Vrouwen in het Réveil (I)
In 2002 wijdde de Stichting Réveil-Archief haar studiedag aan Vrouwen in het Réveil. In zijn inleidende bijdrage constateerde Vree dat Vrouwen in het Réveil nooit als afzonderlijk thema was onderzocht. Zo besteedt bijvoorbeeld Elisabeth Kluit in haar standaardwerk Het protestantse Réveil in Nederland en daarbuiten 1815-1865 (1970) geen afzonderlijk hoofdstuk aan de vrouwen uit het Réveil, aan hun praktische arbeid, maar weeft ze deze als vanzelfsprekend in het geheel in; in een tijd waarin vrouwenstudies nog in de kinderschoenen stonden, was dat natuurlijk niet verwonderlijk. Dit betekent echter niet dat hun arbeid, beter gezegd hun liefdadige activiteiten, in dit boek en andere studies niet is opgemerkt en daarover ook niet met waardering wordt gesproken.1 Van thematisering als zodanig is echter geen sprake. In die zin kan de studiedag van 15 november 2002 dan ook als vernieuwend en als een waardevolle aanvulling op de eerdere Réveilgeschiedschrijving worden gezien. Van de hier gehouden lezingen noemen we, naast de inleiding van Vree, die van Maartje Janse over Réveilvrouwen en de strijd voor afschaffing van de slavernij, van P.L.J. Wapenaar over Henriëtte Wilhelmine Spiering, van Wim Kloppenburg Liederen van en voor vrouwen, en tot slot de bijdrage van Petra de Vries, Feministen met de bijbel. Marianne en Anna van Hogendorp in hun strijd tegen de zonde. Met uitzondering van de lezing van mevrouw De Vries zijn alle lezingen verschenen in het decembernummer 2003 van Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800.2 Wie na die tijd zoekt naar een specifieke, thematische benadering van Réveilvrouwen en hun arbeid zoekt echter tevergeefs. Dit geldt ook voor de in 2012 verschenen bundel Opwekking van de natie. Het protestantse Réveil in Nederland. In de mooie bijdrage van Mart van Lieburg over het vroege diaconessenwezen in Nederland (1836-1886) vinden we weliswaar namen van Réveilvrouwen als Henriëtte Swellengrebel, Sara Katharina de Bronovo, Petronella Voûte en anderen vermeld, maar dit natuurlijk alleen maar binnen de opzet van zijn beschouwing.3 Schrijver dezes schreef vijf levensschetsen van Réveilvrouwen maar plaatste deze even min in een streng theoretisch kader.4
Hiervoor merkten we op dat het onderwerp Vrouwen in het Réveil tot aan de studiedag in 2002 en daarna nooit echt gethematiseerd was, maar deze opmerking behoeft wel een kanttekening. In hun uit 1985 daterend artikel De ‘wereld’ van Réveilvrouwen, hun liefdadige activiteiten en het ontstaan van het feminisme in Nederland schrijven Tineke de Bie en Wantje Fritschy namelijk wèl kort iets over liefdadige activiteiten van Réveilvrouwen. Hun bijdrage ontleent zijn waarde echter vooral aan de vraagstelling naar de relatie tussen Réveilvrouwen en het ontstaan van het feminisme, en niet zozeer aan hun liefdadige activiteiten op zich die veel en veelvuldig waren: bewaarschooltjes, naai-en breischooltjes, zondagsschooltjes, verenigingen voor armenbezoek, zendingsverenigingen, instellingen voor ziekenverpleging (we denken hierbij natuurlijk aan de diaconessenhuizen) centra voor de opvang van prostituees zoals het asiel Steenbeek in Zetten, verenigingen voor de afschaffing van de slavernij, breed was het terrein waarop onze Réveilvrouwen zich bewogen.5 Aan vier van hen, die model mogen staan voor hun medezusters, willen we nader aandacht besteden: Betsy Groen, Marianne van Hogendorp, Ida Pierson en Henriëtte Wilhelmine Spiering. Deze dames, met uitzondering van de laatste die in strikt chronologische zin niet tot het Réveil behoorde maar beschouwd mag worden als een kleinkind ervan6, maakten deel uit van een vrouwennetwerk binnen het Réveil dat ruim veertig vrouwen telde – naast bewogenheid lag de kracht van deze veelal aanzienlijke vrouwen meer in de toegang tot die maatschappelijke kringen die in staat waren tot steun aan hun arme medemensen dan in hun eigenlijk getal – en zich vooral centreerde in Amsterdam en Den Haag.7 Vrouwen die vanuit een diepe persoonlijke vroomheid, zo kenmerkend voor het Réveil, zich hebben bekommerd om hun zwakke medemensen
Elisabeth Maria Magdalene Groen van Prinsterer-van der Hoop
De eerste is Elisabeth Maria Magdalena Groen van Prinsterer-van der Hoop (1804-1876), telg uit een vooraanstaand Groninger geslacht, en echtgenote van één van de grote figuren van onze geschiedenis; zij was één van de eerste vrouwen uit Réveilkring die filantropische arbeid aanpakte, daaraan structuur gaf, ook van haar eigen leven. In 1827 was zij getrouwd en zoals zoveel vrouwen van haar stand had zij kunnen kiezen voor een leven van visites en modieuze en mondaine conversatie. Zij deed dit echter niet, daar zij evenals als haar echtgenoot een diepe afkeer hiervan had. Zij verlangde naar een ander en beter leven, een leven dat zich afspeelt in het licht van de eeuwigheid. Illustratief hiervoor is een brief, zij was toen een jonge gehuwde vrouw van 21 jaar, die zij op 24 december 1828 aan haar vriendin en geestverwante Marianne van Hogendorp schreef. Hierin schrijft ze een paar avonden bezoeken te hebben afgelegd bij weliswaar lieve en aangename mensen, maar toen zij thuiskwamen hadden zij en haar man elkaar moeten bekennen dat deze avonden – waarvan we mogen aannemen dat de conversatie mondain en oppervlakkig was – voor tijd en eeuwigheid verloren waren. Ze was wars, en dat paste ook niet bij haar spontaan en opgewekt karakter, haar gemakkelijkheid in de omgang met mensen van allerlei rang en stand, van een overdreven strengheid die alles veroordeelt, “maar ik wensch onuitsprekelijk die kalme tevredenheid van de ziel, die bij alles denkt aan de tegenwoordigheid van den hoogen God en bij alles daaraan durft denken; die geen oogenblik ’t uur des doods van voor de gedachten tracht te verdrijven; die altijd er op denkt, om nader te komen tot ’t heerlijk doel, onze volmaking”.8
En ook in latere brieven treft haar grote religieuze ernst, haar verlangen naar de eeuwigheid. Bijvoorbeeld in een brief van ruim dertig jaren later, van 25 januari 1860, aan de Amsterdamse Réveilvriend Koenen: “Eigenlijk is alles goed wanneer wij met zekerheid weten dat de ziel voor de eeuwigheid gered is, hier leeft in de hope der heerlijkheid, maar toch onder zoveel strijd en smarten dat ’t oogenblik van heengaan waarlijk wezen zal: “ontbonden”en “met Christus”, alzoo eeuwige zaligheid”.9 Deze ernst, waarin zij eens geestes was met haar man, leidde bij haar beslist niet tot een leven van uitsluitend op de eigen ziel gerichte bevindingen, van wereldmijding. Integendeel: volgelinge van Christus te zijn betekende voor haar ook bewogenheid met de lijdende naaste. De Heiland zelf had hiertoe immers opgeroepen. Men leze hiervoor nog eens de indrukwekkende tekst van Matthéüs 26-46 over het weldoen aan de minste van Mijn broeders.
Een leven lang heeft mevrouw Groen, die dit van haar moeder, die de armenbuurten in Groningen bezocht, van huis uit had meegekregen, zich aan liefdadigheid gewijd. We geven een kort overzicht. Samen met haar vriendin Caroline de Clercq ijverde zij in 1829 voor een naaischool die, na werving van fondsen bij adellijke dames en vrienden van Groen, in 1831 tot stand kwam en al spoedig veertien meisjes telde. Tijdens de naailessen werd in de bijbel gelezen en gezongen, met de meisjes gesproken over wat ze gelezen of in de kerk op catechisatie hadden gehoord, dit alles met toepassing op eigen hart en wandel. Tot aan haar dood toe is zij de naaischool, waar zij zelf ook bijbelonderwijs gaf, blijven leiden en vele meisjes zullen ongetwijfeld goede herinneringen aan mevrouw Groen hebben bewaard.10 Tevens was zij betrokken bij de oprichting (1831) van een bewaarschool.11 Van 1835-1852 was ze regentes van het Waals weeshuis. Ze had deze functie altijd met veel voldoening vervuld, maar een onverkwikkelijk conflict tussen kerkenraad en directie over een zedendelict noodzaakte haar deze neer te leggen.12
De armenverzorging had eveneens haar hart. Samen met Marianne van Hogendorp ging zij zich in de jaren dertig hieraan wijden en met haar en mevrouw Secrétan, echtgenote van een in Haagse Réveilkring geliefd predikant, heeft zij aan de wieg gestaan van de vereniging ‘Vrienden der armen’ die in 1847 werd opgericht.13 Evenals bij de door Hofstede de Groot opgerichte (1838), een man van geheel andere theologische ligging dan die van het Réveil, ‘Vrouwenvereeniging ter bevordering van werkzaamheid en welstand onder de geringere volksklasse’ te Groningen werd ook hier gebroken met het systeem van de bedélende armenzorg, een systeem waar ook een filantroop als de Réveilman Heldring fel tegen gekant was. Het doel van de Haagse vereniging was jonge weduwen met kleine kinderen te helpen door werkverschaffing en raad, maar ook gezinnen waarvan de man ziek of invalide was kwamen voor hulp in aanmerking. Nooit echter werden aalmoezen gegeven.14
De dames schroomden niet de Haagse achterbuurten te bezoeken waar zij vaak vreselijke toestanden aantroffen, de woningen niet meer dan krotten waren, en de kinderen zonder leiding en toezicht opgroeiden. Hoe erg het soms kon zijn getuigt het volgende. Wanneer de moeders noodgedwongen uit werken waren werden de kleinsten bij buurvrouwen opgeborgen waar zij, soms met zestien tegelijk, aan de zoldering hingen om uit de voeten te zijn.15 Men kan zich voorstellen dat bij het zien van deze en andere taferelen de harten van de bezoeksters gebroken werden. Groot kan onze bewondering zijn voor de inzet van deze deftige dames die, dicht bij hun huis, een wereld van ellende aantroffen die zij naar vermogen trachtten te verzachten. Mevrouw Groen was bewogen met de lichamelijke nood van de armen, die bijvoorbeeld in de strenge winter van 1839/1840 groot moet zijn geweest, maar niet minder met hun ziel, en zo graag, zo verzuchtte zij eens, zou zij een eenvoudig woord hebben dat hen op de Here Christus wees.16 Ongetwijfeld zal zij dit zeker hebben gedaan. In de eerste Haagse kringen van toen vond men dit werk overigens ongepast: “Diakenen en kerkelijke armenzorgers vooral betoonden zich weinig gesticht door het feit, dat leeken, waaronder vrouwen, en dat nog wel vrouwen van stand, zich naar de achterbuurten begaven om er de woningen der armen binnen te treden. Wat wilden die vrouwen daarmede? vroeg men. Den mannen, den predikanten in de eerste plaatst, het werk uit de handen nemen? Verfoeilijke emancipatie-zucht was het, zoo werd beweerd en anders niet”.17 Maar onze dappere en onafhankelijke Réveilvrouwen, daarbij gesteund door hun mannen die het toejuichten dat hun vrouwen de bij uitstek christelijke deugd van barmhartigheid buitenshuis beoefenden, lieten zich hierdoor niet weerhouden.18 In die zin was het Réveil een tegenbeweging tegen een verburgerlijkte wereld waar uiterlijk fatsoen de toon aangaf. Fatsoen dat door de Haagse predikant Van Koetsveld in zijn novellen sterk werd bekritiseerd.19
Tot het laatst toe van haar leven bleef zij actief. In 1876, zij was toen al bijna zeventig, richtte ze nog de de Vereeniging Opstanding en Leven op die in achterbuurten evangelisatiewerk verrichtte.20 Over mevrouw Groen is veel en met waardering geschreven. In een ‘in memoriam’ typeerde Elise van Calcar haar als een eerwaarde moeder die macht en invloed in veel en op velen had.21 Van enige jaren terug is de roman Zoveel liefde van Edith Schouten over haar waarin ze feit en fictie met elkaar heeft verweven.22 Ook hierin overheerst de waardering. Deze is terecht. Mevrouw Groen was één van die deftige dames die de grenzen van hun tijd en stand hebben doorbroken.
Noten
1 J. Vree, ‘Vrouwen in het Réveil. Een nieuw terrein van onderzoek’, in: Documentatieblad voor de Nederlandse kerkgeschiedenis na 1800. Nr. 59 (2003), 1-2.
2 De bijdrage van mevrouw De Vries hebben we helaas niet verder kunnen traceren.
3 M. van Lieburg, ‘Het vroege diakonessenwezen in Nederland (1836-1866)’, in: Opwekking van de natie. Het protestantse Réveil in Nederland. Red. F. van Lieburg. Hilversum 2012, 111-168.
4 Zie de nummers 1-4 en 6/7 van : Protestants Nederland 78 (2012).
5 T. de Bie en W. Fritschy, ‘De ‘wereld’van Reveilvrouwen, hun liefdadige activiteiten en het ontstaan van het feminisme in Nederland’, in: Jaarboek voor de vrouwengeschiedenis 6 (1985), 37.
6 P.L.J. Wapenaar, H.W.S. Een Tiels voorbeeld van dienende liefde. Tiel 2001, 81.
7 De Bie en Fritschy, ‘ Wereld Reveilvrouwen’, 51-54.
8 G. Groen van Prinsterer, Schriftelijke nalatenschap. Uitgegeven door C. Gerretson en A. Goslinga. Tweede deel. Briefwisseling eerste deel: 1808-1833. Bewerkt door C. Gerretson. ’s-Gravenhage 1925, 117.
9 Brieven van mevrouw E.M.M. Groen-van Prinsterer-van der Hoop. Verzameld en ingeleid door Froukje Oosterbaan. Baarn z.j., 26.
10 Groen, Briefwisseling I, 659. Zie ook: M.E. Kluit, Het protestantse Réveil in Nederland en daar buiten 1815-1865. Amsterdam 1970, 204-205. Een uitvoerige en sterk sympathiserende beschrijving – overigens wordt over mevrouw Groen altijd met sympathie geschreven – in: E. Gewin, In den Réveilkring. Baarn 1920, 32-62.
11 F. Dieteren, ‘Elisabeth van der Hoop (1807-1879)’, in: Vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Samengesteld door Els Kloek. Nijmegen 2013. Zie tevens: Digitaal vrouwenlexicon.
12 J. Brok-ten Broek, ‘De ontplooiing in de negentiende eeuw’, in: Van moeder op dochter. Red. W.H. Posthumus-van der Goot en A. de Waal. Utrecht/Antwerpen 1968 3 , 31-32. Zie ook: R. Kuiper, ‘Tot een voorbeeld zult gij blijven’. Mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876). Amsterdam 2001, 141.
13 Brok-ten Broek, ‘Ontplooiing’, 31-32. Zie ook: Dieteren, ‘Elisabeth van der Hoop’.
14 Brok-ten Broek, ‘Ontplooiing,’, 32.
15 Ibid., 32
16 Brief 24 januari 1838 aan Willem de Clercq en zijn vrouw, in: Briefwisseling II 1833-1848. Bewerkt door C. Gerretson. Voltooid door J.L. van Essen. ’s-Gravenhage 1964, 229.
17 Johanna W.A. Naber, ‘Levensbericht van Anna van Hogendorp 1841-1915’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (1916), 65.
18 H.J. van de Streek, ‘De christenvrouwen (1880-1940): liefdadigheid, vrouwenbeweging en politiek; in: Een land nog niet in kaart gebracht. Aspecten van het protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940. Red. J. de Bruijn. Amsterdam 1987, 218.
19 A.J. Onstenk, “Ik behoor bij mezelf’. Cornelis Elisavan Koetsveld 1807-1893. Assen 1973.
20 Dieteren, ‘Elisabeth van der Hoop’.
21 Ibid.
22 Edith Schouten, Zoveel liefde. Historische roman over Betsy Groen van Prinsterer. Franeker 2018.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 2023
Ecclesia | 8 Pagina's