Deugdethiek als tuchtmeester tot Christus
Over de pedagogiek van Eduard Böhl (1836-1903)
Inleiding
Als ik thuis in mijn studeerkamer zit, en mijn ogen langs de kasten met boeken laat glijden, moet ik haast wel concluderen dat ik na mijn middelbareschooltijd eigenlijk maar weinig heb bijgeleerd. In ieder geval zijn de lijnen daar getrokken, de beslissende belangstelling is daar verwekt – grondig en voorgoed. Op de Guido de Brès in Rotterdam, begin jaren tachtig, doceerden Trouwborst en Bregman de Nederlandse taal, en via de door hen aangesleepte readers met primaire teksten ontvingen wij een grondige inwijding in de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Mevrouw den Houting gaf Frans, en stelde aan het begin van de vijfde voor om Pascal te gaan lezen en hem met Montaigne te vergelijken. Samen met mevrouw van Dis, met wie wij de schoolkrant in elkaar flansten, bezochten we de jaarlijkse Kohlbruggedag, toen nog in Utrecht, en luisterden wij ademloos naar de lezingen van dr. W. Aalders. Bij Engels verraste Lammers ons met de poëzie van George Herbert. Bij Duits lazen we Luther en Bertolt Brecht, en snerpte de stem van Mutter Courage door het lokaal. Bij godsdienst liet Leertouwer ons kennismaken met de wereld van de oude schrijvers en Kohlbrugge, en met hem kwamen we vrijdagsmiddags bijeen om boeken van Ter Schegget, Graafland en Van Ruler te lezen. De Vries gaf Hebreeuws en toverde het klaslokaal om in een kleine kapel. We hadden fantastische docenten geschiedenis. Hage attendeerde ons in de vierde op de Russische literatuur van de negentiende eeuw. Visser, net terug van het zendingsveld in Kenia, liet ons nadenken over Evangelie en cultuur. En Verheij smeet het examenkatern in een hoek van de klas en behandelde met ons het hele veld van Verlichting, Romantiek en Réveil, en liet ons Groen van Prinsterer lezen: Ongeloof en revolutie, van a tot z, en de boeken waarin de mérites van die voorlezingen over de culturele en religieuze gevolgen van de Franse Revolutie werden besproken.
Voor klassieke talen hadden we De Niet. Onverwachts, want in de zomervakantie was de classicus van de school, Van de Pot, overleden. Omdat de neerlandicus De Niet toch al klassieke talen studeerde, nam hij de lessen over. Het moet hem niet altijd meegevallen zijn, maar daar merkten wij niets van. Hij loodste ons door Livius en Tacitus en Seneca, en vooral door Vergilius. Hij liet ons zien wat klassiek was: dat wat altijd gelezen blijft worden omdat het altijd relevant is en blijft. Daarom konden we zomaar een hele les stil staan bij de laatste zin van het tweede boek van de Aeneïs omdat de condition humaine daar in enkele woorden adequaat leek te zijn samengevat:
Cessi et sublato montes genitore petivi.
(Ik heb mij afgewend, en met mijn vader op mijn schouders ben ik de bergen ingegaan)
Met je vader op je schouders en je zoontje aan de hand de bergen in: met een traditie en verantwoordelijkheid een toekomst tegemoet waarover de schemer van de onzekerheid hing. En toen De zomen van het licht van Ida Gerhardt uitkwam, onderbraken we de lessen om eerst die bundel met elkaar te gaan lezen, ondanks het naderende eindexamen. First things first.
Wat gebeurde hier eigenlijk? We werden ingewijd in een traditie die ons vormde en verhief. We lazen bronnen waarin we onszelf spiegelden. We zagen verschillen, tekorten en gemis. En daarom zijn we altijd blijven lezen en studeren. Dat is onderwijs.
Maar het instituut waarbinnen dat onderwijs werd gegeven, was op reformatorische grondslag gefundeerd. De school beleed dus dat wij mensen van nature tot alle kwaad geneigd zijn en onbekwaam tot enig goed. Geloof is een vrucht van de wedergeboorte, en niet van ontwikkeling, opvoeding en onderwijs. Binnen de reformatorische traditie heeft zich hier altijd een dilemma afgetekend. Wat zijn de pedagogische consequenties van het reformatorische mensbeeld? Is een kind wel opvoedbaar? Als de wedergeboorte niet valt te bemiddelen, wat heeft opvoeding dan nog voor zin?
Over deze en aanverwante vragen is in reformatorische kring veel afgetobd. De stichter van kweekschool de Driestar bijvoorbeeld, Piet Kuijt, zei met zoveel woorden: ‘Kinderen moeten wederom geboren worden, en dat is geen vrucht vanuit de mens, en dus ook niet vanuit opvoeding en onderwijs’. Vanuit deze overtuiging volgde als vanzelf een exclusieve oriëntatie op pedagogische bronnen die een Puriteinse plichtsethiek voorstonden.
Deze vragen spelen tot op de dag van vandaag. Prof. Arnold Huijgen (TUA) constateerde enkele jaren geleden dat reformatorische pedagogen en onderwijsgevenden enerzijds benadrukken dat wij mensen zondaren zijn die wedergeboren moeten worden, omdat wij anders in Gods rijk niet kunnen komen. Tegelijkertijd redeneren wij als opvoeders vaak ‘vanuit de goedheid van de schepping, bijvoorbeeld als het om de visie op de kinderen gaat. Dan wordt geschetst dat wij allemaal unieke schepselen van God zijn, geschapen naar Gods beeld, met onze talenten en kansen. Een verhaal dat verdacht veel kan lijken op het seculiere prestatieverhaal.’ Vandaar zijn vraag: ‘Hoe kan één en hetzelfde kind nu goed en talentvol zijn en anderzijds onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Zijn we tijdens de dagopening aanhangers van Gomarus en tijdens de les humanisten? In de christelijke pedagogiek dreigt voortdurend een dualisme van enerzijds een positieve pedagogische blik en anderzijds een negatieve theologische blik op leerlingen.’
Hoe deze discrepantie, dit dilemma, dit dualisme te doorbreken? Hoe krijgen we zicht op een christelijkreformatorische pedagogiek, zonder de verlamming van de onmogelijkheid, zonder het dualisme tussen een Gomarus in theorie en een Arminius in de praktijk?
De pedagoog Eduard Böhl, de hooggeleerde schoonzoon van dr. H. F. Kohlbrugge, kan ons hierbij helpen. Voordat ik hier op zijn pedagogische opvattingen inga, zal ik hem eerst kort introduceren en zijn theologische gedachten waaruit die opvattingen voortvloeiden, typeren.
Eduard Böhl – zijn leven
Eduard Böhl werd op 18 november 1836 in Hamburg, in een oude Lutherse koopmansfamilie geboren.
Hij studeerde theologie in Berlijn en Halle. In Halle had een ontmoeting plaats die voor de rest van zijn leven van beslissende betekenis is geweest. Bij de ingang van de collegezaal kwam hij in gesprek met een student uit Zwitserland, Th. J. (Theodor) Locher. (Deze Locher zou later trouwen met Maria de Clercq, dochter van Steven de Clercq). Locher nam Böhl mee naar de colleges van Johannes Wichelhaus (1819-1858), een man die theologiseerde in de geest van Kohlbrugge, met wie hij ook bevriend was. Kohlbrugge noemde Wichelhaus zelfs ‘mijn Timotheüs’. Toen Böhl zich aan de persoon en het onderwijs van Wichelhaus verbond, in 1856, hij was toen dus 20 jaar oud, introduceerde Wichelhaus hem bij de theoloog in Elberfeld. Böhl zelf heeft over het belang van die kennismaking geschreven (oktober 1856):
Ik kan wel zeggen dat ik de aangenaamste dagen op deze reis in Elberfeld beleefd heb, en dat het mij niet spijt een man zoals doctor Kohlbrugge te hebben leren kennen. Wanneer ik door hem niet dadelijk in alle opzichten overtuigd werd, heeft de ontmoeting met hem toch een blijvende indruk bij mij achtergelaten. Zijn liefdevol, origineel wezen, zijn geduldig ingaan op mijn kruis- en dwarsvragen, het openlijk tonen van zijn gevoelens, zijn ontwikkeling, zijn eruditie – men kan het aan hem zien, hij heeft het alles persoonlijk doorleefd, hij heeft zich zijn inzichten bevochten en doorlouterd in het leven zelf, niet alleen aan zijn bureau in zijn studeerkamer, zoals velen van onze professoren. Deze frisse opvattingen, deze praktische ervaring en weergave maken deze man voor mij zo gedenkwaardig, in wie ik voor de eerste maal een echt groot ‘genie’ gezien heb, waarbij vergeleken bij mij andere studeerkamergeleerden helaas volstrekt geen kans hebben. Wanneer de professoren zich zo zouden geven, zo los en bevrijd van hun boekenkamer in het leven treden dat zij hun aanvallen eerst zelf doorleefd hebben – dan zouden zij andere resultaten bereiken.
Kort na het overlijden van Kohlbrugge, in 1875, schreef Böhl:
Er is sedert eeuwen geen theoloog geweest die zoveel geleden, zoveel goddelijke antwoorden en uitreddingen ervaren heeft, als deze man, en niemand aan wie God het heeft verleend om zo helder en levenwekkend van zijn ervaringen te getuigen. Voor velen was hij een profeet, voor anderen een steen des aanstoots, op allen maakt hij de indruk van het ongewone.
Die sympathie was geheel wederzijds. In 1859 (een jaar na het overlijden van Wichelhaus en van zijn eigen zoon Jacob) schreef Kohlbrugge:
Vrijdag vertrok van ons een jonge man […] die over een jaar klaar is om aan de een of andere academie onze zalige Wichelhaus op te volgen. Hij was drie weken bij ons en hield mij van de morgen tot de avond bezig. In zijn studiën een levendig beeld van mij, geleek hij in figuur, in manieren en in zijn gehele zijn treffend op onze Jacob.
Voor de erfenis en nagedachtenis van zijn schoonvader zou Böhl zich levenslang blijven inzetten. Na diens overlijden werd Böhl de officieuze leider van de vrienden van Kohlbrugge, die hij organiseerde via conferenties en een omvangrijke Cirkular-Korrespondenz.
Na het overlijden van Wichelhaus rondde Böhl zijn studie af in Erlangen, bij de befaamde oriëntalist Franz Delitzsch. Bij hem schreef hij een dissertatie over de arameïsmen in het Bijbelboek Koheleth en als Habilitation een commentaar op Jesaja 24-27. In dat jaar (1860) werd hij privaatdocent in Bazel en weer een jaar later trad hij in het huwelijk met een dochter van Kohlbrugge: Anna (Jacoba Theodora) Kohlbrugge (1836-1873). Na haar vroege overlijden hertrouwde Böhl in 1874 met een volle nicht van haar, Jacqueline baronesse van Verschuer (1846-1921). Een van hun kinderen was Franz Böhl, die zich later – om de achternaam van zijn grootmoeder voor uitsterven te behoeden – De Liagre Böhl noemde en o.a. hoogleraar Assyriologie in Leiden werd.
In Bazel doceerde Böhl over het Oude Testament. Hij schreef over de Messiaanse Psalmen en polemiseerde met de Leidse hoogleraar Abraham Kuenen. Na vier jaar vond de gereformeerde Böhl buiten het lutherse Duitsland en het vrijzinnige Zwitserland alsnog een leerstoel: in Wenen, de hoofdstad van het Oostenrijks- Hongaarse rijk. Hij ging daar dogmatiek, Bijbelse theologie en pedagogiek doceren. Zijn studenten kwamen niet alleen uit Oostenrijk maar ook uit Hongarije (Zevenburgen), Bohemen en Moravië. Böhl trad in Wenen aan met een oratie over de tweede Helvetische (Zwitserse) Belijdenis (Confessio Helvetica, 1566) van Heinrich Bullinger. In het jubileumjaar 1866 zou hij van deze tekst een kritische editie verzorgen. Kort na zijn aantreden maakte hij met zijn schoonvader een reis naar de hervormde gemeenten in Bohemen en Moravië, waar de belangstelling voor Kohlbrugge groot was.
Böhl bleef tot aan zijn dood in Wenen, en weigerde (in 1880) een benoeming tot hoogleraar in de Oosterse Letterkunde aan Kuypers Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij publiceerde vooral op zijn meest geliefde vakgebied, dat van het Oude Testament. Hij deed onder andere Onderzoek naar het bestaan van een volksbijbel in de tijd van de Heere Jezus, en de relatie tussen die Bijbel en de Septuaginta (1873), bestreed de Schriftkritiek (Tot de wet en tot de getuigenis, 1884), en schreef een Christologie van het Oude Testament (1885). Op het terrein van de geloofsleer schreef hij een Dogmatik (1887), waarvan alleen de Prolegomena (1892) in het Nederlands verschenen. Met Abraham Kuyper polemiseerde hij over de leer van de vleeswording van het Woord (Over de incarnatie van het Woord Gods [1884]; Toelichting en verweer [1888]). In 1890 verscheen zijn studie over de Rechtvaardiging door het geloof. Op het terrein van de kerkgeschiedenis publiceerde hij niet alleen over de Tweede Helvetische Confessie, maar ook Bladen ter herinnering aan de Dordtse Synode (1869)en een Geschiedenis van de Reformatie in Oostenrijk. Van Luther gaf hij diens Koburg-commentaar op 25 Psalmen uit. Ook verzorgde hij een uitgave met Brieven van Kohlbrugge.
Theologie
In zijn theologiseren wilde Böhl in de traditie van de Reformatie staan, in de lijn van Luther vooral, en van de tweede Zwitserse geloofsbelijdenis van Heinrich Bullinger. Böhl heeft die leer in zijn tijd willen verdedigen, tegen de opkomende Schriftkritiek, en tegen neolutheraanse tendensen (Albrecht Ritschl) die z.i. een bedreiging vormden voor de leer van de rechtvaardiging zoals die door Luther als het leerstuk waarmee de kerk staat of valt weer in het volle licht was gesteld.
Tegelijkertijd bracht Böhl ook eigen accenten aan en had hij een duidelijke theologische agenda. In de lijn van zijn schoonvader Kohlbrugge wilde hij een renaissance van de oorspronkelijke boodschap van de Reformatie bewerken. Want die oorspronkelijke leer van de Reformatie werd niet alleen door de Schriftkritiek en door modernere Luther-interpretaties bedreigd maar ook binnen de traditie van de Reformatie zelf. Zelfs al bij Calvijn.
Het kernpunt van zijn kritiek betrof uiteraard de leer van de rechtvaardiging, maar daar hing veel mee samen. Luther had geleerd dat Gods rechtvaardigheid ons wordt toegerekend: de imputatie. Die imputatie is juridisch en forensisch (iustitia aliena, gratia aliena), extrinsiek. En deze gedachte van de imputatie was langzaam maar zeker vervangen door de gedachte van een ontologische, intrinsieke mutatie, een innerlijke vernieuwing van het zelf van de mens, in beginsel en steeds verder. Dat wil zeggen: de toerekening van Gods vreemde gerechtigheid in Christus, de vreemde vrijspraak, de rechtvaardiging, was langzaam maar zeker plaats gaan maken voor de gedachte van de rechtvaardigmáking: van een historische continuïteit, een geleidelijke, procesmatige verandering in ons, van een stapgsgewijze heiligwording van de christen. Het accent verschoof van de Christus buiten ons, aan wie en aan wiens gerechtigheid wij door het geloof deelhebben, naar de Christus in ons, die ons innerlijk verandert en heiligt.
Dat had, om te beginnen, alles te maken met de opvatting van het beeld Gods, de oorspronkelijke schepping. In onze Bijbel lezen we dat God de mens schiep ‘naar ons beeld, naar onze gelijkenis’ (Genesis 1:26). Böhl vertaalde, in navolging van Kohlbrugge: in ons beeld, naar onze gelijkenis. Daarmee wil hij duidelijk maken dat het beeld van God niet ín óns was, maar dat wij oorspronkelijk in het beeld Gods waren. Wij leefden in de lichtstraal van dat beeld Gods en daarin was het goed, het ware leven. Maar wij mensen zijn uit dat beeld weggelopen, en daarmee terecht gekomen in de antropologische sfeer van zonde en dood. De wereld is een wildernis geworden, en door zonde en dood is ook ons hart een wildernis geworden.
Ten tweede heeft dit te maken met de leer van de incarnatie. Bij incarnatie gaat het volgens Böhl niet om een proces waarbij Christus een zondeloos mens werd om ons geleidelijk te herstellen in een oorspronkelijke zuiverheid. Christus, het Woord, is niet zozeer mens als wel vlees geworden. Hij heeft onze zondige natuur op zich genomen. Onze natuur is Hem geïmputeerd, opdat wij gered zouden (kunnen) worden.
Wat is nu de wedergeboorte? De wedergeboorte is het herstel van een relatie. Een herstel van het beeld Gods waarín wij zijn geschapen (Ef. 4:24; Kol. 3:10). Dat betekent niet dat wij, op onszelf gezien, een nieuw schepsel worden en van vernieuwing tot vernieuwing steeds voortgaan, met onze heiligingskrukken de berg Sion op (Kohlbrugge), maar dat wij met Christus als het beeld Gods worden bekleed. De wedergeboorte is niet een levenslang proces waarin het beeld van God langzaam maar zeker in ons wordt hersteld, geen dagelijkse versterving, niet een herstel waarna wij zelf verder kunnen. Maar: wij wandelen in iets dat buiten ons is, en de gelijkenis is het effect van het beeld. Als de relatie is hersteld en ons hart een klankbodem van Gods heerlijkheid wordt, volgen de vruchten spontaan.
Het nieuwe leven is dus niet iets dat zich uit onszelf, uit een wedergeboren deel ontwikkelt, geen nieuwe, inherente kwaliteit of bezit waarover wij kunnen beschikken, maar het gevolg van de werking van de Heilige Geest en de vruchten die Hij schenkt. De werken die zijn gedaan opdat wij daarin zouden wandelen. Het gaat om het herstel van een spirituele relatie, niet om een ontologische restauratie van het zelf, en als die relatie er is volgt de rest ultro, sua sponte, niet gedragen door enig vroom zelfbewustzijn.
Deze leer, de oorspronkelijke leer van de Reformatie (volgens Böhl), was bij Calvijn al gaan schuiven. Hier, aldus Böhl, moeten we Calvijn corrigeren om een nieuwe renaissance van de Reformatie mogelijk te maken. Want Calvijn had rechtvaardiging en heiliging te zeer in direct verband met elkaar geplaatst toen hij in zijn Institutie schreef dat Christus door de gaven van de Heilige Geest in ons woont en regeert, zodat wij iedere dag meer op Hem gaan lijken en de Wet steeds meer gaan gehoorzamen.
En het was daarna alleen maar erger geworden, op de Dordtse Synode en vooral in het Piëtisme. In Dordt werd de wedergeboorte gedefinieerd als een instorting van nieuwe krachten en hoedanigheden in ons (III/ IV.11) Dit is volgens Böhl een verduistering van de leer van de rechtvaardiging, en het was zo ontzettend jammer dat de Dordtse vaderen zich op dit terrein hadden laten verleiden: dat zij hun verdediging niet hadden ingezet en beperkt tot het stuk van de rechtvaardiging van de goddeloze, in het spoor van Luther, maar zich hadden laten meevoeren naar een discussie over de verkiezing en een ontologische wedergeboorte (in het spoor van Calvijn).
Böhls pedagogiek
Böhls Allgemeine Pädagogik verscheen in 1872. In 1881 verscheen de Nederlandse vertaling (Algemeene Paedagogiek), vervaardigd door H. H. J. van Rooijen, hoofd van de christelijke school te Zelhem, met de hulp van Böhls vriend Th. J. Locher, toen predikant in Charlois. Kohlbrugge zelf was nauw betrokken bij de totstandkoming van dit geschrift van Böhl. Op 23 november 1871 schreef hij;
Ik verheug mij innig, waardste Eduard, dat uwe paedagogiek dus deze week klaar komt. Ik zal langzaam moeten lezen, want mijn regteroog heb ik een beetje te veel geforceerd bij al die lichten in Amsterdam [waar Kohlbrugge kort daarvoor, in de Zuiderkerk, had gepreekt]. 1
Zoals we zagen zijn wedergeboorte en rechtvaardiginwg volgens Böhl een herstel van een verticale relatie. Een bekleding, een toerekening, die vreemd, extrinsiek, forensisch en juridisch is. Niet intrinsiek, niet ontologisch, niet een historisch proces. Wat kun je daar nu mee als je een pedagogiek gaat schrijven, een opvoedingsleer, een visie op opvoeding en onderwijs waarbij het gaat om de ontwikkeling van het kind? Waarin het dus juist om een proces gaat, om historische ontwikkeling?
Böhl heeft zijn pedagogiek vanuit de theologie geschreven. Hij verzette zich expliciet en nadrukkelijk tegen de neiging om de pedagogiek als wetenschap te verzelfstandigen, los van filosofie en theologie. Dat zou een halvering van de mens betekenen. Maar het is aan de andere kant ook weer niet de bedoeling dat de theologie de pedagogiek opslorpt. De bestemming van de mens ligt buiten het domein van de opvoeding. De pedagogiek kan ons brengen tot aan de ware vroomheid en een levend geloof, maar zij kan die niet geven. Wie dat belooft (zoals in piëtistische kringen), belooft te veel.
De pedagogiek, de opvoeding, wordt bepaald door de natuur van het wezen dat wordt opgevoed. Een opvoeder/onderwijzer/leraar richt zich op wezens met de menselijke natuur, en wat is daarop bereikbaar? De vier kardinale deugden, zoals de Griekse filosofen ons al hebben geleerd: wijsheid, gerechtigheid, zelfbeheersing (gematigdheid), volharding (moed). Het gaat in de opvoeding dus, volgens Böhl, om zedelijke karaktervorming aan de hand van de vier klassieke, kardinale deugden. En hij voert een stoet aan klassieke auteurs aan, van Plato tot Cicero, om zijn betoog te ondersteunen.
Wat is daar christelijks aan? De vorming tot deze deugden is de opvoeding tot een ideaal dat alleen in het christendom zijn vervulling heeft gevonden, aldus Böhl. De menselijke en de goddelijke opvoeding komen ‘als twee op elkaar passende delen’ bij elkaar. De menselijke pedagoog leidt tot Christus, en die legt vervolgens een nieuw fundament.
Die menselijke pedagogiek wordt door de menselijke natuur ondersteund. ‘De overtuiging van het bestaan van God’ (en daarmee de impuls om niet bij het relatieve te blijven staan, maar voort te gaan tot het absolute, van het tijdelijke en vergankelijke tot het eeuwige en onvergankelijke op te klimmen), ‘van de verbindende kracht van een wet, heeft haar natuurlijke wortel in de menselijke rede’, weten we sinds Leibnitz en Kant, aldus Böhl. ‘Er is, en dit is voor de pedagogiek van gewicht, in de mens een aanleg, of er zijn zaadkorrels voorhanden, die slechts ontwikkeling behoeven om in hem een soort van wijsheid, gerechtigheid, zelfbeheersing en volharding tot stand te doen komen. Zonder zulk een vooruitzicht zou elk begin in de opvoeding niet alleen moeilijk maar ook geheel onmogelijk zijn’. Bovendien is er de wilskracht. We moeten alle onverstand in de kwekeling bestrijden en reinigen, de liefde tot de waarheid bevorderen en aan de geest een hoger doel voor ogen stellen. Als dat lukt zal de wil ‘het licht van het verstand, de betere kennis’ volgen.
Het hóogste doel van de opvoeding is hiermee echter nog niet bereikt. We zijn hier pas halverwege.
In de praktijk immers staat de mens vaak in tegenspraak met wat verstandig en goed is. Wij mensen zijn stiefmoederlijk aan het strand van dit leven te vondeling gelegd (wist Cicero al). Wij kunnen het goede kennen, maar kiezen het kwade. ‘Het heeft iets huiveringwekkends’, stelt Böhl, dat juist de mens zo voortdurend het doel vergeet dat hem door zijn hogere bestemming is voorgesteld’. Of, met de woorden van Plato (Politeia, 588): de mens is een monster (de begeerten), een leeuw (de wil) en door zijn rede een mens. Maar het monster heeft in de mens de overhand en doet zich in vele gestalten voor. Wij mensen hebben een boze natuur, en er zijn slechts enkele lichtstippen die als dwaallichten uit het moeras opdagen (Plato). Dat komt, zie hierboven, omdat wij het beeld van God hebben verlaten, onszelf lief hebben gekregen en voor God op de vlucht zijn.
Maar Christus heeft ons van de dood en de zonde verlost, en Zijn verlossing maakt de hoogste (goddelijke) opvoeding mogelijk. Bij de doop al dragen wij onze kinderen over in het gebied en de sfeer waar Vader, Zoon en heilige Geest regeren en het kind willen verlossen en heiligen. ‘Een betere pedagogie kunnen we het kind niet toewensen!’
De menselijke pedagogiek is aan deze goddelijke pedagogiek ondergeschikt. Böhl zegt zelfs dat onze opvoeding thuis en op school van de ‘tweede rang’ is. Dat betekent ondertussen niet dat die opvoeding niet van groot belang is. We moeten de menselijke opvoeding niet overschatten: zij kan geen ‘levend geloof en ware vroomheid’ scheppen. Maar ze kan er wel toe opleiden, op voorbereiden.
Böhl maakt dit duidelijk aan de hand van de klassieke deugdethiek. Wijsheid, gerechtigheid, zelfbeheersing en volharding vormen het karakter van de mens. Aan al deze deugden wijdt Böhl een apart hoofdstuk. Zij vormen de principia moralia, de natuurwet, die op het geweten en het verlangen van de mens aansluit. De opvoeding in deze deugden kan, poneert Böhl, een tuchtmeester tot Christus worden. Zij vormen een voorbereiding op het christelijke leven. Níet alsof leerlingen zich eerst die deugden eigen zouden moeten maken en dat dit hoge leven vervolgens met het geloof in het Evangelie zou worden bekroond. De school van de Heilige Geest vult niet aan, voleindigt niet de school van de menselijke pedagogie, nee, zij schept iets geheel nieuws. Maar die school van de menselijke pedagogiek brengt ons wel tot aan de poorten, de deur van die goddelijke school, en eenmaal daar aangekomen zet de Geest, zet Christus de poorten van Zijn school wijd open. De deugden zijn dus een pedagoog tot Christus zoals ook de Wet van de tien geboden dat is. De deugden drijven ons tot de Verlosser, de grote Pedagoog, naar de school van de Heilige Geest. De deugden eisen en dwingen de ziel van de mens ‘op en naar boven’. Een hoog ideaal begint in de kwekeling als ‘een verborgen zuurdeeg’ te werken. Maar dat ideaal roept vooral strijd op, gisting, zelfaanklacht en een gevoel van innerlijke ongenoegzaamheid en onmacht. ‘Radeloosheid en moedeloosheid zijn het eindresultaat waartoe alle oprechten komen’ (104). Een jongen of een meisje meet zich met de maatstaf van de volmaaktheid en wordt te licht bevonden. Hier leert hij/zij de weg tot Christus in te slaan – want in Hem zijn alle deugden, alle schatten van wijsheid en kennis, verborgen, en in Hem zijn wij rechtvaardig. De school van de Heilige Geest zet hier haar deuren open en geeft dat jonge mensen het doel bereiken dat in de bestaande school, die van de menselijke opvoeding, niet bereikt kán worden. De leraar, die een evangelisch ambt bekleedt, leidt de leerling aan de hand van de vier kardinale deugden tot ‘de vaste Hand van de ware Meester’.
Uitleiding
Over christelijke pedagogiek valt ongetwijfeld nog heel veel meer te zeggen. Er is al heel veel over gezegd. Al 2000 jaar is de christelijke traditie bezig met het ontwerpen en uitvoeren van een christelijke pedagogiek. Het is een rijke traditie, en het zou een goed idee zijn er een thematische bloemlezing uit samen te stellen, gegroepeerd rond de thema’s ‘kind’, ‘school’ en ‘onderwijs’. Een nieuwe christelijke pedagogiek lijkt mij dan nog nauwelijks nodig.
In zo’n ‘canon’ zou ik Böhl zeker een plaats geven. Het minste dat we toch kunnen zeggen is dat hij op een originele en behartigenswaardige manier de kloof, het dualisme tussen de roeping en de weerbarstige werkelijkheid, tussen reformatie en humanisme, tussen Gomarus en Arminius, heeft overbrugd. En hij blijft niet staan bij een puriteinse plichtethiek maar weet de klassieke deugdethiek in een christelijke pedagogiek te integreren.
Ik keer nog even terug naar mijn leraren op de Guido, vijfendertig jaar geleden. Wat is daar nu gebeurd? Ik denk dat zij ons in de bronnen die zij ons aanreikten, in de spiegels waarin zij ons leerden kijken, een ideaal hebben voorgehouden dat de richting van ons leven nadien heeft bepaald. En in en met die bronnen bemiddelden zij ook de stem van God, de stem van de grote pedagoog.
Iets daarvan heeft de oude pedagoog van de Driestar, de heer B. Florijn, begrepen en aangestipt, toen hij schreef over de periode van de adolescentie, als een periode van zelfbewustzijn en zelfinkeer, van vragen, denken en eenzaamheid, van de ervaring van het innerlijk en de inleving van een oneindige breuk, en van ‘het ontzaglijke maar tegelijkertijd tedere van Gods stem in het hart’. ‘En laten we dat nooit gering achten, want het heeft de Heere vaak behaagd, juist dan het kind soms zo zacht in het hart te grijpen op zo’n ontzaglijke wijze dat het nooit meer verder kan totdat het God behaagt Christus in hem te openbaren’.
Een dergelijke gedachte staat ook in het rijke boek Man en vrouw in een revolutionaire tijd van dr. W. Aalders. Hij schrijft daar over milieus die ‘een moederschoot van het Woord en het geloof’ zijn. Hij had die milieus nog gekend, waar het Woord der waarheid in levende en bezielde taal zo werd overgeleverd dat het tot antwoorden voert. ‘En o, dat grootse moment, als een vonk overspringt, en een jongen of meisje voor het eerst een Samuëlbelevenis krijgt en de persoonlijke roepstem van God hoort!’
Ook een vriendenkring kan zo’n milieu zijn, of een school, waar leraren hun evangelisch ambt verstaan en hun leerlingen een ideaal voorhouden dat hen uiteindelijk bij de grote Pedagoog, op de leerschool van de Heilige Geest brengt.
Bart Jan Spruyt, Gouda
Noot
1. Met dank aan de heer H. Boele te Hendrik-Ido-Ambacht, die mij op deze brief attendeerde.
Literatuur
Het archief van Eduard Böhl is ondergebracht in het Historisch Documentatiecentrum van de Vrije Universiteit.
Eduard Böhl, Allgemeine Pädagogik (Wenen, 1872)
Eduard Böhl, Algemeene Paedagogiek (Doetinchem, 1881)
W. Balke, Eduard Böhl: hoogleraar te Wenen en schoonzoon van dr. H. F. Kohlbrugge (Zoetermeer, 2001)
B. Florijn, Ouders en kinderen: gedachten over de opvoeding en het ouder worden (Kampen, 1998)
John Exalto, Wordt een heer! Kweekschool De Driestar en de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden (Heerenveen, 2012)
https://arnoldhuijgen.nl/2012/02/01/ pedagogisch-pelagianisme/
https://arnoldhuijgen.nl/tag/driestar-educatief/
Ho-Duck Kwon, E. Böhls Aufnahme der reformatorischen Theologie, besonders der Calvins. Die Bedeutung dieser Reformation-Renaissance für die Lösung theologischer Probleme der Gegenwart (diss., Heidelberg, 1991)
Thomas R. V. Forster, Eduard Böhl’s (1836-1903) Concept for a Re-Emergence of Reformation Thought (New York, 2009)
Meine Veldman, God Speaks: Revelation, Justification and Regeneration in the Theology of Eduard Böhl and His Critique of Albrecht Ritschl (diss., Toronto, 2009)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 28 juli 2018
Ecclesia | 16 Pagina's