De kerk in een apocalyptische tijd
De kerk in een apocalypti
HHet bijbelboek Openbaring aan Johannes vertelt over het heilsplan van de Here God en over de wijze waarop dit heilplan wordt volvoerd.
In het vierde hoofdstuk ziet Johannes de heerlijkheid van God de Schepper. Heel de schepping bezingt zijn lof. Daarin ligt uitgedrukt wat het doel is van de schepping: de lofprijzing van de Here God. Het vijfde hoofdstuk laat echter zien dat er een stagnatie is opgetreden. Er is sprake van een impasse. Het doel laat zich zomaar niet verwezenlijken, dit tot ontsteltenis van de hemel en de aarde. Deze impasse wordt beeldrijk voorgesteld. We zien een rol in de rechterhand van God. In de rol valt Gods heilsplan te lezen. De rol is echter verzegeld. De centrale vraag is wie de rol mag openen. Wie is er waardig om de rol uit Gods hand te ontvangen, hem te openen en Gods heilsplan ten uitvoer te brengen? Er wordt niemand gevonden.
Dan treedt er toch iemand naar voren. ‘De Leeuw uit de stam van Juda’ is waardig de rol te openen. Hij is ook ‘het Lam dat geslacht is’. Met deze Leeuw en met dit Lam wordt Christus bedoeld.
Johannes vertelt ons ook van de gemeente, die bij het Lam hoort. Ook voor haar is de geschiedenis een gesloten boek. Zij heeft veel te lijden in de geschiedenis. Wat is het doel ervan? Johannes ziet dat zij een appèl doet op Christus. Zij verlangt naar de voltooiing van Gods heilsplan en vraagt indringend hoe lang het nog duurt voor het einde daar is. Voor haar is het een raadsel welke weg zij heeft te gaan en wat haar roeping is in de geschiedenis.
Juist dat valt in de boekrol te lezen. Nadat de zegels geopend zijn, wordt de rol in de vorm van een boekje gegeven aan Johannes. Hij krijgt de merkwaardige opdracht om de rol op te eten (Openb. 10: 9). Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat Johannes inzage krijgt in de inhoud van de boekrol. Hij moet zich die eigen maken. Als hij dat gedaan heeft, kan hij profeteren en aan de gemeente bekend maken wat er in de toekomst zal gebeuren en wat haar roeping zal zijn. Hij kan haar bemoedigen om te volharden in haar taak.
Als Johannes de boekrol gegeten heeft, wordt duidelijk dat de gemeente haar roeping alleen kan vervullen als zij zich oriënteert op Christus, die de Leeuw is uit de stam van Juda en het Lam.
De centrale vragen die we ons stellen, zijn: (1) Wie is de Leeuw en het Lam?; (2) Hoe kan de gemeente in verbondenheid aan Hem bijdragen aan de realisatie van het heilsplan van God?
I. Wie is de Leeuw en het Lam?
Graag wil ik enkele teksten aanstippen uit het Oude Testament die ons duidelijk maken wat wij moeten verstaan onder de Leeuw en het Lam.
In Genesis 49 lezen we dat Jacob op zijn sterfbed zijn zonen bij zich roept. Voordat hij hen zegent, geeft hij van elk van hen een typering, ook van Juda. Hij kenschetst Juda als een leeuw. Hij is sterk en boezemt vrees in. Hij heeft iets koninklijks. Zijn nageslacht zal regeren, want de scepter zal uit Silo niet wijken. Juda is ook rijk. Hij kan het zich veroorloven om zijn ezel te binden aan een wijnrank, ook al weet hij dat het dier de druiven zal verorberen. Dit tekent de overvloed waarin hij leeft. Daar komt bij dat Juda knap is van uiterlijk. Zijn ogen zijn rood en zijn tanden wit. Beide kleuren onderstrepen nog eens de overvloed die hem te beurt is gevallen: rood is de kleur van de wijn, wit van de melk.
David Wie het Oude Testament enigermate kent, begrijpt al snel dat de woorden van Jacob iets naar voren laten komen van eigenschappen die David, de ideale koningszoon uit het geslacht van Juda bezat. Hij was knap, rossig van aangezicht. Hij had leeuwenmoed en boezemde zijn vijanden schrik in. Hij bracht Israël tot glorie.
Salomo
De overvloed waarin ‘Juda’ leeft, vinden we vooral bij Salomo. Onder zijn bewind was er sprake van grote voorspoed. Op de velden wuifde het koren en de heuvels ‘golfden’ van de grote hoeveelheden schapen (Psalm 72). In zijn dagen werd Jeruzalem een glorierijke stad, mede omdat hij Gods toestemming kreeg om de tempel te bouwen. Dit voorrecht viel zijn vader David niet te beurt. Salomo’s koningschap werd immers gekenmerkt door wijsheid en niet, zoals dat van zijn vader, door het zwaard. Salomo muntte uit in wijsheid. De roem daarvan reikte tot in Ethiopië.
In de tijd van Jesaja
In de tijd van Jesaja verliest het koningschap uit het geslacht van Juda veel van zijn luister. Jesaja voorspelt dat de boom van Isaï (de vader van David) wordt afgehouwen. Hij profeteert ook van een nieuw begin. Ondanks het feit dat de boom van het geslacht van David is afgehouwen, zal God ervoor zorgen dat uit zijn geslacht een nieuwe koning opstaat. Jesaja onderstreept het feit dat deze koning bedauwd zal zijn met Gods Geest. Hij zal raad geven en wijs zijn (Jes 11: 1,2). Daar ligt het accent van zijn koningschap.
De tweede Jesaja
Aan het eind van de ballingschap neemt de tweede Jesaja (Jesaja 40 t/m 55) deze thematiek op. Hij typeert de toekomstige koning als de ‘Knecht des Heren’. In de liederen die hij over hem zingt, valt vooral één aspect van deze ‘Knecht’ op. Hij is niet alleen wijs en gedreven door de Geest van God. Wat hem vooral kenmerkt is dat hij ‘getuigt’ van Gods recht en zijn heil. Hij doet dat voor het forum van het volk van Israël en de andere volkeren op deze wereld.
Duidelijk is evenwel dat zijn getuigenis niet zomaar wordt aanvaard. Hij roept verzet op. Men veracht hem en staat hem zelfs naar het leven. Toch komt hij niet op zijn getuigenis terug. Vooral in Jesaja 53 is dit motief uitgewerkt. De ‘Knecht des Heren’ blijkt als een lam te zijn dat in zijn lijden zwijgt. Zijn zwijgen duidt op zijn overgave aan de wil van God. Het duidt er ook op dat hij zijn getuigenis handhaaft en kracht bijzet. Zijn getuigenis betreft immers het recht van God. In dit recht is Gods heil gewaarborgd. In dat heil speelt de ‘Knecht des Heren’ zelf een centrale rol: de Geest des Heren is op Hem. Hij is geroepen het heil door zijn getuigenis op de wereld te brengen. Op deze wijze is de ‘Knecht des Heren’ de belichaming van de ‘leeuw’ en het ‘lam’. Hij is volhardend en zachtmoedig, krachtig en tegelijk degene die zich overgeeft aan God. De leeuw heeft eigenschappen van het lam en het lam eigenschappen van de leeuw.
Daniël
In Daniël 5 en 7 wordt deze thematiek uitgebouwd. Ook daar is sprake van een afgehouwen boom, waarvan een wortel overblijft. In Daniël 5 duidt de beeldspraak niet op het koningshuis van David, maar op het koningschap van Nebukadnezar. Aan zijn koningschap komt een einde, doordat God hem ‘het hart’ geeft van een dier: de koning verliest zijn verstand en gedraagt zich als de beesten op het veld. De reden ervoor is zijn hoogmoed. Hij verbeeldde zich dat hij zijn uitgestrekte koningschap en grote rijkdom aan zijn eigen vernuft en kunde te danken had. Hij erkende God niet, maar maakte zichzelf tot een God. Juist op dat moment wordt de koning krankzinnig. Pas op het moment dat hij God erkent, ontvangt hij opnieuw een ‘mensenhart’. De boom was afgehouwen. Nu ontluikt er een loot aan de wortel van de boom.
Het beeld maakt duidelijk dat de ‘wortel’ van Nebukadnezars regering ligt in de erkenning van het feit dat hij de macht die hij heeft van God ontvangt. Als de koning dat erkent, is de weg vrij voor een regering overeenkomstig recht en gerechtigheid. Alleen een dergelijke regering komt de wereld ten goede. Nu pas is zijn regering ‘menselijk’. Om die reden zegt Daniël dat de koning een ‘mensenhart’ ontvangt.
Dezelfde beeldspraak als in hoofdstuk 5 komt min of meer terug in hoofdstuk 7, waarin Daniël ons het meest centrale visioen dat hij had voor ogen stelt. Daniël vertelt van een droom waarin hij de meest afschrikwekkende dieren ziet. Zij richten een ravage aan op de wereld. De dieren symboliseren de koningen die beurtelings de wereld veroverden, tot in de tweede eeuw voor Christus.
Dan ziet de profeet dat God ten gerichte komt. De hemel gaat open. God zet zich op zijn troon. Even later ziet hij iemand die lijkt op een ‘Zoon des mensen’. Hij komt voor de troon van God en ontvangt uit zijn hand de bevoegdheid om over alle volkeren te regeren. De volken worden op hun beurt opgeroepen om de Mensenzoon te erkennen. Het is duidelijk dat deze ‘Zoon des mensen’ zich onderscheidt van de andere vorsten, die door de dieren gesymboliseerd worden, doordat hij uitdrukkelijk alle macht uit Gods hand ontvangt. In tegenstelling tot hen erkent hij God als de bron van het recht en de oorsprong van zijn macht. Dat is de reden waarom hij niet wordt afgebeeld als een dier, maar als een mens. Omdat hij in de ‘geest’ van God regeert, is aan zijn regering een
belofte verbonden. Zijn regering komt alle mensen ten goede. Het Koninkrijk van God breekt door op aarde.
De Wijsheid van Salomo
Het boek De Wijsheid van Salomo, dat ongeveer 30 voor Chr. geschreven werd, sluit bij de boodschap van Daniël aan. De auteur laat zien dat Salomo gunstig afstak bij de machthebbers in zijn dagen. Deze laatsten misbruiken hun macht en verdrukken de oprechte. In tegenstelling tot hen erkent Salomo zijn afhankelijkheid van God. Hij is nederig. Als hij goed wil regeren, is hij aangewezen op Gods wijsheid. Salomo beseft dat en vraagt eerbiedig of God hem die wijsheid wil geven. In de erkenning van God als de bron van het recht en van zijn koningschap ligt het fundament van zijn regering – die erkenning vormt ‘de wortel’ van het geslacht van David.
Hooglied
Ook het bijbelboekje Hooglied zinspeelt erop dat de ideale koning ‘de leeuw is uit het geslacht van Juda’. Salomo heeft zijn oog laten vallen op een jonge eenvoudige vrouw. Hij neemt haar op in zijn harem. Maar zij heeft haar hart verpand aan een jongeman, aan wie ze trouw blijft. Even leek het erop alsof ze haar vriend veronachtzaamde. Hij stond voor haar deur en klopte. Zij deed echter, overmand door slaap, niet open. Verschrikt realiseert ze zich wat ze gedaan heeft. Ze gaat naar hem op zoek en vertelt anderen van de trouw aan haar vriend.
Na meerdere verwikkelingen dingt de koning om het geliefde meisje. Zij stemt in met zijn lovende woorden over haar schoonheid, maar voegt eraan toe dat deze niet bestemd is voor de koning maar voor haar vriend, naar wie ze toe rent. Haar vriend neemt haar mee naar zijn huis. Bijna in triomf houdt hij Salomo voor: ‘Uw harem met vrouwen mag u houden. Ik heb er geen behoefte aan. Ik hem mijn hart verpand aan die ene, die ik liefheb’ (Hooglied 8: 11, 12). Het boekje geeft impliciet kritiek op het gedrag van Salomo in de laatste jaren van zijn regering. Het laat zien dat de wijze koning Salomo dwaas geworden is. Hij hield er meerdere vrouwen op na. Ook liep hij andere goden na. Hij heeft zijn koningschap niet in wijsheid tot voltooiing gebracht. De vriend van de bruid overtreft wat wijsheid en trouw betreft Salomo.
Wie is deze vriend? De bruid zelf geeft het antwoord. Toen haar door de andere vrouwen in Salomo’s harem gevraagd werd wat haar vriend onderscheidde van anderen, zegt ze: hij is blank en rood (Hooglied 5: 10). Het zijn precies deze kleuren die kenmerkend zijn voor ‘de leeuw uit het geslacht van Juda’ (Gen. 49: 12). Hooglied laat zien dat de vriend van de bruid de kenmerken heeft van de echte ‘leeuw uit het geslacht van Juda’. Hij is in tegenstelling tot Salomo de echte representant van de wijsheid, aan wie de bruid zich kan toevertrouwen. Hij stond aan de deur en klopte om haar te wekken en tot zich te roepen. Zo zal eens de echte Zoon van David, in zijn wijsheid Israël roepen tot de bruiloft van het koninkrijk van God. Hij zal meer zijn dan Salomo!
Een terugblik
Het Oude Testament laat zien dat de typering van Juda als ‘leeuw’ een hele geschiedenis kent, waarin verschillende aspecten verbonden zijn.
We zagen dat de ‘leeuw’ een koninklijke gestalte is, die moedig is (David) en wijs (Salomo). Hij is de ‘Knecht des Heren’ (tweede Jesaja), van wie vooral geldt dat hij getuigenis aflegt van de waarheid.
Jesaja laat zien dat de Knecht des Heren God zal erkennen en uit zijn kracht zal leven. Zo wordt het recht van God op deze wereld uitgedragen en tot stand gebracht. Dit recht is het heil dat door de Knecht des Heren over de wereld zal komen.
Deze heilzame erkenning van God als de bron van het recht vinden we terug in de profetie van Daniël. De Zoon des mensen erkent God als de bron van het recht en van alle macht. Juist om die reden krijgt hij de bevoegdheid om over de hele wereld te regeren. Die erkenning maakt zijn regering zegenrijk voor de hele mensheid. In de zegen wil Hij de volkeren betrekken.
In de latere wijsheidsboeken komt Salomo naar voren als het prototype van de ideale koning en van de Messias. Hij was wijs omdat hij zich ervan bewust was dat hij voor zijn regering aangewezen was op Gods wijsheid.
Het boekje Hooglied laat impliciet zien dat de ‘leeuw uit het geslacht van Juda’ Salomo overtreft. Hij is de echte wijze, die trouw is aan zijn geliefde en die haar tot de bruiloft roept, zoals een bruid zijn bruidegom, om haar in zijn overvloed te laten delen. De liefde van de Bruidegom is sterk als de dood (Hooglied 8: 6).
II. De gemeente en Gods heilsplan
Het lijdt geen twijfel dat in het bijbelboek Openbaringen met de aanduidingen ‘de Leeuw uit het geslacht van Juda’ en ‘het Lam dat geslacht is’ Christus bedoeld wordt. Hij is de drager van alle eigenschappen van de ‘leeuw’ en het ‘lam’ die we in het Oude Testament op het spoor kwamen. In het laatste bijbelboek lichten ze in zijn Persoon beurtelings op en maakt Johannes ze
één voor één relevant voor de gemeente. De gemeente heeft er houvast aan en wordt erdoor gevormd. De eigenschappen zijn: Jezus’ getuigenis, zijn opstandingskracht, zijn volharding, zijn wijsheid en zijn liefde, die tot uitdrukking komt in zijn oproep om Hem als het Lam van God te volgen tot in het hemelse Jeruzalem.
We willen nagaan hoe Johannes de gemeente dit
voor ogen stelt en haar bemoedigt en aanspoort. We zagen dat de ‘Leeuw van het geslacht van Juda’ waardig is de boekrol te openen. De hoofdstukken 6 t/m 9 beschrijven wat er gebeurt als de zegels van het boek verbroken worden. Tal van rampen komen over de aarde. Als de boekrol geopend is, krijgt Johannes de opdracht de rol te eten. Zo maakt hij zich de inhoud ervan eigen. Nu wordt hem duidelijk hoe de geschiedenis zich ontrolt en wat de roeping van de kerk is in de geschiedenis. Dat moet hij de gemeente laten weten!
Getuigen vanuit de kracht van Jezus’ opstanding Het eerste wat hij ziet, is de voorhof van de tempel (Openb. 11). Op de voorhof staan twee figuren. Zij worden aangeduid als de ‘twee getuigen’. Alle uitleggers zijn het erover eens dat het hier gaat om getuigen die optreden in de geest van Mozes en Elia. Zij roepen de volkeren op om zich te bekeren tot God. Al snel blijkt dat deze boodschap hun niet in dank wordt afgenomen. Ze worden gedood. Door Gods kracht komen ze echter weer tot leven. De gevolgen van hun getuigenis en van dit wonder zijn enorm. Het merendeel van de volken komt tot geloof. Slechts een tiende van de mensheid blijft ongehoorzaam (vers 13).
De strekking van dit visioen is duidelijk. De gemeente wordt opgeroepen om in vertrouwen het spoor te gaan van de twee getuigen. Evenals Mozes en Elia zullen zij voor koningen en hooggeplaatsten ter verantwoording worden geroepen. Juist in zulke situaties gaat het erom dat de gemeente zich niet laat intimideren maar vrijmoedig spreekt en getuigt van de waarheid. Zij gaat dan in het voetspoor van Christus die de gemeente liet groeten als ‘de trouwe Getuige, de eerstgeborene van de doden en de Vorst van de koningen der aarde’ (Openb. 1: 5).
Als de gemeente dat doet, mag zij wonderen verwachten. Het Evangelie zal zich ondanks de vervolgingen vertakken over de hele wereld. Het is zoals Chesterton zei: ‘De kerk is in de wereldgeschiedenis wel vijf keer gestorven en zes keer opgestaan.’
De gemeente vindt haar kracht om te getuigen in Jezus zelf – Hij is de trouwe Getuige, die opstond uit de dood en regeert over alle vorsten op de aarde.
Geduld uit kracht van het Lam dat staat op de heuvel De gevolgen van de prediking van de kerk zijn zo groot dat het is alsof het einde van de wereldgeschiedenis in zicht komt. Het is alsof er al iets oplicht van de hemelse werkelijkheid. De apostel ziet de tempel geopend en hoort al iets van de hemelse lofzang (Openb. 11: 12)!
Maar dan is het alsof de hemelse werkelijkheid vervaagt (Openb. 12). Johannes oog wordt weer getrokken naar de aarde. Nog duidelijker dan voorheen ziet hij achter de schermen van wat zich in de wereldgeschiedenis voordoet. Nog helderder wordt het hem welke roeping de gemeente van Christus heeft in de wereld.
Johannes ziet een vrouw. Zij baart een kind. Met de vrouw worden Eva en Maria bedoeld, maar ook de kerk. Eva kreeg de belofte van een Kind dat tot zegen zou zijn van de mensheid en de boze de kop zou vermorzelen. Maria was de moeder des Heren. Zij bracht Jezus ter wereld. De kerk volgt haar spoor en maakt door haar getuigenis de Naam van Christus bekend.
Johannes ziet dat de vrouw en het Kind worden bedreigd door een monsterlijk dier, dat uit de hemel is gevallen. Het is een draak: de boze. Het Kind wordt aan zijn greep onttrokken. Het wordt opgenomen in de hemel. De vrouw vindt een veilige vluchtplaats in de woestijn. De schepping komt haar, als de draak haar achtervolgt, te hulp.
Zo is de situatie van de Kerk. Zij heeft te maken met de draak. Johannes legt uit: de boze is in de hemelse gewesten verslagen en is op de aarde geworpen. In de hemel heeft het Lam definitief overwonnen. Op de aarde kan de boze zijn woede voorlopig nog botvieren. Waar kan hij deze beter op richten dan op de vrouw, de gemeente van Christus? In donkere kleuren schildert Johannes wat hij ziet. De draak richt een ravage aan.
Het is opvallend dat het beest in veel opzichten een persiflage is van het Lam van God. Het Lam was onoverwinnelijk. De boze lijkt dat eveneens te zijn. Evenals het Lam heeft de boze iemand die van hem getuigt. Deze getuige is retorisch begaafd. Zijn boodschap gaat gepaard met wonderen en krachten. Zo is hij in staat het overgrote deel van de mensheid te verleiden. Wie bij het beest hoort, krijgt een teken opgedrukt op het voorhoofd, het teken van het beest. Het is de antipode van het teken van de doop, dat de christen ontving. Het getal van het beest, geeft aan hoever zijn macht reikt: 666. Het is het getal dat het getal van de volheid bijna evenaart. Het dier lijkt dan ook oppermachtig te zijn en niemand lijkt tegen het beest opgewassen. Hij laat de mensen versteld staan van zijn macht en kunde.
Door dit alles komt de gemeente van Christus in het gedrang. Alleen door geduld en volharding kan de gemeente staande blijven. Daartoe roept Johannes haar op. Maar hoe kan ze dat opbrengen? Zij kan dat door goed in zich op te nemen wat Johannes vervolgens ziet (Openb. 14).
Johannes ziet een laagvlakte. Daarin wordt strijd geleverd. De gemeente verblijft daar en de boze richt er een ravage aan. Er hangen donkere wolken boven de vlakte. Niemand is in staat er doorheen te zien. Opeens breekt er wat licht door. De kruitdampen trekken op en het wordt helderder. Johannes ontwaart een heuvel, aan de rand van de vlakte. Het is de heuvel Sion. Wat hij dan ziet! Op de heuvel staat iemand. Hij kijkt uit over de laagvlakte. Het is het Lam. Het staat er fier, als een generaal die het strijdtoneel overziet en precies weet wat hij doen moet. Het heeft alle macht. Degene die met Johannes meekijkt, voelt dat het Lam er niet werkeloos staat. Het heeft de overwinning behaald. Hij is in het hemelse Jeruzalem, maar Hij is zeer betrokken op de gemeente, die zich in de laagvlakte bevindt. Hij zal optreden als het nodig is.
Het tafereel doet denken aan Napoleon, die de gewoonte had om vanaf een heuvel het strijdgewoel gade te slaan. Het is bekend dat het zien van hem zijn soldaten met kracht bezielde. Ze kregen moed en vochten, zo nodig, tot het bittere einde.
Johannes vertelt dat hij vervolgens het geraas hoort van veel wateren en zware donderslagen. Het lijkt alsof het gericht wordt aangekondigd. Opeens dringt een heel ander geluid door. Johannes hoort citerspel! Natuurlijk wil Johannes dat we als het ware meeluisteren naar de milde en toch krachtige en hoopvolle tonen van dit instrument, waarvan het geluid eerst zacht, maar vervolgens steeds duidelijker doordrong in de laagvlakte waar de gemeente de macht van de boze zo zwaar ondervindt. Hij wil dat we onder de bekoring komen van deze muziek en opademen. Het doet denken aan het verhaal van de Duitse militair die in de Tweede Wereldoorlog in Rusland gedurende urenlang onder spervuur had gelegen en zijn leven geen minuut zeker was. Opeens werd het stil. In deze stilte schalde er plotseling een hemels gezang over het slagveld. Hij kon niet anders dan geloven dat hij engelen hoorde zingen. Later bleek dat de telefoonlijn volkomen onverwacht het geluid had opgevangen van een zang in een kerk ver weg. Even drong de hemel door in de hel van het oorlogsgeweld. Zo hoort de gemeente te midden van de donder het milde en zachte geluid van een citer.
Johannes ziet het Lam, hij hoort het citerspel. Hij weet dat hij de gemeente daarop moet wijzen. Door dit zien en dit horen moet zij zich laten bemoedigen om haar roeping te volbrengen. Zij kan dat alleen door geduld en trouw. Beide valt op te brengen door de kracht en inspiratie die het Lam, dat de overwinning al behaald heeft, geeft.
Wijsheid door de kennis van Christus
Nadat hij dit gezien heeft, wordt hem door een volgend visioen nog duidelijker wat de achtergronden zijn van het wereldgebeuren en op welk terrein de confrontatie tussen de boze en de kerk plaatsvindt. Hij ziet de stad Babylon. Daar heeft de boze zijn machtscentrum. De boze oogt als een vrouw. Maar de verschijningsvorm van deze vrouw is volstrekt anders die van de vrouw uit Openbaringen 12. Ze is een hoer. Ze is weelderig gekleed en wellustig. Ze zit op een scharlaken rood beest, dat godslasterlijk spreekt. Het dier (de boze) draagt haar. Zijn tegenkanting tegen God is haar inspiratiebron. Veelzeggend is dat ze zich ophoudt aan wateren, die door de schepen bevaren worden. In Babel wordt handel bedreven en winst gemaakt. De mensen die er wonen worden door welvaart verblindt. Ze zijn volstrekt wereldsgezind en zoeken hun heil alleen op deze wereld. Er is geen sprake meer van een geestelijke oriëntatie.
Het visioen dat Johannes krijgt, maakt duidelijk dat er wijsheid nodig is om de verleidingskunsten van de hoer te weerstaan. Zij belooft veel, maar biedt als het erop aan komt weinig.
Johannes helpt zijn lezers om hun ogen te scherpen. Heel veelzeggend is de typering van het dier dat de vrouw inspireert en kracht geeft. Johannes zegt van hem dat het “was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en… naar het verderf gaan” (vers 8), ofwel: “het was en niet is, hoewel het er toch is” (vers 11). Het voert de pretentie dat het eeuwig zal blijven en blijvend geluk kan geven. Maar dat is schijn. Zelfs als het, nadat men het dood gewaand had, uit de afgrond opklimt en een tweede of derde leven lijkt te hebben, kan het zijn pretenties niet waar maken – hij is tóch niet (echt). Het lukt hem niet over de grens van het ‘niet-zijn’ te komen tot het ‘zijn’. Als het poogt het toch te doen, wacht het het oordeel: het dier wordt voorgoed overwonnen en zal naar het verderf gaan, samen met de stad Babylon waarover hij met groot machtsvertoon regeert.
De christenen doorzien de schijn van het dier en de vrouw. Zij kennen immers Christus. Hij is de antipode van de boze. Van Hem geldt wat het dier niet waar kan maken. Van Hem geldt namelijk dat Hij ‘is en was en komen zal’. Jezus ‘is en was’: Hij is eeuwig. En Hij zal komen. Hij is in de geschiedenis geweest en zal terugkomen om het heil dat Hij geschonken heeft tot voltooiing te brengen. In het licht van de goddelijke werkelijkheid van Jezus valt het dier door de mand. Het kan zijn pretentie niet waar maken. Alleen Jezus kan eeuwig leven geven. Dat maakt het visioen dat Johannes ontvangt duidelijk. Johannes ziet hoe de stad Babylon ‘in een oogwenk’, ‘in een uur’ verdwijnt (Openb. 18: 16). Opeens is het met haar gedaan. De gemeente weet dit.
Zij is geroepen om zich niet te laten imponeren door de schijnwereld van de hoer van Babylon. Ze wordt geroepen boven einder van dit leven te kijken, naar de hemelse werkelijkheid. Zij dient eschatologisch te leven. Want ‘Hij die is en die was’, zal ook kómen!
Liefde door het appèl van de bruidegom Na het zien van dit visioen, waarbij de nadruk ligt op Hem die komen zal, dient zich een nieuw schouwspel aan dat daarop voortborduurt. Hij die komt, is het Lam. Het Lam komt om zijn gemeente te roepen tot een bruiloft! Het Lam is zelf de bruidegom (Openb. 20: 6 ev).
De gemeente wordt opgeroepen om zich gereed te maken voor de komst van de bruidegom (Openb. 20: 7). Het is haar roeping trouw te zijn aan één Man en om zich toe te wijden aan Hem.
Als ze dat doet, is ze het tegenbeeld van de woelzieke hoer van Babel, die maar één werkelijkheid kende. Ze is als de bruid uit Hooglied, die zich niet liet bepraten om ontrouw te zijn tegenover haar vriend. We zagen hoe de vriend de representant was van de wijsheid. Hij zocht zijn bruid en klopte bij haar aan. Zo staat Christus, die de Wijsheid bij uitstek is aan de deur en Hij klopt, zodat zij open doet (Openb. 3:20). We weten uit de Evangeliën dat Jezus zichzelf de Wijsheid heeft genoemd, die vermoeiden en belasten tot zich riep: “Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart en u zult rust vinden voor uw zielen.” De Wijsheid heeft iets moederlijks: “Jeruzalem hoe vaak heb Ik u bijeen willen vergaderen als een hen haar kuikens.” Jezus was bedauwd met de Geest. Deze Geest schenkt Hij aan de gemeente geeft, zodat zij samen met de Geest, roept: “Kom Here Jezus, ja kom haastig.”
Zo maakt de Bruid zich op voor de bruiloft van het Lam. Door dit blijde, eschatologische uitzicht, dat gevoed wordt door de liefde tot Christus, die om haar hand gedongen heeft, overwint zij het kwaad en kan zij komen tot de bruiloft van het Lam.
Reinheid door het Lam dat zijn leven gaf Hoe kan zij tot de bruiloft komen? Zij kan dat alleen omdat de bruiloft de bruiloft is van het Lam, die voor haar zijn leven gaf. Daardoor alleen is de macht van de boze gebroken. Jezus, die het Lam van God is, gaf zijn leven voor de zondige mensheid. Hij deed dat uit liefde. In deze liefde ligt de kracht van Jezus’ bloed. Deze liefde is onoverwinnelijk. Zij zorgt ervoor dat de bruid breekt met het kwade en gelouterd wordt en Hem lief krijgt. Deze liefde maakt het mogelijk dat de volkeren met een goed geweten de ‘exodus’ kunnen maken naar het koninkrijk der hemelen.
Zoals de koning van Egypte omkwam in de Rode Zee zal God de boze die de schepping in zijn greep heeft, verdoen. Door de liefde van Christus zal de geschapen werkelijkheid in een nieuwe gestalte oprijzen in het hemelse Jeruzalem, waar de boom des levens staat, waar een stroom ontspringt die voortdurend water geeft en waar aan weerszijden van de stroom bomen staan waarvan de bladeren genezing geven (Openb. 22).
De liefde van Christus is het fundament van deze stad. Deze liefde vond haar grond in de liefde van God de Vader. Hij wilde dat het heilsplan bekend werd en gerealiseerd zou worden. Jezus heeft zich daarvoor gegeven, in gehoorzaamheid aan de Vader en uit liefde tot de schepping.
Zo is Hij ‘De wortel van het geslacht van David’ (Openb. 22: 16).
III. Conclusie
We vroegen ons af welke taak de gemeente heeft in de wereldgeschiedenis. Het boek Openbaring aan Johannes maakt duidelijk dat de gemeente betrokken is en een functie heeft in het heilsplan van God.
Zij overwint de boze door haar getuigenis, door haar volharding in het geloof, door haar wijsheid, door haar trouw in de eschatologische gerichtheid die haar eigen is en die voortkomt uit haar liefde tot Christus. In reinheid maakt zij als de bruid de overgang naar het nieuwe Jeruzalem. Door Christus te eren overwint ze in zijn kracht de boze en draagt ze bij aan de redding van de wereld en de glorie van God. Zij weet zich afhankelijk van Christus. Hij is ‘de Leeuw uit het geslacht van Juda’. Dat wil zeggen: Hij is de getrouwe Getuige, het Lam dat staat op de berg Sion en de gemeente steunt en bemoedigt in haar strijd tegen de boze. Hij is degene ‘is en die was en die komen zal’. Hij is de Bruidegom, het Lam dat geslacht is en overwon en zo de weg baande tot de nieuwe schepping. Deze nieuwe schepping brengt de Vader tot stand dankzij het werk van de Zoon, die aan Hem gehoorzaamde en die zo de Wortel en het nageslacht van David, de blinkende Morgenster is (Openb. 22: 16).
Hij zegt tot de gemeente die nog in de geschiede nis staat en de opdracht heeft te volharden: “Wees niet bevreesd, Ik ben de Eerste en de Laatste en de Levende, en Ik ben dood geweest en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van het rijk van de dood en de van de dood zelf” (Openb. 2: 17, 18).
“En de Geest en de bruid zeggen: ‘Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! en laat hij die dorst heeft, komen; en laat hij die wil, het water des levens nemen, voor niets.’”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 23 juli 2016
Ecclesia | 16 Pagina's