Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Folklore

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Folklore

7 minuten leestijd

De waegemaeker

Vroeger maakte de wagenmaker met de smid alle landbouwgereedschappen en ook: de boerewacgens. Op het plat teland waren deze ambachtslui zo be langrijk, dat hun beroep hun naam werd: Aoi de waegemaeker en Jan de/ smid. Nu is er voor de wagenmakorl geen werk meer — het boerenbedrijf is bijna geheel gemechaniseerd, de paar-' den zijn vex'vang'en door tractoren (trektor), de boorenwagens door vrachtwagens op rubberbanden, enz. en het smidsbedrijf is voor het 't grootste deel omgeschakeld op allerlei machinerieën en motoren. De oude waegens karren, slejen zijn zo goed als verdwenen en zullen binnen niet te lange tijd alleen in musea gezien kunnen worden. Ik ben in het bezit van alle voor 80 jaar gebruikte landbouwwerktuigen, die in de jaren 1875—'77 door mijn vader — een boer — gemaakt zijn op de verkleinde schaal; dat zijn grootvader en oom de wagenmakers van 't dorp waren, zal wel tot grote steun geweest zijn.

Berst de oude ,,boerewaegen", bestaande uit twee delen, 't Voorste stuk heet 't wulp, waarin de draoiboam gestoken wordt. Van onderen worden de delen van 't wulp bijeengehouden door 'n ijzeren plaat, den bek van 't wulp, p. m. 5 cm breed, waarop do boom rust; op de bovenkant is 't waegenval, een ijzeren plaat van ongeveer ly» cm. dikte met 2 kettinkjes, dat opslaat als men den draoibaom opzet. Op 't wulp legt men het waegentouwe, waaraan de twee zwingen zitten — aan die zwin gen worden de stringen der paarden vast gemaakt. De spannaegel een flinke ijzeren staaf gaat door 't waegentouwe en den draoibaom heen en zit aan 't wulp bevestigd. De zogenaamde nèrremen (armen) van 't wulp gaan over in de zweekerremen van de zweêke. 't Wulp rust in inkepingen van den voorsten asblok waaraan de houten as is bevestigd. Daarop rust de voorsten x'ongeblok,

waarin de ijzeren rongen zitten. Door 't wulp, de rongeblok, den asblok en den as gaat ongeveer 75 cm. lange ijzeren diejpsteker, die dus alles bijeenhoudt en waarom het voorste deel van de wagen draaien kan. De deursteker gaat ook door het voorste deel van de langwaegen die met zijn bek rust in een inkepmg van de voorste asblok. Het achterende van een wagen is de

Het achterende van een wagen is de achterste rongeblok, i'ustend op den achtersten asblok. Door de rongeblok gaat de langewaegen, een lang, dik stuk hout van achteren met twee steunarmen en in 't midden met een verhoging terwijl het voorste deel rust op den voorsten asblok. De langewaegen verbindt dus het voorste en achterste deel van een boeren wagen. Als men lange palen of bomen moest vervoeren, werd de langewaegen van 't voorste deel losgemaakt en werden de beide wagendelen met kettingen verbonden — men noemde dat eigenaardig: rieje mit de langwaegen. Bij de oudste wagens bestonden de

Bij de oudste wagens bestonden de asblokken en de assen uit één stuk hout — de eigenlijke assen werden bekleed met iezdcre schenen die taps toeliepen. Aan de assen — later van ijzer — worden de wielen geschoven. Om te verhinderen, dat de wielen er ^af liepen werd In de as een spieje gestoken. Nog vroeger noemde men zo'n spie een linze en de hele wagen een linzewaegen. Bij de ijzeren assen werd er een moer

Bij de ijzeren assen werd er een moer opgedraaid. E)en wiel bestaat uit de dompe of den bos (de naaf), de speêken (d.i. spaken), 10 in de voorwielen en 12 in de achterste en de vellingen (velg) met den iezderen band. 't Was altijd een hele karwei om zo'n ijzeren band om een wiel te leggen, vooral om een oud wiel, waarvan de band versleten was. Een reep plaatijzer moest rondgesmeed

Een reep plaatijzer moest rondgesmeed en gelast worden, dan gepast en net zolang gesmeed tot het pas was, dan goed heet er met tangen omheen gebracht worden op de wiejlsteên met een opening in 't midden voor de dompe.

Door de houten naaf, de dompe, is een taps toelopende ijzeren bus gestoken, waardoor de as gaat. Men noemt de dompe ook wel den bos. Tegen die bus aan worden over de as nog een paar losse ringen aangebracht, de stoótriengen.

De speêken zijn schuin geplaatst, dus niet in één vlak met de vellingen. Rijdt een wagen door 't land, dan zouden de wielen d'r eige vol klei spinne en dit zou het rijden erg zwaar maken; bij schuine stand valt de klei er af.

De zwêke met lange arme vergemakkelijkt het draaien (zweêke of zwenken) van de wagen. Later is de zweke vervangen door een ronsel bij de zogenaamde ronselwaegens.

Op de rongeblokken ligt de boómplanke, in 't midden en van achteren gesteund door de langwaegen en met klossen aciiter de rongeblokken. Boven dien gaat ook hierdoor den diejpsteker.

Aan de zijkanten, op de rongeblokken en tegen de rongen staan de waegenladders. Zo'n waegenladder bestaat uit den rechter ongerbaom en een gebogen bovenbaom (men sprak vroeger en nog van de baoms van de ladders).

De bovenboom eindigt van voren in de voortuite, van achteren in de achtertuite. Tussen de beide baoms zijn 10 scheen, die van boven iets uitsteken en netjes rond afgewerkt zijn. De planken aan de binnenkant van de ladders noemt men het scholwcrrek. De twee achterste scheden (de achterscheên) staan dicht bij elkaar. Daar wordt het achlerkrat van de wagen ingeschoven. Tussen de twee voorscheen kJin het

Tussen de twee voorscheen kJin het voorste krat geschoven worden en tussen de 2e en 3e schee, ook dicht bij elkaar wordt de zittebank, die op de boomplanke rust, met tweelippcn vastgehouden. Een klein zitplankje, dat op de waegenladders rust, wordt altijd het waegenplankje genoemd. Over de achterstuiten wordt de overloap geschoven, gewelfd naar boven en versierd met inschulpingen en gaatjes en met een pen of haak vastgezet.

Moet er hooi of koren gehaald worden, dan worden op de waegenladders de burries gelegd. De voorste en de achterste burriehouten liggen tegen de rongen en met klossen tegen de ladders; ze hebben ieder twee ijzeren ogen, waardoor de gebogen ziejburries gestoken worden. In de wagen en op de burries worden het hooi en koren geladen; is het voer vol, dan wordt er overheen de lange pongerboam (men zegt ook polderboam)gelegd. Van voren werd deze vroeger gestoken door een stevig touw, dat onder de wagen heen bevestigd was en de gek genoemd werd. Later werd dit touw vervangen door een houte gek, een ladder van onder breed en met touwen door ogen bevestigd en naar boven gebogen smal toelopend. Bij het leeg uitrijden lag de gek gestreken en rustte op de achterburrie; bij het laden werd hij rechtop tegen de burrie gezet. Na lading van 't voer werd de pongerbaom onder de scheen van de gek gestoken, over 't voer gestreken en van achter met een touw dat door een schiefblok ging, aangetrokken; het touw werd stevig vastgemaakt aan de waegentuite. Had men een klein vqertje, dan stak men de ponger baom onder de tweede of derde schee van de gek; men had dan een voertje van de tweede of dorde schee. Figuurlijk betekende het: 't is niet veel bizonders, een oud spreekwoord dus, dat niet meer gehoord wordt.

Bij 't mee (d.i. meekrap) rlejen zette men op de waegenladders nog een verhoging, de meêladders, om de ladingruimte te vergroten. Van onder zijn ze rond en sluiten met een paar klampen op de ladders, van boven zijn ze recht. Men gebruikt ze nog bij 't mennen van suikerbieten. Hoewel de meekrap al meer dan zestig jaar verdwenen is. wordt de naam meêladders nog gebruikt, maar toch verdrongen door die van peeladders (suikerbieten-). Bovenop die meêladders plaatst men vaak nog schroótjes, plankjes van plm. 15 cm. breed.

Om mest te rijden gebruikt men de misladders, bestaande uit twee stevige planken met twee brede scheen verbonden en met klossen tegen de rongen geplaatst; van voren is er een gleuf in voor de zittebank.

De wagenmaker en de smid zorgden voor degelijk werk, alles werd goed afgewerkt. De enige versieringen, die de eerste aanbracht, waren de bewerkte overloap, het van voren uitgeschulpte zittebankje en de ingekeepte twee voor- en achterscheên van de waegenladders. Nu moest de schilder er nog aan te pas komen, maar dat is voor de volgende keer.

F. DEN EERZAMEN Wassenaar

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 december 1955

Eilanden-Nieuws | 8 Pagina's

Folklore

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 10 december 1955

Eilanden-Nieuws | 8 Pagina's