Dr. H.F. Kohlbrugge eindelijk tóch op een Hervormde kansel
We schrijven het jaar 1856 – doctor Hermann Friedrich Kohlbrugge is nu sinds 1847 predikant van de Niederländisch-Reformierte Gemeinde te Elberfeld.
Even terzijde: om de kerkgeschiedenis van de 19e eeuw in het algemeen en de gebeurtenissen in Elberfeld in het bijzonder goed te begrijpen, moeten we bedenken dat de kerkelijke verdeeldheid zoals wij deze kennen, nog onbekend was. Een boekje onder de titel Tien keer Gereformeerd kon toen nog niet geschreven worden. De christenen hadden toen méér oog voor wat wel en niet Kerk is dan hun nazaten in de 20e en 21e eeuw.
Daarbij komt dat iedereen in het midden van de 19e eeuw nog tot enig kerkverband behoorde. Al ging men niet naar de kerk, men hoorde wel “ergens” bij. Dat maakte dat er bij de hele bevolking van een dorp of stad betrokkenheid was bij dingen die zich op kerkelijk terrein afspeelden. Het was nog de tijd van de volkskerk.
In de derde plaats was er veel meer bemoeienis van de overheid met de kerk dan in later tijd. Vooral de koningen van Pruisen, sinds 1870 tevens keizer van Duitsland, grepen meermalen direct in het kerkelijk leven in. Keren wij na deze opmerkingen terug naar Elberfeld.
De “Agende” opgelegd
De gemeente waarvan Kohlbrugge de predikant was, was ontstaan uit de oorspronkelijke Hervormde Gemeente. Elberfeld, gelegen in de provincie Rijnland, behoorde tot Pruisen, een staat die sinds 1945 niet meer bestaat. De koning van Pruisen, Frederik Willem III, had voor zijn rijk een samengaan van de Lutherse en Hervormde Kerken bevolen. Een vroeg samen-op-weg, dat per 31 oktober 1817, bij het derde eeuwfeest van de Kerkhervorming, gestalte moest krijgen. Eén en dezelfde liturgie, meer Luthers dan Gereformeerd, (de “Agende”) werd nu aan alle gemeenten, dus ook aan de gemeenten van de Reformierte Kirche, opgelegd. De invoering daarvan begon in 1817 in Potsdam en werd daarna in de loop van de tijd aan alle gemeenten voorgeschreven.
Op veel plaatsen was daartegen verzet. Voor vele Lutheranen bood deze “Agende” te weinig, voor vele Hervormden te veel.
In Breslau – in Silezië, dat ook tot Pruisen behoorde en sinds 1945 Pools gebied is – kwam het tot een scheuring. Daar ontstond in 1832 onder leiding van de hoogleraar en predikant Johann Gottfried Scheibel een vrije, geheel Lutherse kerk. Leden van deze van de staat vrije gemeente, ondervonden hetzelfde wat enkele jaren daarna onze Afgescheiden broeders en zusters in Nederland moesten lijden onder koning Willem I en diens “verlichte en verdraagzame” regering en het “tolerant” bestuur van de Hervormde Kerk.
Ook voor vele Hervormden was de dwang vanuit Berlijn onverdraaglijk. Zij proefden in de “Agende” iets van de Roomse Kerk en zij waren wars daarvan. Zij vreesden dat zij en hun kinderen daardoor geleidelijk zouden vervreemden van de klassieke gereformeerde belijdenis. Helder doorzag Daniël von der Heydt, ouderling van de Hervormde gemeente van Elberfeld, dat de belijdenis in de verenigde kerk puur een privé-zaak zou worden en de verenigde kerk in feite zonder belijdenis zou zijn. Protesten richtten niets uit. De maatregelen bewerkten dat vanaf 1835 vele Hervormden niet meer ter kerke gingen. Zij vierden niet meer het Heilig Avondmaal. Hun kinderen bleven ongedoopt. Huwelijken werden niet meer ingezegend.
De oude gemeente vernieuwd
Deze situatie duurde twaalf jaren, totdat op 18 april 1847 zich een nieuwe gemeente constitueerde, die zich beschouwde als de regelrechte voortzetting van de oorspronkelijke Hervormde gemeente van vóór de rampzalige Union met haar verfoeilijke “Agende”: de Niederländisch Reformirte Gemeine (!). Het was deze gemeente die de Nederlandse dr. Kohlbrugge als haar predikant begeerde.
Toen na twaalf vergeefse pogingen nergens een geordende predikant te vinden was die hem als predikant van de inmiddels door de koning erkende gemeente in het ambt durfde te bevestigen, hebben de broeders die reeds de oorspronkelijke gemeente als ouderling hadden gediend, hem op 9 mei 1847 de handen opgelegd. Daarna heeft hij een aantal broeders in het ambt van ouderling en diaken bevestigd en waren de drie ambten in de jonge gemeente tegenwoordig.
Een aanvechtbaar, onkerkordelijk gebeuren? Ja, maar nog meer een aanklacht tegen een kerkbestuur dat niet samenbindend, maar ontbindend bezig was geweest en niet verstond dat het geroepen is gestalte te geven aan het moederlijke van de Kerk en het herderlijk karakter van haar Heer. En – zo zei men wel daar in Elberfeld – wie heeft ooit Johannes Calvijn in het ambt van predikant bevestigd?
Een jaar van blijde verrassingen
1856. De gemeente bestaat nu negen jaar. De aanvankelijke groei is tot staan gekomen. Men kan spreken van consolidatie. 1856 is een jaar geworden van zowel verrassende en blijde gebeurtenissen in de gemeente van Elberfeld alsook van een grote crisis. In het leven van haar predikant en zijn gezin was het eveneens een jaar van grote tegenstellingen: onverwachte vreugde en diepe beproeving en leed.
Verrassend was dat het er even naar uitzag dat de betreurenswaardige breuk tussen de Evangelisch Reformierte Gemeinde en de Niederländisch Reformierte Gemeinde zou worden geheeld. Vanuit Berlijn kwam een op 4 augustus gedateerde koninklijke kabinetsorder, waarin Frederik Willem IV uitsprak:
“Het is Mijn vurige wens de scheuring van de gemeente van Elberfeld weer verzoend te zien. Ik koester de overtuiging, dat zulk een verzoening, wanneer zij in ware liefde gezocht wordt, niet moeilijk zou zijn. De Nederlands Gereformeerde Gemeente is, zoals ik met vreugde heb vernomen, in haar afgezonderd bestaan een rijke zegen aan evangelische opbouw ...”
De kerkenraad liep niet warm voor dit voorstel van de koning, maar wees het niet af. Mede door ziekte van de koning is de zaak van de hereniging echter gestagneerd.
De tweede verrassing is de uitnodiging, die de kerkenraad van de “oude” gemeente enkele maanden later aan de kerkenraad van de “nieuwe” gemeente zond. Hij schreef:
“Geliefde broeders in de Heer, Zoals u bekend is, hebben wij door Gods goedheid een vijfde predikantsplaats bij onze gemeente gesticht en daarvoor ds. Karl Krafft te Dusseldorf beroepen. Wij hopen deze op de 29e oktober te verwelkomen en de zondag daarop, dus de 2e november in zijn ambt alhier in te leiden, wanneer hij ook zijn intrede bij ons hoopt te doen. Het is ons een ware behoefte van het hart u niet alleen van dit voornemen in kennis te stellen, maar hierbij ook uw predikant en één van uw ouderlingen broederlijk uit te nodigen tot het deelnemen aan deze feestelijkheden van onze gemeente en aan de maaltijd op de dag van de verwelkoming. Wij zijn niet stilzwijgend voorbijgegaan aan het feit dat niet weinigen van de uwen omwille van hun geweten van ons zijn uitgegaan en dat er in de loop van de tijd helaas veel bijten en vereten van elkaar geweest is. Maar de gehele wet wordt in één woord vervuld: “Hebt uw naaste lief als u zelf”. In deze liefde begeren wij u bij ons te hebben, opdat u zich met ons moogt verheugen dat voor de dienst aan het Woord in onze stad een nieuwe kracht beschikbaar is. Niet dat wij met deze uitnodiging aan u een breuk willen helen – de opheffing en genezing van deze breuk is alleen aan de Heere onze God -, maar het zou ons heel lief zijn, wanneer ook u hieruit zoudt willen opmaken, hoezeer niet alleen de hartelijke wens, maar ook de innerlijke bereidheid bij ons leeft, u, die wij erkennen op dezelfde belijdenis der vaderen en op dezelfde grondslag van het geloof en de hoop [te staan], weer mét ons – moge de Heere dat zo leiden – in een kerkelijke gemeenschap verbonden te zien. De vrede van de Heer Jezus zij met u!”
Toen ik deze vriendelijke uitnodiging las, werd ik heel nieuwsgierig hoe deze werd beantwoord. De reactie werd uit naam van de kerkenraad vertolkt door dr. Kohlbrugge met woorden van hartelijke dank. Hij schreef onder meer:
“Wij stellen met voldoening vast in deze uitnodiging en in de wijze waarop u haar hebt gedaan, een teken [te zien] van de geest der liefde en welwillendheid waarmede u onze gemeente en haar ontstaan beziet, en waarin wij van onze kant ons steeds tegenover u verbonden hebben gevoeld. Uw uitnodiging nemen wij daarom in dezelfde geest en met dezelfde vreugde aan, zoals zij aan ons is gedaan.”
In een brief (gedateerd 20 oktober 1856) aan zijn leerling en jongere vriend, de hoogleraar Johannes Wichelhaus in Halle, vertelt Kohlbrugge, overigens zonder commentaar maar met ingehouden verwondering over deze uitnodiging.
Een jaar van droefheid
Een heel droef gebeuren vond kort daarna plaats. Het bracht de gemeente in een grote crisis.
Zeer bevriend met de familie Kohlbrugge waren de beide, zeer aanzienlijke en rijke Elberfeldse families Von der Heydt. De gebroeders Carl en Daniel waren bankiers en zakenlieden. Ook met hun broer August was Kohlbrugge goed bekend. Deze diende Pruisen vele jaren als minister en werd geadeld met de titel van “Freiherr”. Toen het gezin Kohlbrugge nog in Utrecht woonde was de vriendschap met Carl en diens gezin al begonnen. Carl was zeer goed theologisch geschoold. Hij heeft een vertaling van het Nieuwe Testament verzorgd en een uitvoerige toelichting op de brieven van de apostel Paulus en de brief aan de Hebreeën geschreven. Ook was hij Kohlbrugge behulpzaam bij diens verklaring van Romeinen 7, dat in 1839 verscheen. We kunnen gevoeglijk zeggen dat de verstandhouding en vriendschap van Kohlbrugge met Carl von der Heydt en diens broer Daniel allerhartelijkst was en in 1856 al bijna 20 jaar bestond.
Nu had Carl een zoon Fritz, die de gemeente als diaken diende. Fritz verloofde zich met Marie Th.W. baronesse von Hurter. Zij behoorde niet tot de gemeente. Samen bezochten zij wel eens een concert. Kohlbrugge vond dat er op hun gedrag wel iets viel aan te merken, ja zo veel, dat hij weigerde hen te trouwen. Hij eiste zelfs dat Fritz zijn diakenambt neerlegde en onder censuur werd gesteld.
Na anderhalve eeuw is het moeilijk na te gaan wat er nu heel precies aan de hand was. Ging Kohlbrugge in zijn opstelling te ver? Wat was er waar van de tongen die beweerden dat de dominee zo graag had gezien dat Fritz von der Heydt met zijn dochter Anna trouwde? Het conflict is hoog opgelopen. Er ontstond een crisis. Kohlbrugge legde zijn ambt neer, wanneer de kerkenraad niet bereid was tuchtmaatregelen te nemen. Onder die dreiging ging de kerkenraad overstag en het gevolg was dat ouderling Carl von der Heydt met zijn gezin, een van zijn zusters die getrouwd was met kerkmeester Louis Frowein met haar gezin en nog een aantal families zich van de gemeente losmaakten. Zo kwam het tot een droevige breuk tussen twee zo zeer bevriende families en tot een scheur in de gemeente. Op de achtergrond speelde zonder twijfel nog iets heel anders mee. Al enkele jaren ging het niet goed tussen de broers Carl en Daniel von der Heydt op zakelijk terrein. Samen met hun broer August voerden zij de directie van het bankiershuis Von der Heydt- Kersten. De bank van Kersten bestond al sinds 1754 en door zijn huwelijk met Wilhelmine Kersten was de vader van de drie broers daarbij betrokken geraakt. Het tragisch conflict tussen Carl en Daniel is in 1856 tot een climax gekomen en heeft tot vervreemding tussen hen beiden geleid. Het kan niet anders of dr. Kohlbrugge, die met beide families zeer bevriend was heeft hier onder geleden en het interne conflict is mede bepalend geweest voor de houding die hij innam tegenover Fritz von der Heydt en diens huwelijk. Daniel von der Heydt bleef in de gemeente, toen zijn broer en zuster overgingen naar de “moeder-gemeente”. Of er in het geheel geen contact meer is geweest tussen Kohlbrugge en Carl von der Heydt, die in 1881 is gestorven, heb ik niet kunnen nagaan.
Dominee Kohlbrugge en Nederland
1856 – dr. Kohlbrugge was nu gedurende negen jaren predikant. Bracht nu de ambtelijke status die hij had gekregen verandering in de blik waarmee men in Nederland naar hem keek?
Hij was immers als proponent uitgeworpen uit de Hersteld Evangelisch-Lutherse Gemeente van Amsterdam en geweerd als lid van de Hervormde Gemeente van Utrecht, waar hij met zijn jonge vrouw (Catharina Louisa Engelbert) in 1829 was komen wonen en waar hun beide zoons geboren werden. Hijzelf heeft de kronkelpaden van de Hervormde en Hersteld Lutherse kerkbesturen beschreven in zijn boekje Het lidmaatschap bij de Hervormde Gemeente hier te lande mij willekeurig belet. De zaak zat muurvast op de pertinente weigering van de Hersteld-Lutherse kerkenraad van Amsterdam om een bewijs van goed zedelijk gedrag af te geven en op de even pertinente eis van de Utrechtse Hervormde kerkenraad dat dit bewijs noodzakelijk was om als lidmaat ingeschreven te kunnen worden. Men walgt van de laffe “vroomheid” die spreekt uit het slot van één van de weigeringsschrijvens van de Utrechtse kerkenraad:
“Wij hebben het onzen pligt geacht Uw-Eerw. hiervan kennis te geven, bidden Uw-Eerw. en uwe Echtgenoot Gods dierbaarste zegeningen toe, en onderteekenen ons, enz.” .
De president van het Noord-Hollands kerkbestuur, ds. J. van Slogteren, had hem “het uitvaagsel van de Lutherse Kerk genoemd” en de bekende woorden gesproken: “Mijnheer! wij moeten rust hebben in onze Kerk, rust moeten wij hebben!!”
Denkt u zich in die tijd eens even de situatie in: een jonge man, die theologie had gestudeerd, die met lof aan de Universiteit van Utrecht was gepromoveerd tot doctor, die een vurige liefde tot God en Christus’ Kerk had, die zich er volstrekt van bewust was dat de HERE hem tot het ambt had geroepen, een man met grote gaven van hoofd en hart, die vele vrienden had onder de eenvoudigen én de voornaamsten van ons land, werd buiten de kerk gehouden. Bij de doop van hun oudste kind mochten de ouders de doopvragen niet beantwoorden. Dat deed een doopgetuige in hun plaats. De andere kinderen bleven ongedoopt. Deze man, die geheel een man van de kerk was, werd niet als lid van de kerk aanvaard. “Een man van de kerk” – dat niet in de geest van de 20e en deze eeuw, waar men met groot gemak vrije gemeenten sticht, die men “kerk” noemt, maar een man voor wie alleen de historische kerk, de kerk van de voorouders met haar reformatorische belijdenis op de naam “kerk” aanspraak kon maken. Zo zeer was hij gekant tegen de geest van separatie, dat hij de Afscheiding onder leiding van ds. H. de Cock en ds. H.P. Scholte als mensenwerk afwees.
De vraag was dus, of men hier te lande met andere ogen naar de predikant van Elberfeld keek, dan toen hij ambteloos in Utrecht woonde. Met andere woorden: hoe stevig was de deur naar een Hervormde kansel en een eventueel lidmaatschap van de Hervormde Kerk van Nederland nog op slot?
Kentering in de jaren veertig?
Nu was het zo, dat het er midden in de jaren veertig, kort voor de familie Kohlbrugge naar Duitsland vertrok, op leek dat er een kentering in de verhoudingen kwam. Kohlbrugges naam werd nadrukkelijk genoemd voor een hoogleraarschap in de Oosterse talen aan de Leidse Universiteit. Het ging echter niet door. Twee curatoren verklaarden zich tegen.
Nog eenmaal heeft Kohlbrugge zelf in die periode een nieuwe en laatste poging ondernomen om tot de Hervormde Kerk toegang te verkrijgen. Hij ontving daarbij de volledige steun van de minister voor Eeredienst, mr. Hugo baron van Zuylen van Nijevelt, die een goede relatie onderhield met mr. G. Groen van Prinsterer. De minister richtte zich tot het Provinciaal Kerkbestuur van Noord- Holland en de weg kwam vrij voor een door Kohlbrugge in te dienen verzoek. Maar de zaak liep vast, omdat het kerkbestuur zich beriep op een besluit van de Algemene Synode uit het jaar 1830. Dit besluit was in algemene bewoordingen gesteld, maar was speciaal genomen om Kohlbrugge buiten de Hervormde kerk te houden. Men was bang voor hem. Mevrouw U.Ph. Kohlbrugge- baronesse van Verschuer, de tweede echtgenote van Kohlbrugge, ging de president van de Utrechtse kerkenraad opzoeken. Zij kreeg te horen “dat de Minister mocht willen wat hij wilde, dat zíj niet wilden”. Zelfs de minister wist dus geen doorbraak te bewerkstelligen. De kerkdeuren in Nederland bleven voor Kohlbrugge dicht en ook de deur van een Universiteit ging niet open. Toen is hij met zijn gezin naar Duitsland vertrokken.
Omslag in de jaren vijftig?
Maar nu, nú stond de zaak er toch wel anders voor? Kohlbrugge was predikant geworden. Hij diende sinds 1847 een erkende Hervormde gemeente in Duitsland. De deur van een Hervormde kansel in Nederland zou voor hem nu toch niet meer op slot zijn?
Zijn vrienden in ons land waren van mening dat de kerkelijke besturen hun opstelling tegenover dr. Kohlbrugge, nu hij predikant was geworden, wel zouden herzien. Er zouden wellicht predikanten zijn die hun Elberfeldse collega eens voor een preekbeurt wilden uitnodigen. Er was misschien wel een Nederlandse gemeente die hem zou willen beroepen. Hij had inmiddels veel gepubliceerd en men wist hoe hij het Evangelie vertolkte.
Zijn trouwe Amsterdamse vriend H.J.A. Boissevain benaderde in 1848 ds. Bernard ter Haar, een jeugdvriend van Kohlbrugge en predikant in Amsterdam. Zou deze niet eens een middagbeurt aan dr. Kohlbrugge af willen staan? Maar nee, dit verzoek inwilligen
“[zou] wegens het vroeger voorgevallene eenigermate beleedigend voor het Hersteld Luthersch Kerkgenootschap [] kunnen schijnen.”
De Amsterdamse kansel bleef dus gesloten.
Drie jaar later – dus in het jaar 1851 – ging mevrouw P. Boissevain-Drost nog een stap verder. Zij schreef aan ds. J. Muntendam die in Amsterdam als een rechtzinnig, trouwe leraar gold:
“Zooals UwelEw. bekend is vangt over veertien dagen het werk der beroeping van eenen Herder en Leeraar in de plaats van Ds. Begeman aan. Zouden wij uw stem en medewerking voor Dr. Kohlbrugge mogen inroepen. Het is met het oog op den Heere, op uwe liefde voor de Kerk en uwe erkenning van gedaan onrecht dat wij met vervrijmoedigd gevoelen deze vraag aan U WelEw. doen.”
Maar daar kwam al helemaal niets van. De Amsterdamse kerkenraad werd, als hij bereid zou zijn geweest om tot een beroep over te gaan, niet alleen gehinderd zijn door het al genoemde besluit van 1830, maar ook nog door een tweede besluit, dat de synode in 1845 had genomen om het beroepen van predikanten uit het buitenland tegen te gaan. Een aanleiding daartoe was geweest het beroep dat de kerkenraad van Onstwedde in 1843 op ds. H.E. Gravemeijer uit het Oostfriese Ryssum had uitgebracht en dat ook door hem was aangenomen. Dit speelde in een tijd dat vele candidaten tot de Heilige Dienst jarenlang vergeefs op een beroep wachtten. Het was op dit besluit dat de Amsterdamse kerkenraad zich tegenover mevrouw Boissevain beriep. Hoe dan ook, de deur van de Hervormde Kerk was en bleef voor Kohlbrugge op slot.
Dat ondervonden ook andere vrienden van de dominee van Elberfeld. Een viertal vrienden uit Utrecht diende in 1851 een verzoekschrift in bij de Algemeene Synode om de beide besluiten, uit 1830 en uit 1845, op Kohlbrugge niet van toepassing te verklaren. Maar de president ds. C.W. Pape en de secretaris dr. H.P. Timmers Verhoeven antwoordden:
“De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk [] Geeft te kennen, dat zij geene redenen ziet, waarom van de bepalingen, in genoemde besluiten op gezegden Predikant toepasselijk, ten zijnen gunste zoude worden afgeweken, weshalve het verzoek wordt gewezen van de hand.”
Beroep op de koning
Ook toen andere vrienden pogingen in het werk stelden de deur open te krijgen, bleef de synode onaandoenlijk. Weer is het een vrouw, die een stoute poging waagt. Het is opnieuw mevrouw P. Boissevain- Drost. In de roerige dagen van april 1853, wanneer het land op zijn kop staat door de benoeming van enkele roomse bisschoppen – voor het eerst sinds eeuwen – schrijft zij aan het hoogst gezag, koning Willem III. Het is een bewogen brief, waaruit grote liefde spreekt voor het Huis van Oranje en voor het Vaderland. Hoort u maar naar enkele zinnen uit haar schrijven. Nadat zij haar diepe zorg over de verdeeldheid van de Kerk en haar dreigende ondergang heeft geuit, schrijft zij vervolgens:
“Sire! een man heeft de God onzer Vaderen zich afgezonderd, aan Gods Woord getrouw verkondigt hij onvermoeid het Evangelie, die Gerechtigheid, die eenen armen zondaar gerecht stelt voor God, uit het midden zijner zonden en diepe verlorenheid uit. Even als eenen Luther in vijftienhondert ontwikkelt hij eene kracht der prediking en des geloofs, waarvan men getuige zijn moet om het te gelooven en leeft hij verwijderd van zijnen geboortegrond onder de bescherming van eenen Duytschen Vorst, ten zege van eene naburige natie, terwijl hij de steun van Kerk en land zijn kon. Sire! roep hem in ons midden terug, en onthef daardoor ons land en onze kerk van eene zware schuld; de gewetens zullen rust vinden, men zal, zich buigende onder het levende Woord Gods, deszelfs macht leren kennen, eene kracht ontwikkelen in de ure des gevaars, waartegen gene macht hoe ook genaamd zal bestand wezen. God zelf zal in ons midden zijn. Uwe Majesteit houde het eene zwakke vrouw ten goede zich tot U gewend te hebben, en wijde gunstiglijk Uwe aandacht aan dit mijn schrijven ...”
Ook de vrienden Matthijs Westendorp en Steven de Clercq richtten zich tot de koning met het dringend verzoek om recht en eerherstel voor Kohlbrugge.
In het volgend jaar werd aan de Koning door Utrechtse vrienden een rekest overhandigd, met eenzelfde verzoek.
Het was alles te vergeefs! Zou misschien ds. P.A. van Toorenenbergen te Waarder bereid zijn Kohlbrugge een keer voor zich te laten preken? De heer P.J. Vermeulen, ouderling te Utrecht legt hem deze vraag voor. Och, die arme dominee. Hij weet niet wat hij hiermee aan moet. Hij “heeft zich nog nimmer in zulke groote slingeringen bevonden als tegenwoordig. Dan eens is het ja! dan eens neen!” Als Kohlbrugge nu in Waarder woonde, dan, ja. Maar zou het nu niet God verzoeken zijn hem hier te laten komen?
Het zal duidelijk zijn dat het er in 1856 niet naar uitzag dat Kohlbrugge ooit in zijn vaderland in de vaderlandse kerk het Woord van God zou mogen bedienen. De deur naar de Hervormde Kerk was voor de heer dr. Kohlbrugge afgegrendeld, de weg naar een Hervormde kansel was voor dominee Kohlbrugge gesloten. Totdat deze plotseling ontsloten werd. Dat is als volgt gegaan.
Een kanseldeur gaat open
Uit zijn huwelijk met de zo jong overleden Cato Engelbert (zij is maar 24 jaar geworden) had Kohlbrugge twee zoons. De jongste, Jakob, is officier geworden en reeds in 1858 op de leeftijd van 25 jaar in Nederlands-Indië gestorven. De oudste zoon, Gerrit, was na een landbouwkundige opleiding op voorspraak van de Utrechtse vriend E.H. Kol opzichter/rentmeester van een polder bij Vianen geworden. Hij trad op 14 november 1855 in het huwelijk met Mathilde baronesse von Bode. Het jonge paar vestigde zich in Vianen. En het is deze jonge vrouw geweest die de deur van de kansel wist te ontsluiten.
Zij was erg op haar schoonvader gesteld en overtuigd van het onrecht dat hem was en werd aangedaan. Zij sprak daarover met haar predikant, ds. G. van Duyl. Deze dominee was in 1799 in Beusichem tot predikant bevestigd en had daarna de gemeente van Hoogeveen gediend. Sinds 1815, dus al 40 jaar, stond hij in Vianen. Hij was een man op leeftijd, 82 jaar, nog altijd dienstdoend, want een verplicht emeritaat bestond nog niet.
Deze was bereid wel een beurt aan de schoonvader van de jonge mevrouw Kohlbrugge af te staan. Hij was niet iemand die men een vriend van Kohlbrugge zou kunnen noemen, maar ook niet geheel onbekend met hem. Ds. Van Duyl had in 1827 kandidaat S.J. de Hoest als predikant in diens eerste gemeente Ottoland en Neder-Blokland bevestigd. Toen ds. De Hoest drie jaar later een beroep naar Lexmond aannam, was het weer ds. Van Duyl die hem daar bevestigde. Deze ds. De Hoest was wèl een vriend van Kohlbrugge. Bij hem hadden Kohlbrugge en zijn vrouw, nadat zij getrouwd waren, drie weken gelogeerd.
Die oude dominee Van Duyl, die geen geestverwant van Kohlbrugge was, had meer moed dan Kohlbrugges oude vriend De Hoest. Toen deze in 1845 door Kohlbrugge was benaderd iets te ondernemen tot zijn opname in de Hervormde Kerk, had hij het laten afweten uit angst “voor collisie met de kerkelijke autoriteiten”, zoals Kohlbrugge deze weigerachtigheid uitlegde.
Maar ds. Van Duyl sprak over het onderwerp met zijn kerkenraad en zo werd geregeld dat Kohlbrugge in de avonddienst van zondag 29 juni 1856 zou voorgaan. Donderdag 26 juni ging Kohlbrugge met zijn dochter Anna op reis naar Nederland, waar hij bij zijn zoon en schoondochter in Vianen zou logeren. Op de valreep schreef hij nog een briefje aan zijn vriend Johannes Wichelhaus in Halle, waarin hij wel vertelt dat hij binnen een uur op reis moet naar Holland, maar zonderling genoeg rept hij met geen woord over de dienst die hij daar zal leiden. Wel tekent hij nog even aan dat hij in deze weken bijna de hele Septuaginta heeft doorgelezen en veel heeft gevonden. Verder niet. Ja, Kohlbrugge was toch wel een wonderlijke man.
Ruim een maand later schrijft hij weer naar Halle. Nu vertelt hij van zijn ervaringen. Dominee Van Duyl was gekomen om hem voor de dienst uit te nodigen. Zondagmorgen ging hij met zijn zoon en schoondochter naar de kerk. ’s Middags zat hij alleen in de tuin en was erg benauwd. Hij had gemerkt dat zijn zoon Gerrit vreselijk opgewonden was. Bij de jonge man kwam een lijden openbaar dat naderhand als schizofrenie bekend werd. Het moet een vreselijke ervaring voor de vader zijn geweest. Hij vertrouwt aan zijn vriend in Halle toe, dat hij weggelopen zou zijn wanneer niet was aangekondigd dat hij ’s avonds de dienst zou leiden.
Zo gingen vreugde en leed hand in hand. Het bijzondere van nu eindelijk in een dienst in de kerk van Nederland te mogen voorgaan, werd overschaduwd door het leed van de geestesziekte van zijn zoon. Voor het eerst had vader Kohlbrugge daarvan iets gemerkt in maart van dat jaar. Hij was er toen helemaal van slag door geweest. In de dagen die op die gedenkwaardige zondag 29 juni 1856 volgden – Kohlbrugge en Anna bleven tot vrijdag 5 juli in Vianen – heeft hij veel geweend en gebeden. “O in wat voor groeve bevond ik mij”, schrijft hij. Maar op die zondagavond –
“was ik op de kansel heel rustig en het was alsof ik mijn leven lang voor mijn volk gepreekt had. Ik had geen herinneringen, dat wil zeggen: ik werd niet geplaagd door herinneringen van vroeger. Ik preekte over Genesis 3. Na de preek, die bijna twee uren duurde, waren allen als verslagen, toen ik het ‘amen’ sprak. Aan de voet van de kansel stonden twee predikanten en de hele kerkenraad, toen ik de kansel verliet. De oude dominee hield een korte toespraak, die ik kort heb beantwoord en ontroerd drukten allen mij de hand”.
Op zeldzaam diepe wijze heeft Kohlbrugge in zijn prediking in de Viaanse kerk in zeven gedachten de hoofdlijnen van het genoemde Bijbelgedeelte ontvouwd. De menselijke ongehoorzaamheid en val, en daar tegenover het eeuwig Evangelie van Gods opzoekende liefde en toegerekende gerechtigheid.
De kerk was geheel gevuld. Zelfs roomsen en Joodse mensen zouden aanwezig zijn geweest. Ook een aantal van de bijzondere vrienden was gekomen. Kohlbrugge had naar de familie Kol in Utrecht getelegrafeerd, en die hadden anderen geïnformeerd over wat in Vianen ging gebeuren. Een beetje overdrijvend meldt Kohlbrugge dat anders maar een gulden werd gecollecteerd en nu wel ongeveer 600 gulden! Een nauwkeurig onderzoek heeft echter uitgewezen dat de gangbare collecten niet zó slecht waren als hij aan Wichelhaus meldde. De preek over Genesis 3 is naderhand door Kohlbrugge uitgeschreven en in druk verschenen.
Naspel in Nederland
Wat zich daar in Vianen had afgespeeld, was aan het Classicaal Bestuur van Gouda, waartoe de gemeente van Vianen behoorde, niet ontgaan. De kerkenraad moest zich daarvoor wel verantwoorden. Hij kreeg van het Classicaal Bestuur te lezen:
“Ter kennisse van het Classicaal Bestuur van Gouda gebragt zijnde het gerucht als zoude in de Hervormde Kerk van Vianen de predikdienst reeds twee reizen zijn vervuld geworden door zekeren H.F. Kohlbrugge, een persoon die in de Nederlandse Hervormde Kerk geen lidmaat is, en die door geen wettige ordening tot de bediening van het Leeraarsambt zou zijn geregtigd, zoo heeft het Classicaal Bestuur voornoemd in zijne laatst gehoudene vergadering besloten, ingevolge de bepalingen vervat in art. 8 van het Regl. van Kerkelijk opzigt en tucht, een onderzoek naar de waarheid van dit gerucht in te stellen en zich daartoe in de eerste plaats te wenden tot UEerwaarden, gelijk geschiedt bij deze.”
Dan volgen de vragen of de heer H.F. Kohlbrugge te Vianen in de Hervormde kerk gepreekt heeft, of hij soms kinderen heeft gedoopt of het Heilig Avondmaal bediend.
Het antwoord van de kerkenraad is niet weinig wankelmoedig uitgevallen. Het spreekt niet van kerkdiensten, maar van “Bijbellezingen” die tweemaal door dr. Kohlbrugge gehouden zijn en de data waarop dit is gebeurd zijn gewijzigd: die beide “Bijbellezingen” werden niet op twee zondagen gehouden, maar op doordeweekse dagen!
Uiteindelijk hield de Synode zich met het onderwerp bezig. Twee voorstellen om besluiten te formuleren die voor Kohlbrugge opnieuw de deur van een Hervormde kansel zouden hebben gesloten, kregen onvoldoende steun. Of een predikant uit het buitenland in een Hervormde kerkdienst zou voorgaan was voortaan zaak van de kerkenraad. Zó had de Synodale commissie (= het moderamen, LJG) aan de Synode geadviseerd. Geheel daarmee in overeenstemming luidde het besluit:
“De Synode, de goede bedoeling der Synodale commissie huldigende en zich verblijdende in den geest van verdraagzaamheid, die zich in vele gemeenten van ons Vaderland openbaart, heeft het ter bevordering van dat lofwaardig doel niet noodig geacht deze aangelegenheid te regelen.”
Nu was het ijs gebroken. In Den Haag was een Duitstalige gemeente opgericht. Omdat geen kerkgebouw voor deze Duitse gemeente werd afgestaan, had men de beschikking gekregen over de loge van de vrijmetselaars. Dáár leidde Kohlbrugge twee-en-een-halve maand na de befaamde dienst in Vianen, op 14 september twee diensten, één in het Duits, de andere in het Nederlands. De zaal was helemaal vol. Ook de Nederlandse minister van Oorlog, baron Forstner van Dambenoy was aanwezig en deze zorgde ervoor dat Kohlbrugge op Prinsjesdag de troonrede in de ridderzaal kon horen.
Opnieuw preekte Kohlbrugge in Vianen en de jaren die volgden in Nigtevecht, Loosdrecht, Hilversum, Bleskensgraaf, Utrecht (in de Dom), in Amsterdam (in de Zuiderkerk op uitnodiging van dr. A. Kuyper), en in andere plaatsen. Ja, in 1865 kwam ook nog een beroep naar een Nederlandse gemeente, naar Zoutelande. De bevriende ds. G.J. Gobius du Sart van Arnemuiden had daarover met koning Willem III gesproken en de ambachtsheer, mr. J. Strooband Janse had geen strobreed in de weg gelegd. Kohlbrugge bedankte voor dit beroep, maar hij zag er wel een gebedsverhoring in. Eens had hij gesproken dat God hem zijn recht zou geven, al was het maar door een beroep naar het kleinste dorpje aan de zee. Hij bedankte echter omdat het hem duidelijk was geworden, dat, hoezeer hij ook naar Nederland had terugverlangd, zijn plaats in Elberfeld was.
Tenslotte
Ter afsluiting en lering nog het volgende. 1856 is voor Kohlbrugge een bijzonder jaar geworden, een jaar van vreugde vanwege een zeker eerherstel in de Nederlandse kerk, en een jaar vol tragiek. De gemeente die hij diende kwam in een diepe crisis, hij raakte zijn oude vriend Carl von der Heydt kwijt en in zijn gezin manifesteerde zich de geestesziekte van zijn zoon Gerrit. Deze ziekte werd later zo hevig, dat hij tot aan zijn dood in 1908 gedurende ongeveer 30 jaren in een inrichting verpleegd moest worden.
Vele beproevingen waren Kohlbrugges deel: hij verloor zijn beide echtgenotes, zijn oudste zoon, zijn enige dochter en Gerrit die hem gebleven was, was geestelijk zwak en ziek. Het leven van deze begenadigde prediker is rijk aan beproevingen geweest.
Maar hoe zou het geweest zijn wanneer deze beproevingen hem onthouden waren en hij predikant in de Hersteld Lutherse Kerk geworden zou zijn? Of in de Hervormde Kerk? Zou zijn leven dan even vruchtbaar zijn geweest? Het is onmogelijk deze vragen te beantwoorden. Laten wij ermee volstaan te belijden dat de Heere weet wat Hij met Zijn kinderen doet wanneer Hij hen wonderlijk leidt, door alle valsheid en onrecht van vijanden heen.
Voor wie zich in Kohlbrugges levensweg verdiept, staan zijn bange vrienden en nog meer zijn verklaarde tegenstanders met hun kerkelijke waardigheid te kijk en te schande. Ik denk aan het gedrag van de Amsterdamse en Utrechtse kerkenraad. Eén van hen was ds. J. van Slogteren, de president van het Noord-Hollands kerkbestuur met zijn roep om rust in de kerk en zijn betiteling van Kohlbrugge als het uitvaagsel. Dat de naam van ds. J. van Slogteren en die van anderen – zij het met onere - nog wordt genoemd, hebben zij louter te danken aan dat ‘uitvaagsel’ dat door hen werd veracht en verworpen, maar door de HERE op een buitengewone wijze tot een zegen gesteld, ondanks zijn ongemakkelijk karakter.
Wij zien ook wat trouwe vriendschap kan betekenen. Ik denk aan de gebroeders De Clercq, Matthijs Westendorp, H.J.A. Boissevain, H. van Heumen, E.H. Kol, Daniel von der Heydt, Johannes Wichelhaus en zo velen meer. Hoe hebben zij met het wel en wee van Kohlbrugge en zijn gezin meegeleefd. En hoe heeft hij dat met hen gedaan. Een schat aan brieven zijn daarvan het bewijs. Dit zijn voorbeelden van ware christelijke, geestelijke vriendschap.
In de levensweg van Kohlbrugge zien we de kerk in haar ambtelijke besturen bezig. Het is geen verheffend beeld. Soms doet het denken aan de wijze waarop in de laatste decennia Nederlands Kerk der Hervorming werd geleid. Dat is kerkontbindend geweest, ondanks alle waarschuwingen en ondanks alle smeekbeden. Evenals in de 19e eeuw gaan de verantwoordelijken in de PKN zonder ware droefheid en schaamte door. Met als gevolg dat de kerkelijke toestand in Nederland thans droeviger is dan in Kohlbrugges dagen.
De HERE ontferme zich over Nederland en haar vervallen christenheid.
Naschrift
Bij het persklaar maken van de lezing die op 13 mei jl. tijdens de Conferentie in Vianen werd gehouden, zijn enkele inhoudelijke verbeteringen en wijzigingen aangebracht. Een tweetal kwam van de kant van ds. J.K. Vlasblom die ik daarvoor hartelijk dank. Andere gaan terug op hernieuwde bestudering van de bronnen. Zo is mijn aanvankelijke bewering dat het besluit van de Algemeene Synode van 1845 speciaal tegen Kohlbrugge was gericht onjuist. Dit besluit is ingegeven door de omstandigheid dat veel afgestudeerde theologen geen beroep kregen, omdat zich bijna geen predikants-vacatures voordeden. Bovendien was er het kwaad dat kerkenraden soms maanden lang de kerkdiensten lieten vervullen door candidaten tot de Heilige Dienst, die daar financieel nauwelijks voor werden gehonoreerd. Het beroep van ds. H.E. Gravemeijer naar Onstwedde werd dan ook zeer kritisch bezien. Overigens is het door dit beroep dat de Gravemeijers duurzaam naar Nederland kwamen.
Dr. K. Groot, die ook enkele boeken over Kohlbrugge heeft geschreven, publiceerde in 1956 een zeer lezenswaardig artikel in “Kerk en Theologie” (7e jaargang, blz. 16 – 33) onder de titel Kohlbrugge eindelijk op de kansel van de Ned. Hervormde Kerk. Hij publiceerde dat jaar ook een aantal bronnen in het “Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis” onder de titel Kohlbrugges moeilijke weg naar de kansel van de Ned. Herv. Kerk. Van deze (en andere) bronnen heb ik dankbaar gebruik gemaakt. Voor de lezing op de Conferentie koos ik een heel andere lijn dan dr. Groot in zijn eerstgenoemde artikel, omdat ik het “onmogelijke” van een dienst in de kerk van Nederland wilde benadrukken alsook het contrast van vreugde en tragiek in gebeurtenissen in het voor Kohlbrugge bijzondere jaar 1856. LJG
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 2006
Ecclesia | 16 Pagina's