Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wat is de mens? Antropologie bij Luther – een vergeten hoofdstuk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat is de mens? Antropologie bij Luther – een vergeten hoofdstuk?

29 minuten leestijd

Hoe de mens in de moderne tijd gezien wordt W

Wijdverbreid is de opvatting dat de geestesstroming die zich het humanisme noemt, oog heeft voor de waardigheid van de mens, terwijl de mens er in de kerk doorgaans niet goed van af komt. De grootheid van de mens, de waardigheid van zijn persoon, is volgens velen pas goed ontdekt in de tijd van de Renaissance door de humanistische geleerden. In de 14 e eeuw na Christus ontdeed men zich in Italië voor het eerst van de banden van de kerk en dat met een beroep op de klassieke oudheid. In die eeuw schreef Pico della Mirandola, een van de roemrijkste humanisten, een boekje met de veelzeggende titel: Over de menselijke waardigheid (1489).

Toch heeft het humanisme een aparte, opmerkelijke geschiedenis. De vertegenwoordigers van de Renaissance gaven hoog op van de mens, van zijn lichamelijke gestalte, zijn geest, zijn kunstzinnigheid, zijn denkkracht. Hun zienswijze op de mens was als een beetje gist in brood. Het doortrok de Westerse wereldbeschouwing, tot op de dag van vandaag. Hoezeer is de mens geprezen in de tijd van de Verlichting. Descartes (1596 –1650) prees hem om zijn logisch denken, Kant (1724 –1804) om zijn zuivere en praktische rede. Toen kwam de tijd van de Romantiek. Schiller (1759 – 1805) roemde hem om zijn kunstzinnigheid en verlangen naar schoonheid. Toen dienden de ideologieën zich aan. Fichte (1762 – 1814) prees hem om zijn scheppend vermogen: de mens is in staat om de toekomst vorm te geven. Hij kan uit eigen kracht een heilstaat op aarde bewerkstelligen. Karl Marx (1818 – 1883) sloot daarbij aan en predikte dat de mens de onontwijkbare gang van de geschiedenis naar deze heilstaat kan versnellen door revoluties te forceren.

Dan echter klinkt een kritisch geluid. Schopenhauer (1788 – 1860) zet kanttekeningen bij de onuitblusbare levensdrift van de mens, die hem zoveel teleurstellingen doet ervaren. Dat vertoornt Nietzsche (1844 – 1900) die de levenswil juist wenst te vieren, ook al weet hij dat het leven omringd is door het lege niets. Zijn stem klinkt echter al schril en slaat over. De tijd dient zich aan dat de verwachtingen rond de mens in duigen vallen: slechts 14 jaar na Nietzsche’s dood is Europa het toneel van een vreselijke oorlog, die miljoenen mensen het leven kost. Drie jaar later maakt Sigmund Freud (1856 – 1939) de balans op: de mens dácht baas te zijn over de wereld – hij is het niet eens over zichzelf.

De wetenschap heeft in het zelfbeeld van de mens drie verwondingen aangebracht, aldus Freud. Copernicus heeft hem doen inzien dat de aarde niet het middelpunt van het heelal vormt, Darwin dat de oorsprong van het leven op louter toeval berust, maar Freud brengt de derde en gevoeligste verwonding aan: ‘de psycho-analyse bewijst dat de mens niet eens baas is in zijn eigen huis.’ 1 De mens is een knoop van driften, die vooral voortkomen uit de problematische verhouding tot de vader (oedipuscomplex) die hij met moeite in de hand kan houden. Hij kan zijn begeerten alleen reguleren als hij de balans weet te vinden tussen wat de maatschappij vraagt en zijn wensen. Daarbij kunnen wetenschap, kunst en godsdienst behulpzaam zijn. 2

Zo ziet de huidige mens zich als een toevallig natuurproduct, als een wezen dat via zijn denken, in interactie met de maatschappij, zijn driften moet zien te reguleren. Daarbij kunnen sport, wetenschap, kunst en spiritualiteit helpen. Wie deze driftregulatie niet op kan brengen, kan worden geholpen door de psychologie en psychiatrie.

Verhaeghe en Foucault – zorg voor jezelf

Een belangrijke hedendaagse psychotherapeut, Paul Verhaeghe, probeert via zijn geschriften de moderne mens te helpen het juiste midden te houden. Verhaeghe is ervan overtuigd dat de moderne mens dit juiste midden kwijt is. Een van zijn belangrijkste boodschappen luidt: weet u te beheersen. In dit kader wijst hij op het belangrijke begrip: ‘zorg voor jezelf’. Wie zorg draagt voor zijn ‘zelf’, hoedt zich voor overmaat. Het ‘zelf’ van de mens bestaat uit twee ‘componenten’: afhankelijkheid en onafhankelijkheid. Een mens is afhankelijk van de begrenzingen van zijn lichaam en van de mogelijkheden die hem in de maatschappij geboden worden. De mens is ook onafhankelijk. Hij moet zijn leven zelfstandig leiden en vorm geven. ‘Zorg voor jezelf’ betekent dat je een goed evenwicht vindt tussen je afhankelijk-zijn en je onafhankelijkheid. Conflicten, frustraties en stoornissen komen voort uit een overdreven streven naar autonomie of uit ongezonde afhankelijkheidsrelaties. 3

Het is veelzeggend dat Paul Verhaeghe het begrip ‘zorg voor jezelf’ gebruikt. De uitdrukking is de laatste jaren vooral door de Franse filosoof Michel Foucault (1926 –1984) in de mode gekomen. Foucault verwijst naar dit begrip in colleges die hij als hoogleraar in de filosofie tijdens zijn laatste levensjaren in Parijs heeft gegeven. Het valt echter op dat Foucault in tegenstelling tot Verhaeghe voluit in het licht stelt dat de term uit het oude Griekenland afkomstig is.

Daar komt bij dat Foucault, opnieuw in tegenstelling tot Verhaeghe, uitvoerig ingaat op het feit dat ‘zorg voor jezelf’ voor de Grieken de betekenis had van ‘zorg dragen voor je ziel’. In zijn colleges gaat hij uitgebreid in op Socrates en Plato. Zij stelden dat je pas zorg kunt dragen voor je ziel als je jezelf leert kennen in het licht van God. 4

Hoe verschilt het mensbeeld van Socrates en Plato met het mensbeeld van Freud! Foucault weet dat hun visie op de mens, samen met het bijbelse mensbeeld eeuwenlang de grondslag vormde van het Westerse denken over de mens.

Plato en Socrates over de ziel

Om die reden loont het de moeite wat dieper in te gaan op het mensbeeld van Socrates en Plato. Ik leg de nadruk op de volgende aspecten:

Socrates ontdekte dat Gods stem in de ziel de herinnering wakker houdt aan de oorsprong en de bestemming van de mens.

In het innerlijk van de mens resoneert iets van Gods stem. Hij roept de mens tot zich en vraagt om een innerlijke afstemming op zijn wil.

Socrates zag het als zijn roeping anderen behulpzaam te zijn om deze afstemming teweeg te brengen. Hij poogde dit te doen door bij de ander het latente Godsbesef te actualiseren. Hij deed dat door middel van de dialoog, waarbij hij de ander open wilde maken voor God.

Het ging Socrates erom het besef wakker te maken dat de juiste oriëntatie op God belangrijker is dan wat ook maar. Daar ligt de kern van ‘zorg voor jezelf’.

‘Zorg voor jezelf’ kun je pas echt goed hebben, als je je zelf ontdekt in het licht van God. Dit ‘zelf’ in zijn verhouding tot God, is de ziel. Socrates besefte dat iemand zijn ziel kan verwaarlozen. Het leeft dan in het duister, hij kan niet bepalen wat goed en kwaad is, terwijl het goed mogelijk is dat hij hoogmoedig is en tegelijk niet opgewassen is tegen zijn begeerten.

Plato ging in het spoor van Socrates. Hij onderstreepte dat de roepstem van God tot de mens komt uit de hemelse werkelijkheid, waarvan de kosmos ‘slechts’ een afschaduwing is. Het volgen van Gods roepstem betekent een ommekeer. Een oriëntatie daarop houdt in dat men gaat rekenen met de hemelse werkelijkheid, die eeuwig is en waarop de ziel is aangelegd. In het goede dat deze hemelse werkelijkheid eigen is, komt de ziel pas echt tot leven.

Opvoeding (paideia) beoogt jonge mensen in aanraking te brengen met de wereld van God. De belangrijkste componenten in de opvoeding zijn: vertellingen over wie God is, religieuze lyriek, lichamelijke krachtsinspanning.

God heeft feestdagen gegeven om de mens boven de sleur van het moeizame, dagelijkse leven uit te tillen en vreugde te geven. De liederen die op feestdagen gezongen werden en de processie naar het heiligdom, die gepaard ging met dans, onderbraken het dagelijkse leven en boden de mogelijkheid het leven af te stemmen op de hogere wereld. Daardoor krijgt de mens weer adem.

Door krachtsinspanning leert een kind tegen zijn directe wensen en begeerten in te gaan en wordt het moedig.

Als het fijnzinnige van de religiositeit samengaat met moed, vormen beide componenten het karakter van het kind. Pas als aan deze voorwaarde voldaan is, kan een kind in de puberteit zich ervan bewust worden dat Gods wil van grotere betekenis is dan zijn directe wensen en kan hij de kracht opbrengen om overeenkomstig deze overtuiging te leven. Een juiste opvoeding is een voorwaarde voor een juiste levenshouding in een later levensstadium, maar biedt geen garantie.

Plato lijdt niet aan een flauwhartig optimisme. Hij kent maar al te goed de verleidingen van het leven en de verkeerde krachten in de mens, waarop deze een beroep doen. Dat brengt hem ertoe te erkennen dat er sprake moet zijn van genade (een ‘goddelijk beschikking’) als een mens zijn juiste oriëntatie vindt en deze in het leven vasthoudt.

Vooral in De Wetten, één van Plato’s laatste geschriften ontvouwt hij zijn mensbeeld. In dit geschrift omschrijft hij ‘de structuur’ van het innerlijk van de mens. Daarin bevinden zich drie geledingen. Het hoogste in rang is de geest van de mens. De geest is dat gedeelte in de mens dat gericht is naar boven, naar God. Dan is er de ziel van de mens, waarin het verstand en de wil zetelen. Als de geest gericht is op God, wordt de ziel van de mens bevleugeld. Het verstand van de mens wordt verlicht. Hij ontvangt wijsheid, zodat hij een juiste inschatting kan maken omtrent de betekenis van dingen en situaties. Zo weet hij hoe hij in het licht van de eeuwigheid het best kan handelen. Daarnaast wordt de wil gesterkt om in samenspel met het verstand begeerten, die hem naar beneden trekken, te beteugelen en te leiden. Allesbepalend is dus de oriëntatie van de geest op God en de goddelijke wereld.

Plato’s mensbeeld is van grote invloed geweest op het late Jodendom. Zij was volledig inpasbaar in het geloof dat de Joden was overgeleverd. We vinden er de sporen van in het Nieuwe Testament. In 1 Thessalonicenzen 5: 23 houdt de apostel Paulus de gemeente voor: ‘En moge de God van de vrede zelf u geheel en al heiligen en moge uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam onberispelijk bewaard zijn bij de komst van onze Here Jezus Christus.’ De driedeling van Plato vormt de grondslag voor het denken over de mens in Europa. Men treft haar aan bij Augustinus, Boëthius, men komt haar tegen bij Bonaventura, Thomas van Aquino en Dante.

De oorzaak van de verandering van het mensbeeld – het humanisme

Met de naam van Dante bevinden we ons in de veertiende eeuw. In de tweede helft van deze eeuw vindt in Italië de zogenaamde Renaissance plaats. Dan doet zich het opzienbarende voor dat de humanisten breken met het mensbeeld, zoals dat in het Westen ingang had gevonden.

Wat lag ten grondslag aan deze breuk en hoe voltrok hij zich?

De veertiende eeuw was de eeuw van de opkomst van de Italiaanse steden en van de stadscultuur die daarmee verbonden was. Steden als Florence, Genua, Venetië kwamen tot grote bloei door nijverheid en handel.

De politieke situatie in Italië en de Italiaanse steden was echter verre van rooskleurig. Al tientallen jaren was er sprake van een diepe vete tussen de paus en de keizer, wiens invloed in Italië buitengewoon groot was. Beiden hadden in de steden hun eigen facties die elkaar op leven en dood bestreden. De facties zelf waren bovendien ook nog onderling sterk verdeeld. De steden waren een broedplaats van veten die gepaard gingen met naijver, haat, moord en doodslag. Het gevolg daarvan was dat men op zichzelf was aangewezen.

Het merkwaardige is dat juist in deze tijd (de veertiende en vijftiende eeuw) deze steden bevolkt werden door meerdere geniale figuren, die op alle terreinen uitblonken (de zogenaamde homo universalis). Een van hen was Francesco Petrarca (1304 –1374).

In deze situatie, waarin de kerk aan gezag inboette en het staatsgezag wegviel, heeft het Petrarca ontbroken aan een gezaghebbend oriëntatiepunt. Toch vond hij die. In zijn jeugd werd hij gegrepen door de geschriften van Cicero. Een andere wereld leek naar hem toe te komen, een wereld die om drie redenen sterk tot zijn verbeelding sprak:

èè Voor zijn besef deed Cicero een beroep op de eigen kracht (deugd) van de mens tegenover de lotgevallen van het leven. Men moet tegenover het lot zijn mannelijkheid bewijzen.

èè De eigen kracht van de mens kan worden aangewakkerd door de retorica. Zij zet de wil in vuur en vlam.

èè De oude Romeinse deugd vormde de voedingsbodem voor de eenheid van Italië en voor haar grootheid in de wereld. Deze grootheid stak schril af bij het verdeelde Italië van de 14 e eeuw en werd al snel tot een ideaal dat men ook in de eigen tijd moest verwezenlijken.

In een tijd waarin de Italiaanse geleerden zich tot veel in staat achtten, meenden zij in de Romeinse, voorchristelijke geschriften die elementen te vinden die hun van pas kwamen om zich in een wereld waarin zij op zichzelf aangewezen waren te profileren. Zij werden vooral bekoord door de schrijfstijl van Cicero. Dat gold in het bijzonder Petrarca. Zozeer werd hij ingenomen door Cicero’s retorica dat ook hij niets liever wenste dan zich (evenals Cicero) met behulp van de retorica te onderscheiden. Petrarca beleefde in de bekoring van de retorica zijn eigen individualiteit, zijn eigen mens-zijn en dat los van elk (ook hiërarchisch) verband van de kerk of van staat. Zijn kunstzinnigheid hielp hem te verwoorden wie hij was en wat er in hem omging. Het subject zelf maakte hij interessant. Het leek alsof men eeuwen lang geen oog gehad had voor de mens, voor zijn geest- en wilskracht, die geactiveerd konden worden door de kracht van de redenaarskunst. Het ging er hem om dat de mens zich zou profileren naar het voorbeeld van grootheden uit de klassieke wereld. Petrarca vervreemdde van het dualistische levensbesef dat de kerk predikte en de Middeleeuwse gelovige in zich omdroeg.

De humanistische geleerden van de 14e en 15e eeuw begonnen zichzelf te bewonderen. Zij kozen de wereld als het terrein waarop zij zich konden waar maken en roem konden verwerven. 5

Een vergissing!

Petrarca bewonderde vooral de latijnse klassieke schrijvers. Anderen die in zijn spoor gingen (Pico della Mirandola), verdiepten zich ook in Plato. Zij veronderstelden dat hun visie op het leven overeenkwam met die van de door hen bewonderde klassieke schrijvers. Daarin vergisten zij zich volkomen. Zij deden volstrekt geen recht aan de Griekse filosofen. Zij deden dat ook niet aan Cicero, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Maarten Luther. Luther zwaait Cicero buitengewoon veel lof toe, maar weet ook van de tragische aspecten in zijn leven, die hij deels zelf in de hand werkte. 6

Door de grote nadruk die de humanisten legden op de retorica als middel om hun eigen roem te vergroten, waren zij eerder verwant aan de sofisten dan aan Socrates en Plato die de sofisten hun leven lang bestreden hebben. 7 Sofisten en sceptici legden veel nadruk op de welsprekendheid, waarmee ze indruk wilden maken en anderen wilden beïnvloeden. De vraag naar de waarheid was voor hen van ondergeschikt belang. Achter deze mentaliteit ging volgens Plato verwatenheid en hoogmoed schuil. Met het oog op hen schreef hij in De Wetten de bezwerende woorden: ‘wie opgeblazen is van trots, wie groot gaat op rijkdommen of eretitels, of ook op lichamelijke schoonheid verbonden met jeugd en onbezonnenheid, wie de overmoed in zijn ziel ontsteekt alsof hij het zonder gezag of leiding kon stellen en alsof hij mans genoeg is om anderen te leiden, die wordt door God verlaten en blijft alleen staan. In de ogen van velen lijkt hij een persoonlijkheid te zijn, maar lang duurt het niet of hij moet de wraak van de rechtvaardigheid ondervinden – een wraak die niet te onderschatten is! – en hij bewerkt de ondergang van zichzelf, zijn huis en zijn staat!’

Voor de ernst van dergelijke woorden had iemand als Petrarca geen oog. 8 De waarheid is bij hem subjectief geworden. Juist daartegen hadden uitgerekend Socrates en Plato (en ook Cicero) zich verzet. Simone Weil tekende daarom volkomen terecht in een van haar dagboeken aan: ‘Al onze geestelijke tekorten en fouten komen uit de Renaissance die het christendom verraden heeft voor Griekenland, maar terwijl zij bij de Grieken iets anders zocht dan het christelijk geloof, heeft zij Griekenland niet begrepen.’ 9

Maarten Luther!

Welk antwoord had de kerk op deze breuk met het christelijke verleden? De kerk had weinig verweer. Het pausdom was volstrekt verwereldlijkt en gedemoraliseerd. Het ontbrak aan geestelijk gezag.

Toen schoof de Here God een jonge monnik naar voren. Hij sprak wel met geestelijk gezag: Maarten Luther.

Luther werd geboren in 1483. Hij werd in 1503 monnik. In die tijd drongen de verworvenheden van de Renaissance door in Noord-Europa. Met dankbaarheid maakte Luther gebruik van de mogelijkheden die de Italiaanse geleerden boden. In zijn studie liet hij zich leiden door hun adagium ‘terug naar de bronnen’. Hij verdiepte zich in het Grieks en Hebreeuws. Hij benutte de uitgaven van de klassieke schrijvers, onder wie Plato en de kerkvaders. Luther las vooral de Bijbel.

En in de Bijbel sprak God tot hem. Wat Socrates en Plato enigermate inzagen, was voor Luther een sterke realiteit. Socrates en Plato hoorden vanuit de verte in de stem van het geweten Gods stem, die hen herinnerde aan de oorsprong van de mens en aan zijn bestemming. Zij ervoeren de afstand tussen wat God hen deed zien en de realiteit van het leven. Dat gaf hun een ‘tragisch levensbewustzijn’, het wakkerde het verlangen aan naar God (eroos). Deze zwakke stem van het geweten werd bij Luther door de Schrift een krachtige roep van God. En deze roep deed Luther (meer dan Plato en Socrates ooit hadden kunnen vermoeden) de afstand voelen tussen God die heilig is en de zondige mens, die Luther was. Dit besef bracht Luther tot de kernvraag van zijn leven: ‘Hoe krijg ik een genadige God?’ Hoe kom ik, zondig mens, in een juiste verhouding tot God te staan? Want alleen in die goede verhouding kan mijn ziel leven!

Luthers hart bleef onrustig tot hij in het Evangelie Christus vond. Over deze ontdekking schrijft hij: ‘Toen was het mij alsof de poorten van het paradijs open gingen en ik kon binnengaan.’ Christus is die weg.

Het hoeft niet te verwonderen dat Luthers preken en colleges na deze ontdekking zich kenmerkten door ernst en vreugde: de ernst van de vraag naar het heil ging gepaard met de vreugde van de ontdekking van het Evangelie. Als dan kort na Luthers ontdekking van Gods genade Tetzel op het toneel verschijnt, die in naam van de paus de aflaat predikt, kan dat niet anders dan tot een confrontatie leiden. Zijn 95 stellingen uit 1517 komen voort uit grote verontwaardiging, die opgewekt werd vanwege het gebrek aan ernst van deze prediker en van de paus uit wiens naam hij sprak.

Erasmus en de vrije wil

Maar Luther vond niet alleen de paus op zijn weg. Het gold enkele jaren later ook voor Erasmus, die in de noordelijke landen de representant bij uitstek was van het in Italië begonnen humanisme. 10

Toen in 1517 de strijd ontbrandde tussen Luther en Rome, had Erasmus sympathie voor Luther. Luther wees immers op veel misstanden in het pausdom, die ook Erasmus tegen de borst stuitten. Bij voorkeur hield hij zich echter buiten het conflict dat na 1517 steeds grotere omvang aannam en Europa in tweeën dreigde te breken. Het liefst bleef Erasmus een kritische insider van de Rooms-katholieke kerk. Erasmus’ eigenlijke interesse lag namelijk niet in de vraag die Luther zo ter harte ging: ‘hoe krijg ik een genadige God?’

Veel belangrijker vond Erasmus de kwestie van de vrije wil. Als de mens niet vrij is, heeft hij ook niet de mogelijkheid om met behulp van de bonae literae (de schone letteren) een vredelievend en goed mens te worden. Erasmus geloofde in de kracht van de bonae literae, van de gestyleerde vorm, van de retoriek. Zij zouden in staat zijn de mens in zijn diepste innerlijk aan te spreken, zodat hij een vredelievend mens werd, die de geboden van Christus in praktijk bracht. Dat zou borg staan voor eendracht in Europa. Daarmee ging hij in het spoor van Petrarca.

Erasmus schreef zijn boek over de vrije wil in 1524. Luther antwoordde in 1525. In zijn De gebonden wil fulmineerde hij tegen de humanistische geleerde. Wat hem opwond, waren niet alleen de argumenten die Erasmus aanvoerde in zijn verdediging van de vrijheid van de wil. Hij fulmineerde vanwege de mentaliteit die in het boek schuil ging. Luther ontmaskerde Erasmus’ sofistische denktrant.

Zoals gezegd: het liefst had Erasmus zich afzijdig gehouden, niet alleen omdat hij irenisch gezind was, maar vooral omdat hij sceptisch was ten opzichte van de vragen die voor Luther van levensbelang waren.

Erasmus schrijft: ‘Ik houd zo weinig van stellige verzekeringen, dat ik mij gemakkelijk onder de sceptici zou scharen, overal waar dit door de onschendbare autoriteit van de Heilige Schrift en de decreten van de kerk geoorloofd is.’ Erasmus vraagt zich af welke zin allerlei subtiele strijdvragen hebben gehad: ‘Wij hebben zoveel gedefinieerd, wat zonder gevaar voor ons heil óf niet geweten óf in het midden gelaten had kunnen worden...’ ‘De hoofdzaak van onze godsdienst is vrede en eensgezindheid. Deze kan nauwelijks bestaan tenzij wij omtrent zo weinig mogelijk punten definities opstellen en in veel dingen aan ieder zijn oordeel vrij laten. Tal van vraagstukken worden thans opgeschort tot het oecumenisch concilie. Het zou veel beter zijn, dergelijke vragen op te schorten tot die tijd, wanneer de spiegel en het raadsel zullen zijn opgeheven en wij God zullen zien van aangezicht tot aangezicht.’

Deze citaten wekten Luthers verontwaardiging. Hij hield Erasmus voor: ‘Zo spreekt geen christen. Die wil weten hoe het er met hem voorstaat voor God.’ De hele Bijbel liet Luther zien hoe wezenlijk de vraag naar het heil en de zekerheid daaromtrent is. Vandaar dat hij opmerkte: ‘De Heilige Geest is geen scepticus.’

Samenvattend kan men zeggen dat Luther Erasmus verweet: ‘Je bent niet echt geïnteresseerd in wat waarheid is voor God, in het zoeken en vinden van God en van zijn genade.’

Wat Luther voorzag op grond van zijn mensbeeld

Waarom hekelde Luther Erasmus’ onverschilligheid? De vraag is gerechtvaardigd omdat Luther aanvankelijk nauwelijks aandacht besteedde aan Erasmus’ boek. De argumentatie was zo flauwhartig dat hij veronderstelde dat niemand onder de indruk zou raken. Toen hij merkte dat men rondbazuinde dat hij geen weerwoord had, reageerde hij. Hij deed dat heftig. Luther besefte dat Erasmus een cruciale figuur was, die bepalend kon zijn voor de toekomst van Europa. Wat als Erasmus’ geest van scepticisme zou doordringen in Duitsland en in de kerk? 11 Wie niet ernstig is, weet de weg naar het Evangelie niet te vinden! Als er sprake is van een geest van scepticisme rondom de diepste vragen van het heil, verdampt ook het belang van het Evangelie. Luther voorzag welke consequenties er aan de hoogmoedige en sceptische denktrant van Erasmus verbonden waren. Waar de vraag naar het heil niet meer relevant is en niet meer beantwoord kan worden, kan de geest van de mens niet meer boven zichzelf uitgetild worden en in aanraking komen met de kracht van God die in het Evangelie manifest is. Daardoor raakt het innerlijk van de mens in verval. Dat Luthers heftigheid daaruit te verklaren valt, wordt duidelijk uit een fragment van zijn uitleg van het Magnificat.

In een buitengewoon belangrijke tekst, die desondanks vaak over het hoofd is gezien, 12 gaat hij in op de woorden van Maria ‘Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.’ Luther verwijst in zijn uitleg naar 1 Thessalonicenzen 5 en schrijft:

‘De geest is het hoogste en diepste en edelste deel van de mens, waarmee hij in staat is onbegrijpelijke en onzichtbare en eeuwige dingen te begrijpen. Het is kortom het huis waarin het geloof en het Woord van God wonen. Daarvan zegt David: “Heer, maak in mijn binnenste een juiste geest”, dat wil zeggen een opgericht en zich uitstrekkend geloof. De ziel is naar zijn natuur diezelfde geest, maar toch op een andere wijze: zij maakt namelijk het lichaam levend en is werkzaam door middel van het lichaam. Vaak wordt onder de ziel in de Schrift het leven zelf verstaan. Want de geest kan wel leven zonder het lichaam, maar het lichaam niet zonder de geest. Wij kunnen wel zien dat het zo is, bijvoorbeeld als we denken hoe de geest ook in de slaap zonder ophouden leeft en werkt. En het is de aard van de ziel niet om de onbegrijpelijke dingen te vatten maar wat het verstand kan kennen en begrijpen. Hier, in dit huis is namelijk het verstand het licht. En wanneer niet de geest – dat door het geloof als met een hoger licht verlicht is, dit licht van het verstand regeert, kan het verstand niet zonder dwaling zijn. Aan deze beide stukken (geest en ziel) kent de Schrift veel dingen toe: bijvoorbeeld wijsheid en kennis. De wijsheid hoort bij de geest, de kennis bij de ziel. Dat geldt ook van haat en liefde, list, afschuw en dergelijke. Het derde is het lichaam met zijn ledematen. De werken daarvan zijn slechts gedragingen en houdingen die overeenkomen met wat de ziel kent en de geest gelooft.’

Het citaat laat zien dat Luther precies dezelfde onderscheidingen maakt als Plato: de geest is het orgaan dat zich kan richten op God, de ziel wordt aangestuurd door de menselijke geest. In de ziel zetelt het verstand.

Luther laat vervolgens zien wat er gebeurt als de geest niet op God gericht is: ‘Wanneer de geest niet door het geloof op God georiënteerd is, kan het verstand niet anders dan zich vergissen. Want het kan niet anders: waar de geest zonder geloof is, wordt de ziel onrechtvaardig en gaat ze dwalen, hoewel zij goede gedachten heeft en goede bedoelingen voorgeeft en daar ook dankbaar en tevreden mee is.’ Wanneer de mens niet meer geleerd wordt wat geloof is, ‘valt de geest naar buiten..., hij vertrouwt op uiterlijke werken en handelswijzen. Hij meent daardoor vroom te worden. Maar gelijk daarop is het geloof verloren en de geest dood voor God.’

Luther en de moderne wereld

Nu kom ik terug op datgene wat ik aan het begin naar voren bracht. Het humanisme maakte zich los van de christelijke waarheid. Men dacht aanvankelijk optimistisch over de mens. Echter, aan het einde van deze ontwikkeling, die het humanisme in het leven riep, staat Freud. Hij beweerde dat de mens tot voor kort dacht dat hij baas was over zijn eigen instincten, angsten en driften. De psychologie ontdekte echter dat ‘de mens geen baas is in zijn eigen huis’.

Is het zo eenvoudig? Of is het feit dat de mens geen baas is in zijn eigen huis een gevolg van een buitengewoon ernstige ontwikkeling – een ontwikkeling die Luther voorzag: ‘want het kan niet anders: waar de geest zonder geloof is, wordt de ziel onrechtvaardig en gaat ze dwalen.’

Laten we luisteren naar wat Luther daarover nog meer te zeggen heeft:

‘Mozes maakte een heiligdom met drie onderscheiden gebouwen. Het eerste heette het allerheiligste. Daarin woonde God. En er was geen licht in. Het andere heette het heilige. Daarin stonden de lichten met de zeven kandelaren en lampen. Het derde heette het voorhof. Dat was onder de open hemel in het licht van de zon. In dit beeld is een christen getekend: zijn geest is het allerheiligste, Gods woning in het duister van het geloof, zonder licht, want hij gelooft, wat hij niet ziet of voelt of begrijpt. Zijn ziel is het heilige. Daar zijn zeven lichten, d.w.z. allerlei soorten van verstand, onderscheiding, weten en kennis van de lichamelijke en zichtbare dingen. Zijn lichaam is de voorhof. Die is voor iedereen te zien, zodat zichtbaar is wat hij doet en hoe hij leeft. Nu vraagt Paulus: God, die een God van vrede is, laat Hij ons heilig maken, niet in een enkel deel, maar geheel en al. Wanneer de geest niet meer heilig is, is niets meer heilig. Nu is het zo dat de grootste strijd en het grootste gevaar zich richten op de heiligheid van de menselijke geest, die slechts in een eenvoudig en zuiver geloof bestaat, omdat de geest niet met dingen omgaat die je kunt begrijpen, zoals gezegd is. En daarom komen er verkeerde predikers op het toneel en zij lokken de geest naar buiten. De één predikt de ene en een ander weer een andere manier om vroom te worden.’

Dit is gebeurd in Europa. De geest van de mens werd uit het heiligdom gelokt en stelde zich op zichzelf. Dit gebeurde bij Erasmus, Descartes, Kant, Hegel, Fichte, het idealisme. Luther schetst de gevolgen van deze zelfverheffing: ‘Wanneer de geest hier niet bewaard wordt en wijs is, valt hij naar buiten, hij gaat vertrouwen op uiterlijke werken en handelwijzen. Hij meent daarmee vroom te worden. Maar het geloof is onmiddellijk verloren en de geest is dood voor God.’

‘De mens is geen heer meer in zijn eigen huis’, zei Freud. Hij had gelijk. Maar dit ligt niet aan een oedipuscomplex of iets dergelijks. Het heeft alles te maken met wat we op de eerste bladzijden van de Bijbel tegenkomen: De mens dacht zelf te kunnen beslissen tussen goed en kwaad en verhief zichzelf. Het gevolg daarvan is dat hij zichzelf niet meer kent en geen greep heeft op wat er in zijn innerlijk omgaat en geen baas meer is van zijn driften.

Deze samenhang op het spoor te komen is de grote opgave vandaag. Anders gezegd: het gaat erom dat hij zijn ziel weer ontdekt. Een grootse traditie kan ons daarbij helpen. Het is de traditie van Plato, Augustinus, Luther, Johan Georg Hamann, Friedrich Wilhelm Foerster, Theodor Haecker, Pavel Florenskij, Kierkegaard, Guardini en Luigi Guissani en ten onzent W. Aalders. Bij hen is de waardigheid van de mens beter gewaarborgd dan bij de humanisten. Want zij wisten waar de schoen wrong!

H. Klink, Hoornaar


Noten

1 Zie: Michel Onfray, Crepuscolo di un idolo, Milano, 2011, blz. 59.

2 Waarbij aangetekend moet worden dat godsdienst historisch gezien volgens Freud niet méér is dan een projectie die voortkomt uit het zogenaamde oedipuscomplex. Freud ontwerpt de bizarre theorie dat in de vroege mensheidsgeschiedenis sommige zonen hun (stam)vader doodden omdat hij veel vrouwen had. De schuldgevoelens die zij daarop kregen, sublimeerden zij tot godsdienst: uit angst vereerden ze een ‘uitvergrote’ vaderfiguur, die ze de naam God gaven....

3 Een van de basale conflicten, waar elk mens doorheen moet gaan is het zogenaamde oedipuscomplex: de opstand tegen de vader, die voort zou komen uit jaloezie om zijn verhouding met de moeder (zie ook de vorige noot) – dit complex ontstaat bij de eerste bewustwording van de seksualiteit.

4 Foucault bracht deze dingen naar voren vanaf ongeveer 1980, dus in de laatste jaren van zijn leven. In die tijd begon hij zich te verdiepen in Plato en het tijdvak van het hellenisme. Dit bracht een heroriëntering van zijn denken teweeg. Je vraagt je af of van hem gezegd kan worden, wat ook van andere grote denkers geldt: dat hij een seismograaf is van zijn tijd. In dat geval zou het kunnen gebeuren dat andere denkers het spoor van Foucault zullen gaan en weer zullen teruggrijpen op de klassieke oudheid om te onderzoeken wie de mens is.

5 Zie daarvoor het oordeel van Luigi Cornaro over zijn eigen leven, in: Jacob Burckhart, Die Kultur der Renaissance in Italien, Leipzig, zj, blz. 193 ev.

6 Luther merkt in zijn uitleg op Psalm 101 (bij vers 5) op: ‘David dankt en looft voor het welslagen van zijn regering niet zijn verstand of macht, maar God. Want als men zulke hoge en vorstelijke deugden in praktijk kan brengen (of het nu over David of over Hercules gaat), is dat niet zonder Gods toedoen. De heidenen, die niet konden weten hoe het komt dat er onder vorsten zo’n verschil is, noemden het lot ‘fortuna’ en hebben er een godin van gemaakt en haar geëerd. Dat geldt vooral voor de verstandigste en machtigste heersers in Rome. Maar de allerverstandigsten onder hen, zoals Cicero, hebben gezegd dat het welslagen teruggaat op een goddelijk ingeving en zijn tot de slotsom gekomen dat nog nooit iemand uit eigen krachten een groot man geworden is, maar wel door een voor ons verborgen bijzondere inblazing of ingeving van de goden.’ In zijn uitleg op Prediker 7: 1 zegt hij: ‘Op die manier hebben Cicero en Demosthenes, hoewel ze veel over de staat geschreven hebben en deze met hun raad wilden helpen, toch op het allerongelukkigste geregeerd.’ In zijn uitleg op Psalm 127 schrijft Luther: ‘Zo zong Cicero op den duur dit lied: “O ik ellendig mens, aangezien ik nooit wijs was, en toch ooit zonder reden voor wijs gehouden werd. Hoe zeer bent u, o Romeins volk, in uw mening over mij bedrogen!” Want hij regeerde de Romeinse staat overeenkomstig zijn eigen opvattingen op zo’n manier dat hij uiteindelijk onthoofd werd.’ Hoeveel reëler is Luthers beschouwing over Cicero dan die van de drijverige Petrarca!

7 Zie hiervoor ondermeer Walter Rüegg, Cicero und der Humanismus, Zürich, 1946, blz. 20 ev.

8 Plato hield zijn tijdgenoten voor dat God de maat is van alle dingen en de mens slechts in ootmoed tegenover God kan staan. Het ontbrak de humanisten aan ‘deemoed en bescheidenheid’ voor het aangezicht van God, een geesteshouding die ook de tragedieschrijvers (vooral Euripides) kenden, temeer omdat zij, evenals Plato, enig besef hadden van de gebrekkigheid en zondigheid van de mens. Plato onderkende zelfs dat de mens een goddelijke openbaring nodig heeft om tot God te kunnen komen. Voor deze aspecten in de klassieke oudheid had Petrarca geen oog. Zie hiervoor ook Ch. Moeuller, Sagesse grecque et paradoxe chrétien, Parijs, 1950.

9 Simone Weil, Oeuvres complètes, VI, Cahiers 3, Parijs, 2002, blz. 163.

10 Erasmus is vooral beroemd vanwege de uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks, in 1516. Luther heeft dankbaar gebruik gemaakt van deze uitgave.

11 Dat Luther zich hierover zorgen maakte blijkt uit meerdere passages uit zijn uitleg op Psalm 101. Zie bijvoorbeeld zijn commentaar op vers 4: ‘Iedereen wil vrij zijn. Dit zegt de Schrift dat er op het einde van de dagen zullen zijn die wild en ruw worden, van elk geloof afvallen en zeggen dat er geen God is en hun leven richten naar wat zij vinden en begeren. Zulke epicureërs en godsverachters treden steeds brutaler op, zoals dat eerst in Italië gebeurd is. (...) Hebben deze mensen geen geweten, dat zij geen vrees hebben voor God en geen angst voor de hel? Zulke lieden zullen het lieve Evangelie weldra en overal tenonder brengen en de laatste duisternis snel over de wereld brengen.’

12 Zelfs in het boek Maarten Luther. Band 1 Theologische Antropologie, De mens voor God, Damon, Eindhoven, 2017, is de tekst niet opgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 2017

Ecclesia | 12 Pagina's

Wat is de mens? Antropologie bij Luther – een vergeten hoofdstuk?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 22 juli 2017

Ecclesia | 12 Pagina's