Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Schriftkritiek op de kansel (II)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Schriftkritiek op de kansel (II)

10 minuten leestijd

TToen dr. Cramer op 21 oktober 1906 in een preek de schriftkritiek ter sprake bracht en de gemeente opriep die te aanvaarden, was zijn ambtgenoot en geestverwant dr. J.H. Gerretsen*) onder zijn gehoor. Deze predikant vond het wenselijk dat hijzelf ook zou uitspreken, hoe hij over de kwestie dacht. Hij deed het de volgende zondag in een preek over 1 Johannes 5: 10, 11 en koos vóór schriftkritiek. Toch was de kansel naar zijn mening niet de plaats om breedvoerig op deze zaak in te gaan. De kwestie mag in een preek wel worden genoemd, maar niet worden uitgewerkt. Op de kansel hoort het Woord van God thuis. Alle ‘relatieve waarheid’ moet daar worden vermeden. De preek zou anders onwillekeurig dalen tot het lagere peil van een verhandeling. Daarom koos Gerretsen voor de vorm van een brochure om zijn standpunt uiteen te zetten.

G e r r e t s e n s b r o c h u r e

De titel van de brochure is: De “Schriftcritiek” in hare beteekenis voor den tegenwoordigen tijd; een woord tot de Haagsche Gemeente. Dr. Gerretsen meende dat de gemeente recht had op een nadere uiteenzetting. De brandende vragen van de dag moesten niet door de voorgangers alleen worden behandeld en uitgemaakt. De ‘leken’ mochten en moesten meespreken en meedenken en zich een opinie vormen. Daartoe was het nodig dat zij werden voorgelicht.

In de titel en in de tekst van zijn brochure schrijft de auteur het woord schriftkritiek tussen aanhalingstekens, omdat hij het uit het gewone spraakgebruik overneemt, zonder het voor zijn rekening te nemen. Gerretsen vindt namelijk dat dit woord niet goed aangeeft waar het om gaat. De zogenoemde schriftkritiek is in eerste instantie een onderzoek naar het ontstaan van de boeken van de Bijbel. Als het zó wordt geformuleerd, zal niemand tegen “schriftkritiek” enig bezwaar kunnen hebben. De vraag, wie een bepaald boek uit de Bijbel schreef, wanneer en hoe dit gebeurde, kan niet achterwege blijven. Zij moet worden beantwoord, maar het antwoord mag alleen aan de Bijbel worden ontleend.

Het onderzoek naar het ontstaan van de Bijbel leert dat de Heilige Schrift tot ons is gekomen in de eigenaardige literatuurvormen van een oosters volk uit lang vervlogen dagen. In dit verband haalt Gerretsen met instemming aan wat dr. A. Kuyper schrijft in zijn Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid: de Schrift kwam op “in een wereld die meer in het verbeeldend dan in het denkend vermogen van ons bewustzijn haar kracht vond” en is daarom veel meer esthetisch als kunstproduct, dan kritisch als denkproduct te waarderen. Volgens Gerretsen heeft God Zich van tijdelijke en toevallige vormen bediend om ons Zijn eeuwige waarheid mee te delen. De personen door wie God heeft gesproken, waren geen willoze werktuigen. Het standpunt van de zogenoemde mechanische inspiratie, dat vroeger algemeen werd aanvaard, is ook in orthodoxe kringen verlaten. Men gaat uit van een organische inspiratie van de Heilige Schrift, wat wil zeggen dat God de mensen door wie Hij ons Zijn gedachten meedeelt, niet als werktuigen heeft behandeld, maar als personen met hun eigen vorm en kleur en met de literatuurvormen van hun tijd.

De vraag waar alles op neerkomt, is: wat is vorm en wat is inhoud? Uit de Bijbel moet het Woord Gods worden uitgelicht. Maar wie zal bepalen wat Woord Gods is en wat vorm? Hier is mogelijkheid voor allerlei willekeur. Zo zou een modern theoloog alles wat Paulus over het bloed van Christus zegt, uit de Schrift kunnen werpen, omdat hij het als ‘vorm’ beschouwt. Gerretsen erkent dan ook dat aan “schriftkritiek” gevaren kleven. Ze is lang zo onschuldig niet als haar voorstanders het wel eens, geheel te goeder trouw, doen voorkomen. Toch zullen wij het gevaarlijke standpunt van de “schriftkritiek” moeten aanvaarden. God heeft ons nu eenmaal een Bijbel gegeven die in zijn vorm niet zo absoluut is als in zijn inhoud. Er komen tal van historische onjuistheden en tegenstrijdigheden in de Schrift voor. Gerretsen geeft een aantal voorbeelden van tegenstrijdige teksten, om daarmee te bewijzen dat in de Bijbel “onvereffenbare verschilpunten” worden gevonden. Ze zijn volgens hem niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Als voorbeelden noemt Gerretsen onder andere Genesis 7 vs. 2 en vs. 8 en 1 Samuël 16: 14 e.v. in vergelijking met 1 Samuël 17: 55. De Bijbel als de uitwendige vorm waarin de waarheid Gods tot ons is gekomen, spreekt zichzelf herhaaldelijk tegen, aldus dr. Gerretsen. Nu de Bijbel onder Gods voorzienig bestel voorwerp van wetenschappelijk onderzoek is geworden, dient men de resultaten van dit onderzoek te aanvaarden. De Kerk van Christus heeft in de loop der eeuwen met telkens andere moeilijkheden te kampen gehad. In de tijd van de Reformatie maakte men zich los van het uitwendige gezag van de Roomse kerk, “in onze dagen – aldus Gerretsen – roept God ons, ons los te maken van het uitwendige gezag der Schrift, met behoud van haar eeuwige inhoud”. Dit uitwendig gezag is eigenlijk geen schriftgezag, maar een geweldig stuk traditie of kerkgezag. “Schriftkritiek” betekent het wegnemen van een heel sterke uitwendige steun. Dit doet, hoe kan het anders, de gemeente aanvankelijk waggelen. Toch besluit Gerretsen zijn betoog met de oproep: “Gemeente van Christus, waag het biddende met de zo gevreesde “Schriftcritiek”. God wil het! Gij roept: een spooksel! een spooksel! maar Christus zegt: Ik ben het”.

Reacties

Cramers preken en Gerretsens brochure brachten in de Haagse hervormde gemeente en daarbuiten een grote deining teweeg. Binnen enkele maanden verschenen diverse geschriften en vele artikelen waarin de schriftkritiek van de beide predikanten vrijwel eenstemmig werd afgekeurd. Eén van de brochures, van de hand van de evangelisch-lutherse predikant J.E. Schröder te Arnhem, had als titel: Een bom in de Hervormde Kerk van ‘s-Gravenhage, een woord over “prediking en schriftcritiek”. Hiermee werd de situatie juist weergegeven. Cramers preken sloegen inderdaad als een bom in en veroorzaakten een schok, die ook buiten Den Haag doortrilde.

De wijze waarop dr. Gerretsen zijn standpunt uiteenzette, was waardiger. Toch waren vele gemeenteleden in hem diep teleurgesteld. Ondanks zijn ethische opvattingen had hij namelijk een enigszins ‘gereformeerde ader’ in zijn theologie en prediking, zodat vele goed orthodoxe hervormden geregeld de diensten waarin hij voorging, bezochten. Nu keerden zij zich echter van hem af. Gerretsen schrijft erover in brieven aan zijn vriend, de bejaarde ds. S.H. Buijtendijk: “De orthodoxie heeft zich vrijwel tegen mij gekeerd. Men wil niets van mijn standpunt weten. Mijn ouderling, met wie ik jaren lang samenwerkte, wenst dit niet langer te doen. Enigen maken bezwaar, bij mij en Cramer te collecteren of avondmaal te bedienen” (16 januari 1907). “Ik heb vele manschappen in de strijd verloren. Gisteren preekte ik in de Zuiderkerk voor een zeer kleine schare. Wat is een isolement dat men niet gezocht heeft, heerlijk. Ik heb een gevoel van bevoorrechting. Met God tegen de mensen is veel waard. Onze kerk moet vooruit of ze versteent. Het laatste zal geschieden. Maar uit het oude zal God wat nieuws doen geboren worden” (11 februari 1907).

In die tijd kreeg Gerretsen bezoek van drie diakenen, die hem de les kwamen lezen over zijn ‘ketterijen’. De predikant haalde een Grieks nieuw testament van Tischendorf voor de dag en liet de broeders zien, hoeveel verschillende lezingen de handschriften soms hebben. “Wat zouden de broeders mij in zo’n geval aanraden”, vroeg Gerretsen. “Geen Grieks lezen, dominee”, was het verbluffende antwoord! Gerretsen vertelde dit verhaal zelf aan zijn ambtgenoot en geestverwant dr. F. van Gheel Gildemeester.

‘Evangelie en zekerheid’

Voor de Haagse hervormde predikant ds. D.J. Karres**) was het optreden van dr. Cramer aanleiding tot het houden van een preek over het onderwerp: Evangelie en zekerheid. Als tekst voor deze Adventspreek, gehouden in de Grote Kerk op 16 december 1906, koos ds. Karres Lucas 1: 4: “Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt”. De predikant herinnerde eraan dat in het midden van de Haagse gemeente een “angstverwekkende stem” was vernomen, die het luide uitriep dat er “geen enkel woord en geen enkele daad van Jezus is, waarvan wij met volkomen zekerheid kunnen zeggen: zó heeft Jezus gesproken, dát heeft Hij gedaan”. Daarmee wordt, aldus Karres, letterlijk alles in het Evangelie op losse schroeven gezet, wordt alles onzeker en onvast. Het heeft velen in de gemeente geschokt. Ontroerend en verbijsterend is het als zo iets wordt beweerd door mensen die belijden, in Christus de Heer te geloven.

In zijn preek wees ds. Karres op de zekerheid als de heerlijkheid en het doel van de evangelieverkondiging. Hij bezag deze zekerheid achtereenvolgens in haar hoge noodzakelijkheid, haar eigenlijk karakter, haar onoverwinnelijke kracht en haar rijke vertroosting. Bij de eenzijdig-ethische opvatting der waarheid, zo merkte hij op, wordt mijn persoonlijke mening of overtuiging de toetssteen van beoordeling van alles wat tot mij komt, zelfs in Gods heilig Woord. Ten slotte zal het wel hierop uitlopen dat alleen wat met mijn gemoedsstemming of mijn verstandelijk inzicht correspondeert, aanvaard wordt en al het andere niet. Voor ds. Karres was het duidelijk dat voor historische feiten of woorden in de eerste plaats historische zekerheid een onmisbare voorwaarde is. Of een feit geschied of niet geschied is, een woord gesproken is of niet, moet niet door mijn persoonlijke indrukken worden uitgemaakt. Niet de slingerende, wisselende, onvaste ‘wetenschap’ der kritiek, maar de onwankelbare zekerheid van het Woord geeft kracht, als de twijfel een arm mensenhart probeert binnen te sluipen. In die zekerheid ten aanzien van Schrift en Evangelie ligt onze troost.

Aan zijn in druk verschenen preek voegde ds. Karres een naschrift toe, gericht aan dr. Cramer en dr. Gerretsen. Nu door hun optreden een punt van verschil openbaar was geworden, voelde Karres zich genoodzaakt in de gemeente althans een woord van verweer te laten horen. Bezwaren had hij tegen de wijze van hun optreden en tegen de betekenis en de strekking ervan. Wat de manier van optreden betreft, had dat van dr. Gerretsen onmiskenbaar een waardiger indruk gemaakt dan dat van dr. Cramer. Maar ook Gerretsen had zijn woord laten horen, dat hoewel minder ver gaande, dezelfde strekking had. Zou het niet vriendelijker en broederlijker zijn geweest, als deze dingen vooraf eens in de kring van de ambtgenoten waren besproken? Ds. Karres maakte echter vooral bezwaar tegen de betekenis en de strekking van het optreden van de twee predikanten. Het betekende namelijk dat de gemeente volkomen onmondig werd verklaard. Blijkbaar waren Cramer en Gerretsen van mening dat de gemeente geheel blind was voor de menselijke zijde der Schrift. Zij moest nu maar aanvaarden wat haar werd voorgesteld. Maar door zo grote waarde aan de “relatieve wetenschap’”toe te kennen, aldus ds. Karres, randden Cramer en Gerretsen het recht van de gemeente aan. “Voor verstandige, kalme inlichting over de menselijke zijde der Schrift is de gemeente zelfs dankbaar, vooral wanneer dit haar voorstelling van het ontstaan van de Bijbel verheldert. Maar bovenal, en wel allermeest op de kansel, verlangt de gemeente het Woord Gods te horen, dat haar uit de Bijbel tegenklinkt”.

M. den Admirant, ’Gravenhage

Noten

*) Jan Hendrik Gerretsen werd op18 januari 1867 te Nijmegen geboren. Van 1885 tot 1891 studeerde hij theologie aan de universiteit van Utrecht. Zijn studie werd in april 1891 bekroond met een promotie cum laude op een proefschrift over Florentius Radewijns. Hij was predikant te Lopik (intrede 3 mei 1891), Dedemsvaart (1895), en ‘s-Gravenhage (van 6 februari 1898 tot 1 september 1919, toen hem emeritaat werd verleend). Als waarnemend hofprediker bediende Gerretsen op 5 juni 1909 in de Haagse Willemskerk de doop aan prinses Juliana. Per 1 februari 1910 werd hij door koningin Wilhelmina tot hofprediker benoemd. Kort na de viering van zijn 25-jarige ambtsbediening (mei 1916) werd Gerretsen ziek. Hij overleed op 17 november 1923 te ‘s-Gravenhage.

**) Dirk Jacob Karres werd op 2 februari 1858 te Amsterdam geboren. Hij stond als predikant in ‘t Woudt (intrede 1884), Bruinisse (1886), Genemuiden (1889) en ‘s-Gravenhage (12 november 1893). In deze laatste standplaats overleed hij op 4 maart 1915.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 2007

Ecclesia | 8 Pagina's

Schriftkritiek op de kansel (II)

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 24 november 2007

Ecclesia | 8 Pagina's