Kohlbrugge en Groen van Prinsterer in contact (II, slot)
1833
Het jaar daarop gebeurde er iets waardoor Kohlbrugge en Groen tegenover elkaar kwamen te staan. Dat had alles te maken met de geruchtmakende preek over Romeinen 7:14 die Kohlbrugge op 31 juli 1833 in Elberfeld had gehouden. In deze tekst ontdekte hij tijdens de voorbereiding een komma tussen ‘vleselijk’ en ‘verkocht onder de zonde’. Deze vondst betekende voor hem een keerpunt in zijn leven. Hij kwam tot het inzicht dat een christenmens niet onder de zonde verkocht is voor zover hij vleselijk is, maar dat hij geheel een ‘vleselijke’ is en blijft. Deze preek veroorzaakte binnen de kring van het Réveil een grote deining. De coryfee van het Nederlandse Réveil, Isaäc da Costa, was van mening dat deze preek overhelde naar het ‘gevaarlijke antinomianisme’, en formuleerde zijn bedenkingen en die van zijn vrienden in een uitvoerig schrijven. Deze beschuldiging trof Kohlbrugge diep en hij diende Da Costa van repliek in een brief die drieëndertig (gedrukte) pagina’s beslaat.1 Dit resulteerde in een verwijdering tussen Kohlbrugge en het merendeel van de mannen van het Réveil. Groen was een van hen, hij noemde in een brief aan De Clercq – gedateerd op 6 december – deze preek ‘een groote dwaling’: Indien het waar is, wat ik van de gedrukte preek van Kohlbrügge hoor, dan moet hij ook in eene groote dwaling vervallen zijn, waarvan hij, zoo ik hoop, terugkomen zal; maar ook dit voorbeeld leert opnieuw zachtheid in acht te nemen tegen anderen, die afgeweken zijn.2 Door deze opmerking verbleekten opeens de vriendschappelijke contacten tussen Kohlbrugge en Groen.
Kohlbrugge is zeker niet teruggekomen op deze preek, sterker nog, hij beschouwde haar heel scherp als een openbaring die hij van Boven had gekregen. Het is jammer en vooral verdrietig dat Kohlbrugge – hoewel hij mijns inziens Bijbels-theologisch het gelijk aan zijn kant had – zo scherp-polemisch heeft gereageerd naar zijn vrienden. Soms denk ik, had hij niet beter met hen in gesprek kunnen gaan over zijn kommaontdekking, wellicht was dan misschien de breuk voorkomen.
Antirevolutionair
Of Kohlbrugge daarna nog met Groen gecorrespon deerd heeft, heb ik niet kunnen ontdekken. Wel noemt Kohlbrugge een enkele keer zijn naam in briefwisselingen met vrienden en dat is dan meestal in kritische zin. Hun opvattingen over kerkelijke en politieke zaken lagen uit elkaar; zo deelde Kohlbrugge het antirevolutionaire standpunt van Groen niet. Op een uitspraak van Groen: ‘Wij antirevolutionairen zijn de partij van den levenden God!’ moet Kohlbrugge hebben uitgeroepen: ‘God is geen partijgod, maar de God van allen. Allen zijn gehouden Hem als God te erkennen en Hem te dienen.’3 Kohlbrugge stond in de lijn van Bilderdijk, die een uitgesproken contrarevolutionair was, wars van volkssoevereiniteit en het constitutionele stelsel. Hoewel Groen een leerling van Bilderdijk was geweest, deelde hij niet diens opvattingen op staatkundig terrein, hij nam afstand van zijn ‘contrarevolutionaire felheid’.4
Eind 1840 kreeg Kohlbrugge uit handen van De Clercq een boekwerkje van Groen aangeboden, het betrof diens Adviezen.5 Na een gedeelte hieruit gelezen te hebben, legde Kohlbrugge het terzijde: Ik zeg u tevens veel dank voor het geschenk der Adviezen van den Heer Groen van Prinsterer – het is keurig in druk en uitvoering – van bl. 77 tot 122 heb ik het reeds gelezen. Zooals ik nog alles bedaard lees en naga wat er van dien aard uitkomt – maar zooals alles zoo moet ik ook dit zonder instemming er mede ter zijde leggen.
Kohlbrugge schreef aan De Clercq dat hij bij het lezen iedere keer moest denken aan het woord van de Heere Jezus: Mijn rijk is niet van deze wereld, mijne discipelen zouden er voor gestreden hebben, dat ik niet ware overgeleverd, maar nu is mijn rijk niet van deze wereld. Het is niet uit mij, dat mij deze woorden gedurig voorkomen, terwijl ik het boek van Groen in mijne handen heb.6
Over het adres van de ‘Zeven Haagse Heren’ – waar Groen er een van was – was Kohlbrugge evenmin te spreken. Dit zevental had in 1842 een adres geschreven aan de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk, waarbij zij aandrongen op het nemen van kerkrechtelijke maatregelen tegen de Groninger Richting. Kohlbrugges oordeel was ongenuanceerd, wat is op te maken uit een brief die hij schreef aan Van Heumen: Maar nog meer verstomd sta ik over dat adres zelf van die zeven uit den Haag en wie er al meer tegen die Groningers optrekken. Nimmer zag ik meer dan nu, hoe die niet de minste, ik zeg niet liefde voor of kennis van, neen maar niet de minste betut hebben van Gods heilige wet. – Ik zie in den grond der zaak beider leer overeenkomen, ik zie de tegenschrijvers in hun eigen gevoel van verlegenheid tegen quasi Christuspredikers zoo als zij zelve zijn, quasi heiligheidsleeraars, zooals zij zelve zijn, en het verschil bestaat alleen in aangenomen vormen van leerstellige bepalingen, omtrent zekere punten, waarin die zeven even zoo wijs zijn als de geheele Roomsche kerk altijd geweest is. Remarquabel is ‘t mij, dat die zeven niet weten, waar zij heen wijzen zullen, dat laatste deel van hun boek is een trompet met onbestemd geluid. ‘t Is mij of ik een klok zag gieten, die berst voordat de gieting nog geëindigd is, en die dan zoo gebroken in den toren gehangen wordt.7
Aan de goedbedoelde intenties van deze heren ging Kohlbrugge in het geheel voorbij. Van Lonkhuyzen heeft een punt wanneer hij stelt: ‘Ten principale lag de klove in het verschillende inzicht van Groen en Kohlbrugge in de werking van het Woord.’8
Von Bylandt
Op 23 juli 1856 kreeg Kohlbrugge een ‘vriendelijk’ schrijven uit Den Haag, het betrof een brief van dr. Ernst graaf von Bylandt.9 Deze legde hem de vraag voor of hij bereid was een zondag te komen preken voor de Deutsche Evangelische Gemeinde. In zijn dagboekaantekeningen noteerde Kohlbrugge: ‘Verzoek om in Den Haag te preken voor de Gereformeerde Hoogduitsche gemeente.’ Von Bylandt was medicus in de Hofstad, lijfarts van Prins Frederik en huisarts van de familie Groen. Hij heeft zich bijzonder ingespannen om een Duitse evangelische gemeente te realiseren in Den Haag.
Op de een of andere manier was Betsy, de vrouw van Groen, dit ter ore gekomen. Dit blijkt uit een briefje dat ze schreef aan haar ‘zeer liefhebbende’ vriendin, Linda von Bylandt-Nasse, de vrouw van graaf von Bylandt. Dit schrijven ontdekte ik recent in de archieven van het geslacht Von Bylandt in het Gelders Archief.10 In een paar zinnen krijgen we een indruk hoe de Groens over de persoon Kohlbrugge en zijn prediking dachten.
Toen Betsy hoorde dat Kohlbrugge uitgenodigd zou worden, bracht ze een bezoek aan haar plaatsgenoot Abraham Capadose – hij woonde aan de Paviljoensgracht – om met hem hierover van gedachten te wisselen. Op 22 juli schreef Betsy: Geliefde vriendin! U verlatende ben ik gisteren bij Capadose gegaan om die zaak van Kohlbr. eens met hem te overwegen. K. is bij weinigen beter bekend, persoonlijk en wat zijn gevoelens betreft. Het onregt hem aangedaan is niet te verontschuldigen in de toenmalige kerkelijke overheid. En dan klinkt er opeens ferme taal: Nu, wetende hij in den stellige zin, eene secte wenscht; gevoelens verdedigde, die nooit goedgekeurd zijn in de Gereformeerde Kerk, integendeel allergevaarlijkst zijn te achten, ook door zijn persoonlijken invloed, – nu mede te werken om hem in te halen, dat zou Cap[adose] onmogelijk kunnen doen, veeleer achtte hij het onder Gods bestuur, en een zegen dat hij niet in de buurt was gebleven. Ook haar man heeft zo zijn bedenkingen: Groen vindt daartegen evenzeer bezwaar, en meent dat eene Synode, die de waarheid lief had, nu niet tot lid der Gemeente zou mogen aannemen zonder bepaald onderzoek althans, hem over diens leer en gevoelens zoo veel schijnt te zeggen. Betsy geeft haar vriendin het advies dat haar man eerst maar eens met Capadose moet spreken voordat hij Kohlbrugge uitnodigt: Ik dacht voor onze geliefde vriend tot de teekening van dat stuk overging, moge hij er nog eens met Capadose over spreken.
Deze paar woorden laten zien hoe kritisch de Groens, met name Betsy, stonden tegenover Kohlbrugge en diens prediking: ‘een groote dwaling’ evolueert naar ‘allergevaarlijkst’.
Ik vermoed daarom ook dat de Groens niet de diensten hebben bijgewoond toen Kohlbrugge op 14 september en op 23 november 1856 in Den Haag voorging. Groen vermeldde hier niets over in zijn correspondentie. Dat deed hij wel toen Spurgeon in 1863 in de residentiestad preekte, toen liet hij op 22 april aan Aeneas Mackay weten: ‘Vanavond hoop ik Spurgeon te kunnen hooren’. Een dag later schreef hij aan hem: ‘Vindt gij ook niet de prediking van gisterenavond uitnemend? De groote en zegenrijke invloed van Spurgeon is mij nu zeer verklaarbaar.’11
Ten slotte, G.J. Vos stelde dat ‘Groen weinig in betrekking kwam tot Kohlbrugge’. Dat is terecht opgemerkt, omgekeerd is het zo dat Kohlbrugge op afstand ‘in betrekking’ bleef met Groen door het lezen van diens ‘blaadjes’: op 25 maart 1872 schreef hij aan zijn Utrechtse vriend Kol: Die blaadjes van Groen kon ik heden niet inzien, daar ik allerlei andere besoignes had.12
Noten
1 Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen dr. H.F. Kohlbrugge en mr. I. da Costa over de leer der heiligmaking, Amsterdam 1933.
2 Ibid, Briefwisseling – Deel 1, 1808-1833, GS 58 p. 720.
3 Het Nieuws van den Dag, 27 april 1907, De Antithese en de School.
4 https://www.dbnl.org/tekst/_bil002198401_01/index.php
5 G. Groen van Prinsterer, Adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, Leiden 1840.
6 Archief Kohlbrugge, portefeuille 14 brief 8, 18 nov. 1840.
7 Archief Kohlbrugge, portefeuille 12-C-6, 12 mei 1843.
8 J. van Lonkhuyzen, Hermann Friedrich Kohlbrügge en zijn predi king, Wageningen 1905, blz. 219.
9 Ernst Ferdinand Hubert Marcus graaf van Bylandt, 28 maart 1813 Obercrüchten – 9 mei 1871 ’s Gravenhage.
10 NL-AhGldA_0567_2038-601, 602, 604.
11 Ibid, Briefwisseling – Deel 5, 1827-1869, GS 175 p. 549, 550.
12 Archief Kohlbrugge, portefeuille 13 brief 137.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 2023
Ecclesia | 8 Pagina's