Interview met dr. W. Aalders (II)
U voelt zich verwant met de ethische theologen? Ja. Ik ben geen dogmaticus. Dat ethische zegt het al. Ethos is eigenlijk: je doel kennen. Dat je niet alleen gelooft om van je zonde af te komen. Van je zonden kom je nooit af. Ik v/eet dat ik ze nog dagelijks heb, maar het is mijn belangrijkste vraag niet. De vraag is: beantwoord ik aan mijn ethos, aan mijn doel, aan mijn gerichtheid. Als ik mijn doel zou missen, dat zou pas zonde zijn.
In de reformatorische traditie loopt deze weg naar de heiliging toch altijd over de rechtvaardiging? Dat weerspreek ik ook niet, maar dat het zo individualistisch is geworden en dat je die kenmerken krijgt: je moet eerst dit en dat hebben en dan is het pas echte rechtvaardiging, dat vind ik scheef. Geloof is voor mij dat als ik 's avonds in de kranten lees over al die verschrikkelijke dingen die gebeuren, dat ik dan weet: de Heere laat me niet in de steek. Dat Hij mij in deze wereld uit een gelovige vader en moeder heeft doen geboren worden en deze opleiding heeft gegeven en met de vragen uit de wijde wereld in aanraking gebracht heeft, dat is niet om mij in wanhoop en vertwijfeling achter te laten. Dan zou ik God duister vinden, dat ik alleen maar een kijkje in zo'n horribele wereld, in deze... martelaarskamer, zou mogen nemen om dan te sterven. Maar dat Hij nu mij de weg wijst en dat ik alleen maar hoef op te passen dat ik op Zijn weg blijf en de relatie met Hem niet verlies. Want dat zou erg zijn. Dat heb ik van mijn moeder geleerd. En als ik dat gevoel weg voel ebben, dan ga ik me in de wereld hoe langer hoe onzekerder voelen. Maar als ik dat weer terug krijg dan voel ik ook weer scheppingskracht. Dan zeg ik: ik heb God aan mijn zij. [Stellig:] Maar geen armezondaarsgeloof. We moeten trots zijn als christen. Dat is absoluut geen verdienste van de mens, want ik zou niet weten wat voor verdienste ik heb. Ik ben buiten mezelf hier gebruikt, maar dat God me zo rijk begaafd heeft en me zoveel van Zijn wereld heeft laten zien, dat is een voorrecht. En dan de vraag: wat kan ik doen? Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? ledere keer als ik de krant lees, vertaal ik dat zo, dat ik uit de krant een stem naar voren hoor komen zoals bij Samuel, - 'Samuel, Samuel'- en dat ik don antwoord: Ja Heere, hier ben ik.
Wat wilt Gij dat ik doen zal? Zo heb ik altijd geleefd en dat leven is nu haast afgelopen. Maar dat vind ik zinvol. Zo wil ik mensen die daar oog en oor en hart voor hebben een klein beetje raad geven Het kan me niet schelen hoe ze dat verder aanduiden. Maar ik wens me niet in een klein wereldje te laten opsluiten. Want we zijn als christenen een koninklijk geslacht en dat wil ik dan zijn ook Het christendom is iets groots en heerlijks. Dat moet uit de kleinzielige versukkeling gehaald worden. Een christen is een mens met abrohamitische allure!
Vindt u Luther dan ook niet eng?
Het was juist Luthers strijd om uit die engheid van de Roomse wereld van genoegdoening en goede werken te komen. Het is de kreet van een kind geweest dot uit de benauwdheid ontsnapte toen hij zei: Het was alsof de poorten van het paradijs voor me opengingen. Maar ik heb die Roomse engheid nooit gekend. Ik heb het wel gezien in sommige kringen. Het is protestants, maar eigenlijk is het rooms. En die vrijheid waarvan Luther spreekt in Von der Freiheit eines Christenmenschen, door ga ik helemaal mee akkoord, maar die strijd die hij daarvoor gehad heeft dat was zijn strijd, om uit de Roomse kerk te komen. Maar die heb ik nooit hoeven voeren. Die strijd hoeven we dus niet allemaal te hebben. Ik heb veel met mijn moeder over het geloof gesproken. Daarbij ging ik er nooit vanuit dat ik Hem niet had, maar wel dot ik Hem niet kende. Ik wist dat Hij er was en dat ik zijn kind was, maar ik wist niet wat het inhield.
U spreekt in uw boeken vaker over Luther dan over Calvijn.
Misschien dat ik qua karakter meer op Luther lijk don op Calvijn. Toch heb ik ook veel waardering voor Calvijn, vooral op het terrein van de theocratie. Maar Luther heeft veel meer aan de liturgie gedaan dan Calvijn. De liturgie van Calvijn is zo strak. En wat ik Calvijn altijd een beetje kwalijk neem is zijn predestinatieleer. Ik vind dat die alle mogelijkheid van contact met mijn medemens ondermijnt Die predestinatieleer doet alsof ik een voorbeschikking heb die mij als mens in een raam zet, waarin mij het volle spel van aan deze schepping deel te nemen eigenlijk ontnomen wordt. Als je op een plek gezet bent om een op)gave te vervullen ga je je niet bezig houden met een achtergrond waarin dit alles in een heel ander raam geplaatst wordt. Dat is niet in overeenstemming met je waardigheid.
En op de achtergrond? Je kunt vanuit de predestinatie je blik op de werkelijkheid bepalen, maar je kunt ook achteraf zeggen. God heeft op die en die manier mijn leven gestuurd; voordat ik leefde had hiij al een plan met mij.
In bepaalde situaties kan de leer van de predestinatie troostrijk zijn, maar dan zou ik het liever anders zeggen. Ik zou het v/illen noemen; het leerstuk van de soevereiniteit Gods. God is soeverein, dat wil zeggen; God is altijd boven de mogelijkheid van mijn kennen en denken. Als het dan voor mij uitzichtloos en wanhopig is, dan geldt toch; God bestuurt alle dingen.
Ik heb vaak de uitspraak aangehaald van mijn Engelse vriend Langmead Casserly en ik wil hem ook nu aanhalen; 'In de wereld zegt men; de zaak is ernstig, maar niet hopeloos. Het geloof spreekt daarentegen; de zaak is hopeloos, maar niet ernstig.'
Geen Bonder
U hebt in de breedte van de kerk gestaan, ook gezien de ligging van de predikanten die in 1967 medeondertekenaars waren van de Open Brief... Die Open Brief heb ik opgesteld. Het ging erom dat de wereld op een andere manier benaderd moest worden dan met het apostolische -dat is; marxistisch-socialistische- Evangelie van de latere Barth.
...en toen bent u in de armen gesloten door de Gereformeerde Bond, met ds. G. de Boer. De Gereformeerde Bond was altijd al anti-Barthiaans. Ik had in het begin wel sympathie voor Barth. Vooral toen het nationaal-socialisme sterk werd, trok Barth de duidelijke lijn van de openbaring. Maar toen ik die Barthiaanse lijn zag afwijken naar links en zo kommunistfreundlich zag worden en ik mij hoe langer hoe meer tegen Barth verzette en me van hem losmaakte, toen keken de mensen van de Gereformeerde Bond op. Ze zeiden; wat gaat Aalders nou doen? Bekeert hij zich? -Zulke uitdrukkingen gebruikten ze.-
Beli jdenis
Aalders roept her en der in zijn geschriften op tot trouw aan de belijdenis. Met een zekere graagte citeert hij een woord van Trigland;'Men moet de Nederlandsche Belijdenis niet simpelijk aanmerken als een menschelijk schrift, maar als een geschrift bij Godvruchtige en getrouwe Leeraars der ware kerk onzes Heeren uit den Woorde Gods gesteld, om te dienen voor eene gezonde en schriftmatige belijdenis des geloofs [...]; welke alle de Gereformeerde Kerken in de Nederlanden en in Frankrijk voor gezond en Godes Woord conform hebben erkend [...]. Dat is wat meer als simpelijk een geschrift bij menschen gesteld.'(geciteerd in Theocratie of ideolog/e (1977), 17)
Qua gehechtheid aan de belijdenis zou u zich dus bij de Bond wel moeten thuisvoelen.
Ik weet niet of u Trigland wel kent. Dat was niet; zonde - genade. De gereformeerde theologen uit de zestiende en zeventiende eeuw als Trigland en Voetius hadden een brede kijk. Ze hadden een ethiek van jewelste. Dat zat niet vast op uitverkiezing of op dingen als; weet je wel of je bent wedergeboren en of je zonden je vergeven zijn. Dat waren mensen met een brede kijk.
Ziet u die brede kijk ook in de gereformeerde belijdenisgeschriften?
Ja. Zelfs met een artikel waarop ook door de gereformeerden zelf veel kritiek is geleverd -ik bedoel artikel 36 NGB- daar ben ik het mee eens. Maar de vraag is: hoe leg je het uit? Niet door socialistisch te worden, maar door de overheid de heerlijkheid van Gods wet voor te houden. Dat de kerk de overheid een dienst kan bewijzen door te wijzen op de mogelijkheden die de mens en op school en in de kunst en in het maatschappelijk leven heeft door zich te houden aan de orde Gods. Dat is iets kostelijks, maar dan ben ik ook meteen bij Groen. Zodra ik zulke klanken hoor als in artikel 36, of ook in zoveel zondagsafdelingen van de Heidelbergse Catechismus, dan sluit ik mij daar dankbaar bij aan!
U kent misschien die uitspraak van Groen, een heel belangrijke uitspraak voor mij; weet je wat belijden is? Belijden is niet dat je getrouw uit het hoofd op leert zeggen wat er in de belijdenis staat maar dat je op die punten waar het in de wereld en in de kerk scheef gaat opstaat en zegt; dóór gaat het fout.
[De interviewers hebben het citaat paraat en lezen het voor; Aalders knikt instemmend en onderstreept belangrijke passages met de wijsvinger.]
'De belijdenis, waartoe men wordt geroepen, staat telkens met den aard der tijden waarin men leeft, in verband. Het belijden, waarin de kracht des Christelijken geloofs zich openbaart, ligt niet altijd in het getrouwlijk opzeggen van al de Artikelen des Geloofs; niet altijd in een onvoorwaardelijk onderschrijven van de Symbolische Schrift; zelfs niet in een prediking waarin geen enkel woord aan getrof-fen wordt, dat den meest regtzinnigen keurmeester ergeren zou. Het belijden is uitgekomen voor de waarheid op het punt waar de verdediging bezwaarlijk is, waar het belijden met lijden vergezeld is. Gelijk de aanval het kritische punt aanwijst, zo volgt, uit den aard der verloochening, de aard der belijdenis. [...] Altijd één waarheid is er, wier belijdenis, terwijl men aan de ganse waarheid vasthoudt, speciaal belang heeft. [...] Ten aanzien van die waarheid is pligtsbetrachting en moedbetoon aan de orde van den dag. Zoudt gij de onversaagdheid roemen van den wachter, die overal bij de hand is, behalve waar de vijand zich bevindt?'{geciteerd in Revolutie en Réveil 1789-1989 (1989), 19-20)
Twee w^erelden
Aan het slot van De kerk het hart van de wereldgeschiedenis (1995J komt u tot de formulering dat in de aanbidding van Christus Pantokrator de mens 'ontheven is van zijn zorg en angst en verantwoordelijkheid voor land en volk en wereld en kosmos, voor cultuur en natuur en staat en maatschappijV 64).
In die zin dat jij verantwoordelijk zou zijn voor wat er gebeurt. Nee, God is verantwoordelijk, maar wij zijn wel Zijn medearbeiders. Een koninklijk priesterschap rondom Zijn Troon.
U pleit dus niet voor een lijdelijke houding?
Integendeel, maar wel voor zachtmoedigheid. Ik weiger geweld en polarisatie. Ik wil alleen maar zeggen: de waarheid alleen zal het doen. Maar dan moet je die waarheid ook wel zo kennen, dot je haar zo weet te zeggen dat hij wel aan moet komen en niet in formules verzandt. Je moet met de waarheid de mensen lokken.
Wij herkennen vaak wat u schrijft over vreemdelingschap, over het burger zijn van twee werelden. Je studeert en leeft midden in de wereld, tioe beleef je je verantwoordelijkheid, wat kun je en wat mag je doen?
Kent u dat leven in twee werelden?
Twee werelden is niet: hier en daar, maar dat is de scheppingsmatige, aanvankelijke bedoeling én de tegenstelling, de verwoesting die telkens gemaakt wordt.
Filosofie.
Aalders schreef eens dat het ontbreken van een integrale christelijke filosofie er de oorzaak van is geweest 'dat de christenheid goeddeels weerloos is geweest tegenover de overmacht van het moderne vrijheidsdenken.'(7/ieocrofe of ideologie, 231) Bij de Reformatorische Wijsbegeerte heeft hij zich echter nooit thuis gevoeld. 'Het is me te reformatorisch. Het zou meer wijsbegeerte moeten zijn.'
is het ~ om met Barth te spreken - slechte theolo gie?
Ja. Voor mijn besef komt geloof voort uit de grondvragen van het leven. Ik stelde die grondvragen aan mijn moeder. Ik weet nog dat ik een keer ontzet vroeg: 'Waarom is er eigenlijk die akelige seksualiteit? Wat moet ik daarmee? 'Dat is een grondvraag van de schepping. Die grondvragen moeten eerst boven komen. Waartoe is er de verhouding ven man en vrouw? Waarom gaat iemand dood? Wat is doodgaan eigenlijk? Dat zijn filosofische vragen van de eerste orde' Op zo'n manier moet je als kind filosoferen. Dan doe je dot niet met Kont, maar op een veel eenvoudiger manier. En als die vragen goed wakker zijn geworden - en als opvoeders moeten we daar wijs mee omgaan -, dan moet je langzamerhand de vraag stellen, wat zegt het geloof hierover? Maar als je al begint met de reformatie en dan pas met wijsbegeerte, dan krijgt de wijsheid haar kans niet. Je moet hetzij kinderlijk, hetzij puberaal, de wezelijke vragen leren stellen.
Voelt u zich daarom ook verwant met Plato^
Ja, moor ook met Kant en ook wel met Heidegger Die grondvragen - dat vindt u ook in mijn boekje Plato en het christendom - vind je ook bij Plato terug. Met zulke vragen moet je een kind in aanraking brengen en dat is in het gezin niet de taak van de vader, maar van de moeder. Een moeder leert een kind én filosoferen én geloven. De weg naar het geloof gaat via de filosofische vragen. Een kind is wel eens heel erg verdrietig en dat is een goede zaak Al die grondvragen - angstvragen, droefheidsvrogen, waaromvragen - moeten bij een kind de ruimte krijgen en niet onderdrukt worden. Daar kun je het beter met je moeder dan met je vader over hebben. Dat is de ideale manier om te geloven. Maar dan is er nooit een bekering want daar is geen plaats voor Het is een plantaardig groeien uit het onbewuste van het embryonale.
Een metanoia kan dus alleen plaatsvinden bij iemand die niet in het christendom is opgevoed Ik ga nu die weg vervolgen. De filosofische grondvragen worden ingebed in een geloofsovertuiging.
Dat sluit naadloos op elkaar aan, het is geen controverse. Je ontdekt dat God de antwoorden al had klaarliggen voor jij je de vragen waarop ze een antwoord zijn zelfs maar bewust was. De antwoorden komen dus dan pas; je kunt ook te vroeg met de antwoorden komen. Maar dan groeit een kind verder; je gaat naar de middelbare school en op een gegeven moment kom je op de universiteit en daar ga je boeken lezen' spannende, boeiende, gemene boeken En dan kom je langzamerhand voor de metanoia. Want die noia, die is er thuis niet; daar is het allemaal veel primitiever en ingebed in een natuurlijke sprookjesachtigheid van beelden. Maar dan komt het bewuste redelijke leven en komt er een hele wereld op je af. En dan ga je onderscheiden: geest en geest. Dat is de puberteit. Ongeest, boze geest, wargeest. Heilige Geest. En dan is de metanoia, als je al een beetje verstrikt zou zijn of verleid door een ongeest of een onzuivere geest of vleesgeest, dat je ontdekt' dit is onmenselijk, zo kom ik niet uit bij mijn telos, bij mijn ethos Maar aan een kind mag je nooit de metanoia preken. Daar maak je een kind mee kapot. Als je tegen een kind zegt: 'Jij moet bekeerd worden!' dan is dat door en door verkeerd. Pas als je in de geestwereld komt, de noiawereld met allerlei geesten, dan komt de vraag naar voren naor bekering van mijn zonden. Op die menselijke zinvragen, daar kan ik iedereen
Op die menselijke zinvragen, daar kan ik iedereen op aanspreken. Weet je wel waarvoor je leeft? Waarvoor hebben je vader en moeder je verwekt? Dat weten veel mensen niet eens. Waarom heb je al die kostelijke gaven ontvangen? Je mag bezig zijn in deze wereld, je mag zoveel zien, maar waaróm nu eigenlijk? Je hebt een priesterlijke roeping en dat is iets heel groots. Dat hebben de torren niet en de koeien niet, die grazen met hun kop omlaag, maar wij hebben een geest. Waarom? Om een priesterlijke, een koninklijke functie te hebben. Dat vind ik belangrijk. En als God me dat geeft, dan zeg ik' het heeft zin gehad dat Hij me heeft loten geboren worden. Maar er is niet alleen de aarde, er is ook een hemels koninkrijk. En dan ga ik straks ook als zondagskind die andere regionen van Zijn schepping binnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 december 2001
Ecclesia | 8 Pagina's