Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Martelaarschap in het christendom en de islam - wat het christelijk martelaarschap bijzonder maakt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Martelaarschap in het christendom en de islam - wat het christelijk martelaarschap bijzonder maakt

28 minuten leestijd

IIk wil vanmorgen in het kader van mijn lezing over christelijk martelaarschap aandacht vragen voor een begrip dat in de bijbel meerdere keren voorkomt – het begrip leistès, het Griekse woord voor moordenaar of rover. In de Evangeliën komen we het woord meerdere keren tegen. Bestudering van dit begrip maakt ons duidelijk wat het verschil is tussen martelaarschap zoals we dat vinden bij de eerste christenen enerzijds en in de huidige islam anderzijds. Hopelijk helpt het ons, als we ons verdiepen in deze materie om iets te gaan zien van de rijkdom van het Evangelie van de Here Jezus Christus en van de rijkdom die ligt in zijn Persoon.

De moordenaar aan het kruis

De bekendste geschiedenis waarin we het woord leistès tegenkomen is, vermoed ik, die van de moordenaar aan het kruis. Er staat van hem dat behalve de Here Jezus Christus nog twee anderen gekruisigd werden. Het waren moordenaars, leistai. De man die bekend staat als ‘de moordenaar aan het kruis’ zegt op een bepaald moment tegen de andere moordenaar dat zij daar verdiend aan het kruis hangen, maar dat dat niet geldt voor Degene die naast hen hangt, Jezus Christus: “Deze heeft geen kwaad gedaan.” Vervolgens richt hij zich tot Christus met het verzoek: “Denk aan mij als U in uw Koninkrijk gekomen bent”. Dan volgt Jezus’ machtswoord: “Heden zult u met Mij in het paradijs zijn.”

Op het eerste gezicht weten we weinig méér van deze moordenaar. Toch is dat maar schijn. Want juist het woord leistès is een sleutel om iets te zien oplichten van het leven dat hij waarschijnlijk geleid heeft. In de tijd van Jezus stond deze term namelijk voor een groep mensen die we ook door een andere, meer bekende aanduiding kennen: de zeloten. De leistai waren zeloten.

Zeloten

De zeloten waren verzetsstrijders. Zij waren uit op de bevrijding van Israël van de Romeinen, die door hen gehaat werden. Hun verzet was religieus gemotiveerd. Ze waren uit op de vestiging van het Koninkrijk van God op deze wereld. Daarbij gingen ze geweld niet uit de weg. Er is de afgelopen vijftig jaar veel over deze beweging bekend geworden, vooral dankzij het meesterwerk van Martin Hengel, die in 1961 zijn eerste boek schreef met als titel ‘Die Zeloten’. Hengel vertelt ons dat de beweging is opgekomen aan het eind van de regering van Herodes, die 37 voor Chr. door de Romeinen werd aangesteld als koning van Israël. Herodes was verantwoording verschuldigd aan de Romeinen. Toch kreeg hij in veel dingen de vrije hand en kon hij de allure aannemen van een hellenistische vorst. Na zijn dood schaften de Romeinen het koningschap af. Ze verdeelden de zeggenschap over Herodes’ familie. Jeruzalem kreeg op den duur een stadhouder. Eén van hen kennen we goed: Pilatus. Zoals gezegd keerden de zeloten zich tegen de Romeinen, die als het er op aan kwam in Israël de scepter zwaaiden.

De Romeinen

Ik weet nog dat ik als jongen tijdens de bijbelvertellingen op school de onderwijzer of onderwijzeres de vergelijking hoorde maken tussen de Romeinen en de Duitsers, van wie de overheersing bij sommigen nog vers in het geheugen lag. Ook predikanten maakten graag de vergelijking tussen tollenaars en collaborateurs, handlangers van de Duitsers. Zij vormden de NSB-ers van Israël, zo werd gezegd. Wat ik me ook herinner, was dat ik vele jaren later aan dr. W. Aalders vertelde dat deze vergelijking gemaakt werd. Hij reageerde beslist: “Dat is apert onjuist.” Dr. Aalders had gelijk. Wie de vergelijking wel van toepassing acht, moet er bijna wel toe komen om te sympathiseren met de zeloten. Maar de vergelijking is vanuit de historische context bezien onmogelijk. Er is immers een wereld van verschil in het karakter van de Duitse bezetting ten tijde van de Tweede Wereldoorlog en de ‘bezetting’ van de Romeinen van Palestina. Ik kan hier niet al te uitvoerig op ingaan en noem om die reden puntsgewijs een paar dingen op die dit verschil duidelijk maken:

De Romeinen werden in 63 voor Chr. te hulp geroepen door de Joden zelf, die in een burgeroorlog verwikkeld waren. De Romeinen stelden in Israël orde op zaken en voegden het land bij het Romeinse Rijk, maar gunden het volk een grote mate van autonomie en privileges. Dat gold voor Caesar, het gold ook voor Augustus. Dat was vooral het geval waar het de godsdienst van Israël betrof. Men legde hen in dit opzicht geen strobreed in de weg en men hield lange tijd reke-ning met de gevoeligheiden van de Joden.

Op twee andere punten wil ik in dit verband wijzen. Israël had vanaf de ballingschap eeuwenlang bestaan zonder politieke zelfstandigheid. Vanaf de wegvoering onder Nebukadnezer (ongeveer 600 voor Chr.!) tot aan 180 voor Christus toen de Maccabeeën een koningschap vestigden, was Israël schatplichtig geweest aan vreemde volkeren. Eerst gold dat de Perzen, daarna de Grieken (eerst de Egyptische Grieken, vervolgens de Syrische Grieken). Zij verleenden hen privileges en legden hun geen duimbreed in de weg om hun godsdienst uit te oefenen. Dit had dus ongeveer 500 jaar geduurd. Zoals het was, is het nu, onder de Romeinen opnieuw geworden. Daar komt bij dat de Romeinen orde op zaken stelden. Dat ging gepaard met wreedheden. Maar niet ontkend kan worden dat de besten onder hen dat deden vanuit een roepingsbesef, vanuit een instelling van eerbied voor het recht, dat verankerd was in een hogere wereld. Zij zagen het als hun taak om gerechtigheid onder de volkeren te laten zegevieren en zorgden zo voor vrede in de publieke sfeer.

Verzet

Welnu, tegen deze Romeinen verzetten zich de zeloten. En zij deden dat met geweld. Enkele kenmerken wil ik noemen:

Ze waren uit op de vestiging van het Koninkrijk van God.

Ze gingen om dat te vestigen terreur niet uit de weg.

Ze kenden cellen van verzet, die zich schuil hielden in spelonken.

Ze pleegden aanslagen, waarbij ze hun eigen volksgenoten niet ontzagen.

Berucht waren de Sicariërs die een dolk bij zich droegen en op religieuze feestdagen op het tempelplein onverhoeds konden toeslaan.

Op den duur bezetten ze Jeruzalem, waar ze als splintergroepen elkaar te vuur en te zwaard bestreden. In 70 na Chr. werden ze verslagen. De stad en de tempel werden verbrand.

U merkt hoeveel parallelen er zijn met terreurbewegingen in de islam, waarbij ik natuurlijk denk aan Al Qaeda en Isis.

Tot deze strijders nu behoorde naar alle waarschijnlijkheid ook de moordenaar aan het kruis.

Openbaarheid

We komen het woord leistès ook op een andere plaats tegen in de Evangeliën. Als de Here Christus gevangen wordt genomen in Gethsemane, zegt Hij tegen de dienaars van de hogepriester en de Romeinse soldaten: “U bent uitgetrokken als tegen een moordenaar.” Hij bedoelt: “Waarom deze gevangenneming in het holst van de nacht, alsof Ik een leistès ben, die het daglicht schuwt? Nooit heb Ik iets gesproken dan in het openbaar. Als Ik getuigde van de waarheid, deed Ik dat op het tempelplein. Het kon het daglicht verdragen. Waarom bent u tegen me uitgetrokken alsof Ik een leistès ben, een revolutionair, die in het geheim complotten smeedt? Nooit heb Ik opgeroepen tot geweld.” Wat Christus zegt, is waar. Nooit heeft Hij zich ingelaten met revolutie, met de gedachte dat het Koninkrijk der hemelen door middel van oproer gevestigd moest worden. Integendeel. Hij zag er een verzoeking in. Zoals die keer toen het volk Hem na het wonder van de broodvermenigvuldiging daartoe wilde aansporen. Hij ging dat met nadruk uit de weg en berispte hen.

Ondertussen maken we uit de gevangenneming op dat de leistai de openbaarheid schuwden. Ze hadden iets te verbergen. Dat hing samen met het feit dat zij in een traditie stonden die niet onomstreden was! Dat is de traditie van de Maccabeeën en hun zonen die in 180 in opstand kwamen tegen de toenmalige Syrische Grieken. Voor die opstand valt veel begrip op te brengen. De Griekse Antiochus Epiphanes had mede op instigatie van veel Joden de tempeldienst verboden en dwong de overige Israëlieten hun geloof op te geven. Toen brak er een opstand uit. Matthatias Maccabeus en zijn zonen grepen naar de wapens en velen volgden hem. In enkele jaren tijd versloegen ze de Grieken. De tempeldienst werd hersteld. Toch was hun optreden niet onomstreden. Dat kunt u zien in het boek Daniël. Daarin wordt hun hulp omschreven als ‘een kleine hulp’ (Daniël 11: 34). In bedekte termen valt in dit boekje dat in de tijd van de Maccabeeën geredigeerd werd, een waarschuwing te lezen: ga niet verder dan dat u de tempeldienst weer herstelt. Grijp niet naar het koningschap, ga niet zomaar een algehele oorlog aan.

De Maccabeeën deden dat wel. Ze bevrijdden niet alleen Jeruzalem, maar veroverden het gebied dat ooit in de tijd van de koningen aan Israël had behoord (ondermeer Galilea en de kuststreken). Dat bracht veel goeds. Maar aan hun optreden zat een bedenkelijke kant. De heidense bevolking in Galilea en de kuststeden werd voor de keus gesteld: of u laten besnijden of de dood. Daarbij kwam dat de regering van de laterezonen van de Maccabeeën (de zgn. Hasmoneeën) ons de wenkbrauwen laat fronsen. Wat denkt u van het volgende: rond 90 voor Christus neemt Alexander Janneüs, een van de koningen van de Maccabeeën, wraak op de door hem gehate farizeeërs. Flavius Josephus vertelt van de wijze waarop dat ging: 800 farizeeërs werden gekruisigd. Ze werden omgebracht terwijl hij met zijn concubines samen was en dat terwijl de gekruisigden daar zicht op hadden. Je huivert ervan. Het boek Daniël is niet voor niets gereserveerd. Dat de Romeinen op het toneel verschenen, had niet alleen schaduwzijden.

Dat laatste zagen de zeloten volstrekt anders. Zij zagen in de opstand van de Maccabeeën een voorbeeld. Hun belangrijkste doel was de Romeinen het land uit te zetten. De fatale misvatting van de zeloten lag niet in het feit dat zij uitzagen naar de komst van Gods Koninkrijk, maar dat zij daarop vooruitgrepen. Daarbij gingen zij geen middel uit de weg: ze gingen te werk met list en geweld, ze complotteerden en schuwden het niet om de openbare orde door terreur te ondermijnen.

Een andere traditie

Er is onder het volk van Israël een heel andere manier van omgaan geweest met de Griekse geest dan die van de Maccabeeën en vooral van hun zonen. Een omgang die veel meer ligt in het verlengde van wat in het boek Daniël naar voren komt. Deze traditie moet vooral gezocht worden in Alexandrië, waar honderdduizenden Joden woonden. Met deze Joden onderhield ‘Jeruzalem’ overigens nauwe contacten. Tot 198 was Jeruzalem immers schatplichtig aan de Ptolemeeën, de Griekse koningen in Egypte, waar hun volksgenoten dus woonden. De gebeurtenissen in Israël ten tijde van de strijd van de Maccabeeën heeft de Joden in Alexandrië niet onberoerd gelaten. Toch droeg de ontmoeting met de Griekse geest daar een heel ander karakter dan in Jeruzalem.

In deze wereldstad, waar de Griekse cultuur bloeide, maakte men volop kennis met de rijkdom daarvan. De ‘Griekse geest’ riep bij de Joden veel herkenning op. En zoals telkens weer, wist ‘Israël’ winst te halen uit wat ook een bedreiging kon zijn. Ze wist het goede van wat Griekenland bood in zich op te nemen en uit te bouwen.

Op twee ‘gevolgen’ van deze ontmoeting wil ik wijzen: de vertaling van de ‘Bijbel’ in het Grieks: de Septuaginta en de bloei van de wijsheidsliteratuur. Dat de wijsheidsliteratuur tot bloei kwam, bewijzen op zijn minst de boeken ‘Wijsheid van Jezus Sirach’, dat ongeveer 200 voor Chr. in Jeruzalem geschreven werd en dat in Alexandrië in het Grieks vertaald werd door de kleinzoon van Jezus Sirach en de Wijsheid van Salomo. Het werd geschreven in Alexandrië vermoedelijk ongeveer 30 voor Chr.

Het eerste waarop in deze literatuur wat ‘de wijsheid’ betreft de vinger gelegd werd, was dat de wijsheid bij God was toen de schepping plaatsvond. Zij ‘stond zo dicht’ bij God, dat zij zelfs met de Here God geassocieerd werd. De Schepper heeft van haar gebruik gemaakt en met haar overlegd. De schepping rust daarom op de wijsheid en ze is er van doortrokken. Een tweede aspect van ‘de wijsheid’ is dat zij betrokken is bij de geschiedenis van het volk van Israël. Zij heeft het volk begeleid en er leiding aan gegeven Een derde aspect is dat aan ‘de wijsheid’ alles toebehoort. ‘De wijsheid’ geeft heil, ze is universeel. ‘De wijsheid’ roept daarom allen tot zich. Waar naar haar geluisterd wordt, geeft ze zegen. Ze richt zich niet alleen tot Israël, maar ook tot de wereld.

Deze gedachten werden ontwikkeld in Alexandrië, maar voorafgaand aan de botsing in 180 ook in Jeruzalem. Het opvallende nu is dat vooral in Alexandrië ‘de wijsheid’ gekoppeld werd aan de verwachting van de Messias, de Heiland. Als de Messias zou komen, zou hij bedauwd zijn met de geest van wijsheid. Hij zou met wijsheid spreken en zich richten tot alle volkeren en zij zouden tot hem komen en zo het heil ervaren. En juist in de tijd dat de Hasmoneeën zich te buiten gingen aan exorbitante dingen en het voor het volk duidelijk werd dat zij het heil niet brachten, begon men uit te zien naar een telg uit het geslacht van David die bedauwd zou zijn met deze wijsheid! De verwachting van de zoon van David was eeuwenlang naar de achtergrond geduwd. Nu begon zij wakker te worden. Met wijsheid zou Davids Zoon regeren, als een tweede Salomo. Binnen deze traditie hoefde men de openbaarheid niet te schuwen. In de lijn van deze traditie trad Jezus Christus op. Hij schuwde de openbaarheid dan ook niet. Hij deed niets in het verborgene.

De goede Herder en zijn ‘rust’

De derde vindplaats van het woord leistès is in Johannes 10, waar Jezus zichzelf typeert als de goede Herder. In dat verband spreekt Hij over ‘dieven en rovers’. Zij klimmen van elders de schaapskooi binnen en brengen verderf. De goede Herder is hun antipode. Jezus noemt drie aspecten van de goede Herder die in dit verband van betekenis zijn. Allereerst wijst Hij erop dat de goede Herder gelegitimeerd is. Hij komt overdag in het klare licht en niet in de nacht om te stelen. Voor Hem doet de deurwachter open. De goede Herder komt door de deur naar binnen. Vervolgens roept Hij zijn schapen. Hij brengt zijn schapen bijeen door een eenvoudig middel: zijn stem. Hij gebruikt in onderscheid van de rovers geen geweld. Zijn woord is toereikend om hen achter zich te krijgen.

Bovendien zaait de goede Herder geen verderf. Hij brengt geen onrust, maar rust: hij leidt de schapen naar buiten, naar de grazige weiden.

Het beeld van Jezus Christus rijst in deze beelden voor ons op. Jezus is gelegitimeerd; de deurwachter doet voor Hem open. Ik heb daar nooit een andere uitleg aan kunnen geven dan dat de deurwachter Johannes de Doper is. Johannes is de laatste, de grootste van de profeten. Op hem rust de roeping om de Heiland, die zijn schapen komt halen, aan te wijzen als de goede Herder en Hem toe te laten tot de schapen. Zo roept Johannes: “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt.”

Daarop nam Jezus de prediking van het Koninkrijk der hemelen van Johannes over. Daar hebt u het tweede aspect dat samenhangt met de goede Herder: Hij roept zijn schapen en nodigt hen: “Komt tot Mij.” De Herder brengt zijn schapen in aanraking met het Koninkrijk der hemelen. Zo geeft Hij hen rust.

Deze twee aspecten van Jezus’ optreden doen sterk denken aan de bekende woorden uit Mattheus 11, die regelrecht stammen uit de wijsheidstraditie. Jezus zegt er: “Ik dank U Vader, Here van de hemel en van de aarde dat U deze dingen dan wel verborgen hebt voor de wijzen en verstandigen, maar hebt ze aan de kinderkens geopenbaard. Ja Vader, want zo is het welbehagen geweest van U. Alle dingen zijn Mij door mijn Vader overgegeven en niemand kent de Zoon dan de Vader en niemand kent de Vader dan de Zoon en die het de Zoon wil openbaren. Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven en leert van Mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en u zult rust vinden voor uw zielen.” De tekst is bijna een letterlijk citaat uit het wijsheidsboek Jezus Sirach. Jezus sluit zich met zijn oproep duidelijk aan bij de wijsheidstraditie.

Jezus’ beeldspraak over de goede Herder en zijn zgn. jubelwoord uit Mattheus 11 liggen in het verlengde van elkaar. De goede Herder brengt rust en geen verderf. Zo presenteert Jezus zich in Mattheus 11 als de Wijsheid die rust schenkt. Dat is typerend voor de wijsheid. De wijsheid roept tot de wijsheid en ze geeft ook wijsheid. Als iemand op de nodiging van de wijsheid ingaat, ontvangt hij iets van de wijsheid. Wie tot Jezus komt, die zich identificeert met ‘de wijsheid’ (“Komt tot Mij”) leert van Hem dat Hij zachtmoedig is en hij wordt wijs. Daarbij ontvangt hij rust. De vraag dringt zich op waaruit deze wijsheid en deze rust bestaat. Duidelijk is dat de Here Christus iets openbaart. Hij maakt duidelijk dat Hij en de Vader één zijn: “Niemand kent de Vader dan de Zoon en de Zoon dan de Vader.” Jezus zegt daarmee dat Hij in het spoor van zijn Vader gaat en dat de rust die Hem eigen is, voortkomt uit zijn goede betrekking tot de Vader. Het komt voort uit een wederkerige vertrouwenvol ‘kennen’. Bij de rust nu die deze wederkerigheid eigen is, betrekt Jezus degene die tot Hem komt. Degene die komt, leert Jezus kennen en de Vader en hun wederzijdse band. Dat schenkt rust.

Het is van betekenis bij dit alles aan te tekenen dat Jezus met deze uitnodiging aan de vermoeide zielen niet alleen bedoelt dat zijn juk anders is dan dat van de farizeeën en wetsgeleerden, die het volk de wet op leggen en knechten. Hij onderscheidt zich vooral ook van de zeloten, die verderf brengen en onrust teweeg brengen. Juist zo lichten enkele woorden van Jezus’ jubelroep extra op: “Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart.” Als men deze eigenschap van Hem kent, zal men rust vinden. Zachtmoedigheid is een kenmerk van ‘de wijsheid’, die zich indringend en overtuigend tot het volk richt om het te onderwijzen. Zo richt Jezus zich tot het volk met de verkondiging van het Koninkrijk der hemelen. Hij nodigt ertoe uit en is er de deur van. Wie de contouren van dat dat Koninkrijk ziet oplichten bij Christus en op zijn nodiging ingaat om het te ontvangen, ontvangt ook de rust die dit Koninkrijk eigen is.

Zo trad Hij in Galilea op na zijn doop bij Johannes de Doper. Zo verkondigde Hij in het openbaar het Koninkrijk der hemelen. Zo kwam Hij ook in het openbaar naar Jeruzalem, om daar zijn intocht te houden en voor iedereen duidelijk te maken dat Hij de goede Herder is, de Wijsheid, de deur naar het Koninkrijk der hemelen. Juist in Jeruzalem, de stad van de tempel, van het sanhedrin en van de stadhouder, een metropool, moest de oproep klinken om zich tot Hem te keren.

De intocht in Jeruzalem – een knooppunt

Zo zien we Christus gaan bij de intocht van Jeruzalem. Er is bijna geen belangrijker geschiedenis in het Evangelie dan de intocht in Jeruzalem. Alle draden van de profetie komen er samen. Het is de climax van Jezus’ optreden. Jezus zoekt er de openbaarheid en presenteert zich heel duidelijk als de Heiland. Hij doet dat met takt, zonder onnodig aanstoot te geven. U kent de geschiedenis. Hij vraagt zijn discipelen te gaan zoeken naar een ezel. Op de ezel rijdt Hij bejubeld door de mensen Jeruzalem binnen. Dat is veelzeggend. Mattheus wijst op de vervulling van de profetie van Zacharia: “Zie, uw Koning komt, zachtmoedig en rijdend op het veulen van een ezelin.” Zacharia herinnert met deze woorden aan die andere koning, die ooit op een ezel de stad in reed: Salomo, de wijze koning, de zoon van David. Zonder geweld reed hij de stad in kort nadat hij tot koning werd uitgeroepen, om in Jeruzalem door het volk bij acclamatie aanvaard te worden.

Hier komt Jezus Christus, zachtmoedig, rijdend op een ezel. Als de Wijsheid roept Hij Jeruzalem op om zich tot Hem te keren: “Och of u ook nu nog zou onderkennen wat tot uw heil dient.”, en: “O, Jeruzalem, hoe vaak heb ik u bijeen willen vergaderen als een hen haar kuikens.” Het is een bekend beeld uit de wijsheidstraditie: de hen die haar kuikens onder haar vleugels roept en hen zo veiligheid biedt. Zo komt de Zoon van David dus, als de tweede Salomo, als de Wijsheid zelf in genade en zachtmoedigheid naar de stad, terwijl Hij het volk roept om zich tot Hem te wenden.

Op dat moment staat Israël op de tweesprong. Zal men op de uitnodiging ingaan en Jezus erkennen? Het spant. Als ze Hem niet aanvaarden, dan zullen de zeloten komen en langzamerhand aan invloed winnen.

Ze doen het niet. De schriftgeleerden en sadduceeën zijn terughoudend, afhoudend, vijandig zelfs. En dat is aangrijpend. Het is veelzeggend dat Jezus vanaf dat moment begint te spreken over de verwoesting van Jeruzalem. Hij ziet het in de geest voor zich.

In deze situatie wordt Jezus gevangen genomen. Hij zou het volk verleiden en aanleiding geven tot oproer. In deze situatie legt Jezus getuigenis af van wie Hij is. Hij doet dat in het openbaar, zonder omwegen tijdens de (officiële) verhoren van Kajafas en Pilatus. Hij is niet als de zeloten die de openbaarheid schuwen. Hij laat niet van zich horen via een coupe of een aanslag. Hij getuigt door zijn spreken. Tegenover Pilatus zegt Hij: “Mijn koningschap is niet van deze wereld.” Tegenover Kajafas: “De Zoon des mensen ben Ik. U zult Hem vanaf nu zien komen op de wolken van de hemel.” Kajafas scheurt van woede zijn kleed en dringt aan op een veroordeling. Pilatus daarentegen, die waken moet voor de orde, probeert Hem te redden en het volk een keuze te laten maken: of het kiest voor Jezus de Christus (en Pilatus hoopt en vermoedt dat het dat zal doen) of het kiest voor Barabbas. “En Barabbas”, staat er, “was een moordenaar”, een leistès, een zeloot. Het volk koos voor de laatste.

De Zoon des mensen

Jezus beleed tegenover Kajafas dat Hij de Zoon des mensen is. De Zoon des mensen is de figuur uit Daniël 7, die de profeet zag in zijn visioen. Daniël vertelt dat hij, nadat hij veel schrikwekkende dierengestalten uit de zee had zien oprijzen, die terreur (terror, angst) op aarde veroorzaakten, een mensenzoon zag. Deze kwam op de wolken en Hij kwam voor God, de Oude van Dagen. Van Hem ontving de Zoon des mensen alle macht in de hemel en op de aarde. Toen Jezus nog in Galilea zijn jubelroep uitsprak, zinspeelde Hij er al op dat Hij de Zoon des mensen is: “Kom tot Mij, zei Hij, allen die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven, want Ik ken de Vader en de Vader kent Mij.” Hij voegde er aan toe: “Alle dingen zijn Mij overgegeven door de Vader.” Christus heeft in de laatste dagen van zijn leven op aarde vanuit de zekerheid geleefd dat het moment dichtbij gekomen was dat dit daadwerkelijk zou plaatsvinden. Hij heeft er getuigenis van afgelegd. Als hij tegenover Kajafas staat, zegt Hij: “Vanaf nu zult u de hemelen geopend zien en de Zoon des mensen zien, zittend aan de rechterhand van de Allerhoogste.” “Vanaf nu.” Als Jezus zal gehoorzamen en sterven, zal Hij ook opstaan en verheerlijkt worden en alle macht ontvangen. Het ligt in de hand van de Vader om dat te doen.

Jezus heeft op dat moment niet vooruit willen grijpen, zoals de zeloten deden. Professor J. H. Gunning heeft ooit gezegd (en Kohlbrugge zou het gezegd kunnen hebben) dat zonde ten diepste diefstal is, d.w.z. vooruit grijpen op wat je nog niet geschonken is. De Here Jezus deed dat niet. Hij was bereid te wachten. Hij is zachtmoedig en nederig van hart! Enkele weken later is het zover. Diezelfde Jezus zal als degene die is opgestaan en verheerlijkt, zeggen (Mattheus 28): “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde.” Hij voegt eraan toe: “Ga dan heen en verkondig het Evangelie aan alle volkeren.” Na zijn sterven, kreeg Hij daadwerkelijk alle macht. Daarin vindt de gemeente de rust, die Jezus in Mattheus 11 beloofde: “Komt tot Mij en leer van Mij en Ik zal u rust geven.” Daarom draagt Hij zijn discipelen op daarvan te getuigen, en dat over de hele wereld! Met opzet heb ik al enkele keren met nadruk gesproken over ‘getuigen’. Ik doe dat omdat ‘getuigen‘ de vertaling is van het Griekse woord ‘marturein’. U herkent er het woord ‘martelaar’ in. Getuigen is dus: ‘met de mond belijden’ dat Christus alle macht heeft ontvangen in de hemel en op de aarde.

Nog eens de leistai

We zagen dat de landvoogd, Pilatus, Hem terwille was en hoopte dat het volk voor zijn vrijspraak zou kiezen. Maar het volk koos voor Barabbas, de leistès. Dit had grote consequenties. Het bracht met zich mee dat er zich in de muren van de stad als het ware scheuren begonnen te vertonen. De stad begon open te liggen voor de zeloten. Zij zijn dan ook in de ‘stal’ gekomen en hebben er een geweldige ravage aangericht. In dit opzicht is het boek van Martin Goodman The ruling class of Judaea in the first century after Christ, uiterst leerzaam. Goodman benut voor zijn informatie over de regerende klasse in Jeruzalem ten tijde van Jezus tot aan 70 na Chr. uitputtend Flavius Josephus. Hij weet ons veel te vertellen over de familie van Kajafas en de verdeeldheid die daarin ontstond. Bij het lezen ervan viel het me op dat het bederf (als ik het goed zie) in deze familie begint te ontstaan ten tijde van de veroordeling van Jezus, zo’n 30 na Chr. Even leek het me toe dat het hele gebeuren van 30 tot 70 na Chr. samenhangt met de ongezonde mentaliteit die na de veroordeling van Jezus sterker en sterker werd. Er is sprake van egoïsme en machtswellust. De clan raakte verdeeld. Het bederf werkte door, wat tot gevolg had dat men geen verweer had tegen de zeloten. Deze laatsten kregen meer en meer greep op Jeruzalem, wat leidde tot verschrikkelijke jaren met verwikkelingen en kuiperijen waaraan de familie van Kajafas zich niet kon onttrekken. Het liep uit op een catastrofe, die zijn weerga niet kende. De zeloten grepen naar de macht en brachten verderf, hongersnood, conflicten, moordpartijen en allerlei bittere ellende. De Here Christus trad volstrekt anders op. Als men Hem had erkend bij de intocht, toen het volk op de tweesprong stond en als men bedacht had wat tot hun vrede diende, dan was Jeruzalem geen braakland geweest waar de zeloten hun onkruid konden zaaien.

De deur van de schapen

Nu zou het vermoeden kunnen rijzen dat dit het einde is van Israël. Toch is dat niet het geval. De Here Christus zegt “Ik ben de goede Herder.” Hij voegt eraan toe dat de goede Herder zijn leven aflegt voor zijn schapen. Hij ziet de wolf (de dood en de boze) komen en gaat daar niet voor uit de weg. Hij gaat de wolf tegemoet en overwint hem omwille van de schapen. Zo heeft Christus het lijden aanvaard. Hij is gestorven als de goede Herder, die op deze manier de schapen opneemt, op zijn schouders legt en ‘thuis’ brengt. Zo komt de kerk tot stand – na de opstanding, als uitkomst van zijn werk.

Maar er is nog iets dat onze aandacht verdient. Om dat in het licht te stellen, kom ik terug op de ene moordenaar die naast Jezus aan het kruis hangt, ter rechterzijde. We zagen dat hij een leistès was. Wat moet er door hem heengegaan zijn toen hij de Here Jezus Christus op het moment dat hij aan het kruis geslagen werd, niet, zoals gebruikelijk een vloek hoorde uiten? Ook schold Hij de soldaten niet uit. Geen getier en geroep, maar – een gebed kwam uit zijn mond: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen.”

De zeloot moet daarvan onder de indruk geraakt zijn. En ik stel me voor hoe hij misschien wel terug gedacht heeft aan vroeger, toen hij als jongen opgevoed werd. Wellicht heeft hij aan zijn moeder gedacht, die hem misschien wel verteld had van de Koning die zou komen en het Koninkrijk der hemelen zou brengen. Dat had hij als zeloot naar zich toegehaald. Hij was fanatiek geworden. Nu hangt hij naast Christus en ineens begint hij te beseffen dat zijn moeder de man naast hem aan het kruis met die Koning bedoelde, Hem die zojuist zei: “Vader vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen!” Hij ging inzien dat hetgeen hij gedaan had, het meest bizarre en vreselijke was wat je kunt doen: met het zwaard het Koninkrijk van God te willen vestigen. De contouren van het Koninkrijk der hemelen gingen nu voor hem open vanwege deze Kruiseling die naast hem hing. En toen vroeg hij: “Als U in uw Koninkrijk gekomen bent, wilt U dan misschien aan mij denken?” En het machtswoord van Christus, de goede Herder, de Zoon des mensen, die alle macht heeft gekregen en zijn schapen bij name roept, luidde: “Heden nog, zult u met Mij in het paradijs zijn.”

Christelijk en zelotisch martelaarschap

Een groter contrast is er niet denkbaar dan tussen christelijk en zelotisch martelaarschap. Christelijk martelaarschap is ‘met de mond getuigen van de redding’, het betekent zelfs: ‘bidden voor je vijanden’, zoals Stefanus de eerste christelijke martelaar, deed, toen hij de Zoon des mensen zag, staande aan de rechterhand van God. Uit kracht daarvan bad hij: “Vader, vergeef het hun”. Hij gaf geen krimp aan zijn belagers en toch bad hij dit. De wolf, de dood, deed hem daarbij geen schade meer. En zijn dood was tot redding van anderen (Paulus, die erbij stond, heeft er vaak aan teruggedacht). In de vroege kerk was martelaarschap een aparte zegen, de gave om te lijden voor het Evangelie. De gave om dat te kunnen doen, was een charisma: de Geest van God kwam over iemand en de hemel opende zich rondom een dergelijke getuige. Van dit martelaarschap is veel uitgegaan. De uitdrukking is bekend: “Het bloed der martelaren is het zaad van de kerk.” Het sterven van de getuigen had een uitzonderlijke invloed.

We kunnen dat nog steeds meevoelen. We hoeven maar te denken aan een recente martelares: Sophie Scholl. U kent haar geschiedenis. Deze is meer dan eens belicht in Ecclesia. U weet dat zij het opnam tegen Hitler, een jonge vrouw van rond de 20 jaar. Weerloos en o zo kwetsbaar. U weet vast dat degene die haar ondervroeg agressief en intimiderend te werk ging en haar onder zware druk zette om op haar daden terug te komen. Hij kwam echter onder de indruk van haar persoon, haar antwoorden, haar geloof. Hij stond er beschroomd en aarzelend bij, nadat hij opzettelijk naar de gang was gelopen waar hij haar, kort voordat zij weggeleid werd om gedood te worden, nog even kon zien. Wat schaamde hij zich; zoals de moordenaar aan het kruis. Wat hij zag, was dat de wolf is overwonnen. Zij ging naar het schavot, de guillotine, als een getrouwe getuige , niet haatdragend, maar mild en zich overgevend aan Christus, terwijl ze er zich van bewust was dat ze de goede keuze had gedaan.

Daar ziet u het verschil tussen het christelijke martelaarschap en het zelotisch martelaarschap. De zeloten ‘getuigen’ door zichzelf in levensgevaar te brengen met de bedoeling anderen van het leven te beroven. Uit pure haat en fanatisme. Wat wij vandaag de dag meemaken is mogelijk nog ideologischer en verderfelijker: het zgn. martelaarschap van Isis en andere terreurgroepen bestaat daaruit dat enkelingen zichzelf bewust van het leven beroven met de uitdrukkelijke bedoeling zoveel mogelijk anderen mee te slepen in de eigen dood.

Het christelijke martelaarschap houdt in dat je jezelf de dood niet aandoet (stel je voor !) maar dat je, wat je aangedaan wordt, verdraagt. Christelijk martelaarschap is dat je met de mond getuigt. Christelijk martelaarschap is dat je Jezus ziet, die ten hemel is gevaren en nu zit aan de rechterhand van God. Het christelijke martelaarschap is niet bedoeld om te verderven, maar om te behouden – zelfs je vijanden. Vandaar de bede van Stefanus: “Heer (kurios) vergeef het hun. Ze weten niet wat ze doen.”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 juli 2015

Ecclesia | 16 Pagina's

Martelaarschap in het christendom en de islam - wat het christelijk martelaarschap bijzonder maakt

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 25 juli 2015

Ecclesia | 16 Pagina's