De Ambulancedienst
méér dan inpakken en wegwezen!
We zien ze misschien liever niet, maar als we ze nodig hebben is het fijn om te weten dat ze dag en nacht paraat staan: de ambulancehulpverleners. Nadat een jaar geleden de ambulancehulpverlening op Goeree-Overflakkee zwaar onder vuur heeft gelegen, is het waardevol dat de hulpverlening thans weer wordt gewaarborgd, door SILO Ambulancezorg. Wat deze hulpverlening in de praktijk inhoudt kwamen we te weten dankzij de medewerking van leidinggevenden en personeel van SILO.
Een dagje op de ambulance Om een beeld te krijgen van het dagelijkse werk van de ambulance draaiden we een dienst mee op een ambulance van ambulancedienst SILO. De dienst begint meteen met een spoedrit (in vaktermen ‘Al’ geheten) naar een vrouw die net bevallen is en ernstig bloedverlies heeft. Ter plaatse blijkt het gelukkig mee te vallen en kan de patiënt aan de zorg van de verloskundige worden overgelaten. Als de ambulance ter plaatse komt gaat het personeel volgens het ABCDE-principe te werk. Hierbij gaat het om engelse termen, die in volgorde van urgentie het ABCDE vormen. Allereerst krijgt de ‘A’ van ‘Airway’ aandacht, waarbij gecontroleerd en zonodig ervoor wordt gezorgd dat de ademweg vrij is. ‘B’ staat voor ‘Breathing’, ofwel een goede ademhaling. ‘C’ staat voor ‘Circulation’, die gecontroleerd wordt door bloeddruk, hartslag en hartritme te meten. Pas daarna is er aandacht voor eventueel ander letsel (uitzonderingen daargelaten) en wordt er gekeken naar de ‘D’ van ‘Disability’ (het bewustzijn van de patiënt) en naar eventueel neurologisch letsel is. Daartoe worden bewustzijn en pupilreflex gecontroleerd. De ‘E’ van ‘Environment’ (de omgeving van het slachtoffer of de patiënt) komt pas aan de orde als de punten A t/m D zijn gepasseerd. Zo kan iemand gemakkelijker Worden neergelegd of warmer of droger. Naast bovengenoemde punten wordt gebruik gemaakt van het Landelijk protocol Ambulancehulpverlening, waarin precies vermeld wordt hoe in bepaalde situaties gehandeld moet worden.
De tweede patiënt deze dag is een jonge vrouw die na thuiskomst na een behandeling in het ziekenhuis daar weer naar terug moet in verband met terugkerende klachten. De patiënt moet zo horizontaal mogelijk worden vervoerd, hetgeen in het trappenhuis de nodige problemen oplevert, maar gelukkig past het allemaal net.
Vervolgens moet de ambulance met Al, spoed dus, naar een diabetespatiënt die onwel geworden is. Ter plaatse blijkt dat de man een bloedsuiker van 0.9 heeft, wat een gevaarlijk lage waarde is en zeer snel handelen vereist. De man, die niet meer aanspreekbaar en erg onrustig is, krijgt een infuus met glucose. Binnen een minuut is de patiënt weer bij kennis. Nadat de verpleegkundige het advies heeft gegeven om weer wat te eten en contact op te nemen met zijn internist - om eventueel de dosering van zijn medicijnen aan te passen - kan de ambulance zijn weg weer vervolgen. Omdat de patiënt zeer regelmatig deze klachten heeft van vertrek, van aankomst, van vertrek met de patiënt, het tijdstip van aankomst op de plaats van bestemming en als laatste het tijdstip waarop men zich weer vrij (beschikbaar voor nieuwe ritten) heeft gemeld. Ook de kilometerstand moet worden genoteerd. Verder bestaat het formulier uit aantekeningen over de patiënt en welke behandeling men heeft gegeven. De historie en eventuele allergieën van de patiënt zijn van groot belang om te weten bij de verdere behandeling. Na alle nodige onderzoeken te hebben uitgevoerd stelt de verpleegkundige een werkdiagnose en richt daar de behandeling op. Ook dit moet opgeschreven worden. De gegevens op het ritformulier worden verwerkt in een computerprogramma, waarvan de persoonsgegevens gebruikt worden voor de facturering.
De andere gegevens worden gebruikt voor feedback (t.b.v. kwaliteitscontrole) en management (t.b.v. de statistieken), waarbij conform de wet op de privacy de gegevens niet voor derden inzichtelijk zijn.
De bemanning van de ambulance
Het personeel van de ambulance moet tegenwoordig aan heel wat eisen voldoen om te worden aangenomen bij de ambulancedienst. Maar ook daarna moeten nog de nodige cursussen en opleidingen worden gevolgd Zo moet de chauffeur natuurlijk beschikken over rijbewijs B en bij voorkeur ook over rijbewijs C. Dat laatste is zelfs verplicht als men de grotere ambulances moet besturen, dit in verband met het gewicht van een beladen ambulance. Ook moet men een geldig EHBO-diploma hebben en een reanimatiecertificaat. Verder moet de chauffeur de leeftijd van 23 jaar hebben bereikt. Deze leeftijdsgrens wordt niet zozeer aangehouden voor de rijervaring, maar meer voor de nodige levenservaring die de chauffeur moet hebben opgedaan. Bij de ambulance kan men in aanraking komen met zeer schokkende beelden of gebeurtenissen en daar moet het personeel wel tegen opgewassen zijn. Ook moet de chauffeur bereid zijn om de opleiding voor ambulance-chauffeur te volgen bij de SOSA, ofwel de Stichting Opleidingen Scholing Ambulancehulpverlening.
Deze opleiding duurt twee jaar. Het eerste jaar bevat een medisch assisterend gedeelte. Daarbij wordt de chauffeur opgeleid in het gebruik van de inventaris van de ambulance. Hij zal moeten weten hoe de apparatuur werkt en hij zal daar ook mee om moeten kunnen gaan. Verder krijgt hij de vakken anatomie (de bouw van het menselijk lichaam en de ligging van de organen) en fysiologie (de werking van de volgen moet men een arbeidscontract van minimaal 60 % hebben bij een ambulancedienst.
De ambulance-verpleegkundige moet heel wat ervaring hebben opgedaan voordat hij zijn werk mag gaan doen. Zo moet hij beschikken over een diploma verpleegkundige-A en bij voorkeur ook over verpleegkundige-B. Verder moet hij één van de specialistische opleiding hebben gevolgd voor anestesie-verpleegkundige, verpleegkundige op de spoedeisende hulp, I.C.-verpleegkundige of CCU-verpleegkundige, ofwel hartbewaking.
Verder moet men bereid zijn tot het volgen van de opleiding tot ambulance-verpleegkundige bij de SOSA. In deze opleiding, waarbij men gedurende een jaar,wekelijks een dag cursus krijgt , leert men omgaan met hulpmiddelen zoals de nekspalk en de wervelplank, maar ook wordt er stil gestaan bij situaties zoals reanimatie op straat. De verpleegkundig is kundig genoeg, maar heeft nog geen ervaring met het werk buiten het ziekenhuis. Zo verloopt hulpverlening bij een ongeval heel anders dan in een ziekenhuisbed. Ook de medicijnkennis wordt uitgebreid en de verpleegkundige leert enkele medische handelingen die in het ziekenhuis alleen aan artsen zijn voorbehouden. De eerste handeling is het intuberen van een patiënt, waarbij een buis in de mond- en keelholte wordt aangebracht in geval van ademhalingsproblemen. Door deze buis kan de patiënt ook worden beademd. Bij verstikking door een voorwerp in de luchtpijp moet de verpleegkundige ook een coniotomie toe kunnen passen. Hierbij wordt een dikke naald door de luchtpijp geleid en kan de patiënt tijdelijk daardoor ademhalen. Dit wordt met name toegepast als bijv, kinderen iets hebben ingeslikt wat het ambulancepersoneel niet kan verwijderen. De naald kan dan blijven zitten tot het ingeslikte voorwerp operatief is verwijderd. Verder wordt de verpleegkundige het defibrileren geleerd, wat wordt toegepast bij cardiale klachten zoals hartritmestoomissen of een hartstilstand. De vierde handeling die wordt geleerd is het toepassen van de zogenaamde spanningspneumothoraxdrainage. Bij een ingeklapte long zit er in de long een beschadiging waardoor uitgeademde lucht naar de bortskas ontsnapt. Doordat er steeds meer lucht in de borstkas ophoopt worden longen en hart ingedrukt. Deze verwonding eist zeer snel handelen omdat anders binnen enkele minuten de dood kan volgen. Door het inbrengen van een dikke naald (de spanningspneumothoraxdrainage) in de borstholte kan de opgehoopte lucht naar buiten en is het acute gevaar geweken.
Door middel van de opleidingen kunnen de chauffeur en de verpleegkundige een team vormen dat uitstekend op elkaar is afgestemd. De chauffeur kan weinig beginnen zonder verpleegkundige, maar ook de verpleegkundige is sterk afhankelijk van de hulp van de chauffeur. De verpleegkundige is wel ten allen tijde verantwoordelijk voor de hulp die wordt verleend. Hij kan dus ook aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fouten. De verpleegkundige met wie we deze dag mee mochten maken blijkt niet alleen in zijn functie erg actief te zijn, in zijn vrije tijd beheert en onderhoudt hij ook een website over de ambulancezorg binnen de regio; voor belangstellenden erg interessant. De site is te vinden op het adres http://home.wish.net/~paramedi/.
Materiaal
Behalve veel medische kennis van de hulpverleners is goed materiaal van groot belang. De verpleegkundige kan beschikken over veel medische instrumenten. Die blijven echter hulpmiddelen in het komen tot een werkdiagnose. Het allerbelangrijkste is de klinische blik (de ‘kijk’ op de patiënt en hoe die het maakt) omdat aan het uiterlijk van een patiënt veel dingen af te leiden zijn.
In de eerste plaats heeft de verpleegkundige zijn persoonlijke koffer. Hij is zelf verantwoordelijk voor de aanvulling van de inhoud, die voor iedereen gelijk en verplicht is. Men dient er zelf zorg voor te dragen dat daadwerkelijk alles er in zit. Als de ambulance op de plaats des onheils aankomt zal de verpleegkundige als eerste met zijn koffer bij de patiënt zijn. Het is dus van grote waarde dat in de koffer materiaal zit waarmee zeer dringende eerste hulp kan worden verleend. Zo zit er allereerst een grote variatie aan ampullen met medicijnen in. De inhoud van de ampullen kan bij de patiënt worden geïnjecteerd. Zo zijn er pijnstillende medicijnen, maar ook medicijnen tegen psychoses. De ambulances is er namelijk niet alleen voor lichamelijk letsel, maar ook kan hulp worden ingeroepen voor psychiatrische patiënten die met spoed moeten worden opgenomen, omdat ze een gevaar voor zichzelf en/of anderen kunnen vormen. De medicijnen tegen psychoses kunnen angst en paniek doen verminderen, waardoor het eerste gevaar is geweken. Daar gaat het tenslotte om bij de hulpverleners. Voor epilepsiepatiënten zit er Valium in de koffer en voor longpatiënten zijn er medicijnen die kunnen worden gebruikt om te vernevelen. Bij die toedieningsmethode worden de medicijnen met zuurstof vermengd, hetgeen de ademhaling kan verbeteren en eventuele benauwdheid kan verminderen. Ook voor mensen met een allergische reactie is acute hulp van groot belang. Ook daarvoor bevat de koffer medicijnen. Voor moeders die net bevallen zijn heeft de verpleegkundige ook de nodige medicijnen bij zich. Na een bevalling kan er immers nog van alles mis gaan, waardoor de moeder soms acuut vanuit de thuissituatie naar het ziekenhuis moet worden overgebracht. In deze situatie start de hulpverlening al thuis en vervolgt deze in de ambulance.
De grootste groep ampullen bevat medicijnen die worden gebruikt bij cardiale (hart-)klachten. Zo kan het hartritme te laag of te onregelmatig zijn en kan de patiënt onwel geworden zijn tengevolge van de klachten. Maar ook in geval van reanimatie worden medicijnen toegediend.
In overleg met de cardiologen van het Van Weel-Bethesda ziekenhuis in Dirksland, de huisartsen en de medisch adviseur van de ambulancedienst, zal er nu gestart worden met het toedienen van speciale medicijnen bij hartinfarcten door ambulancepersoneel. Deze medicijnen worden, nadat de diagnose hartinfarct is gesteld, direct in de bloedbaan gespoten. Een hartinfarct is meestal het gevolg van een stolsel in een van de bloedvaten van het hart, waardoor het hart te weinig zuurstof krijgt en bedreigd wordt door afsterving van een gedeelte van de hartspier. Door het medicijn ter plaatse toe te dienen wordt het afsterven van hartspierweefsel verkleind en zelfs voorkomen. In de regio Rotterdam worden deze medicijnen al met succes gebruikt. Het advies luidt: bij pijn op de borst die langer duurt dan 30 minuten, direct de huisarts waarschuwen. Gaat dit gepaard met onwel wording, direct 112 bellen. Tenslotte is er nog de glucose voor diabetici. Behalve medicijnen zit er nog veel meer in de koffer, wat nodig kan zijn in kritieke situaties. De verpleegkundige draagt beademingsmateriaal bij zich en benodigdheden voor het toedienen van zuurstof. Infuusnaalden, -systemen en -vloeistof; spuiten en naalden zijn onmisbaar. Thermometer, bloeddrukmeter, bloedsuikermeter en een stethoscoop zijn hulpmiddelen voor het stellen van een werkdiagnose. De beademingsbuis is er om de luchtweg vrij te kunnen maken en te houden. Een maagsonde om maagsappen naai' buiten te laten vloeien zodat de patiënt niet hoeft te braken. Braken kan namelijk het letsel erger maken. Een isolatiedeken moet de patiënt beschermen tegen onderkoeling.
Naast het materiaal in de koffer bevindt zich het nodige materiaal in de ambulance. Allereerst is dat de monitor. Daarmee kunnen de vitale functies van het menselijk lichaam worden gecontroleerd en worden het hartritme, de temperatuur en de bloeddruk in de gaten gehouden. Ook kan er een ECG mee worden gemaakt (ECG staat voor ElectroCardioGram, wat in de volksmond ‘hartfilmpje’ wordt genoemd), het zuurstofgehalte in het bloed gemeten, maar ook het percentage koolstofdioxide in de uitgeademde lucht. Met dezelfde monitor kan de patiënt worden gedefibrileerd. Hierbij worden twee defi-pads tegen de borstkas gehouden, waarna er stroomstoten aan het lichaam worden gegeven, in de hoop dat het hart weer zelfstandig gaat kloppen. Met hetzelfde apparaat kan men de patiënt ook pacen. Dat heeft hetzelfde effect als een pacemaker, maar kan tijdelijk uitwendig worden toegepast door zogenaamde pace-pads op het lichaam te plaatsen die lichte stroomstoten afgeven. Hierdoor wordt het hart geprikkeld om regelmatig te blijven slaan. Het tweede grote instrument in de ambulance is het beademingspaneel, waarmee de patiënt kunstmatig kan worden beademd. Met een hoeveelheid van 2600 liter zuurstof aan boord van de ambulance kan iemand geruime tijd worden beademd. Deze zuurstof wordt in verschillende, grote en kleine, cilinders vervoerd. En natuurlijk zijn de diverse zuurstofmaskers onmisbaar. Het uitzuigapparaat dient voor het uitzuigen van de luchtwegen, mond- en keelholte en/of de maag. Naast de brancard voor immobiele patiënten is er ook de draagstoel. Die wordt gebruikt als de patiënt niet zelf kan lopen, maar ook niet met een brancard kan worden vervoerd. Deze methode wordt vooral toegepast in bijv, flats, waai' de ruimte in het trappenhuis te klein is om horizontaal te kunnen vervoeren. Als de patiënt in zo’n situatie absoluut horizontaal moet worden vervoerd, wordt de brandweer gealarmeerd en zal de patiënt op een alternatieve wijze uit de flat moeten worden gedragen, bijv, via het balkon. Veelal wordt dan de hulp van een hoogwerker ingeroepen.
De vacuümmatras en de vacuümspalk voor armen en benen vormen een welkom hulpmiddel voor patiënten waarvoor beweging zeer pijnlijk en/of niet gewenst is, zoals bij botbreuken.
Naast de normale cilinders zuurstof ligt in de ambulance ook entenox. Dat is een combinatie van zuurstof en lachgas, waar iemand tijdelijk mee kan worden verdoofd. Hiermee wordt feitelijk de belevingswereld van de patiënt/slachtoffer vervaagd, waardoor de pijn minder wordt gevoeld. Als troost voor kleine patiëntjes is er de ‘traumabeer’. Deze kleine knuffel heeft al dikwijls zijn diensten bewezen en heeft volgens het ambulancepersoneel dan dikwijls hetzelfde letsel als het kind. Als de beer, evenals als het kind, een zeer been heeft en daarom óók een verbandje krijgt, is dat voor het kind al een beetje troost en afleiding...
Voor verkeersslachtoffers is er de kledingschaar, waarmee gemakkelijk de kleding rond het lichaam kan worden weg geknipt. Bij ernstig bloedverlies kan men plasma toedienen. Bij sommige slachtoffers is het van levensbelang dat zij geen bewegingen meer maken met rug en nek. De ambulance is hiervoor uitgerust met verschillende hulpmiddelen. Tegenwoordig beschikken de nieuwe ambulances zelf over een wervelplank. Assistentie van de brandweer, uitsluitend om een wervelplank aan te leveren, is dus niet meer nodig. Het slachtoffer wordt op de wervelplank gelegd, waarna hij wordt vastgebonden met de ‘spin’. Naast het hoofd worden de zogenaamde headblocks bevestigd, waarna de patiënt geheel gefixeerd op de brancard kan worden gelegd. In geval van nood kan de patiënt zelfs op de zij worden gedraaid zonder dat de wervelkolom beweegt. Als alleen de nek niet mag bewegen maakt men gebruik van de nekspalk. De KEDspalk heeft dezelfde functie als de wervelplank, maar is iets makkelijker te bevestigen als het slachtoffer in een auto zit. Deze spalk dient alleen om de rug te immobiliseren en kan dus ook niet in alle gevallen worden gebruikt. Soms moet dus het dak van de auto worden verwijderd om de wervelplank aan te brengen. Voor patiënten met hyperventilatie is er het simpele maar effectieve hyperventilatiedoosje dat de toevoerweg van de zuurstof verlengt, waardoor de klachten veelal worden opgeheven.
Uiteraard bevindt zich ook een verbanddoos met wat verbandmiddelen in de ambulance, al worden minder ernstige wonden meestal niet heel precies verbonden. Deze worden alleen afgedekt om vuil buiten te houden. In het ziekenhuis zullen alle verwondingen immers nog worden bekeken, waarna veel beter kan worden verbonden. Ook moet men bedacht zijn op patiënten met brandwonden. Daarvoor bevindt zich in de ambulance een speciaal brandwonden behandelingset. Daarin zitten zeer speciale verbanden voor brandwonden, die een beschermende, pijnstillende en koelende laag bezitten. Deze worden ter plaatse aangebracht en blijven zitten tot men in het ziekenhuis verder kan worden behandeld. De patiënt dient overigens eerst goed gekoeld te worden - tenminste 10 minuten - met bij voorkeur stromend water. ‘Éérst water, de rest komt later!’ is een veel gebezigde slogan in brandwondenland.
Een oogdouche kan men gebruiken om het oog uit te spoelen als daar bijtende stoffen in zijn gekomen. Spuugbekkens en extra isolatiedekens maken de voorraad hulpmiddelen voor patiënten compleet.
Ter bescherming van het ambulancepersoneel is echter óók het nodige voorradig. Een naaldencontainer voor gebruikte naalden, zodat de hulpverleners zich niet zo makkelijk kunnen verwonden aan vuile naalden. Desinfectans voor reiniging van de handen, ter bescherming van hulpverlener en patiënt. En mondmasker, handschoenen en sloffen moeten door de hulpverlener worden gedragen in geval van ernstige, zeer besmettelijke aandoeningen van de patiënt. Bij een ongeval waarbij de brandweer het slachtoffer moet bevrijden dienen de hulpverleners een helm te dragen. Bij grote ongevallen waarbij meerdere ambulances aanwezig zijn, dragen de hulpverleners van de eerste ambulance ter plaatse groene hesjes. Zij zijn dan te herkennen door volgend ambulancepersoneel. Het personeel dat als eerste arriveert heeft namelijk altijd een coördinerende functie. Dat is ook te zien aan het groene zwaailicht op het dak van ambulance. Zijverlichting op de ambulance en een zaklamp zijn er voor de donkere ‘klusjes’en 2 mobilofoons en 1 portofoon zijn er om ook buiten de ambulance bereikbaar te zijn. Voor een ongeval waarbij sprake is van uitstoot van zeer gevaarlijke stoffen, liggen er in de ambulance twee vluchtmaskers die gebruikt kunnen worden door de ambulancehulpverleners, in geval van uiterste nood.
De ambulance komt er aan
Alle 112-meldingen komen binnen bij het CPA (Centrale Post Ambulancevervoer). Deze alarmcentrale wordt altijd bemand door verpleegkundigen, die aan melders telefonische instructies voor eerste hulp kunnen geven en eventueel ook door kunnen verwijzen naar een huisarts. Is echter dringend hulp gewenst dan is de ambulance binnen 15 minuten ter plaatse. Uiteraard komt een ambulance zoveel sneller als mogelijk is, maar de Wet Ambulancevervoer eist dat de aanrijtijd maximaal 15 minuten bedraagt. Bij een reanimatie komen zelfs twee ambulances ter plaatse, omdat dan zoveel handelingen moeten worden verricht dat dit voor twee personen bijna ondoenlijk is.
Opvallend is dat de laatste jaren de kleding en de kleur van de ambulance zijn veranderd. Dat is niet voor niets gedaan. Bewezen is dat de kleur geel veel meer opvalt dan de witte kleur die eerst werd gebruikt voor de ambulance en de kleding van het personeel. De kleur groen in de uniformen heeft een rustgevende werking op de patiënt. Bij spoedeisende hulp worden zwaailicht en sirene gebruikt om vrije doorgang te hebben. De nadruk ligt meer op het krijgen van vrije doorgang dan op hard rijden. De praktijk heeft bewezen dat men meer tijd wint met niet te hoeven stoppen dan met hard te rijden. Veiligheid is belangrijker dan snelheid. Zonodig mogen ook overledenen in de ambulance worden vervoerd. Dit gebeurt voornamelijk als een verkeersslachtoffer ter plaatse overlijdt.
SILO Ambulancezorg
SILO Ambulancezorg heeft met 10 ambulances de gehele regio Rijnmond als verzorgingsgebied, maar met name Rotterdam-Zuid, Ridderkerk, Barendrecht, Rhoon, Poortugaal en Goeree-Overflakkee. Toen SILO in juni 2000 het verzorgingsgebied uitbreidde met Goeree-Overflakkee waren er grote problemen met de bezetting van de ambulances. De ambulancedienst op het eiland werd daarom met een noodrooster opgezet, maar is sedert januari dit jaar op volledige sterkte.
Op Goeree-Overflakkee zorgen 9 chauffeurs en 9 verpleegkundigen voor een permanente bezetting van de twee posten. Gedurende 24 uur per dag staan er twee ambulances paraat, terwijl er op werkdagen nog een extra ambulance beschikbaar is van 9.00- 17.00 uur. De ambulances zijn verdeeld over de posten Sommelsdijk (op het terrein van Rijkswaterstaat) en Ouddorp (in de post van de reddingsbrigade). Daar beide locaties niet ideaal gelegen zijn, is het streven om vanaf 1 juni een nieuwe post te betrekken onder de watertoren in Dirksland. Tevens is SILO in overleg met de overheid om het uitrukpunt bij de Ouddorpse reddingsbrigade te verplaatsen naar een locatie langs de N57 ter hoogte van Goedereede. Twee coördinatoren dragen zorg en zijn verantwoordelijk voor de operationele aansturing van de ambulancerzorg. Een werkbegeleider draagt zorg voor de trainingen en opleidingen. De manager ambulancezorg zorgt voor ondersteuning vanuit Rotterdam. Ook de directie van SILO is in Rotterdam gevestigd. Een rit per ambulance verschilt in prijs per dienst en verzorgingsgebied. Ook de aard van de rit bepaalt de prijs. Zo zal een spoedrit overal duurder zijn dan besteld vervoer.
De aanschafprijs van een ambulance bedraagt ƒ 215.000, terwijl voor de inventaris nog eens ƒ 100.000 moet worden neergelegd. De inventaris moet voldoen aan de eisen die gesteld zijn in de Wet Ambulancevervoer en die van de Regio Rijnmond. De inhoud van de acute koffer is afgestemd op het landelijk protocol ambulancezorg en die van de regio. De voorraad hulpmiddelen op Goeree-Overflakkee valt onder verantwoording van de coördinatoren en wordt aangevuld vanuit de buffervoorraad in Rotterdam. Wanneer een klant een klacht stuurt zal deze behandeld worden door de klachtencommissie, die bestaat uit 5 leden: 1 onafhankelijke voorzitter, 2 leden van de ambulancedienst en 2 leden van een andere ambulancedienst. Iedere 2 maanden komt de klachtencommissie bij elkaar en ieder jaar wordt een jaarverslag over de behandelde klachten naar de inspectie van de volksgezondheid gestuurd. Een klacht over de ambulancehulpverlening kunt u sturen naar SILO Ambulancezorg b.v., Rijsoordstraat 62- 68, 3081 BX Rotterdam.
Als u 112 belt
Tenslotte nog enkele tips van het ambulancepersoneel voor als u onverhoopt een ambulance nodig heeft.
- Vertel in welke plaats u zich bevindt en welke hulp u nodig heeft (ambulance, brandweer of politie); - Vertel, nadat u doorverbonden bent, precies wat er aan de hand is; - Als er iets in huis gebeurt en de ambulance is gebeld, laat dan de buren naai' buiten gaan om het ambulancepersoneel te waarschuwen waar ze moeten zijn; - Doe bij nacht de gordijnen open en de verlichting aan. Dit vergemakkelijkt het zoeken voor het ambulancepersoneel; - Geef het ambulancepersoneel de ruimte om te werken. Als u niet kunt helpen, loop dan door!; - Ga nooit slepen met een slachtoffer;
We hopen ze nooit nodig te hebben, maar het is fijn om te weten dat er gespecialiseerd personeel klaarstaat en dat de benodigde materialen en medicijnen klaarliggen voor het geval we ze wél nodig mochten hebben.
Met dank aan leiding en personeel van Silo Ambulancezorg! wordt hij niet meegenomen naar het ziekenhuis; het is een bekend probleem. Dan is er een voetganger geschept door een auto; wij worden verzocht ter plaatse te gaan. De wandelaar is opgevangen door passerende automobilisten, daar de bestuurder in kwestie is doorgereden. De man heeft een hoofdwond en stelt steeds dezelfde vragen, wat volgens de verpleegkundige wijst op een hersenschudding. Het slachtoffer krijgt voor de zekerheid een nekkraag en wordt naar het ziekenhuis vervoerd.
Bij de volgende rit brengen we een vrouw van het ene ziekenhuis (waar ze een behandeling onderging) naar het andere, terwijl de laatste patiënt van deze dag met ernstige rugklachten vanaf zijn huisadres naar het ziekenhuis moet worden gebracht. Na de rit dient een ritformulier te worden ingevuld. Op dit formulier moeten al de gegevens van zowel de rit als van de patiënt worden ingevuld. Eerst moet het afhaaladres of de plaats van het ongeval worden ingevuld, alsmede de plaats van bestemming. Daarna de persoonlijke gegevens van de patiënt en de tijden van de rit, zoals het tijdstip organen). Ook wordt er ingegaan op de medische terminologie, zodat de chauffeur ook weet wat met bepaalde medische termen wordt bedoeld. Een belangrijk onderdeel van de opleiding is ook de lessen in namen en toepassingen van medicijnen. Het is hierbij niet de bedoeling dat hij de medicijnen tot in de details kent (zoals bijv, de bijwerkingen), maar zal hij moeten weten waarvoor het gebruikt wordt, zodat een eventuele kans op verwarring tot het minimum wordt beperkt.
Het tweedejaar van de SOSA-opleiding omvat vakken als autotechniek en wegen- en verkeerswetten. Bij het laatste vak wordt diep in gegaan op de bestaande verkeersregels met betrekking op de ambulance. Het is erg belangrijk dat de chauffeur weet wat hij met een ambulance wel en niet mag. Zo verkrijgt hij zijn uitzonderlijke positie pas als hij rijdt met de optische- en geluidssignalen. Natuurlijk ontbreekt ook een slipcursus niet bij deze opleiding, want ook bij slecht weer moet worden gereden, waarbij men - met hoge snelheden - in de problemen kan komen.
Om de opleiding bij de SOSA te kunnen gaan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 april 2001
Eilanden-Nieuws | 28 Pagina's