Kerk en Staat
De stem van de kerk
Kele jaren geleden hebben de kranten melding naakt van een nieuwjaarsviering in een plaats die in houding tot haar grootte nogal vaak in het nieuws komt, namelijk de gemeente Staphorst. Het gemeentebestuur had een feest georganiseerd, en de hervormde predikant had daar vanaf de kansel protest tegen aangetekend. De burgemeester vond dat de dominee daarmee zijn bevoegdheid had overschreden. Zo'n daad was ongeoorloofd, omdat in Nederland kerk en staat gescheiden zijn.
Het was een interessant commentaar Bij het eerste horen zou je zeggen dat het kant noch wal raakt. Elke actiegroep heeft de vrijheid te protesteren tegen een overheidsbesluit. Waarom zou een kerk dat dan niet mogen? Ik denk dat het hier de burgemeester toch parten gespeeld heeft, dat hij lid was van het CDA. Voor hem was een kerk niet zomaar een willekeurige organisatie. Voor politici uit de paarse partijen zal het Staphorster probleem anders liggen. Voor hen zijn kerken geen instellingen met een bijzondere status. Zij hebben er geen moeite mee kerken op één lijn te stellen met verenigingen. Een vereniging heeft altijd het recht, haar mening naar buiten te brengen, maar mist tegelijk de macht, haar wil aan de samenleving op te leggen. Het recht moet hun uitdrukkelijk gegeven worden, omdat ze de macht missen.
Dat geeft ook wel de verhoudingen weer zoals we die thans kennen. Von ouds bestond er echter wel verschil tussen kerken en verenigingen, en dat heeft die CDA-burgemeester waarschijnlijk door het hoofd gespeeld. Vroeger was de positie van een kerk veel belangrijker dan die van een willekeurige club. Toen kon de kerk beschouwd worden als een macht, waar tegenover de staat zijn houding moest bepalen. In onze wetgeving zijn daar enkele schaarse restanten van overgebleven, zoals de beperkingen die opgelegd zijn aan de vrijheid processies te houden, of het verbod een huwelijk kerkelijk te bevestigen voordat het op het raadhuis gesloten is.
Dat is eigenlijk heel vreemd, want een kerkelijk huwelijk heeft geen juridische consequenties. Wat kan het de wetgever schelen, op welk tijdstip de familie in de kerk bijeenkomt? Zo'n wettelijke bepaling is een juridisch overblijfsel uit de tijd, dat de kerk een veel belangrijkere plaats innam in het openbare leven. De overheid wilde voorkomen, dat de kerk bevoegdheden zou uitoefenen die aan de overheid waren voorbehouden. De kerk was niet zomaar een vereniging In de middeleeuwen omvatte de kerk het hele volk, dat onder haar geestelijke leiding stond. Met de reformatie is dat in beginsel niet veranderd. De kerk bleef een organisatie, die grote invloed kon hebben op het leven van de mensen, en daarom moest haar plaats zorgvuldig worden afgebakend. Ze mocht zich niet op het terrein van de overheid begeven.
Het was voor de mensen van die tijd moeilijk zich voor te stellen dat kerk en staat onafhankelijk van elkaar zouden kunnen zijn Beide hadden grote invloed, en daarom moest hun onderlinge verhouding goed geregeld zijn. Het moest duidelijk zijn wie van hen beide de hoogste was. Ofwel de overheid regeerde, maar dan ook over de kerk; of de kerk had de macht, maar dan ook over de staat. Dat moeten we ons goed realiseren, om te begrijpen waarom de Hollandse regenten zo agressief lijken op te treden tegenover de predikanten. Denk bij voorbeeld aan de godsdiensttwisten van het twaalfjarig bestand. Je bent dan geneigd te denken: waar bemoeit de overheid zich eigenlijk mee, dat ze de kerk wil voorschrijven wat wel en wat niet geleerd mag worden Dat is omdat er volgens de regenten geen middenweg bestaat. Als de kerk streeft naar zelfstandigheid, wordt de overheid onmiddellijk wantrouwig. Ze zegt dan dat de dominees 'een nieuw pausdom' willen invoeren. Eén van beide moet de baas zijn.
De staat neutraal?
Het probleem komt eigenlijk juist daaruit voort, dat de overheid zichzelf ook als christelijk beschouwt. De staat is niet neutraal. Dat is natuurlijk nooit het geval, maar de staat van de zeventiende eeuw voert ook niet die pretentie. Hij richt zich naar de wet Gods, en naar dat model maakt de overheid haar eigen wetten. Maar ze wil die wetten wel zelf maken. De kerk mag haar stem laten horen, maar de overheid heeft het laatste woord, juist omdat ze een christelijke overheid is Dat betekent, dat christelijke waarden erkend worden als de hoogste die er bestaan.
We kunnen het nog verder specificeren. Voor de Nederlandse overheden van de zeventiende eeuw waren de kerken niet gelijk De christelijke overheid wist, om het in de termen van de Nederlandse geloofsbelijdenis te zeggen, de ware en de valse kerk van elkaar te onderscheiden. Ze stelde zelf ook de eis aan allen die een overheidsambt willen bekleden, dat ze lidmaten van de gereformeerde religie moesten zijn, of tenminste liefhebbers van dezelve. Ze moeten dus ofwel belijdende leden zijn, of anders toch belangstellenden, die met meer of minder regelmaat ter kerke gaan. Onder alle kerken was er dus één die bi|zondere privileges genoot, en dat was de gereformeerde.
De andere geloofsgemeenschappen moesten met bescheidener posities tevreden zijn Voor de diverse variaties van het protestantisme kwam het neer op erkenning als kerken van de tweede rang. Ze werden in hun vrijheid niet wezenlijk belemmerd, maar bleven in het openbare leven op de achtergrond. Wel was dat belangrijk meer dan de rooms-katholieken ontvingen. Die droegen de last van het verleden mee. De Republiek was ontstaan in naam van de vrijheid van religie Zo gezien zou ze rooms-katholieken en protestanten beide die vrijheid moeten gunnen. Maar de Republiek moest haar onafhankelijkheid bevechten tegenover het ultrakatholieke Spanje Ze voerde een godsdienstoorlog, waarin reformatie en Rome tegenover elkaar stonden. Kon de overheid dan wel vertrouwen stellen in het rooms-katholiek gebleven deel van haar onderdanen^ In ooHogstijd moest de eenheid van geloof des te belangrijker zijn. En ook de gereformeerde kerk drong sterk aan op strenge maatregelen. Het was immers m het wezenlijk belang van de gehele bevolking, dat aan de paapse afgoderij een einde kwam.
Vrijheid van geweten
In dat dilemma moest de overheid een uitweg zoeken, en met dat probleem hebben de Hollandse regenten zich dus al vroeg moeten bezighouden. De oplossingen die ze gevonden hebben houden tot vandaag toe iets actueels, omdat men ook nu vaak geneigd is het in vergelijkbare gevallen in soortgelijke richtingen te zoeken. Ten eerste stonden zij aan de rooms katholieken gewetensvrijheid toe. Dot was een nieuwe vrijheid, die vroeger niet had bestaan, en die ook in het buitenland niet bestond. In rooms-kotholieke landen werd de zuiverheid van het geloof gehandhaafd door een onderzoeksrechtbank, die de inquisitie heette. De inquisiteurs wilden het kwaad van de ketterij in de wortel opsporen en bestrijden. Dus onderzochten ze ook wat mensen deden en zeiden in hun huiskamers, als er geen vreemden bij waren; welke boeken ze lazen; en zelfs welke gedachten ze koesterden. Dat hoorde alles tot de verantwoordelijkheid van de inquisitie, maar zulk geloofsonderzoek heeft de Nederlandse overheid niet willen invoeren. Hier bestond vrijheid van geweten, en daarin is nooit verandering gekomen.
De Hollandse regenten waren er trots op dat ze zo verdraagzaam waren, en ze hielden dit ook voor genoeg Ze waren sterk geneigd - en dat zijn veel regenten tot heden toe - godsdienst te beschouwen als iets persoonlijks Je leest de bijbel, je leest stichtelijke boeken, je bidt en je mediteert. Wie wil kan dat ook samen doen met familie of vrienden. Maar het kan allemaal thuis gebeuren. Niemand hoeft daar iets van te merken, niemand hoeft er last van te hebben. Geloof is een privé-zaak. Jij bent vrij te geloven wat je wilt, maar je moet er ook niemand mee hinderen. Dat is de tolerantie van de Hollandse regenten. Ze blijft voor ons iets herkenbaars houden. Het is een neerbuigende tolerantie, die de ander precies zoveel toestaat als je zelf denkt dat voor hem voldoende is. Meer moeten de getolereerden niet vragen.
Dat deden de rooms-katholieken juist wel. Ze konden ook niet anders. Je kunt niet rooms-katholiek zijn als je geen deel hebt aan de genademiddelen van de kerk. Je moet je kinderen laten dopen, je moet je huwelijk laten bevestigen, je moet tenminste eenmaal per jaar de mis vieren. Dat kan alleen in gemeenschap, je moet dus deel kunnen nemen aan rooms-katholieke kerkdiensten. Met vrijheid van geweten ben je niet echt geholpen. Je hebt vrijheid van eredienst nodig. En toen de rooms-katholieken die niet kregen, namen ze die zelf. Op zolders en in schuren gingen ze geheime samenkomsten beleggen. Die hadden ze nodig om hun geloof te kunnen behouden. En dan waren de regenten weer aan zet. Moesten ze hun verbod van eredienst nu ook streng handhaven, en de rooms-katholieken gaan vervolgen?
Gedogen
Dat was niet zo gemakkelijk. Omstreeks 1600 waren er in de provincie Holland waarschijnlijk ongeveer even veel protestanten als rooms-katholieken. Paste je dan als overheid de wet in alle strengheid toe, dan zou je de helft van de onderdanen in het harnas jagen. Dat was in oorlogstijd nogal gevaarlijk. Daarom vonden de regenten een tussenoplossing, die het tweede kenmerk werd van de Hollandse tolerantie. En ook die tweede oplossing is veel vaker toegepast, en dus actueel gebleven. De overheid ging de rooms-katholieken gedogen. De wet bleef zoals ze was. Je kon dus in geval van nood altijd ingrijpen, als de rooms-katholieken te ver gingen; en je kon tegen de dominees zeggen dat je echt alles deed om de paapse afgoderij te bestrijden. Maar aan de andere kant dreef je de rooms-katholieken niet tot het uiterste. Je stond hun het noodzakelijke minimum toe, zodat ze niet in opstand kwamen. Op den duur groeide daaruit een praktijk, waarbij de roomskatholieken in iedere plaats elk jaar een bepaald bedrag betaalden aan de justitie, om daarmee vervolging af te kopen. De justitie zou dan de overtreding door de vingers zien, zolang die rooms-katholieken zich rustig hielden.
Dat zijn de twee peilers van de Hollandse tolerantie: enerzijds de wettelijk toegestane gewetensvrijheid, anderzijds de gedoogde cultusvrijheid. Maar er is nog een derde aspect, dat we hier bij moeten betrekken. Dat is de verhouding van de overheid tot de gereformeerde kerk. Een staatskerk hebben we hier nooit gehad. Niemand was verplicht zich bij de gereformeerde kerk te voegen. Maar eigenlijk zou de overheid wel graag gewild hebben, dat alle Nederlanders tot dezelfde kerk behoorden. Ze zou dus het liefste zien dat die kerk een volkskerk was, die plaats bood aan alle Nederlanders. De gereformeerde kerk zag dat anders. Die wilde een kerk zijn van belijders. Lidmaatschap moest vrijwillig blijven, en het zou alleen open staan voor hen die de gereformeerde belijdenis onderschreven. De gereformeerden hadden dus een andere visie op de kerk dan de overheid, en dat heeft veel spanning in het leven geroepen.
Dat is de achtergrond van het conflict tussen remonstranten en contra-remonstranten in het begin van de zeventiende eeuw, waar we de Dordtse leerregels aan te danken hebben. De Hollandse overheid wilde dat er binnen de kerk ruimte zou zijn voor beide richtingen, maar de kerk wilde kiezen, en de remonstranten uitsluiten. De strijd is zo hoog opgelopen, dat er bijna een burgeroorlog uit voortkwam. Toen gaf de overheid toe. Ze gaf de kerk verlof in Dordrecht een synode bijeen te roepen, en daar werden de remonstranten veroordeeld. De kerk had dus gewonnen, maar de regenten wilden zo iets geen tweede keer beleven. Het was eens geweest, maar nooit weer. Als nationale synodes bijeenkwamen en leeruitspraken deden, zou dat best nog eens tot kerkscheuring kunnen leiden. De kerken hebben dan ook nooit meer toestemming gekregen zo'n nationale kerkvergadering bijeen te roepen. Er zijn nog wel vaker meningsverschillen over de leer geweest, maar die werden niet meer tot een oplossing gebracht. En in de loop van de tijd ging de kerk zo meer en meer lijken op het regentenideaal: ze werd minder een kerk die de belijdenis handhaafde, en meer een kerk waarbinnen voor iedereen plaats was.
Staatsgcloof
Dot is dus het derde element van de regententolerantie. Naast gewetensvrijheid en naast gedogen is er de wil tot uniformeren. Je kunt het wel niet afdwingen, maar het is toch beter als alle Nederlanders hetzelfde geloven. Al kennen we geen staatskerk, er heeft wel altijd een staatsgeloof bestaan, een geloof dat leiding geeft aan het handelen van de overheid. De inhoud van dat geloof kan veranderen. In de zeventiende eeuw draagt het nog het stempel van de gereformeerde confessie. In de loop van de achttiende eeuw ondergaat het de invloed van Aufklarung en Franse revolutie. En hoe het er in onze tijd uitziet zullen we ons straks nog afvragen. Maar we moeten dit derde element wel meteen in het oog houden. Hier is het namelijk, dat tolerantie tot intolerantie wordt, voor allen die het staatsgeloof niet delen. Zij worden dan tot tweederangs burgers, zoals de rooms-katholieken dat waren in de zeventiende eeuw.
De Republiek is ten onder gegaan aan het einde van de achttiende eeuw, en dan krijgen we vanaf 1813 het koninkrijk der Nederlanden. Daarvan kunnen we dan allereerst zeggen dat die derde trek heel goed waarneembaar blijft, dus dat staatsgeloof, die wil tot uniformeren. De gereformeerde kerk, die nu hervormde kerk gaat heten, neemt in de negentiende eeuw een andere positie in dan in de zeventiende. Ze heeft niet langer een bevoorrechte plaats, alle kerken zijn gelijk. De scheiding van kerk en staat wordt officieel uitgesproken. Maar er komt geen scheiding van geloof en staat Dat kan ook niet. De overheid moet altijd een geloof hebben. Anders kan ze geen wetten maken, want ze moet verschil zien tussen goed en kwaad. We zien dan ook duidelijk, dat de Nederlandse overheid in de negentiende eeuw handelt vanuit een bepaald geloof. Ze laat zich inspireren door het verlichte christendom. Dat staatsgeloof werd gezien als constituerend voor de samenleving, en daarom zou het eigenlijk verplicht moeten zijn voor iedereen. Zonder dat geloof kon niemand een goed staatsburger worden. In de geschiedenis van de gereformeerde gezindte is dat duidelijk te bespeuren.
Een eerste voorbeeld is de afscheiding van 1834. Enkele predikanten en vele gemeenteleden verlieten de hervormde kerk, omdat zij meenden dat die de gereformeerde belijdenis niet langer handhaafde. Volgens de grondwet bestond er vrijheid van godsdienst, en je zou dus verwachten dat het recht op afscheiding door de overheid zou worden erkend. Maar ze heeft zich daar lange tijd tegen verzet, en geprobeerd met dwangmaatregelen de afgescheidenen terug te brengen onder het dak van de hervormde kerk. gevangenisstraffen, inkwartiering van soldaten, geldboetes, verstoring van kerkdiensten. Het is haast ongelooflijk, dat in een beschaafd Europees land in de negentiende eeuw zulke dingen gebeurd zijn, en het zegt ook iets over de aard van de regententolerantie. Ze vertoont zich hier als puur opportunistisch. Anders dan vroeger de roomskatholieken werden de afgescheidenen niet gedoogd. Rooms-katholieken waren talrijk en dus gevaarlijk, dan moest je wel gedogen. Afgescheidenen waren een kleine minderheid en ongevaarlijk. Dus probeerde je hen te onderdrukken. En pas toen het kwaad toch onuitroeibaar bleek, heeft de overheid noodgedwongen toegegeven.
Het tweede voorbeeld is het onderwijs. Toen Nederland in 1806 zijn eerste schoolwet kreeg, heerste de geest van het verlichte christendom, en die kreeg ook uitdrukking in de doelstellingen van het onderwijs. De school werd gestempeld door de godsdienst van de tijd, een christendom boven geloofsverdeeldheid, dat een afkeer had van al wat zweemde naar leerstellig onderwijs. Wie meende dat opvoeding in christelijke geest ook kennis moest bijbrengen van de hoofdwaarheden van het christelijk geloof, en dat het zogenaamde leerstellig onderwijs tot kern en wezen van de opvoeding behoorde, kwam aan de openbare school tekort. Hij kon dan streven naar de oprichting van een bijzondere, positief christelijke school. Maar ten eerste bood de overheid daartoe slechts beperkte gelegenheid, en ten tweede gaf men dan de openbare school zonder meer gewonnen. Waarom zou de staat wel de school van het ongeloof, en niet die van het evangelie ter beschikking van de ouders mogen stellen?
Het is een redenering waarvoor negentiendeeeuwse liberalen niet gevoelig voor waren. Zij zagen openbaar en bijzonder onderwijs niet als gelijkwaardig. Openbaar onderwijs volgde het staatsgeloof, dat immers constituerend was voor de samenleving. Christelijk onderwijs was destructief, naar de woorden van de conservatief De Bosch Kemper kweekte het 'antinationale en antisociale gevoelens', door 'het gif van onkunde en bijgeloof te strooien'. We kunnen die uitspraak actualiseren door een paar woorden en begrippen door hedendaagse te vervangen. Je kunt bij voorbeeld zeggen, dat streng orthodoxe scholen de integratie tegenwerken door het gif van het fundamentalisme te strooien, en dan heb je bijna letterlijk een uitspraak van een vroegere minister van integratie, de heer Van Boxtel. De Bosch Kemper kende het woord fundamentalisme nog niet. In zijn taal heette dat dweepzucht, maar hij bedoelde er wel orthodox protestantisme mee
Die discriminatie van christelijk onderwijs heeft een langdurige politieke strijd in het leven geroepen, de zogenaamde schoolstrijd. Ze heeft er veel toe bijgedragen dat de orthodoxe protestanten zich van hun identiteit bewust werden, en leerden voor hun rechten op te komen. En omdat ze er op den duur ook in slaagden deel te krijgen aan de politieke macht, is het hun gelukt de schoolstri|d te winnen. Dan zijn we aangekomen aan het begin van de twintigste eeuw, dat wil zeggen in de periode die we gewoonlijk karakteriseren met de term verzuiling. De samenleving was in groepen verdeeld: rooms-katholieken, protestanten, socialisten, liberalen Ze hadden allemaal hun eigen politieke partijen, hun eigen verenigingen, hun eigen domein. En ieder kon zich op eigen grond naar eigen regels gedragen.
Verzuiling
Het tijdvak van de verzuiling wordt wel eens de tijd genoemd van de pacificatie-democratie. Er heerste vrede tussen de partijen, en ieder respecteerde de ruimte die de ander voor zich had verworven. Je zou kunnen zeggen dat de verzuiling een hoogtepunt was in de geschiedenis van de tolerantie. Hier was geen sprake meer van gedogen, iedereen had dezelfde rechten. Een eigenlijk gezegd staatsgeloof bestond nauwelijks Voorzover het er was, zou je het algemeen christelijk kunnen noemen, omdat de christelijke partijen een tijd lang in de Tweede Kamer over een meerderheid beschikten Zo kregen we bij voorbeeld een wet tegen smalende godslastering, en keuringsvoorschriften voor de films die in bioscopen vertoond werden. Maar het kon ook heel goed gebeuren dat de wetgeving juist de pacificatie van de verzuiling tot uitdrukking bracht, zoals het geval geweest is met de radio: de beschikbare zendtijd werd netjes verdeeld tussen de KRO, de NCRV, de VARA en de AVRO Elke zuil had zijn eigen zender en sprak zijn eigen taal.
Toch is het de vraag, of de term pacificatie wel helemaal van toepassing is. Misschien zou je dan toch eerder moeten spreken van een gewapende vrede, die enkel bestond bij de gratie van het evenwicht In onze tijd is dat oude evenwicht verbroken. De christelijke groeperingen zijn in de minderheid geraakt, en nu kunnen we zien, dat ons openbare leven meer op de negentiende eeuw gaat lijken dan op de verzuilingsdemocratie van de twintigste eeuw Je ziet dat in twee dingen- in de eerste plaats is dat de terugkeer van een staatsgeloof, in de tweede plaats blijkt het in de beperkingen die dientengevolge in de tolerantie worden toegepast.
Het moderne staatsgeloof heeft een formele en een materiële zijde. Naar de formele kant is het een geloof in de democratie. Democratie steunt op drie peilers, waarvan er twee tot die formele sfeer behoren. De eerste is discussie en overleg Je wilt elk vraagstuk van alle kanten bekijken, en neemt geen besluiten zonder ze goed te hebben overwogen en op hun uitvoerbaarheid getoetst. Je moet zoals het graag gezegd wordt, zorgvuldig handelen. Wie het politieke nieuws onder de kabinetten Kok met enige aandacht gevolgd heeft, herkent dat woord zorgvuldig. Het werd steeds weer gebruikt door vertegenwoordigers van de paarse partijen, om aan te geven dat hun wetten van uitstekende kwaliteit waren Ze voldeden aan de formele criteria voor een democratische besluitvorming. Als dan vervolgens de discussie tot een einde gekomen is breekt de tweede fase aan. Je gaat over tot stemming, en wat de meerderheid beslist heeft voortaan kracht van wet. Het is een grondregel van de democratie, dat de minderheid zich bij die beslissing neerlegt. Wat de meeste stemmen goed vinden moeten we allemaal accepteren.
Paars
In de paarse omschrijving van het begrip democratie is het verhaal dan uit. Maar dat kan natuurlijk niet waar zijn. Er is behalve de formele toch ook nog de materiële zijde. Democratie moet inhoud hebben. Ze moet meer zijn dan een verzameling van formele regels Ook de grootst mogelijke meerderheid heeft niet het recht alles te besluiten wat ze maar wil. Ik zeg het zelf bij voorkeur zo, dat de democratie onderworpen is aan een regel die zij zelf niet kan voortbrengen. Voor mij ligt die regel in de wet Gods. Geen enkel parlement mag zich bij meerderheid van stemmen bevoegd verklaren de wet Gods te schenden. Zo'n besluit kan in formele zin juist zijn, materieel moet het worden verworpen. En in de grond van de zaak erkent ook elke democraat het bestaan van een hogere regel, die boven de meerderheidswil uitgaat. Als ooit ons parlement besluiten zou, rassendiscriminatie bij de wet in te voeren, dan zou een fatsoenlijk mens niet naar die wet mogen handelen. Dat zullen ook de paarse partijen beamen Ze zullen waarschijnlijk wel zeggen dat die onderstelling buiten de werkelijkheid ligt, omdat een Nederlands parlement zulke besluiten nooit zou nemen. Ze hebben vertrouwen in het gezonde oordeel van de beschaafde Nederlander. Dat kunnen ze doen omdat ze een optimistisch mensbeeld huldigen. De mens is in wezen goed. Als hij over de dingen nadenkt en ze met anderen samen overlegt, zal hij ook zorgvuldige en dus goede besluiten nemen.
Naar de materiële zijde is de paarse grondslag van de democratie het geloof in de goede mens. Je kunt je dan gerust aan de meerderheid toevertrouwen, zij zal het weten. En dat moet je dan maar doen ook, want dat is democratie. Daarom kan het paarse verhaal uit zijn als de meerderheid eenmaal heeft gesproken. Dan weten we niet alleen wat besloten is, we weten ook wat goed is. Een interessant actueel voorbeeld is het homohuwelijk. Mag een ambtenaar van de burgerlijke stand weigeren zo'n huwelijk te bevestigen? Er blijken heel veel gemeenten te zijn, die zeggen: neen, dat mag niet, want we moeten ons aan de wet houden. Die zegt dat het homohuwelijk goed is, dus mag je ook geen gewetensbezwaren meer hebben, ledere discussie over ethische vragen is verder overbodig. De wil van de meerderheid heeft bepaald wat goed is in morele zin.
Dat zou je dan het moderne staatsgeloof kunnen noemen. Meerderheidswil is niet alleen wet, maar is ook zedelijke norm Ik word door al deze dingen wel eens herinnerd aan dat beroemde geschrift van Jean- Jacques Rousseau, Du Contrat Social. In Rousseau's ideaalstaat ligt de hoogste norm in de volonté générale, de algemene wil. Heeft die eenmaal gesproken, dan kan ik mij met een gerust geweten aan haar beslissing onderwerpen. Zij weet wat het beste is voor ons allemaal, ook als ik dat misschien vroeger anders had beoordeeld. En het opmerkelijke is, dot in die ideale democratie van Rousseau de scheiding van kerk en staat onbekend is. Er is een staatsgeloof, een religion civique, dat je moet belijden om toegang te hebben tot de volksvergadering.
Volkomen is de overeenstemming met Rousseau echter niet. Bij Rousseau is de volonté générale niet gelijk aan de wil van de meerderheid. Integendeel, de meerderheid kan zich best vergissen. De volonté générale wordt alleen gevonden als de stemhebbende leden van de volksvergadering zich metterdaad houden aan de beloften die zij hebben afgelegd toen zij het staatsgeloof aanvaardden. Rousseau erkent dus het bestaan van een hogere norm. Ons moderne, paarse staatsgeloof doet dat niet meer. De wil van de meerderheid is zonder meer doorslaggevend. Zij stelt de norm.
Dat betekent ook dat die norm kan veranderen Een goed voorbeeld is ook hier weer het homohuwelijk. Toen de heer Cohen nog staatssecretaris van justitie was heeft hij daar eens een interessante uitspraak over gedaan. Vroeger, zei hi|, was het kabinet principieel tegen het homohuwelijk. Maar nu zi|n we principieel voor. Waar komt zo'n radicale verandering nu plotseling vandaan? Cohen heeft het als volgt uitgelegd. De emancipatie van de homoseksuelen was steeds verder voortgeschreden. Mensen waren er aan gewend geraakt, en de Tweede Kamer had zich in een motie met ruime meerderheid uitgesproken vóór het homohuwelijk. Er was dus onmiskenbaar sprake van een 'maatschappelijke ontwikkeling'. Het kabmet had die 'belangrijke signalen' niet willen veronachtzamen, aldus de heer Cohen.
Principieel?
Het opmerkelijke in deze hele redenering is dat Cohen hier spreekt van een principiële beslissing. Een principe is naar zijn aard onveranderli|k. Het is een vaste grondslag. Precies daarom waren de christelijke partijen tegen het homohuwelijk, want dat ging in tegen hun beginsel. De invoering van het homohuwelijk is veel meer dan een administratieve aanvulling op een bestaande wet. Tot België ons voorbeeld had gevolgd was er geen land ter wereld waar mannen met mannen en vrouwen met vrouwen konden trouwen Daar is dus inderdaad sprake van een zeer principiële beslissing. Een kabinet dat eerst tegen is en dan vóór heeft een draai van honderdtachtig graden gemaakt. Hadden we dan zonder verkiezingen of nieuwe formatie zomaar ineens een heel ander kabinet gekregen? Neen, dat hadden we niet. Het kabinet was trouw gebleven aan zijn beginsel. Het voerde uit wat de meerderheid verlangde.
Daarmee heeft de democratie dus de binding aan een hogere norm prijsgegeven. Er bestaat geen zedelijke regel die de democratie bindt en beperkt. Wie dat wel beweert denkt niet democratisch. De socialistische voorman Klaas de Vries heeft eens gezegd, dat hij de gereformeerde levens- en wereldbeschouwing gevaarlijk vindt. Nederland is namelijk een pluralistische samenleving, zei de heer De Vries, en dan is het gevaarlijk, te beweren: 'onze kerk en onze levensbeschouwing hebben een relatie met de objectieve waarheid'. In een pluralistische samenleving is dat inderdaad een bedenkelijke opvatting Pluralisme betekent namelijk twee dingen In een pluralistische maatschappij bestaan ten eerste zeer verschillende levensbeschouwingen naast elkaar. Ten tweede zegt de pluralist, dat we die grote verscheidenheid moeten aanvaarden. We moeten met proberen elkaar te overtuigen, maar al die opvattingen hetzelfde respect toedragen Een christen die onderscheid maakt tussen waar en vals schendt de grondregel van het pluralisme, want hij stelt zijn geloof boven dat van anderen
Het curieuze is, dat die christelijke pretentie don dikwijls wordt afgewezen met een beroep op de scheiding van kerk en staat. De redenering is dan deze, dat ieder die er een religie op na houdt, in de huiselijke kring en binnen de muren van het kerkgebouw zo gelovig mag zijn als hij wil, maar in zijn publiek functioneren moet hij zich gedragen alsof er geen bijbel bestond
Ongeveer dus zo, als de gewetensvrijheid van de zeventiende eeuw, die geen vrijheid van eredienst insloot Daarvoor heeft paars ook een theoretische rechtvaardiging. Dat is namelijk wat het scheiding van kerk en staat noemt. Laat mij ter illustratie een vertegenwoordiger citeren van een paarse satellietpartij, de heer Van Bommel van de SP. Bij ons, zei hij, zal men in een kamerdebat niet zo gauw naar de godsdienst verwijzen. 'Het geloof is een persoonlijke aangelegenheid en de scheiding tussen kerk en staat is bij ons loepzuiver. Alleen de christelijke partijen verwijzen openlijk naar hun geloof, wat door de andere meestal met een knipoog wordt bekeken'. Misschien zijn er kamerleden in de zaal, die meer over die knipoogjes kunnen vertellen. Mij is niet duidelijk, of de spreker nu zeggen wil zulke verwijzingen worden natuurlijk niet ernstig genomen, of dat zijn bezwaar verder gaat, en hij zo'n argumentatie eigenlijk in strijd acht met het beginsel van de scheiding van kerk en staat.
Scheiding kerk en staat
Waarschijnlijk zullen we het laatste moeten kiezen. Dan ga ik af op het oordeel van een man die voor het paarse denken een hogere graad van representativiteit bezit don de heer Van Bommel, namelijk de voormalige minister van integratie, de heer Van Boxtel. Die heeft natuurlijk een reactie gegeven op de veel geciteerde uitspraken van de imams over de plaats van de moslim in de samenleving. De minister plaatste die uitspraken binnen het kader van de scheiding van kerk en staat. In het krantenbericht dat ik er over las gebeurde dat als volgt. 'Volgens Van Boxtel is de scheiding van kerk en staat een groot goed, die ook de imams dienen te respecteren De bewindsman erkent dat er ook vrijheid van godsdienst is, maar islamitische geestelijken, die vaak een belangrijke maatschappelijke functie vervullen, moeten van de Nederlandse cultuur op dit punt doordrongen zijn. "Imams moeten weten hoe de Nederlandse maatschappij in elkaar steekt, anders kunnen ze hun maatschappelijke rol niet goed vervullen". Het opmerkeli|ke in dit betoog is dat vrijheid van godsdienst en scheiding van kerk en staat hier tegenover elkaar gesteld worden, alsof die scheiding de grenzen van de vrijheid aangeeft. V/at zich afspeelt in de publieke sfeer, is aan het oordeel van de godsdienst onttrokken. Het moet beoordeeld worden naar de maatstaven die geldig zijn in die publieke sfeer.
Daaruit spreekt dunkt mij een totaal verkeerde visie op de scheiding van kerk en staat. Ze wordt begrepen als scheiding van geloof en staat. De kerk heeft geen formeel gezag over de staat, en daarom, zo zegt men, mag noch de staatsburger noch ook het kamerlid dat andere staatsburgers vertegenwoordigt zich buiten de kerk beroepen op zijn geloof. Maar dat betekent, dat hij zich aan een ander geloof dient te onderwerpen, terwijl de scheiding van kerk en staat dat nu juist wilde voorkomen. Ik ga er van uit', zei de WD-er Rijpstra over diezelfde imams, 'dat iemand die hier komt wonen de wetten en regels accepteert die wij met elkaar hebben afgesproken'. Eventueel, meende de PvdA-er Rehwinkel, konden zulke imams het land uitgezet worden. Tenzij ze natuurlijk bereid zijn zich leerzaam te stellen. De tegenwoordige leider van D 66, de heer Dittrich, heeft er al eens voor gepleit de uitleg van bijbel en koran aan te passen bij 'de kennis en ervaring van deze tijd'.
Want bij cl dot praten over de koran moeten we vooral de bijbel niet vergeten. Ook dat boek is met het moderne stootsgeloof in strijd. In naam van de scheiding van kerk en staat moet dus de bijbel van zijn gezag worden ontdaan. Meer don anderhalve eeuw geleden vroeg Willem de Clercq zich af of de staat niet het slachtoffer zou worden van de scheiding met de kerk. 'Moet die arme staat dan maar als heiden opgroeien?' Die vraag wordt nu door de meeste politieke partijen bevestigend beantwoord, en ze maken zich er geen zorgen meer over. De Clercqs vriend Groen van Prinsterer heeft in 1849 een opmerkelijk boek geschreven, dat 'Grondwetherziening en eensgezindheid' heet. Daar spreekt hij zijn verwachtingen uit over de toekomst, bij voortgaande scheiding van kerk en staat. Die scheiding, zo zegt hij daar (387), is in werkelijkheid een vereniging 'Ze is vereeniging met onverschilligheid en ongeloof, ze leidt tot onverdraagzaamheid en vervolging van al wat zich naar de prakticale eischen van het ongeloof niet voegt'. Die voorspelling lijkt nu meer dan ooit gerechtvaardigd. Als het stootsgeloof zich volledig losmaakt van de boodschap die de christelijke kerk de mensen voorhoudt, zal dat onvermijdelijk de kerk als haar vijandin gaan zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 19 juli 2003
Ecclesia | 16 Pagina's