Kerstmis 1998 Het Aquarium
Vervolg van het verhaal uit het kerstnummer
't Was nu een paar dagen voor kerst. "Dat vieren we altijd heel gezellig samen Sytze", zei tante Tineke. "We gaan eerst met ons allemaal ook Grietje en kleine Jos, naar de kerstdienst in de kerk, 's middags doen jullie een of ander spel met oom Rob, sjoelen, pingpongen en 'woorden schaken, woorden maken' (nu scrabble). Dan maak ik met Grietje samen een heerlijk kerstmaal klaar en we eten feestelijk bij de kerstboom met de kaarsjes aan. Aan grote cadeaus doen we niet, onder de boom ligt voor ieder een boek, wat je allang heel graag wilde hebben. Ik lees voor uit het Kerstevangelie en met mooie kerstmuziek op de radio hebben we dan samen een fijne avond!" "Mis je nog steeds vader en moeder en Imkje erg, Sytze?" vroeg tante "je bent de laatste tijd zo stil." Tante had het toch gemerkt! "Nee hoor tante, het gaat best", zei Sytze zo opgewekt mogelijk, oom en tante moesten eens weten...
Welgemoed en welgemutst zwierden Ankie en Sietze op deze stralende morgen samen aan de stok over het spiegelgladde ijs van de Poel. 't Duurde even toen Ankie's hakkenbandje brak. Gelukkig had Sytze een eindje touw in zijn zak en zijn trouwe zakmes, 't Werd nu een touwhakkenbandje. Zittend op het ijs, vroeg Sytze ineens, "wat zijn dat toch voor witte luchtbellen onder het ijs?" "Nou", zei Ankie,"dat zijn bellen met moerasgas." "Maak het nou een beetje." ,zei Sytze ongelovig. "Heb je soms ook nog lucifers in je zak?" vroeg Ankie, "dan zal ik het je laten zien." En ja hoor, diep onderin zat een verfrommeld doosje lucifers. "Steek aan die lucifer", riep Ankie, "dan hak ik met mijn schaats." Hak, ging het met de achterkant van de schaats in een dikke bel en hoep en vlam schoot omhoog. Sytze was stomverbaasd. Meerdere vlammetjes volgden dat was leuk. Ze aten hun boterhammen meteen maeir op. "Kom we moeten verder Syts, 'het is nog een heel eind." Aan de overkant van de Poel wees Ankie, "kijk, daar is nou die vaart, die gaat naar de Westeinderpias, daar wou de klas naar toe, weetje wel?" Hoe het nou kwam wisten ze later niet met zekerheid te zeggen, wie van hen beiden opperde het eerst het idee? Maar wat zou de klas opkijken als zij met z'n tweeën óók in Aalsmeer geweest zouden zijn? Nou dan! De vaart was wat ribbelig, hier had het vast meer gewaaid. 't Ging wat moeizaam, 't Was toch verder dan ze dachten. En ook wat was die Westeinderplas eindeloos groot! (Zoiets als bij ons het Grevelingenmeer). "Wat gek, zoveel fabrieksschoorstenen", zei Sytze "dat verwacht je toch niet aan zo'n plas." "Dat zijn de tuinderijen van Aalsmeer", zei Ankie, "in al die kassen kweken ze bloemen, meest rozen." er tussenin zagen ze boerderijen, 't Werd wat nevelig nu, je kon de oevers niet zo scherp meer onderscheiden. O, en daar was een flink wak met stro bedekt en hier en daar een paaltje rondom. Ze moesten een flink eind daaromheen schaatsen. Nu werden ze toch ook wel een beetje moe. 't Ging steeds langzamer. Wat een vreselijke schrik was het toen ze de zon als een rode bol in de nevels langzaam zagen zakken. Dan was het nu vier uur en ze hadden beloofd dan af te binden! Ongerust reden ze verder, daar lag Aalsmeer, maar ze moesten terug en gauw ook. "Sytze! Is dat nu een nieuw wak of is dat hetzelfde van zonet?" "'t Is hetzelfde", zei Sytze, "we zijn in een kringetje rondgereden. Had ik nu maar een kompas bij me." "Maar dan waren we toch nog niet terug in Amstelveen", zei Ankie bedrukt, "Oh Sytze, we zijn gewoon verdwaald." "En kijk eens naar de zon", zei Sytze doodongerust, "hij gaat nu onder." Daar ging de zon, ze zagen het laatste randje in een nevelbank verdwijnen, 't Zou nu al gauw helemaal donker worden. Rondom de plas zagen ze heel in de verte de eerste lichtjes pinkelen van de boerderijen die nu in het donker onherkenbaar geworden waren. "Laten we maar op zo'n lichtje afrijden", zei Sytze. "Maar we moeten wel verschrikkelijk goed op de wakken letten Syts, het is wel een beetje gevaarlijk zo in het donker." Hoe ongerust ze thuis zouden zijn, daar durfden ze nu nog niet eens aan te denken. Eerst maar aan de kant zien te komen.
Na een eindeloos lijkend geploeter op het donkere ijs, zagen ze nu een helder verlicht raam van een boerderij. De lamp scheen met zijn licht boven een tafel. Zo te zien was de familie aan de maaltijd. Er steeg damp op uit een schotel op tafel, ze zagen een paar grote mensen zitten, een jongen met zijn rug naar het raam.
Op het moment dat ze met stijve vingers hun schaatsen ontbonden in de rietkraag aan de kant, werden ze meteen in de kraag gegrepen. Ze schrokken verschrikkeUjk. "Ha, daar heb ik jullie!", riep een al wat oudere man, het kon een grootvader zijn. "LeUjke turvendieven, kom maar eens mee naar binnen, dan kunnen we eens zien wat voor vlees we in de kuip hebben." Bevend over al hun leden, van de schrik, maar ook van de kou, stapten ze schoorvoetend een helder verlichte kamer biimen. "Kijk eens!", riep de man triomfantelijk, "daar heb ik ze, die lelijke turvendieven!" "Maar dat zijn kinderen met schaatsen", zei de moeder, "die zien er niet uit als turvendieven!" En wat er toen gebeurde "Ankie, Sytze!", riep de jongen aan tafel. "Hoe komen jullie hier??" "Daan..." stamelden ze, volkomen perplex. "Wij stelen toch niet, we zijn alleen maar heel erg verdwaald", zei Ankie met een bibberstemmetje. Sytze keek nog steeds ongelovig naar Daan, was hij het echt? "Nee hoor, opa", zei de moeder, "je hebt de verkeerde, dit zijn nog schoolkinderen." "We hebben een turvenstapel op het erf, zie je", zei ze vergoehjkend tegen Ankie en Sytze, "die turven stoken we in de kachel en iedere avond verdwijnen er een paar en nu is onze opa op de dievenjachf'. "Maar kinderen", ging ze verder, "jullie zien er zo koud uit en juUie hebben vast erge honger. Ga maar bij Daan aan tafel zitten, dan schep ik een bord voor jullie op. Boerenkool met worst, dat wil er wel in met die kou hè? En kennen jullie Daan? Waarvan?" "Van school", zei Daan verheugd, uit de klas van meester Verhoeff. "Dat ik jullie hier nu zie", zei hij verbaasd, "wie had dat ooit gedacht?" Nu, zeker Sytze en Ankie niet! "Ik ben Daans moeder", zei de vriendelijke vrouw naast hen aan tafel, "Daan en ik gingen hierheen omdat ik op moest knappen na mijn ziekte, dat heeft Daan vast wel verteld, en dit zijn mijn zuster en zwager". "En opa past op de turfklamp". voegde Daan er gekscherend aan toe. O, wat lieten Sytze en Ankie zich het eten goed smaken, wat was dat heerUjk. Hun dikke ijstruien, daar hadden ze zich hier in de warmte intussen ook al uitgewurmd. "Maar jongelui", zei nu de oom ernstig, "wat zullen ze bij jullie thuis ongerust zijn, bij mij zou er wat gezwaaid zijn, reken daar maar op." "Ja", zuchtten Sytze en Ankie bedremmeld. O, o, wat wachtte hen thuis! "Kijk", zei de oom van Daan, "telefoon hebben wij niet, bij julhe thuis wel?" "Nee meneer", was het benepen antwoord. "Dan ga ik nu naar het postkantoor en stuur een telegram naar jullie huis, dat julUe veilig en wel hier zijn. Dat is één. De buurman moet nog met de melkauto naar de fabriek in de stad. Ik ga nu aan hem vragen of juUie mee mogen rijden en of hij jullie voor de deur wil afzetten. En dat is twee. En haal zoiets stoms nooit meer uit, hè. Er blijven altijd windwakken in zo'n grote plas. Jullie zijn er wondergoed afgekomen. In het donker nog wel". Ze knikten diep onder de indruk.
Toen de oom weg was, barstte Daan los met duizend vragen. Hoe was het met de andere klasgenoten? Hoe is het met de vissen van meester Verhoeff, zijn ze gegroeid, zijn jullie nog wel eens bij meester in de klas geweest? "Ik denk nog vaak aan onze oude school hoor. De ben hier nu in Aalsmeer op de Mulo." Sytze en Ankie keken elkaar aan: Daan wist van niets! Toen vertelde Ankie het hele verhaal van het leeggelopen aquarium door de grote barst aan de achterkant. "Maar wat gek, dat ze er niet achtergekomen zijn wie het gedaan had. Wanneer brak het eigenlijk?" "Toen jij en ik nog samen in de klas waren overgebleven", zei Sytze. "Wat?? Maar jij maakte het bord schoon, Syts en ik biljartte nog een beetje met die stok. O néé!" Een kleur als vuur trok er over Daans hele gezicht: "maar dan heb ik het gedaan!" "Jij", riep Ankie stomverbaasd, zelfs tegen haar had Sytze nooit iets verteld van Daan met zijn stok. "Maar we hebben nog zo gevoeld na die harde tik, weet je wel Syts, en we voelden niks. O, wat erg. Dan had ik het toch zeker verteld aan meester Verhoeff' "Maar dat spreekt toch vanzelf', zei Sytze. Hij straalde van blijdschap, dat het raadsel nu opgelost was en dat Daan het zelf verteld had. Een zware last viel van hem af. "Maar weet je Daan, daar hebben ze nu al die tijd Sytze van verdacht en Jaap met z'n grote mond heeft in heel de nieuwe klas op het lyceum rondgebazuind wat een gemene geniepigerd Sytze was." Dat moest Ankie toch even zeggen, ze was zo verontwaardigd. Dat Sytze nooit ook, maar iets gezegd had om zich te verdedigen! "Och joh, als ik dat geweten had", zei Daan, diep onder de indruk, "je wou me dus niet verklikken, Syts." "Vanzelf niet", zei Sytze, "en ik wist het toch ook niet zeker, dan zeg je dat toch niet?" Daan zag er verslagen uit. "Maar je kan het natuurlijk nog goed maken Daan", zei Ankie kwiek. "Maar dat zal ik doen!" riep Daan "en Sytze, het spijt me heel erg, dat ik jou er zo mee heb laten zitten. Wat geweldig fideel van je, dat je helemaal nooit mijn naam zelfs maar genoemd hebt. Tjonge Syts." Daan was zichtbaar verlegen. "Ik schrijf straks nog als jullie weg zijn, een lange brief naar meester Verhoeff en dan leg ik hem alles uit. Bedankt hoor jongens."
Daar was Daans oom terug. "Het telegram is weg", zei hij, "en de buurman levert julUe voor de deur af. 't Is toch nog ergens goed voor geweest, geloof ik", bromde hij, naar de blije opgewonden gezichten kijkend, "de vriendschapsbanden weer even aangeknoopt?" "Zo is het, oom", zei Daan haast plechtig, '"k Hoop dat Sytze en Ankie hier gauw nog eens terugkomen." "Dan komen jullie met je vader en moeder (dat het van Sytze een oom en tante waren, wist hij niet) en dan laat ik jullie de kassen zien." Nog even vertelde hij hoe hard er gestookt moest worden nu met de vorst om de rozen en azalea's mooi te houden. "Jullie hebben zeker wel die lage schoorstenen gezien? Dat is voor de afvoergassen."
'Tuuut!' klonk het buiten. Haast jammer, het was zo gezellig daar onder de petroleumlamp in het knusse kamertje, na een haastig afscheid hotsten ze nu in de nauwe cabine met z'n tweeën op één zitplaats naar huis. Daar stond vader al. Hij gaf de chauffeur met een handdruk een dikke fooi. "Ga maar gauw naar boven, naar moeder" zei hij. Tante Tineke sloot de verloren kinderen stevig in haar armen. "Oh, wat ben ik blij", zei ze alleen maar. Josje keek om het hoekje van de deur met grote slaapogen. "Geef Sytze en Ankie maar een kusje, en dan gauw je bedje weer in", zei ze. "Ik breng haar wel", zei Ankie. Ook Grietje stak haar gerimpelde snoetje nog even opgelucht om het hoekje. "Deze Indiaan gaat nooit verloren hoor Grietje", grapte Sytze. "Foei!" zei ze "en welterusten." Steven moest nodig een boek uit de kast pakken. "Blijf er maar bij jongen" zei oom Rob, "dan hoeven ze hun avontuur maar één keer te vertellen." En Sytze vertelde, alles, van het begin tot het gewaagde eind, én dacht Ankie "hij overdreef niets, hij speelde niet de held, ook niet bij Daan, niet bij het aquarium". "En het was heel stom" zei Sytze, "dat begrijpen wij nu, ik hoop, dat u het mij wil vergeven, ik sjeepte Ankie mee..." "Welnee", riep Ankie, "ik was precies even erg." "En weet u wat we zongen in het donker toen we zo bang waren op die plas? Op die grote stille Wester dwaalden Syts en Ankie rond. Brrr, het was wel eng hoor." Gekke Ankie, oom Rob had ineens geen zin meer om nu nog een boetpredikatie te houden. De kinderen hadden flink in angst gezeten, ze hadden er vast veel van geleerd. "Maar hoe kregen jullie het in je hoofd om naar Aalsmeer te rijden?", vroeg tante. Sytze èn Ankie zeiden niets over de plagende klas, die hen buiten hadden willen sluiten, däär was het door gekomen. "Tja, kleine kinderen worden groot, moeder", zei oom Rob. "'t Kwam vast door jouw verhalen over de Elfstedentochf', dacht tante hardop. Maar wel, zei oom Rob: "kan ik voortaan nog op jullie vertrouwen, de Westeinder was tenslotte de Poel niet, waar jullie braaf om vier uur af zouden binden, weet je nog wel?" "O vader, laat ons toch alsjeblieft weer gaan!", riep Ankie, "dan blijven we op het plekje waar we opbinden." "Ha, ha, ha", lachte toen Steven, "wat zullen jullie dan moe worden." Nog nalachend stommelden ze de trap op naar bed. "'t Viel mee hè?",fluisterdenze en dan "oei, wat ben ik stijf."
Kerstmis. Verrassing voor Sytze
Het werd een heerlijke, vreugdevolle kerst voor allen. Van Sytze was zo'n grote last afgevallen, hij genoot met volle teugen. Van alles, de mooie kerkdienst, de spelletjes 's middags, het samenzijn aan tafel bij de boom met de brandende kaarsjes, de heerlijke geuren van het kersteten, die hij rook terwijl tante Tineke het kerstevangelie las. Sytze dronk de woorden haast in en hij luisterde aandachtig naar tante Tineke's uitleg voor de kinderen. Over Maria en Jozef, die geen plaats meer vonden in de herberg en zich een nachtleger maakten in het stro van de stal, waar maria haar zoon baarde, het Christuskind, symbool van het Licht in de donkere nacht. 'En zij wond hem in doeken en legde hem neder in de kribbe...' Over de herders in het veld, hun vrees, toen daar de engel verscheen. En de engel die zei: 'Vreest niet! Want ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal' "die blijdschap", zei tante Tineke, "was voor alle mensen al den volke of ze nu jong waren of oud, arm of rijk, zwart geboren of blank, moedeloos of ziek, die warme blijdschap daalde over alle mensen neer. Want het Christus kind bracht licht in alle harten. En dat begrijp je dan uit de woorden van de engel, die zei: 'Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen." Sytze voelde zich wonderlijk blij van binnen, het was of hij uit een benauwde donkere nacht tevoorschijn kwam en het Ucht en de vrede in zijn hart voor het eerst bewust kon vatten, het was heel mooi tante Tineke, zei hij "dank u wel." Voor het eerst na al die maanden was hij een gelukkige jongen in Holland. "Dan heb ik nog een heel bijzondere kerstverrassing voor jou jongeman, in petto. Jouw vader en moeder zijn nu zes jaar in Indië en jouw vader heeft besloten in april 1938 zijn verlof om naar Holland te gaan op te nemen, samen met je moeder en Imkje. Ik zal naar een huis voor ze uitkijken Sytze, het is toch zeker voor een jaar, jullie zullen dein samen weer een gezin gaan vormen en dan zal je ons dus voor enige tijd weer gaan verlaten. Ik weet niet of je ouders hier misschien willen blijven, dat is allemaal toekomstmuziek. Nu wat vind je daarvan?" Het was even teveel voor Sytze, hij holde naar zijn slaapkamertje en snikte het uit. Van vreugde. In een paar dagen stond de hele wereld ineens op zijn kop. Terug naar de kamer, sloop hij in de keuken nog even langs Grietje, die de jus bereidde voor bij de gebraden haas. "Grietje', zei Sytze, "heb je toen die brief nog voor me gepost? Je weet wel, in je mandje." Grietje keek hem schuldbewust aan. "O jeminee!" zei ze beteuterd. Onderin haar boodschappenmandje lag een dubbelgevouwen krant. Daar gingen altijd de boodschappen bovenop. Ze frommelde de krant opzij, en... daar lag Sytzes brief! "O Sytze", zei ze, "zal ik morgen flensjes voor je bakken?" "Welnee!" riep Sytze opgetogen, "geef hier die brief." Hij scheurde hem in duizend stukjes, die hij zomaar in Grietjes keurige keuken rond liet dwarrelen. Hij tilde Grietje op en danste met haar door de keuken. "Je bent een bovenste beste. Grietje!" riep hij toen en zoende haar op haar beide rimpelappelwangetjes. Dolgelukkig ging hij weer naar de kamer voor het kerstdiner. "Alsjemenou", kreunde Grietje, nauwelijks bekomen van de schrik: "het blijft toch een Indiaan, een hele rare Indiaan."
De nieuwjaarsontknoping Sytze tegen wil en dank de held
Een heel merkwaardig verzoek had de rector van het lyceum van Ankie en Sytze bereikt. Van ene meneer Verhoeff hoofd van één der lagere scholen. Was het mogelijk dat hij op de eerste dag na de kerstvakantie klas IB zou mogen toespreken? Samen met nog enkele jongelui van andere middelbare scholen. Nu, de rector had geen bezwaar, het moest wel haast om iets heel belangrijks gaan. Hij stelde de aula tot zijn beschikking. En zo hoorde klas IB, dat ze deze morgen om half negen in de aula verwacht werden. Tot hun verbazing zagen ze daar hun voltallige oude klas aanwezig. Ze vielen haast om van verbazing, toen hun oude vertrouwde meester Verhoeff daar achter het spreekgestoelte verscheen. En nu kon je echt die spreekwoordelijke speld horen vallen!
Meester Verhoeff schraapte zijn keel. "Jongelui, het doet mij een groot genoegen jullie allen hier vandaag gezond en wel te mogen begroeten. Mijn voltallige oude zesde klas, dankzij de medewerking van jullie rectors en directeuren van jullie huidige scholen. En dat verheugt mij, omdat dat wat ik jullie nu ga zeggen onze hele oude klas aangaat. Ik zal jullie nu niet lang in het ongewisse laten, ik zie dat jullie allen zitten te popelen van nieuwsgierigheid. Zo bedroefd als ik de laatste keer was toen het aquarium gebroken was en ik vroeg de dader zich eerlijk te melden..." Met een ruk ging Jaaps hoofd richting Sytze, die een rood hoofd kreeg van schrik, "zie je wel, zie je wel", siste Jaap en haast alle hoofden gingen weer met Jaap mee... "Mag ik misschien even mijn zin afmaken, meneer Jaap? Nu dan, toen meldde zich niemand." "Huuu", zei Jaap. "Vertel mij eens meneer Jaap, jij schijnt precies te weten wie de dader was. Was jij er soms bij? Heb je gezien wie het gedaan heeft?" "Nee meester", hakkelde Jaap, "maar hij was het laatste in de klas en... en..." "Dan was je er dus tóch bij", zei meester streng, "anders kon je dat niet weten." "Nee meester", zei Jaap, "maar hij is een geniepigerd, die de hele klas ervoor liet opdraaien." Nog heel wat Jaap aanhangers knikten braaf mee. "Dat heb jij dus in je eentje uitgemaakt", zei meester strenger dan ooit tevoren. "Ik heb daar geen bewondering voor, meneer Jaap, temeer daar ik uit het aantal meeknikkende hoofden kan opmaken, dat jij flink aan het stoken geweest bent. Schaam je diep. Jaap, en allen, die zo grif naar Jaaps lelijke lasterpraatjes geluisterd hebben, ook tegen jullie zeg ik: schaam je! Zo büj en verheugd ben ik nu", vervolgde de meester op heel andere toon, "dat de dader zich bij mij gemeld heeft". "Hij was zeker bang geworden", fluisterde Jaap nog om zijn figuur te redden. "Hij is hier", zei meester, "en hij heeft jullie een heel verhaal te vertellen." Vanachter het toneelgordijn dat opzij van het podium hing, stapte Daan naar voren. Een golf van ongelovige geluiden ging er door de aula. Daan!! Daan, die naar Aalsmeer vertrokken was! "Hallo", zei Daan, wat onwennig, maar
"Hallo", zei Daan, wat onwennig, maar flink. "Ja, ik was het, die meester Verhoeff en jullie zo lang in onzekerheid heeft laten zitten. Niet expres, want ik wist niet dat mijn stoot met de aanwijsstok ik was aan het biljarten en Sytze, die er nog was, had genoeg de smoor in tegen het aquarium zulke fatale gevolgen zou hebben. We hebben nog samen aan de wanden gevoeld, Sytze en ik, maar we voelden géén barst, hij zat aan de achterkant heb ik begrepen. Als ik het geweten had, was ik dadelijk naar meester toe gegaan, het spijt me verschrikkelijk dat het allemaal zo gelopen is. Iemand die mij kwam opzoeken in Aalsmeer heeft mij het hele verhaal verteld. Wat ik alleen nog zeggen wou is dat Sytze, die al die tijd geweten heeft, dat ik het misschien gedaan kon hebben want hij was erbij met die stomme stoot van mijn stok mij nooit, maar dan ook nooit heeft willen verklikken. Nu leek het net of hij het gedaan had, want hij had de laatste klassebeurt." En schor zei hij: "Syts, weetje het nog? Rare Indiaan, zeiden wij als je weer eens opschepte. Syts, je bent de beste Indiaan, die ik ooit ben tegengekomen. Je bent een reus van een Indiaan! Dank je Syts, eindigde Daan eenvoudig. "En, meester", zei hij, "het spijt me dat ik nu
"En, meester", zei hij, "het spijt me dat ik nu niet meer mee kan betalen aan een nieuw aquarium, u heeft dat al, hoorde ik. maar misschien wUt u dit dan nog van mij aannemen, als een klein goedmakertje." Daan pakte iets van de vloer achter het gordijn. Eén pot met een prachtige zwarte sluierstaartvis en een tweede pot met een aantal schitterend fel gekleurde kleine tropische visjes. "Dat ze maar een goed leven mogen beleven in uw nieuwe aquarium meester en ik hoop dat u dan toch nog met een beetje plezier aan uw oude zesde klas mag terugdenken", zei Daan. "Maar dat doe ik ook", zei meester, verheugd naar zijn nieuwe aanwinst kijkend, "het was een fijne klas, al haperde er wel eens wat." "Dank je Daan, dat je hier voor ons allen hebt willen opbiechten wat voor streek je had uitgehaald. Wel, en dan wens ik julUe allen een goed nieuwjaar toe in juUie nieuwe klassen en ik zou willen besluiten met een hoeraatje voor Daan én een hoeraatje voor onze Sytze." En dat werd me een gejuich, er kwam geen eind aan: "Hoera voor Daan, hoera voor Sytze, leve onze Indiaan!"
Jaap zat met gebogen hoofd, 'hoe kón dat nou toch, hij was er zo zeker van geweest dat Sytze het gedaan had', dacht hij. "En nu op naar jullie klassen!", riep meester. De hele oude zesde moest meester toch nog even opgelucht de hand schudden.
En Sytze? Hij voelde zich bevrijd, het liefst van al sprong hij nu drie meter de lucht in. Een held hoefde hij niet zo nodig te zijn, maar een gewone jongen tussen gewone aardige klasgenoten, dat leek hem al heel wat. Wat een geweldig jaar ging hij tegemoet! "Fijn hè Syts", zei trouw kameraadje Ankie, "als je altijd maar je hoofd omhoog houdt ook als alles tegen zit, dan komt toch op een dag alles goed."
En dat is wat ik jullie en U allen in het nieuwe jaar 1999 van harte hierbij tevens toewens!
Dieke SchippersVaarzon Morel
Bron: Mijn tante, de illustratrice Hans van Leeuwen (van o.a. het Dwergenpaar Pig gelmee) vertelde mij toen ik nog klein was, in grote trekken de geschiedenis van deze jongen, Sytze, en zijn klas. Ze gaf zelf tekenles op verschillende scholen en het is dus naar alle waarschijnlijkheid een waar gebeurd verhaal. Zij woonde in Bovenkerk, aan de Poel, de Westeinder vlakbij. Ik woonde toen in Amstelveen en dat betekende 's zomers zwemmen in de Poel, 's winters schaatsen daar en op de Westeinder. Met het boemeltreintje kwamen de Amsterdammers schaatsen in Amstelveen. Ik ging er mee naar school later, op het lyceum, 't Was toen al oorlog. Op de lagere school had ik ook in 1937, als in het verhaal veel Indische klasgenoten, met ouders in Indië (nu Indonesië). Illustraties: Matthijs Mijnders
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1998
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 30 december 1998
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's