Melissant (III)
Uit de Historie
Behalve de 6 boerderijen, die we in ons eerste artikel noemden, en waarvan er 4 in Oud-Melissant en 2 in Roxenisse, kunnen we nu nog wat vertellen over 3 boerderijen in Kraayenisse.
Dhr. L. Driendijk, Kievitstraat 14, 3443 BE Woerden, telefoon 03480 - 13653, schreef mij nl. op mijn verzoek, over deze drie. Door een artikel in „Eilanden Nieuws" van hem, kwam ik met hem in aanraking. Ik schreef h em nl. tóén dat mijn vader nog bij een Leen Driendijk had gewerkt, zeker op z'n zestiende jaar( 1873 - 1874). (Mijn vader ging wel op z'n achtste jaar al naar het land, maar of hij direct al bij Leen Driendijk werkte, weet ik niet). Nu citeer ik z'n brief:
Nu citeer ik z'n brief:
In het derde kwart van de 18e eeuw werden langs de Nieuw Kraayersedijk in de polder Kraayenisse drie identieke of nagenoeg identieke boerderijen gebouwd. De polder Kraayenisse is in 1760 door bedijking van gorzen en slikken gevormd, zodat kan worden aangenomen, dat de boerderijen kort daarna zijn gebouwd.
Het zijn de volgende boerderijen: 1. boerderij „Welgelege(n)", die nu aan
1. boerderij „Welgelege(n)", die nu aan de tegenwoordige Fortuinweg ligt en waarvan het karakteristieke woonhuis in 1980 is gesloopt. De schuur bestaat echter nog en daarbij is ten behoeve van de bewoners, de familie C. A. A. Kort, naast de boerderij een moderne woning gebouwd; 2. boerderij „Akkerzorg", thans be
2. boerderij „Akkerzorg", thans bewoond door D. A. H. van Dis;
3. een naamloze boerderij, van oudsher en ook nu nog bewoond door de familie van Rossum, thans de heer J. P. van Rossum.
De boerderij„ Welgelege(n)" werd achtereenvolgens bewoond door: Leenden Driendijk Willemsz. en Kom
Leenden Driendijk Willemsz. en Kommertje Comelisse Noordijk (eerste bewoners).
Willem Leendertsz. Driendijk en Maria Jacoba Jacobsdr. van Rossum. Leendert Willem Driendijk en Maria Ba
Leendert Willem Driendijk en Maria Barendsdr. Noordijk, (tot ongeveer 1900). Wie er daarna op gekomen is, is mij niet bekend, mogelijk is dat de familie Kort geweest.
De ho&idani,,Akkerzorg" werd bewoond door:
Leendert Leendertsz. Driendijk (broer van Willem, hierboven genoemd) en Hester Leendertsd. Knape. Leendert Leendertsz. Driendijk en Aagtje
Leendert Leendertsz. Driendijk en Aagtje Pietersd. van Weel. Leendert Leendertsz. Driendijk, onge
Leendert Leendertsz. Driendijk, ongehuwd, overleden in 1922. Dankert van Dis.
Dankert van Dis.
Dankert A. H. vanDis (huidige bewoner).
De boerderij van de famUie van Rossum werd vanaf 1 maart 1798 bewoond door Huibert Dirksz. van Rossum en Maria Leendertsd. Driendijk. In aantekeningen van de familie van Ros
In aantekeningen van de familie van Rossum komt het volgende voor: „Huybert van Rossum en Maria Driendijk 4 jaar in Dirkslant gewoondt hebbende op Een klein bouwerijtie. Dat toen verkogt wiert door den Heer Nieuwenhoven. Toen was mijn zaak, om sterk uijt te zien
Toen was mijn zaak, om sterk uijt te zien na een andere gelegenhijd, dat mijn gauw gelokte, geluk moet ik zegge. En Door toe doen van mijn broeder Jakob van Rossum, Die heel veel verstand hadt En Bij vele Prinssepale kennis hadt, ook DeDe mijn- Heer Asquir Kolff daar niet wynig aan. En maakte mijn boer van de voorste stee in Kraayenisse (de achterste stee was Welgelege Dr.). Daar ik agt Duisend Gulden Benifisie voor gaft. En in pagte voor 14 jaar, daar was toen zo makkelijk niet aan te kome als een 15 of 20 jaar voordien. Ik ging met mijn vrouw en twee kinderen
Ik ging met mijn vrouw en twee kinderen Dirk en Kommertje op den 1. Maart 1798 op de stee van mijn Heer Jn. van De Lee'w In Kraayenisse woone, mijn vrouws vader en moeder woonde op de agterste stee in Kraayenisse. Met Name Leen Driendijk En Commertje Noordijk. Na 't afsterven is de zoon Willem Com.
Na 't afsterven is de zoon Willem Com. daarop gebleven. En de middelste stee mijn vrouws Broeder L. Driendijk, getrouwt met de Dogter van L. Knape". Ten aanzien van de boerderijen zelf kan ik
Ten aanzien van de boerderijen zelf kan ik u mededelen, dat dezen bij de Rijksdienst voor de Monumentenzorg zijn geregistreerd (behalve Welgelege, die gesloopt is) en dat zij in het monumentenregister alsvolgt zijn omschreven:
„Akkerzorg" Nieuw Kraayersedijk 23; Grote boerderij derde kwart 18e eeuw onder pannen zadeldak met aan de voorzijde een hoge puntgevel onder rollaag. De zolderverdiepingen hebben hun oorspronkelijke vensters met middenstijlen en roeden behouden.
Links een uitgebouwd zomerhuis onder zadeldak.
Hekposten met vazen, eind 18e eeuw.
Nieuw Kraayersedijk 31 (van Rossum) Grote boerderij, derde kwart 18e eeuw met hoge puntgevel onder rollaag en in de zolderverdiepingen nog de oorspronkelijke vensters met kruiskozijnen en kleine roeden. Benedenvensters met twaalfruitsschuif
Benedenvensters met twaalfruitsschuiframen.
Open wagenschuur op erf.
Woerden, 26 april 1985 L. Driendijk
* * *
Hierbij merk ik op:
1. Bij welke Leen Driendijk m'n vader werkte, kan ik niet zeggen. Ik denk van bij Leendert Willemszn. (getrouwd met Maria Barendsdr. Noordijk). 2. Deze Leendert Willemszoon leefde
2. Deze Leendert Willemszoon leefde van 29 oktober 1827 tot 2 juli 1910. De laatste jaren woonde hij op het „Gele Huis" aan de NoUedijk, rustend boer vanaf ongeveer 1900). 3. In een wat latere brief schreef dhr. L.
3. In een wat latere brief schreef dhr. L. Driendijk mij nog de volgende overlevering betreffende een tot het familiebezit behorende officierssabel:
Mijn vader was in het bezit van een sabel, afkomstig van het Franse leger. Deze sabel is thans in mijn bezit. Voordien behoorde hij al aan mijn grootvader, mijn over-grootvader en wellicht ook nog mijn bet-overgrootvader. De manier, waarop de familie Driendijk in
De manier, waarop de familie Driendijk in het bezit kwam van de sabel luidt volgens de overlevering alsvolgt: Tijdens de Franse overheersing van Ne
Tijdens de Franse overheersing van Nederlandvan 1795- 1813woonde mijn betovergrootvader met zijn gezin op de boerderij „Welgelege(n)" aan de Kraayenisserdijk, nu Fortuinweg genoemd, in de gemeente Melissant op het eiland Goeree en Overflakkee. Ook dat eiland was in die tijd bezet door
Ook dat eiland was in die tijd bezet door Franse troepen, die — toen het voor hen minder fortuinlijk begon te worden — moesten terugtrekken. Dit terugtrekken ging gepaard met plundering en brandstichting en zo werden veel boerderijen die de soldaten op hun weg tegenkwamen geplunderd en daarna in brand gestoken. Op een gegeven moment deed in Melissant het gerucht de ronde, dat de plunderende Franse troepen vanuit de richting Goedereede in aantocht waren. Het was ook bekend, dat ze vooral ook naar drank en eten zochten. Mijn bet-overgrootvader of mijn overgrootvader had daarom een listig plannetje bedacht.
Hij plaatste bij de ingang van de toegangsweg naar de boerderij, aan de weg, waar de plunderende troepen langs zouden trekken, een tafel met een aantal stoelen. Deze tafel werd daarna rijkelijk voorzien van etenswaren, maar vooral ook van veel sterke drank.
Toen de soldaten arriveerden troffen ze dus een rijkelijk voorziene dis aan, waarop ze direct aanvielen. Ze dronken zoveel, dat ze in een vrolijke stemming geraakten en vergaten de boerderij met een bezoek te vereren. Na verloop van tijd vertrokken ze luid zingende verderrichtingDirksland en dat was nu juist de bedoeling geweest van mijn (bet)-overgrootvader. Toen de soldaten ver genoeg verwijderd
Toen de soldaten ver genoeg verwijderd waren en het weer rustig geworden was ging de familie eens poolshoogte nemen, waarbij bleek, dat er van het eten en drinken niet veel overgebleven was. Wat echter wel was achtergebleven, was een onder de tafel liggende officierssabel. Het waren nl. niet alleen de gewone soldaten, die plunderden, maar ook de officieren deden dapper mee. Een van de officieren had waarschijnlijk
tijdens de maaltijd zijn sabel afgegespt en later met zijn dronken kop niet meer aan de sabel gedacht. En zo bleef de sabel vanaf die tijd in het bezit van de familie Driendijk. ^ ^ ^
5. Mijn briefschrijver, die deze overlevering op schrift stelde, is 16 mei 1922 te Sommelsdijk geboren.
Zin vader was Willem Driendijk, bakker te Sommelsdijk.
Dat was een zoon van Leendert Driendijk, de laatste Driendijk, die op Welgelege zat.
6. Een zuster van deze Leen was Tijsje Driendijk, geboren 10 maart 1813. Zij trouwde te Ooltgensplaat ca. 1800, bouwknecht, wonende te Onwaard. Zij kreeg een zoon Paulus Fris. Weduwe geworden zijnde, hertrouwde zij met Adriaan Struik, broer van mijn grootvader, op 1 april 1847. Zij trouwde dus tot twee maal toe met iemand beneden haar (boeren) stand.
Ze woonden niet ver van Welgelege, nl. aan een polderwegje achter Stove, lopend naar het Brabersdijkje, in eén van de 4 Brabershuisjes langs dat wegje (3 huisjes stonden aan elkaar en 1 apart). In 1859 verhuisde Adriaan naar
In 1859 verhuisde Adriaan naar Zonnemaire, waarin de buurtschap Bommenede lag (een naam aan het in 1682 weggespoelde Bommenede herinnerend). En van daar uit emigreerden in 1867 Adriaan en Tiesje met 2 kinderen naar Amerika. Hij was toen herbergier en slager en was
Hij was toen herbergier en slager en was behoeftig. Adriaan stierf op 27 augustus 1876 te Muskegon, aan het Michiganmeer.
Pauw Fris ging denkelijk niet mee naar Amerika. Hij werd bedrijfsleider op de Halsstee, 3 km van de Molendijk verwijderd, achter de buitendijk gelegen. Deze Pauw Fris was dus een stiefneef van m'n vader, die van hem 'n overjas erfde. Die jas droeg m'n vader enige jaren en na z'n dood kreeg 'n zwager die weer. Men had toen kleren voor vele jaren!
7. Van Maria Driendijk, getrouwd met Huybert van Rossum heb ik nog deze foto.
8. Van de naamloze stee der Van Rossums is afkomstig Ir. H. van Rossum, het bekende Tweede Kamerlid namens de S.G.P.
Dhr. Mr. van Riel achtte hem geschikt voor Minister.
Uit het blad „Koers" nem ik eerst deze foto over.
Aan hem heb ik altijd een heel goede persoonlijke herinnering.
Eind september 1944 was mijn moeder overleden. Ik kreeg via de politie daarvan in C apelle bericht. Ik kon in de omstandigheden van toen onmogelijk naar huis te Melissant. En toen, op een maandagmiddag (naar ik meen), omstreeks 4 uur zie ik de student Hendrik van Rossum naar mij toekomen, terwijl ik buiten stond, met een brief van m'n zuster over het gebeurde thuis. Deze bijzondere briefbestelling zal ik nooit vergeten, al is Hendrik van Rossum deze misschien wel vergeten.
Uit een: Portret over hem in de Zwolse Courant van 28 juni 1975 neem ik 't volgende over:
Om ter wille van de volledigheid bij het begin te beginnen: hij werd in 1919 in Melissant (Zuid-Holland) geboren. Zijn vader was boer, een broer van Hendrik van Rossum zit nu op het bedrijf. Zelf toonde hij nooit grote belangstelling voor het bedrijf, althans niet in die zin dat hij erin wilde. Wel had en heeft hij belangstelling voor de landbouw „maar dan in een andere zin dan met paard en tractor", zegt hij.
In Dirksland bezocht hij de lagere school, daarna liep hij de mulo afin Middelhamis en vervolgens ging hij naar de christelijke hbs in Rotterdam. In 1938 haalde ik mijn diploma en daarna ben ik in Delft waterbouwde gaan studeren. Ik heb er negen jaar over gedaan, want van 1942 tot 1945 was ik er tussenuit".
Kamp
Van Rossum kwam in 1942 in het kamp van Vught terecht. Werd met een groot aantal maanden achter prikkeldraad. Hij praat er afstandelijk over. „Je had in het kamp wonderlijke kruisverhoren, die nou niet direct zo verliepen zoals wij nu met elkaar praten. Het kwam geregeld voor dat medestudenten zonder vorm van proces werden doodgeschoten. Ik geloof dat het erg zwaar gezegd is als ik zeg dat het een stempel op mij heeft gedrukt, maar je denkt er wel aan terug. Aan de willekeur. Je denkt eraan als je over Amin leest.
Het was een vorm van gezagshandhaving die mij niet aanspreekt. Rechtszekerheid is erg belangrijk voor een geordende samenleving. N a vier maanden Vught kon ik naar huis. Je had toen die toestand met het tekenen van de loyaliteitsverklaring. Wie in die jaren studeerde, had niet de goede instelling. Het betrekkelijk isolement van Goeree Overflakkee - na Dolle Dinsdag zou dat veranderen in een complete afgeslotenheid van de rest van Nederland betekenden niet dat Van Rossum met de armen over elkaar moest gaan zitten. „De zaak zat op het eiland wat vast. Door stormen waren de strandhoofden bij Ouddorp kaduuk geraakt. Er moest wel iets aan gedaan worden, maar de Duitsers lieten geen mensen van buiten het eiland toe om toezicht te houden. Eén van de professoren in Delft kwam op de gedachte dat er toch een vent op Flakkee zat en dat die maar opzichter moest worden. Als praktikant. In die tijd is 'n belangrijke band met de rijkswaterstaat ontstaan. We hadden niet te doen met spectaculaire werken, maar het leverde me wat connecties op".
Het werk op het strand duurde tot dolle dinsdag, toen lieten de Duitsers niemand meer toe. Ze besloten Schouwen en Flakkee te inunderen. Indirect dan, dus door de bemaling. Het oostelijk gedeelte van het eiland werd
Het oostelijk gedeelte van het eiland werd ontruimd. Dorpen als Dirksland en Sommelsdijk, daar mochten dijkjes rond gelegd worden om het droog te houden. Daar werd ik bij ingeschakeld. Tot de bevrijding heb ik dat gedaan. Het was technisch maar er kwam ook wel wat bestuurlijks aan te pas. Ik heb er nog altijd wel plezier van. Het is geen verloren tijd geweest. Je moest inventief zijn. Werken met paarden en karren".
Toen in mei 1945 de bevrijding kwam, stonden de eilanden nog steeds onder water. Gemalen waren niet direct bruikbaar omdat ze omgebouwd waren op hout of een andere tijdelijke brandstof, de dijkjes die Van Rossum kort geleden in elkaar had helpen knutselen, pasten niet direct in het schema. De hele zaak moest worden hersteld. Van Rossum zou zijn studie op zijn vroegst in september kunnen hervatten en omdat hij zo'n beetje elke duiker en boerensloot op het eiland kende, werd hij als een aangewezen figuur beschouwd om de zaak weer m het reine te helpen brengen. In juni werd hij ingedeeld bij de staf van de rijksdienst landbouwherstel inspectie Zuid-Holland, een dienst die nog uit de grond gestampt moest worden. Hij bleef daar anderhalfjaar lang, terwijl hij intussen zijn studie afmaakte. Hij lacht als hij over die tijd verteld. „We
r hebben de vreemdste dingen meegemaakt, toestanden met polderbesturen, die moesten meebetalen aan herstel. Een heel gekke geschiedenis in Katwijk. Je had daar de Willem van den Bergstichting, een psychiatrische inrichting. De directeur daarvan kwam op het geweldige idee, dat zijn patiënten wel zelf zouden kunnen werken aan het dempen van een tankgracht, die de Duitsers over het terrein van de inrichting hadden gelegd. Hij vond het een soort therapie. Onze dienst zou rails en kipkarren beschikbaar stellen en zij zouden het werk daar dan zelf klaren. Er is geen stuk tankgracht in Nederland dat zo duur geworden is. De patiënten hebben het gedicht met kipkarren. Ze laadden die vol en reden ze dan kompleet in de tankgracht, waarna je ze er nooit meer uitkreeg".
Van 1947 tot 1953 werkte de inmiddels afgestudeerde Van Rossum op het technisch bureau van de Unie van Waterschappen. De dijkgraaf van Flakkee wilde toen graag iemand hebben die het eiland, dat onder water stond, kende. Van Rossum werd uitgeleend aan het waterschap en werkte drie, vier maanden aan het dijkherstel. Toen was het dicht.
Eenzaam HERVERKAVELINGSWET Walche
HERVERKAVELINGSWET Walcheren, die al sinds kort na de oorlog van kracht was, van toepassing te verklaren voor de delen van Zeeland waarin na de ramp orde op zaken moest worden gesteld. Van Rossum: „P. J. J. Dekker, de voorzitter van de Zeeuwse polder- en waterschapsbond zocht kontakt met het bureau van de Unie van Waterschappen om iemand te vinden die door de waterschappen als ingenieur in het bureau van uitvoering van de herverkavelingscommissie benoemd kon worden. Zo ben ik in Zeeland terecht gekomen. Ik heb de concentratieperikelen van de waterschappen meegemaakt. Philipse was toen van Gedeputeerde Staten. Eind 1954 ging ik over in rijksdienst. Ik kreeg de leiding van de afdeling waterbouwkunde van de Cultuurtechnische Dienst".
In de periode tussen 1949 en 1951 reisde Van Rossum veel in Nederland. Hij was weduwnaar en voelde zich de meest aangewezene om het mobiele werk te doen bij de Unie van Waterschappen. „Van hotel naar hotel ging ik, het kon mij niets schelen. Ik was eenzaam ja. Als je praat over iets dat een stempel op mijn leven heeft gezet, is het dat verlies van mijn eerste vrouw. De leegte die ontstond".
Later, toen hij bij de Cultuurtechnische Dienst werkte, moest hij opnieuw nogal eens op reis, maar nu buiten Nederland. „Als civiel ingenieur bij landbouw werd je automatisch een soort contactfiguur, je wordt de verbindingsman tussen landbouw en visserij en verkeer en waterstaat. Op die manier leer je verkeer en waterstaat beter kennen dan wanneer je er zelf werkt, omdat je dan maar met een deel van het departement te maken hebt. Een andere kant van de functie was, dat je veel internationaal werk moest doen, congressen over drainage en irrigatie. Ik ben ik weet niet waar geweest. In New Delhi, in Salesbury, Madrid, Tasjkent. Het geeftje een bepaalde kijk op de dingen, waar je later iets mee kunt doen. In mijn werk in het parlement heb ik veel profijt van mijn vroegere bezigheden. Als je mijn loopbaan zo bekijkt, dan zie je dat in alles een Goddelijke leiding zit. U kunt 't geloven of niet, maar het zit erin".
Dit artikel begon zo:
DEN HA AG — „Geen ding geschiedt bij geval. God heeft met alles zijn bedoeling". De stem van ingenieur Hendrik van Rossum trilt een beetje. Hij vertelt over de dood van zijn eerste vrouw, tien maanden nadat hij in 1948 met haar trouwde. Over zijn eenzaamheid daarna, over zwerven door Nederland, omdat zijn huis leeg was. Over zijn zuster die het huishouden deed toen hij weduwnaar was. Vlak bij zijn woning was een ziekenhuis. Zijn zuster ging er werken. Toen ze verpleegster was kon ze zich inzetten voor de zending. Ze werd directrice van een ziekenhuis in Nigeria. „Geen ding geschiedt bij geval", herhaalt Van Rossum.
Hij komt daar steeds op terug die woensdagmiddag waarop we lang praatten: Gods Hand, Gods Leiding in alle dingen. Als hij daarover spreekt, is hij licht ontroerd. Niet zwaarmoedig. Want zo is Van Rossum niet. Binnen de Staatkundig Gereformeerde Partij, waarvoor hij lid is van de Tweede Kamer, gaat hij door voor een vrolijke SGP'er. Tijdens drie uur onafgebroken praten wordt me duidelijk hoe dat beeld over hem ontstaan is. Hij lacht vaak — heel luid of alleen met zijn ogen — als hij vertelt over zijn loopbaan, zijn belevenissen.
Voor ik hem bezocht, vertelde een kenner van de SGP me, dat Van Rossum enkele jaren geleden binnen zijn partij niet voor iedereen even aanvaardbaar was. Men vond dat hij binnen de Tweede Kamer te weinig getuigend optrad en te veel aandacht besteedde aan praktische zaken. Hij beaamt dat. „Destijds waren die bezwaren er welja. Ik ga er de laatste tijd niet erg onder gebukt. Het is eenvoudiger je uitsluitend te beperken tot getuigenis, maar ik vind datje je ook moet laten horen over de praktische kanten van de dingen die in het parlement aan de orde komen. Dat doe ik ook. Maar altijd in de volle overtuiging dat er een hogere leiding is, waarvan de overheid zich rekenschap moet geven. Dat staat voor mij altijd voorop".
* Hf *
Uit dit artikel komt u ongezocht heel wat te weten over de toestand op Flakkee destijds.
De inundatie van maart '44, die hierin ter sprake kwam, ging Melissant gelukkig voorbij. Wel moest men „spitten", om een ka aan te leggen in de Dirkslandse polder, die grenst aan het Melissantse gebied.
Uit een ander krante-artikel haal ik dit nog aan:
„Ik kom hier mensen tegen die al na twee minuten over hun jeugdjaren beginnen. Dat ze ook uit een orthodox-protestants milieu komen en dat ze er later mee gebroken hebben. Ik begrijp dat niet. Mijn opvoeding heb ik nooit als benepen of beklemmend ervaren. Ik kan me ook niet voorstellen dat iemand daar volledig mee kan breken. Dat is dan ook wat mij zo opvalt: de mensen waar ik zojuist op doelde, beginnen er onmiddellijk over. Over de godsdienst en zo, ik hoef dat verder niet uit te leggen. Ik proef daar toch iets onverwerkts in. En daarom zijn velen in de politiek ook zo fanatiek bezig om die normen die men van huisuit heeft meegekregen, uit het openbare leven weg te halen. Men wil daar niet aan herinnerd worden".
Het is weldadig dit te lezen! Ter verduidelijking merk ik op: Zijn vader was ouderling bij de Gereformeerde Gemeente van Dirksland.
* * *
Wie door „'t wegje van Kort" (onderdeel van de Plaatweg, voorbij het Fortuintje altijd Fortuunweg genoemd) reed, zag deze gestutte boerderij staan.
Als grote boerderij is ook te noemen: de Hals stee:
In Folklore en Taal 2 nr. 160 vertelt F. den Eerzamen enige gegevens hem door P. D. Sieling verstrekt.
De Halsstee werd niet afgebroken. Zeker 20 jaar heeft die onbewoond gestaan. In 1899 kwamen er ongeveer 300 polderjongens uit Sliedrecht voor het indijken van de Woutrinapolder; met kruiwagens en kipkarren op rails werd de aarde aangevoerd voor het leggen der dijken. Ze woonden in rieten keten; 15 man per keet; een er van had zijn vrouw bij zich, die zorgde voor het eten en voor 't schoonhouden van de boel. Van waterieiding was nog geen sprake. Het benodigde water werd in een kist van drie kubieke meter inhoud met een boerenwagen dagelijks uit een vijver gepompt, die ongeveer 5 kilometer ver lag. Dat water was niet al te best voor drinkwater. Daarom haalde men het wel eens stiekum uit de tras van de Halsstee, maar toen de boer het in de gaten kreeg, verbood hij dat ten strengste.
Toen het werk klaar was en de polderjongens vertrokken, brandde in diezelfde nacht de stee totaal af. De oorzaak was niet bekend, maar algemeen nam men in het dorp aan, dat het een wraakneming van de polderjongens was. Voor het afbranden van de Halsstee werd
Voor het afbranden van de Halsstee werd die door veel mensen gemeden, omdat het daar toverde. Dat was het werk van „de witte juffrouw". Ze is daar meermalen gezien, maar de boer Paulus Fris, een vrijgezel, scheen er zich niets van aan te trekken. Hij lachte om de praatjes, vooral na het voorval met de arbeider, die in het dorp woonde en in de winter 's morgens al vroeg in 't donker naar de boerderij kwam om het vee te verzorgen. Op een ochtend kwam hij geheel ontdaan in 't dorp terug met een buil op zijn hoofd. Hij beweerde een klap van het witte wuuf gehad te hebben, toen hij over de dorsvloer naar de stal ging. Wat een consternatie op 't dorp. Toen het licht was, kwam de baas hem halen en samen trokken ze op onderzoek uit. Het bleek, dat een grote houten korenrieve (een houten hark) met de tanden naar voren op de vloer stond — de man had op de tanden getrapt en een geduchte klap van de steel gekregen. Er is veel gelachen, maar toch was het geloof aan 't witte wuuf niet uit de wereld. De afgebrande stee werd verkocht aan W. Buys en door de metselaar Zorge herbouwd. Opmerkingen:
1. De Halsstee niet verwarren met„iïa&- zicht" aan de Plaatweg, (Fortuinweg), waarop de familie Biemond woonde (-t)_. Beide namen hebben te maken met dé Hals, 't water eens tussen Goeree en Overflakkee.
2. F. den Eerzamen schrijft in Folklore en Taal: Vroeger was het geloof aan spoken, heksen, tovenaars en beeldwitten vrij algemeen, maar nog heden is het niet helemaal verdwenen. Wie heeft nog van die oude verhalen? De heer Sieling vertelt, dat in de Roxenisse-dijk nabij de boerderij van Van Beek twee scherpe bochten zijn bimien een afstand van dertig meter. Deze staan bekend als Hoosjesgat. Vroeger zouden de meeste dorpelingen er in 't donker niet graag langs gegaan zijn. Op een morgen kwam een veerwagen met een hit ervoor er langs; de burrie schoot los en de wagen met de drie inzittenden schoot van de dijk af. Dat was het werk van Hoosje. Ik heb 't idee dat thans niemand op Melissant meer aan toveren gelooft.
3. Toen Willem Buys ging rentenieren in Middelhamis, hield hij koopdag. Dat was de enige böeldag, die ik in mijn jeugd meemaakte. Zo'n boeldag was altijd een heel evenement. M'n moeder vertelde me dat er zelfs op een koopdag 'n moord gebeurde, 't Kwam ook voor dat 'n jongen op de Binnen de bebouwde kom van Melissant, en wel aan de Achterweg, stond de grote boerderij van Johannes Arie Struijk. Deze stamde niet uit een oud boerengeslacht, maar klom op tot de positie van groot boer. Zijn zonen kwamen later ook op grote boerderijen. Z'n zoon Arie bouwde de stee, die nu Rust
Z'n zoon Arie bouwde de stee, die nu Rust Roest heet en aan de Nolledijk gelegen is. Een andere zoon, Johannes boerde op Melissantse grond, dichtbij Sommelsdijk. Aan de ij in de naam van Struijk is 'n historie verbonden.
Zijn vader heette Arij Struik. Deze stierf in de zomer van 1849 aan de cholera. Hij was naar de kerk te Dirksland geweest en terugkomende had hij verschrikkelijk buikpijn, 't Bleek cholera te zijn, waaraan hij heel spoedig overleed. Zijn vrouw, Elisabeth Hoek, een Ouddorpse, kreeg zeven maanden na haar mans dood een baby. De dokter gaf het kind per abuis aan onder de naam: Johannes Struijk, in plaats van Johannes Struik. Later schreef Johannes' zoon, M. W. Struik zeer uitdrukkelijk zijn naam met ui. In verband met Arie Struik z'n sterven
In verband met Arie Struik z'n sterven aan de cholera nerem ik iets over uit het artikel van L. van Wallenburg in E.N. over: Cholera in Zeeland, dat ook van toepassing is op Flakkee: Warmeer we het woord cholera horen
Warmeer we het woord cholera horen denken we direct aan de tropische landen, waar deze vreselijke ziekte in korte tijd honderden slachtoffers maakt.
Of aan grote havensteden zoals Rotterdam en Antwerpen, waar de binnenlopende schepen de besmetting meebrengen uit warme landen. Maar in Zeeland met zijn kleine steden en landelijke dorpjes verwachten we deze ziekte allerminst. Toch heeft hier ruim honderd jaar geleden (1848-1849) een epidemie geheerst, waarbij 183 mensen gestorven zijn van de 317 die werden aangetast. Enkele jaren daarvoor (1832-1933) had deze ziekte eveneens Zeeland geteisterd. Niet zo erg: van de 107 gevallen stierven toen 74 personen. Een paar geleerde dokters hebben de
Een paar geleerde dokters hebben de verschillende gevallen zo goed mogelijk onderzocht. Ze kwamen tot de conclusie dat de haard der besmetting meest buiten de provincie lag. In Holland, vooral in de havenplaatsen Rotterdam en Dordrecht en in de Belgische steden Antwerpen en Gent wel in het bijzonder. Door het verkeer met deze besmette gebieden hebben verschillende plaatsen uit onze provincie ook hun treurig aandeel gehad.
Door schippers overgebracht
Verscheidene beurtschippers hadden een geregelde vaart tussen de Zeeuwse kustplaatsen en Rotterdam. Wanneer nu de bemanning van zo'n schuit besmet was — soms zonder het in het begin zelf te weten — was de kans groot dat ze de ziekte overbrachten naar de plaatsen waar ze aanlegden.
Het verwondert ons dus niet, dat we de cholera aantreffen inBruinisse; hetGoese Gas, Kamperland, om maar enkele voorbeelden te noemen. De bewoners van het veerhuis waar ze aan wal gingen of van de herberg waar ze vertoefden, werden door hen besmet. De ziekte werd cholera asiatica of aziatische braakloop genoemd. Zo gevaarlijk was deze ziekte dat de meeste patiënten gewoonlijk na weinige uren stierven.
Mijn overgrootmoeder Geertje Struik stierf ook in 1849, hoogst waarschijnlijk aan cholera. Een vriend van mijn vader vertelde me,
Een vriend van mijn vader vertelde me, dat zij cholera heeft gehad, reeds afgelegd was, maar nog levend bleek en daarna nog jaren leefde. Het verschijnsel van schijndood kwam bij cholera wel voor. Mogelijk heeft m'n overgrootmoeder dan in 1832 al cholera gehad, waarvan ze toen genas.
Behalve de grote boeren, waren er verscheidene kleinere boeren, keuterboeren, die in het dorp hun huis en schuur en mestput hadden. In een officieel papier kwam ik ook wel de
In een officieel papier kwam ik ook wel de term „avontuurboer" tegen. Is daarmee ook een klein boertje bedoeld? In die dagen was het nog mogelijk van zo'n klein bedrijf te leven. Ik hoorde eens een landbouwkundige deze kleinschaligheid roemen, wegens de grote intensiviteit van die landbouwbednj^es.
Had zo'n klein boertje geen paarden, dan bewerkte een „teelman" het land voor hem. Zo was Jaap van der Sluijs onze teelman.
De kleine boertjes waren soms borg voor elkaar.
Zo konden we gezamenlijk wel moeilijke tijden door komen. (In de crisistijd der dertiger jaren zei iemand: „Heel Melissant hangt aan elkaar door de borgschappen". Slechts in een geval hoorde ik dat iemand vanwege borgschap in financiële moeilijkheden kwam).
Alleen door de noeste arbeid van de kleine boertjes, door de zware en lange arbeid der arbeiders en boerenknechten bij de grote boeren, en door de goede energieke bedrijfsvoering van groot en klein, kon de landbouw de bron van betaan voor bijna alle Melissantenaren zijn. En ambachtslui en neringdoenden moesten van de landbouwbloei hebben.
Bij het loon van de arbeider kwam in vele gevallen wat z'n vrouw op 't land verdiende, en wat de kinderen, die met hun achtste jaar van school gingen voor 1901 de leerplicht werd ingevoerd, thuis brachten.
Sommige vrouwen verdienden er nog wat bij als werkster in gezinnen van boeren en burgers. Mijn opoe was baker, en vooral bij de grote boeren.
Vele meisjes dienden in de huishouding. Al wat vrouw en kind verdiende kwam in de ene pot van het gezin. De gezinsinkomsten werden vaak nog wat vermeerderd door de ,juun om den dorden".
Het bezit van een hoo^e, hof voor groente en aardappels, het houden van een geit, de „koe der armen" en van een varken, maakte het rondkomen van het magere loontje wel weer iets minder moeilijk. Hierbij komen de uitgerekende zuinigheid van de huisvrouw, de veel mindere behoeften van het leven toen, en de zeer lage prijzen.
Door al deze dingen was het in meerdere gevallen toch nog mogelijk, dat meerdere arbeiders wat naar boven konden krabbelen op de maatschappelijke ladder: zij hadden soms een eigen huis en hof; ze konden zich een stukje eigen land veroveren, konden klein boertje worden. En in de meeste gevallen hadden ze in ieder geval een keurig,,boeltje" en konden ze zich netjes kleden en de vrouwen droegen hun gouden of in goud gesopte krullen. Ik wil helemaal de economisch ongun
Ik wil helemaal de economisch ongunstige toestand waarin ze verkeerden niet ontkennen. En nog veel minder dat de boeren en burgers hun te weinig achting toedroegen als mens. Juist die economisch-sociale omstandigheden deden velen het zoeken in Amerika, waar ze wel heel hard werken moesten maar als werkman meer in tel waren en ook meer verdienden.
Toen m'n vrouw en ik in 1983 in Paterson waren en we zeiden dat we van Flakkee kwamen, hoorden we de woordspeling: Flakkee.... vlak (= glad) verkeerd. Dit was een zinspeling op de toestand op Flakkee in vroeger tijd. Behalve naar Amerika gingen er van F lak
Behalve naar Amerika gingen er van F lakkee ook wel naar de Meer (= de Haarlemmermeer). Andries Makkenze, eerst koeiewachter, en landarbeider, te Dirksland verhuisde toen hij 20 jaar was naar de Meer. (later stond hij als dominee te Dirksland). Van MeUssant ging een Struik daar eveneens heen. Ik denk echter dat netr in die nieuwe
Ik denk echter dat netr in die nieuwe polder niet beter was dan op ons eiland. De grote massa arbeiders bleef op het Slikdorp (het dorp met niet anders dan de zware klei, der droog gevallen slikken, bij de „slikkerspal,, en deed het werk met de „sliklappen" aan, in dienst bij de boeren en kwam langzamerhand op wat beter economisch peil. Het zou zeer goed zijn als er in milde
Het zou zeer goed zijn als er in milde geest, zonder verbittering naar beide kanten billijk en niet zwart-wit, geschreven werd over het arbeiders en boerenleven. (Over de Landbouw en veeteelt schrijft F. den Eerzamen in het boek: Het eiland Goeree-Overflakkee, pag. 165-187).
(Slot volgt)
Heino J. L. Struik
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 mei 1985
Eilanden-Nieuws | 14 Pagina's