun huis niet gebruiken!
Achteloos of vol ergernis wierpen ze hem van zich weg: Kajafas, het Sanhedrin, het volk - met de woorden: "wij willen niet dat deze koning over ons is."
En toch: God breekt door deze blokkades heen. Hij, de Architekt van het nieuw te bouwen huis, heeft andere gedachten dan de bouwlieden. Hij maakt Jezus Christus tot de Hoeksteen, van een nieuw gebouw, dat Hij al begon op te trekken door middel van Jezus' prediking in Galileo, toen Hij het Koninkrijk Gods onder de mensen bracht.
Welnu, in nog grotere heerlijkheid borduurde Christus, nadat Hij opstond uit de doden, daarop voort. De heerlijkheid en de wijdsheid van Zijn Koninkrijk blijken te reiken tot in het dodenrijk, en tot aan het einde van de aarde.
De wolk van Gods tegenwoordigheid over alle volken
Iets van deze heilsvisie heeft Christus tijdens deze veertig dagen ongetwijfeld aan zijn discipelen meegedeeld.
Vvbt een vergezichten gingen open! Het is vooral dit perspectief dat de vraag van de discipelen: "zult U in ónze tijd Koninkrijk weer oprichten, verklaarbaar maakt. U bent immer de Christus\
Er spreekt hoop uit deze vraag. Maar ook zorg. In deze tijd. Heer? Aan Israël? U bent ertoe bij machte, want uw macht is onbeperkt!
Hoe zult u handelen met Israël, met ons volk?
U voelt wel: het zijn cruciale vragen, die gesteld worden op een cruciaal moment, in een apocalyptische situatie, waarin de discipelen maar al te goed aanvoelen, dot er van alles staat te gebeuren, met Jeruzalem en met Israël. Wat een belangrijke dagen, deze dagen voor Pinksteren! De tijd is zwanger van de dingen die gaan komen, die deels nog verborgen zijn voor deze volgelingen. De christelijke gemeente staat op het punt geboren te worden op grond van wat Christus heeft gedaan. Maar hoe zal deze zich verhouden tot Israël? En tot de wereld? Hoelang zal het einde op zich laten wachten. Wat zal het lot van zijn Israël en van Jeruzalem?
De discipelen hebben hoge verwachtingen, op grond van Jezus' onderwijs aangaande het Koninkrijk Gods, dat met Zijn komst op aarde onder ons gekomen is en als een kracht doorbreekt!
Here in deze tijd?
Zoveel kunnen we als we de teksten in Handelingen 1 op ons in laten werken, wel stellen: de verwachtingen die de volgelingen gepassioneerd onder woorden brengen, worden door Christus gekanaliseerd.... niet zozeer in de richting van Israël, maar in de richting van heel de wereld.
Daarin ligt vooral het belang van hetgeen we lezen in Handelingen 1. Jezus kanaliseert de verwachtingen van de discipelen van Israël naar de hele wereld en richt de blik doorheen! Want bij de discipelen zat nog - en dat is heel begrijpelijk - de wens die ze vanouds koesterden: zal Jeruzalem, dit Jeruzalem het centrum worden van het Koninkrijk Gods, waarheen de volkeren zullen optrekken? Begrijpelijk. Maar Jezus Christus spreekt er niet over! Hij leidt hun aandacht in een andere richting, zonder overigens te ontkennen dat Hij Israël wil zegenen en zonder zich uit te spreken over hoe het zal gaan met Israël.
Jezus' zwijgen daarover markeert een openheid naar deze vraag toe, maar ook geeft het aan dot de discipelen deze verwachting wellicht mogen blijven koesteren, maar ze mogen zich er niet door laten leiden!
Ooit schudde de grond waarop ze stonden op hun grondvesten. Toen zij Jezus de tempel toonden vanaf de Olijfberg, sprak Hij de onheilspellende woorden: "Geen steen zal op de andere blijven!"(Mattheüs 24; 1 -3). Jeruzalem zal verwoest worden. De grond waarop ze stonden, gleed nóg eens onder hun voeten weg in de nacht van het verraad en van de veroordeling, toen de bouwlieden de steen verwierpen.
De grond van hun bestaan moet langzamerhand Jezus Christus zélf worden: de Steen die de bouwlieden verworpen hebben, maar die God gelegd heeft tot een Hoeksteen! Een Hoeksteen van een gebouw dat veel magistraler is, dan Jeruzalem en het rabbinale Jodendom dat de discipelen kenden ooit kon zijn; van een tempel, die veel heerlijker en reiner en zuiverder en veelomvattender is dan de tempel ooit kon zijn: namelijk van het Nieuwe Jeruzalem, dat boven is en dat zich vol zegen wil neerleggen als de wolk van Gods tegenwoordigheid over alle volkeren. Dat al die volkeren wil opnemen, waar ze de richting wijst naar het Koninkrijk Gods, naar het beloofde land!
De weg van het derde geslacht
Welk een gesprekken moeten er gevoerd zijn tussen Jezus en de discipelen! Op deze wijze, zo heeft Hij hen duidelijk willen maken wordt er een nieuw huis gebouwd, een triton genos, een derde geslacht. Op deze wijze komt een nieuw volk tot stand, met een eigen inslag - naast het Jodendom en het heidendom - het geslacht der christenen! Met dit bewustzijn moeten de discipelen de wereld in, een wereld, waarin ze, omdat ze Jeruzalem kwijt zijn als vast oriëntatiepunt, veel onbeschutter lijken te staan don voordien. Maar ze gaan niet onbeschut! Jezus geeft ze twee dingen mee.
Allereerst Zijn didache, Zijn onderwijs. Dat wil vooral zeggen: de blik op zijn Koning-zijn. Hebben zij niet meegemaakt dat Hij gedoopt werd! Hebben zij Zijn macht niet gezien, in Galileo, Zijn kracht in Zijn prediking, in de genezingen, die Hij voltrok, in de duiveluilbanningen? Door wisten zij als volgelingen zich door gegrepen! Waren zij geen getuige van Zijn opstanding waardoor ze opn/euw gegrepen werden. Welk een getuigenis kregen zij niet mee! Een getuigenis dat alles te maken had met Zijn doop in de Jordaan, waar Hij als Koning geproclameerd werd, een getuigenis dat vorm kreeg in de prediking van de doorgebroken realiteit van het Koninkrijk der hemelen in Galileo en in de doorbraak die Hij tot stand bracht in het vijandelijke Jeruzalem tot in Zijn hemelvaart toe, toen in vervullling ging wat bij Zijn doop als een belofte werd uitgesproken en waarover we lezen in psalm 2: "Gij zijt mijn Zoon, eist van mij, en Ik zal U geven de volkeren tot Uw erfdeel." Ook zegt Christus Zijn volgelingen de 'kracht' toe van de Heilige Geest.
Het zich gegrepen weten door deze reeds doorgebroken realiteit van het Koninkrijk der hemelen heeft Christus' volgelingen gemaakt tot dienstknechten van Jezus Christus, tot mensen die in de volle wapenuitrusting van de Heilige Geest de heerlijkheid van de Koning kenden en tot herauten, die Zijn heerlijkheid proclameerden.
Ze raken in allerlei moeilijke en onmogelijke situaties niet verstrikt, omdat ze in Christus uitgetild zijn boven de vragen die de schrik van de geschiedenis (Mircea Eliade) stelt - vragen die hen zozeer hadden benauwd tijdens de bange dagen in Jeruzalem, van Jezus' veroordeling. Ze zijn boven deze vragen uitgetild, door de aanbidding van de Zoon des mensen.
En het antwoord dat zij in de gekruisigde en opgestane Heiland ontvingen, mogen ze uitdragen in een age of anxiety, in een tijdperk van grote vragen, waar het heidendom onder gebukt ging.
Dit antwoord brachten de discipelen in hun boodschap van Jezus die de Kurios is. "Wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond!" (Hebreeën 2: 9). Of zoals dr W. Aalders het uitdrukte in verband met de Christus-belijdenis van Petrus: Petrus' belijdenis "was geen Messiasbelijdenis, maar een exclamatie die berustte op de herkenning van de Here Jezus als de eschatologische Wereldheiland." "Hij is de door God gezonden en gevolmachtigde Drager van de kosmische heilsorde. Hij is méér dan Davids Zoon, Hij is Davids Heer" (Mattheüs 2: 41-46) (Zie W. Aalders De Kerk het hart van de wereldgeschiedenis, blz.l8).
Het is die wetenschap, die aan het boek waarin de handelingen der apostelen beschreven worden iets triomfantelijks geeft. Wie voorbeelden wil van wat dit levendige geloofsbesef zelfs in benarde omstandigheden kan uitwerken, kan te rade gaan bij Luthers weergaloos commentaar op Psalm 118 en bij de preken, die Kaj Munk hield in de Tweede Wereldoorlog!
In deze wetenschap gaat dot derde geslacht z\\n weg. Vertrouwend daarop dat de "tijden en gelegenheden" in Gods hand zijn. Het laat zich niet uit het veld slaan door tegenslag en moeite. Het weet dat God ze zal brengen voor koningen en stadhouders. Moor het laat zich er niet door van de wijs brengen, want het ze is losgemaakt van de wereld. En zo pas kan het de wereld, naar een woord van Gunning, liefhebben Zo gaat het richting Jeruzalem, door de tijd, tegelijkertijd de wereld dienende! Dat is de les die de discipelen en wij meekrijgen.
Ook ons geldt Christus' antwoord, dat het ons niet gegeven is de tijden en gelegenheden te weten, woorop God Zijn heil laat zien. Ook ons geldt de opdracht: ga maar heen, in de wereld.
Niet zomaar, maar met het oog op wat Christus in Zijn dood en opstanding en in de aanvaarding van Zijn koningschap bewerkte!
Tot slot: Het trof me dat ik bij Gunning las dat het niet zozeer goot om Israël, moor om de invoeging van dit volk in het Koninkrijk Gods zodat het wordt tot een licht onder de andere volkeren, in dienst aan hen. Het gaat evenmin om de Kerk als zodanig. Hetzelfde geldt voor de wereld. Het gaat om het Koninkrijk Gods. Dot is het doel.
En, is het in dit licht niet bijzonder dat op grond van recente studies, van vooral buitenlandse theologen, veel en veel meer zicht te verkrijgen volt op het belang van Christus' werkzaamheid in deze wereld, juist in situaties, waarin de geschiedproces zich verhevigt en er apocalyptische dingen gebeuren!
Alleen .. er zijn er zo weinigen die hun studies en geschriften benutten en vruchtbaar maken voor de gemeente! Wie benut ze? Kan het opdiepen van het geloofsgoed dat in hun geschriften gelegen is, niet leiden tot een nieuw verstaan van het wonder van Pinksteren?
De richting waarin deze studies wijzen is het volgende: Jezus is Koning! Hij legt in zijn koningregiment de gronden van het kwaad bloot, om het, als het zijn kans gehad heeft, te overwinnen. En midden in deze apocalyptische strijd staat zijn gemeente en heeft ze haar roeping.
Aan de vragen die deze strijd met zich meebrengt, valt niet te ontkomen! Een Engelse godsgeleerde zei tientallen jaren geleden: "/sroë/vormt een onoplosbare vraag. De Kerk is een onoplosbare vraag aan het worden. En de wereld is het eveneens." Rondom de overgang van naar een nieuw Milennium hebben we daar weinig aan toe te voegen. Wie denkt niet aan de ontwikkeling van de atoombom, aan de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog, aan de grensoverschrijdende mogelijkheden die de techniek de mens biedt. "Here, wanneer?" Christus geeft het magistrale en majeure antwoord: Maakt u zich daarover geen zorgen. Het ligt in Mijn hand!
Ga gij heen en verkondig dat Evangelie.
Welnu, zo gaat het naar een afsluiting van de wereldgeschiedenis. Als alle volkeren zullen zijn aangeraakt en we ons desalniettemin door de geschetste ontwikkelingen zouden gaan afvragen: mislukt het toch nog - heeft Israël het niet gered, en de Kerk evenmin, hoe staat het met er dan mee voor?, dan brengt God het tot een oplossing, zodat het genade is dot het Koninkrijk der hemelen opengaat.
Geen volk is daar vergeten. De heerlijkheid der volkeren zal er worden binnengebracht (Openbaringen 21 • 26) "De heerlijkheid der volkeren", dat wil zeggen: Zijn gemeente, uit alle volkeren, omdat ze volk na volk tot zegen is geweest. Deze heerlijkheid kan worden binnengebracht, omdat er een geslacht is geweest, dat zijn bestaansgrond had in wat Jezus tot stand bracht als heil voor hemel en aarde, een derde geslacht, dat om met de brief van Diognetus te spreken is "als de ziel in het lichaam." "Ofschoon zij wonen in de steden der Grieken en der barbaren, waar dan ook, en overal de landsgebruiken volgen, wat betreft, kleding en voedsel en dergelijke dingen, leggen zij toch een opvallende en voor ieder waarneenbare eigen stijl van leven aan de dag. Zij bewonen het eigen vaderland, maar als bijwoners. Zij nemen aan alles deel als burgers, tegelijk verdragen zij alles als waren zij vreemdelingen."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 2000
Ecclesia | 16 Pagina's