Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Bondsvoorz. C.B.T.B. drs. Zijlstra sprak voor de kring Flakkee

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Bondsvoorz. C.B.T.B. drs. Zijlstra sprak voor de kring Flakkee

23 minuten leestijd

^ Referaat over de i,Natfonaal Agrarische Raad"

^ Optimistisclie blilc op toekomst van de landbouw

Met te zeggen dat er in de landbouw grote ontevredenheid heerst brengen we niets nieuws. Ook weten we dat op boerenvergaderingen zich steevast de opgekropte spanningen ontladen in felle discussies. De boer voelt zich immers meer dan ooit in zijn bestaan bedreigd, hij wordt daarom wanneer geen gunstiger voorwaarden zich openen — agressief en laat zich leiden door onlustgevoelens. Dit laatste is de conclusie van de bondsvoorzitter van de CBTB drs. R. Zijlstra die j.1. donderdagavond in hotel Spee te Sommelsdijk voor de kring Flakkee van de CBTB een referaat hield over het onderwerp „De nationaal Agrarische Raad". Drs. Zijlstra deed deze uitspraak n.a.v. het door de jonge boeren opgeworpen idee de standsorganisaties hun stem in het landbouwbeleid radicaal te ontzeggen en dit in handen te geven van een nieuwe organisatie op zuiver materieel gebied, die hierover het alleenzeggenschap zal hebben. Overigens heeft drs. Zijlstra zich optimistisch uitgelaten over de toekomst van de Nederlandse landbouw in E.E.G. verband. Als overkoepelend orgaan dient daarom de op te richten „Nationale Agrarische Raad" spoedig te worden verwezenlijkt. Ir. Zijlstra deed zich kennen als een briljant spreker, die als geen ander op de hoogte bleek van de moeilijkheden. Toen de aardappelaktie in het geding werd gebracht dreigde even de goede orde te worden verstoord, die echter spoedig werd hersteld. Drs. Zijlstra heeft achter de insinuerende meningen die hadden postgevat omtrent zijn niet verschijnen op de te houden persconferentie t.g.v. de aardappelaktie in den Haag na een duidelijke uitleg een dikke punt gezet.

De bijeenkomst werd geopend door de voorzitter van het kringbestuur, de heer C. A. van Loon, met het voorlezen van Philippenzen 4 : 4 tot 9 en gebed. N.a.v. dit schriftgedeelte wees de heer van Loon erop hoe Paulus zelfs in de gevangenis kan zeggen: „De Heere is nabij", wees dan in geen ding bezorgd, als Hij er is hoeven we niet bezorgd te zijn. Laten we niet vergeten dat we de roeping hebben in afhankelijkheid van Hem tot Zijn eer werkzaam te zijn" aldus spreker, die daarop de aanwezigen hartelijk verwelkomde, inzonderheid de bondsvoorzitter van de CBTB: drs. R. Zijlstra en de Alg. secretaris, de weled. heer J. de Koning. Spreker hoopte dat de aanwezigheid van de heren bij zou dragen tot een beter begrip in de moeilijke landbouwmaterie, waarna hij drs. Zijlstra het woord gaf.

De rede die drs. Zijlstra uitsprak is in ieder detail dermate belangrijk dat we — ondanks de lengte van deze rede — hem in extenso hebben opgenomen.

di's. Zijlstra

Het landbouwpolitieke klimaat wordt er de laatste jaren, laat ik zeggen vanaf 1954 ongeveer, niet bepaald milder op. De oorzaken hiervan zijn verschillend, maar ze zijn onder de langzamerhand wel zeer bekende gemeenschappelijke noemer te brengen van de snelle technisch-economische ontwikkelingen.

De ontwikkelingen stellen aan het aanpassingsvermogen van onze hoerenen tuindersbedrijven de allerzwaarste eisen. Maar deze ontwikkelingen stellen ook zeer hoge eisen aan onze landbouwpolitiek. De aard en de omvang van de problematiek, waar wij vandaag in de landbouw mee geconfronteerd worden, vragen om een begeleiding van de Overheid en het bedrijfsleven, die m.i. nog niet altijd in voldoende mate aanwezig is. Ik wil hier niemand een verwijt van maken, want de ontwikkelingen gaan nu eenmaal per definitie sneller dan het creëren van de landbouwpolitieke instrumenten. Maar niettemin, het feit ligt er.

Ontevredenheid

De gevolgen hiervan zijn veelal te merken in een gevoel van ontevredenheid, maar ook in een gevoel van onzekerheid. Iedereen die vandaag uit hoofde van enigerlei functie, veel op boerenvergaderingen moet spreken, zal het met mij eens zijn, dat dit gevoel van onzekerheid op het ogenblik de belangrijkste onderstroom in onze agrarische samenleving vormt. Dit gevoel culmineert dan meestal in de vragen als en wat verwacht u nu van de toekomst? welke structuur van de bedrijven waarborgt een goede concurrentiepositie?; welke produkten zullen het beste in de markt liggen?; zal de E.E.G. slagen?; gaat de afvloeiinng nog vei'der door met 3000 bedrijven per jaar?; zijn ingrijpende moderniseringen nog verantwoord?

Kort gezegd, een grote groep landbouwers, en bepaald niet de slechtste, voelt zich bedreigd in zijn bestaan. Voelt zich nog temeer bedreigd, omdat men dan vaak ook nog stelt dat de Overheid en „de rest van de Nederlandse bevolking" onwillig is om voldoende hulp te bieden en de landbouworganisaties onmachtig zijn om deze hulp desnoods af te dwingen.

Het is duidelijk, dat onder dergelijke omstandigheden de kritiek anders van toon, ja feller en direkter wordt. Voor boeren, die in deze omstandigheden verkeren, is het dan niet meer een kwestie van 1 cent méér bij de prijs van de melk of een gulden bij de tarwe. Neen, het gaat dan om het al of niet voortbestaan van het bedrijf.

Nu staan de standsorganisaties bij dit alles in de frontlinie en terecht. Onze leden mogen verwachten dat de besturen in staat zijn, een heldere analyse van de vraagstukken te geven, een analyse waar men ook zijn eigen individuele problematiek in terug vindt. In de tweede plaats mag men van de besturen verwachten, dat er duidelijke uitspraken komen over toekomstige ontwikkelingen.

Als ik persoonlijk dan eens een tweetal uitspraken zou mogen doen, die in het kader van dit referaat m.i. actueel zijn, dan zijn het deze:

1. „De overheidspolitiek zal, bij handhaving van beslissingsvrijheid voor de ondernemer, nooit in staat zijn volledig een redelijk bestaan onder alle omstandigheden te garanderen"

2. „De Nederlandse land. en tuinbouw zal zelf nog meer dat tot nu toe. een bijdrage moeten leveren tot een verdere versterking van de positie van de agrarische ondernemer".

ledere inleider die in deze tijd op pad gaat en blijk wil geven van een afgeronde kijk op de landbouwproblematiek, moet op zijn minst een keer zeggen, dat het bepaald onontkoombaar is dat de boer zich aanpast aan de snel wijzigende omstandigheden, 's Avonds terug in de trein zou het geen overbodige luxe zijn als de geachte inleider zichzelf eens de vraag voorlegde of de organisatie of instelling, namens welke hij gesproken heeft, wel zoveel haast maakt om die aanpassing te voltooien. Een diep schaamrood op de kaken zou dan meestal niet misstaan. Zo langzamerhand krijgen organisa

Zo langzamerhand krijgen organisaties en andere landbouwinstellingen een eerbiedv/aardige ouderdom. Waarom zou de ouderdom alleen bij ons persoonlijk met gebreken komen?

Nog niet aangepast

Anders gezegd en daarmee het probleem iets nauwer omlijnd: zijn de organisaties en de coöperaties in haar huidige structuur en werkwijze, het meest geëigend, het meest geschikt, om de haar toevertrouwde belangen te behartigen? Is ons organisatorisch instrumentarium het meest geëigend om de landbouwproblemen in de huidige moderne tijd op te lossen? Ik geloof van niet; we melken nog te

Ik geloof van niet; we melken nog te veel m.et de hand of maaien met de zeis. We hebben ons nog niet in voldoende mate aangepast aan de zich snel wijzigende omstandigheden, met name op technisch commercieel gebied. De overheidspolitiek zal, via richtprijzen, echt ook in de toekomst wel blijven voorkomen dat de prijzen niet al te ver wegzakken, maar het opbouwen van een eigen marktpositie, die dan misschien ook nog eens wat extra's biedt boven een kostprijs, zullen we toch echt zelf moeten doen.

Hoe zal deze markt eir nu gaan uitzien?

In de eerste plaats wil ik er nog steeds van uitgaan dat de E.E.G. wordt verwezenlijkt.

In de tweede plaats, dat het nationaal inkomen regelmatig zal toenemen met ongeveer 4% per jaar.

In de derde plaats, een hiermee verband houdende toenemende verkorting van de arbeidstijd.

In de vierde plaats een verdere afname van het aantal personen dat werkzaam is in de landbouw.

Welke zijn nu de consequenties hiervan?

1. Een grote, vrij toegankelijke markt van tenminste 170 miljoen mensen.

2. Het nationaal inkomen van de E.E. G. zal maken, dat de Nederlandse landbouw in het centrum van het rükste gebied van de geliele wereld komt te liggen.

3. De consument zal zqn aandacht in toenemende mate gaan richten op het exclusieve kwallteitsprodukt.

4. Deze situatie schept voor de Nederlandse land- en tuinbouw, vermaard om de inventiviteit en de kwaliteit van zijn boeren, nieuwe kansen.

5. Van deze kansen zullen de boeren en tuinders slechts optimaal gebruik kunnen maken, als zij hun produkten zoveel mogelijk kunnen „vertalen" in die soorten, hoeveelheden en kwaliteiten, die de rijke Europese consument vraagt.

Dan zal de praktijk zo moeten worden dat Frau Huttenbrauker uit Essen — ik noem maar een willekeurige naam — wier man op een staalfabriek werkt, 's middags om 3 uur met haar volkswagen naar een enorme supermarkt buiten de stad rijdt om vlees, melk, eieren, groenten en aardappelen te kopen en meteen door de draaideur rechts afslaat, waar een groot bord bescheiden vermeldt: „Niederlandische Qualitat heisst die beste".

Voor deze extra kwaliteit kan natuurlijk ook extra worden betaald. Een bewerking en presentatie als hiergenoemd, eist echter een enorme, gecoördineerde en geconcentreerde agrarische belangen behartiging. Een agressieve verkooppolitiek, die niet alleen de Nederlandse kaas of tomaat pousseert maar alle land bouwprodukten, vraagt om een veel grotere bundeling van krachten. Hier krijgt het begrip machtsvorming ook haar zin en haar legale vormgeving.

Hoe bereiken we nu deze positie?

Als ik nu eens bij de standsorganisaties mag beginnen. Deze vormen gezamenlijk per produkt of per produktengroep een vaktechnische organisatie. Algemeen gesteld krijgen deze organisaties tot taak de technisch-commerciële belangenbehartiging van de aangesloten leden. Deze vaktechnische organisaties zoeken contact met de betrokken verwerkings- of afzetcoöperaties en bundelen op deze wijze haar activiteit. Nadien zou ook overleg kunnen plaatsvinden met niet coöperatieve instellingen, die zich op het beirokken terrein bewegen en belang bij deze zaken hebben.

De bundeling en coördinatie van al de activiteiten die hieruit voortvloeien, vindt plaats in een op te richten ,.Nationale Agrarische Raad", die op deze wijze dus de algemene agrarische belangen op technisch-commerciëel terrein dient te behartigen. Waarschijnlijk zou hiervoor de meest doelmatige oplossing zijn een reorganisatie van de Nationale Coöperatieve Raad.

Mag ik deze vorm, deze structuur nu eens toetsen aan het in het begin van dit referaat gestelde doel, n.1. het leveren van een eerste klas produkt in voldoende hoeveelheden, tegen behoorlijke prijzen aan de steeds koopkrachtiger wordende, steeds verwender wordende Europese consument.

Het is duidelijk, dat de kwaliteitsbeinvloeding moet beginnen bij de boer, bij de producent. Wanneer deze met zijn collega's een eigen vaktechnische groep vormt, wordt de gespecialiseerde voorlichting gemakkelijker. Een eigen vaktechnisch blad zou in deze behoefte kunnen voorzien.

Wanneer behoefte ontstaat aan levering van constante hoeveelheden, heeft men meteen de gehele groep te pakken. Wanneer op grote schaal contracttelt voorkomt, heeft men meteen een centrale beoordelingsmogelijkheid. Kortom, op deze wijze kan men komen tot een vergaande bundeling van het aanbod.

De Nat. Agrarische raad

Een Nationale Agrarische Raad tenslotte, kan een zeer belangrijke versterking van de Nederlandse land- en tuinbouw betekenen. Een nauwere samenwerking op nationaal niveau is een grote vereiste. Incidentele contacten kunnen worden vervangen door regelmatig overleg. Ik denk bijv. aan de bespreking van agrarisch-handelspolitieke vraagstukken; de bundeling van kennis en deskundigheid i.v.m. allerlei E.E.G.- vraagstukken; het doen van gezamenlijke benoemingen of althans het overleg hierover, in de zogenaamde comité's consultatifs; een standpuntbepaling over het vraagstuk van de verticale integratie; algemeen financieringsvraagstukken stimulering van marktonderzoek en collectieve reclame voor het Nederlandse land- en tuinbouwprodukt en tenslotte, in het algemeen, het verbeteren van de goodwill voor de Nederlandse landbouw.

Ik heb hiermee in de eerste plaats getracht een positiebepaling te geven van de Nederlandse landbouw in het licht van de te verwachten ontwikkelingen. Met het oog hierop heb ik ook getracht een antwoord te geven op de vraag hoe de Nederlandse boer in deze ontwikkeling een zo goed mogelijke positie kan innemen en welke organisatorische instrumenten hem hierbij ten dienste zullen moeten staan. In de derde plaats heb ik getracht zeer globaal aan te geven, welke taak deze organisaties zouden moeten krijgen.

Ik ben me heel duidelijk bewust, dat door de kortheid van deze schets een groot aantal vragen is opengebleven. Ik ben mij ook bewust, dat aanvaarding en realisering van deze conceptie nog onnoemelijk veel bezwaren zal opleveren. Als men over ingrijpen in organisatiestructuur spreekt, spreekt men over posities van personen en instellingen, regionale gevoeligheden en plaatselijke trots.

Het is verre van mij om deze moeilijkheden, die veelal op het menselijke, het psychologisch vlak liggen, te bagatelliseren, ze zijn net zo reëel als economische moeilijkheden. Er kunnen echter ook moeilijkheden ontstaan door een gebrek aan meedenken, een gebrek aan fantasie.

Hiertegen zou ik nu alvast stelling willen nemen. Onze generatie is getuige van en neemt deel aan een soort agrarische revolutie die vergelijkbaar is met de industriële revolutie uit het midden van de vorige eeuw. Evenals toen, vormt deze revolutie een dodelijke bedreiging voor een aantal van onze boeren; zij dreigen te worden fijngemalen in de schroef van snel voortschrijdende technisch-economisohe ontwikkelingen en het gebrek aan mogelijkheden om hun bedrijven hierop voldoende in te stellen. Voor deze groep, de zwakken in onze huidige maatschappij, zullen de organisaties bescherming moeten zoeken.

Daarnaast schept deze ontwikkeling echter nieuwe en ongekende mogelijkheden. Hierin kan een stuk perspectief liggen, dat onze landbouw vaak zo node ontbeert. De landbouworganisaties, de coöperaties en andere verwerkings. en afzetindustrieën zullen onze agrarische stand de wegen moeten wijzen en de instrumenten moeten verschaffen om de vruchten van deze ontwikkeling te kunnen plukken.

Bundeling van de afzet, leverantie «van kwaliteitsprodukten tegen een zo constant mogelijke prijs, gesteund door een agressieve verkooppolitiek, ontwikkeld en gestuwd door het gehele agrarische bedrijfsleven, ziedaar de opdracht die het agrarische bedryfsleven moet ver- vullen. In deze opzet biyft de overheids politiek, blijven prijs- en structuurpo- litiek een belangrijk jstuk aandacht van de standsorganisaties opeisen, maar daarnaast komt als even sterke pijler, de commercialisaitie, valorisatie van onze produkten, te staan. Dit geheel, gesteund en gedragen door een uitermate goed ontwikkeld landbouwkredietwezen kan een bundeling van krachten geven die wij toi; nu toe niet gekend hebben, en die voor onze boerenstand de basis kan verstevigen voor een gezonde en rendabele bedrijfsvoering.

Deze bundeling richt zich ook niet in de eerste plaats als een dreigende vuist tegen de overheid, maar is de voorwaarde voor het bedrijven van een marktpolitiek die grote concerns al jaren lang in de vingers hebben. Deze conceptie biedt tevens perspectief in de zo langzamerhand steriel rakende prijsdiscussies en legt het accent op de eigen verantwoordelijkheid en de zelfwerkzaamheid.

Misschien raken we dan oolï af van de vloek van het nooit genoeg vragen en het nooit genoeg krijgen en beseffen we duidelijk onze armoede, ons gebrek aan visie en onze bekrompenheid als we elkaar in de haren vliegen over bijv. de wettiglieid van het Landbouwschap.

De landbouw is een moeilijk terrein; organisatorisch vol doornen en distelen en vaak nog behept met een misplaatst minderwaardigheidsgevoel. Vaak kunnen we onderlinge kritiek maar heel moeilijk verdragen en, als ik eens een heel ondeugend agrarisch beeld mag gebruiken, soms lijkt het alsof onze hersenen met een bestrijdingsmiddel zijn bespoten en onze tenen met een groeimiddel.

Toch zullen we ons elke dag duidelijker moeien realiseren waar de wezenlijke problemen en hun oplossingen liggen. Vooral in de discussie over deze zaken zal een grote openheid en onderling vertrouwen de basis moeten vorm.en voor een overeenstemming in constructieve zin. Wij zullen bereid moeten zijn, waar dit nodig is, stukjes traditionalisme te laten vallen, historisch gegroeide verhoudingen fundamenteel te wijzigen en bevoegdheden over te dragen.

Deze bereidheid zal ons des te gemakkelijker vallen als wij zien, aan welke spanningen en moeilijkheden onze boerenstand vandaag blootstaat. Deze moeilijkheden nopen op de bedrijven vaak tot ingrijpende wijzigingen. Van de organisaties en de instellingen van de boer zal men dan zeker mogen verwachten, ja, mogen eisen, dat zij de bereidheid zullen opbrengen om de nodige veranderingen door te voeren", zo besloot drs. Zijlstra.

De jonge b.oeren

De heer Roodzand sprak — naar hij verklaarde — namens een overgroot percentage jonge Flakkeese boeren die in een ie Melissant gehouden bespreking uitvoerig van gedachten hebben gewisseld over hetgeen hen te wachten staat, wanneer de huidige situatie blijft voortbestaan zoals hen die door de produktschappen, landbouwschap en overheid wordt opgelegd. Spreker deelde mee dat op genoemde bijeenkomst een commissie is samengesteld, bestaande uit 6 leden, twee van elke standsorganisatie.

Het ging aldus spreker niet om alleen maar afbrekende critiek op de standsorganisaties te geven, die (soms) ook wel eens vechten voor een betere bestaansmogelijkhheid voor de boer, maar er wordt niet genoeg een vuist gemaakt, waarmee op tafel moet worden geslagen!" betoogde spreker. Komend tot de aardappelactie laakte spreker de houding van ir. Knottnerus, waardoor o.m. de verhouding van de pers tegenover de jonge boer was verslechterd. Ook kregen ir. Zijlstra en de heer Mertens een veeg uit de pan i.v.m. hun niet verschijnen op de persconferentie te Den Haag t.g.v. de (landelijke) aardappelaktie. Ondanks onze prestaties als producenten zijn we van het Nationale hoge welvaartspeil verdrongen en worden we door de regering voor het tevreden stellen van de overige 90Vo van onze bevolking met zijn industriële egoïsten zo veel mogelijk weggetrapt. Sprelser noemde een reeks factoren die z.i. antwoord gaven op het waarom t.w. gebrek aan waardering voor overprodulctie-verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod en een niet eerlijk doorvoeren van de geleide economie, alsook de te grote onderlinge verdeeldheid. Door het georganiseerd zijn in 3 standsorganisaties zijn we wankel en slap geworden" betoogde spreker. Ook het landbouwschap kreeg harde critiek te horen. „Het schap kost jaarlijks veel geld maar er komt nooit iets terug"

Nogmaals haalde spreker de aardappelactie aan en in verband hiermee de houding van de 3 CLO voorzitters. Ook de samenwerking tussen de standsorganisaties per district liet aldus spreker veel te wensen over. „Als men de verdeeldheid van onderaf al moet constateren dan is het geen wonder dat de top in onze organisaties op afschrikwekkende wijze langs elkaar werken" betoogde hij.

„Wij proberen b.v. met al onze akkerbouw commissies en vele commissies meer per organisatie per provincie uit alle takken van het boerenbedrijfsleven zonder goed overleg met elkander tot redelijke doelstellingen te komene, wat nooit effektief zal lukken, wanneer wij zo verdeeld georganiseerd blijven zitten" zo vervolgde spreker. Onze 3 CLO's kwamen toch ook voor het nieuwe loonbeleid in de landbouw elk met een verschillende verhoging toen men zich met de werknemers om de tafel schaarde voor het in deze te voeren overleg".

Nu gingen de vakbonden over de hekel „De vakbonden mijne heren plukken hier de vi'uchten van, ook al zijn ze verschillend georiënteerd, ze zijn het heel goed eens n.1. „meer loon voor minder arbeid". Over plichten t.o.v. hun medemensen wordt niet meer gesproken, al wilde spreker t.o.v. van de goede werknemers in de landbouw duidelijk onderscheid maken.

Wensen

! ] ;' ' „We zullen voor de toekomst om aan al onze ellende het hoofd te bieden ook in E.E.G. verband, een groot en sterk geheel moeten vormen, omdat ons is gebleken dat we prijsvorming en afzet — de factoren die de grootste rol spelen in ons inkomen — niet aan kunnen zoals wij thans zijn georganiseerd", betoogde spreker.

Eén organisatie zonder politieke richting, maar louter op materieel gebied, een organisatie die bevoegdheden krijgt om wanneer dat nodig blijkt b.v. de melkafvoer stil te leggen en b.v. de bietenteelt kan doen verminderen" zag spreker als het meest gewenst.

Wij willen geen contributie blijven betalen aan onze organisaties die zo verdeeld zijn georganiseerd in de vorm van de 3 C.L.O.'s en een landbouwschap dat af en toe zijn misnoegen uitspreekt over de gang van zaken en tegelijkertijd komt aandragen met een saneringsfonds" protesteerde spreker. „Als we niet krachtig genoeg optreden tegen de overheid worden onze bedrijven binnen een jaar opgekocht".

Spreker zag als ideale vorm van de in het leven te roepen organisatie dat deze het alleen zeggenschap zal hebben. De bestaande standsorganisaties zouden dan „voorlopig" kunnen blijven voortbestaan (dit naar wens van de CBTBleden in eerder genoemde commissie). Deze organisaties zullen geen enkele zeggenschap hebben dan slechts van principiële aard op het gebied van scholen e.d.

Absolute eis

Waren de voorgestelde veranderingen wel radicaal, thans sprak spreker als absolute eis dat hun vertegenwoordigers uit het produktschap voor aardappelen onmiddelijk worden teruggetrokken, zodat dit schap geen recht meer op bestaansmogelijkheid biedt. De maatregel van dit schap gingen ten koste van de boeren en tot voordeel van de consument"

Spreker betoogde verder van de standsorganisaties te verlangen dat zij de kwaliteitsmaatregelen voor binnenlandse consumptie-aardappelen zelf ter hand nemen om geknoei van de niet bonafide handel onmogelijk te maken.

„Het is ons werkelijk ernst dat wij in 't vervolg geen leden meer van onze organisaties wensen te zijn wanneer er geen krachtiger beleid voor onze boeren wordt gevoerd", aldus besloot spreker.

Opheldering aardappelaktie

In een vloeiende speech vroeg de heer L. Visser van Stellendam antwoord op de vraag waarom Ir. Zijlstra niet was verschenen op de persconferentie in den Haag, tijdens de landelijke aardappelaktie. De persconferentie zou worden gehouden in de voormalige dierentuin.

„We waren als leeuwen" verzekerde de heer Visser.

Spreker vertelde zijn ,,opstel" klaar te hebben gehad maar inplaats van op de persconferentie had hij het later thuis voorgelezen, de topfiguren hadden zich niet laten zien, terwijl door de heer Mol met de drie voorzitters een afspraak was gemaakt.

Spreker vertelde Ir. Zijlstra te hebben opgebeld, hij wist nergens van.

„Er gingen anti-revolutionairen en revolutionairen heen, maar toen we eenmaal voor aap hadden gezeten, werden we eensgezind, n.1. allen revolutionairen aldus de heer Visser. Hij vroeg opheldering. Verder betoogde spreker dat de produktschappen moeten verdwijnen, ze hebben de prijzen steeds gedrukt en hebben de boer in de put laten zitten. Spreker hoopte dat de Nat. Agrarische raad spoedig werkelijkheid zal worden, we hebben niet veel tijd meer want velen zitten al aan de grond" betoogde spreker. Nu geen woorden maar daden. We moeten samen optrekken en één front vormen om onze belangen te verdedigen" aldus de heer Visser. Dhr. C. van Rumpt had zich de avond

Dhr. C. van Rumpt had zich de avond anders voorgesteld, hij had een discussie verwacht m.b.t. een nieuwe maatschappij-vorming op hoger niveau. „Naast dat moeten we meedenken in de gepropageerde richting" antwoordde de voorzitter de heer C. v. Loon.

,,Voor wie het meemaakt ligt het anders" vond de heer Visser.

In het antwoord dat ir. Zijlstra gaf merkte hij o.m. op open te staan voor alle critiek die op Flakkee niet gering bleek te zijn. Ook was spreker niet bang van revolutionaire ideen, maar hij noemde het gevaarlijk een visie geboren te laten worden uit onlustgevoelens, die ten enenmale een verkeerde basis vormen. De aaneenschakeling van verwijten in het betoog was naar spreker meende een belangrijke stimulans voor de gedachte dat ook de idee van de jonge boeren uit onlustgevoelens geboren werd. N.a.v. het verwijt m.b.t. het niet aanwezig zijn op de persconferentie te Den Haag wees spreker erop dat hij als voorzitter van zijn organisatie had mogen verwachten dat hij van meet af aan bij de aktie betrokken zou zijn geworden. Spreker zou het hoffelijker hebben gevonden wanneer hij tot bijwoning van de voorbereidende vergadering zou zijn uitgenodigd. Hij protesteerde tegen de mening dat de voorzitter er ieder willekeurig moment kan worden bijgehaald. Zo was het gegaan met de persconferentie, die dinsdags werd gehouden en waarvoor hij 's maandagsavonds telefonisch werd uitgenodigd. De tijd was voor spreker gezien zijn drukbezette agenda — tekort geweest. Hij wenste onder deze geschiedenis met zijn verdachtmakingen voorgoed een punt te zetten omdat het louter te vifijten is aan een ordinair misverstand.

De voorgestelde eenheid

N.a.v. de door de jonge boeren voorgestelde eenheid merkte drs. Zijlstra op dat in de landbouw alles op drift is en men staat voor een revolutie die gelijk is te stellen met de industriële revolutie uit de vorige eeuw. „U wilt allen zelfstandige ondernemers zijn, maar het risico daaraan verbonden kan door geen enkele organisatie, in welke vorm dan odk, worden weggenomen" betoogde spr. die verzekerde dat verschil van inzicht ook door een eenheid niet kan worden weggenomen. Spreker bestreed de mening dat er geen vuist gemaakt zou zijn. De vuist is het landbouwschan waar een goed beleid uit de bus komt Verder is de machtsvorming op dp markt de vuist die we moeten maken" aldus spreker die meedeelde dat er dienaangaande reeds besprekingen ?\\j, gevoerd, met name voor de eieren en fruitteelt, er wordt hiervoor een vaktechnische organisatie opgebouwd, waai meer schot in zit dan spreker aanvankelijk had verwacht. Spreker meende dat de produktschappen in hun huidige vorm niet kunnen worden gehandhaafd zij zullen mogelijk adviescommissies worden. De macht moet steunen op de redelijkheid van boer en consument en zal voor een gedeelte afhankelijk zm van de politieke beslissingen.

Men blijft noodzaak vinden in de organisatie die de CBTB vandaag is" betoogde spreker.

Op het gezegde van de heer Roodzand dat hij één topfunctionaris wilde aanstellen in de nieuwe organisatie die bepaald alles m.b.t. het landbouwbeleid voor het zeggen zou hebben, antwoordde ir. Zijlstra dat het machtsidee hierin ten top zou worden gevoerd. „Iedereen die van een dergelijke filosofie uitgaat moet inderdaad tot een dergelijke eenheid komen, maar er zijn ander normen", aldus spreker. Tegenover de huidige radicalisering

Tegenover de huidige radicalisering moet men zijn principe stellen. In onze organisatie benaderen we de dingen van uit het Christelijk oogpunt, dat niet over boord mag worden gezet, op straffe van de huidige ontwikkeling, waarop de christelijke organisatie een rem moet zijn" benadrukte spreker. „Het is noodzakelijk dat men steeds een beroep kan doen op zijn beginsel. Als maatschappelijke organisatie moeten we uit beginsel een stukje vorm geven aan de maatschappij", aldus besloot ir. Zijlstra.

Discussie

In de discussie die volgde werden soms heftige protesten gehoord, „God heeft de mens voor lOC/o geschapen, niet met zaagsel in zijn hoofd", aldus' iemand uit de zaal, „Er zijn 14*/o boeren en SeVo kneusjes, in den Haag wil men van de kneusjes boeren en van de boeren kneusjes maken" zo betoogde hij. „Honderd procent van het nationaal inkomen gaat naar de kneusjes en l'io blijft er over voor de boeren". We kunnen hier een dragline bouwen die den Haag in zijn geheel achter het IJzeren Gordijn zet, dan zijn we van veel narigheid af". Het antwoord aan vraagsteller is verweven in het betoog dat ir. Zijlstra gaf als antwoord op de rede van de jonge boeren. „Laat u niet gaan door onlustgevoelens!"

Ook de machtige Raiffeisenorganisatie kwam voort uit onlustgevoelens!" werd ergens gerepliceerd. De heer J. van Eek vroeg hoe ir. Zijl

De heer J. van Eek vroeg hoe ir. Zijlstra zich de gepropageerde bundeling van de afzet concreet voorsteld. ,.De formulering van de Nat. Agrarische raad" is hiervan het begin aldus ir. Zijl- stra. Men moet regionaal beginnen met het aanbod zo goed mogelijk in handen zien te krijgen, vandaar verder werken naar een meer centrale bundeling, men moet naar een gedifferentieerd produkt groeien", aldus spreker.

De discussie werd nog enige tijd voort gezet, waarna de vergadering door drs. Zijlstra met dankgebed werd gesloten

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1964

Eilanden-Nieuws | 10 Pagina's

Bondsvoorz. C.B.T.B. drs. Zijlstra sprak voor de kring Flakkee

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1964

Eilanden-Nieuws | 10 Pagina's