Naar de zondagsschoolmeester
Komelis Hamer zit op een grote zeeboot, of liever hij staat op de zeeboot. De grote oceaanstomer die hem naar Nederland zal brengen. O, wat heeft hij verlangd naar deze dag, dat ze eindelijk uit zouden varen. En nu, nog een goede week en dan zal de boot de Nieuwe Waterweg opstomen. Nog zeven dagen. KomeUs Hamer staat daar dag in dag uit, hangend over de rehng van het schip. Hij kijkt hoe de neus van de oceaanreus zich door de golven ploegt. Dan kijkt hij weer in de verte of de Hollandse kust al in zicht is. Ze hebben hem verteld dat hij heel vroeg in de morgen zal zijn als ze voor de kust komen. De laatste nacht op zee zal hij opblijven, want dat wil hij meemaken. O, wat is hij lang weggebleven. Wel 16 jaar. Hij heeft al plannen gemaakt waar hij het eerst heen zal gaan. Jammer dat zijn vader en moeder er niet meer zijn. Hij zou niets liever gewild hebben dan dat hij bij hen had kunnen zijn. Maar eens op een dag heeft hij in het verre land een brief gekregen waarin stond dat zijn moeder was gestorven. "Vader verlangt zo naar jou" schreef zijn enige zuster, "wanneer kom je terug?" Maar hij kwam niet terug, waarom weet hij eigenlijk niet, of wel? En als hij daar aan derikt loopt hij mistroostig bij de reling vandaan en sluit zich op in zijn hut. Ja, Komelis weet wel waarom hij niet naar huis ging, hij was een beetje bang zijn vader weer te zien. Nu hij er weer aan denkt wordt hij tegelijk boos en ook een beetje verdrietig. Of misschien schaamt hij zich?... Vader en moeder altijd maar weer schrijven: Kor, jongen, je gaat toch wel naar de kerk in dat vreemde land en je leest toch wel in de Bijbel die je van ons gekregen hebt? En altijd weer: je liefhebbende ouders die voor je bidden! "Nee, vader en moeder" heeft hij eens geroepen in zijn eenzame kamer. "Nee vader en moeder, ik bid niet meer en ik ga niet meer naar de kerk en ik lees niet meer in de Bijbel! Ik doe niets meer, helemaal niets hoor! Nu weten jullie het en schrijf er nu nooit meer over..." Vreemd, toen waren er geen brieven meer gekomen. Alsof vader en moeder het gehoord hadden. En kort voor hij zich inscheepte naar Holland, kwam er weer een brief van zijn zuster, waarin stond dat ook vader gestorven was. In de laatste uren van zijn leven heeft hij maar steeds gezegd: "Zal je Kor de groeten van mij doen..." "Als je naar Holland komt, kom dan gerust naar ons," schreef z'n zuster verder. Ook nog een mededeling dat zij verhuisd waren naar een andere provincie. Dat had hij wel jammer gevonden. Hij wilde toch niets üever dan temg naar de plaats waar hij geboren was.
En hij krijgt er spijt van dat hij zo kinderachtig geweest is om toch naar Holland te gaan. Vlak voor de Kerstdagen zal het schip in Rotterdam aankomen. "Het zullen vast gezellige dagen worden" schreef zijn zuster en: "we verlangen erg naar jou!" Als ze maar niet denken dat ik met al dat vrome gedoe meedoe, want dan hebben ze toch wel misgerekend. Ach, wat geeft het dat zijn zuster verhuisd is, hij heeft z'n plannen allang klaar. De eerste paar dagen zal hij bij hen blijven en dan Tweede Kerstdag zal hij naar de buurt gaan waar hij vroeger gewoond heeft. O, dan zal hij lopen de weg van huis naar school en de weg van huis naar de kerk. Kerk? Nee, dat is voorbij! Wel wil hij alles weerzien zoals het vroeger was. Is dat een soort nostalgie, of is het die geheimzinnige kracht van de geboortegrond? Zou je daar ooit los van komen? Zal dat dan altijd blijven trekken? Dat verlangen naar die vertrouwde omgeving, naar de dingen die je kinderogen zo geboeid hebben?... Weetje wat hij ook nog eens graag wil? Wel een keertje meegaan met de melkrijder Jaap Hengelveld. Als hij daar aan denkt wordt hij duizelig van vreugde. De paardendeken om je heen geslagen, heerlijk achter het sjokkende paard van Jaap. Jaap is wat ouder dan hij, toen hij naar school ging, zat Jaap al in de hoogste klas. Later, toen Jaap van school was, ging hij bij zijn vader op de boerderij werken en meehelpen melk rijden. Hoe het gekomen is dat zij zulke dikke vrienden geworden zijn, weet Komelis al niet meer. Zijn moeder had er een hekel aan dat hij met die grote jongen van Hengelveld optrok. "Dat is ons soort niet. Jaap heeft op de openbare school gegaan en hij is ook veel te oud voor jou..." Maar hij, Komehs, kon het maar niet laten, misschien kwam het wel door de praat die ze - '.1 altijd hadden. Vanaf ^ ,v de laatste boer waar ze de melk haalden tot aan de fabriek was het zeker zeven kilometer en juist dat stuk was het gezelligste. Dan zaten ze daar, hij als klein jochie en Jaap als een grote slungel, te praten, alsof zij het voor het zeggen hadden. Jaap zei altijd: "Als ik wat ouder ben en veel geld bij elkaar gespaard heb, nou, dan wil ik veel reizen, ik wil veel van de wereld zien..." Nu moet Komelis daarom lachen. Zou Jaap ooit geweten hebben hoe groot de wereld wel is? Eens op een keer toen ze het daar weer over hadden, heeft hij aan Jaap de geschiedenis van de verloren zoon verteld, die de wijde wereld inging en hoe slecht het hem is vergaan. "Ja, ja," had Jaap gezegd, "maar die knaap heeft het veel te dom gehaald. Als je steeds maar trakteert, ga je wel aan de lat. Nee, je moet altijd zuinig blijven..." Daar moest Komefis om lachen, ja, dat is Jaap ten voeten uit. Dan herirmert hij zich die andere keer. Het hep ook tegen Kerstfeest. Jaap begon er zomaar over. "Ja, bij ons op school vieren we Sinterklaas en bij jullie Kerstfeest, wat is daar nou voor verschil in?..." O, die rit zal hij nooit vergeten. Toen heeft hij aan Jaap verteld wat het verschil is tussen Kerstfeest en Sinterklaas. Eigenhjk heeft hij alleen verteld wat het Kerstfeest is, waar de mensen aan denken en waar de dominee over preekt in de kerk. "O," had Jaap gezegd, "zit dat zo." Toen waren ze kerstversjes gaan zingen. Jaap deed het om hem. NatuurUjk had hij het gewonnen, want Jaap kende aUeen maar "De herdertjes lagen bij nachte." Komelis Hamer laat zijn gedachten de vrije loop. Ondanks dat hij alle christelijkheid afgezworen heeft. He, maar wacht eens, dat is waar ook. Jaap zal wel geen melk meer rijden. Heeft zijn moeder niet in een gen van de brieven geschreven dat Jaap een ongeluk overkomen is, en nu zijn hele leven invalide zal zijn?... "Ach dromer" zegt KomeUs in zichzelf. En natuurlijk rijden ze de melk niet meer met paard en wagen, dat zal nu wel tnet een auto gaan. Komelis gaat weer naar de reüng van het schip en kijkt uit over de wijde watervlakte.
Het valt aUemaal een beetje tegen. Had hij zich hier nu zoveel van voorgesteld? Als ze voor de kust van Holland komen, zit het potdicht van de mist. Eerst later kunnen ze pas biimenvaren en de ontscheping is al even triest. Velen worden afgehasdd, maar Komelis staat daar moederziel aUeen. Niemand die hém afhaalt. Niemand die met een stralend gezicht op hem afstormt. Een ogenblik is er de spijt. Waarom ben ik weergekeerd naar Holland? Wie is er blij om?... Besluiteloos staat hij op de kade. Welke kant moet hij opgaan? Nee, Nederland is vreemd voor hem geworden. Met een verbitterde trek op zijn gezicht pakt hij de koffers en loopt zo maar een kant uit. Als hij een eind gelopen heeft reaUseert hij zich pas dat hij naar het station moet. "Enkele Utrecht" zegt hij wat bits. Ach, wat kan het hem ook schelen. Als vader en moeder nog geleefd hadden, dan was het "enkele Apeldoom" geworden. Maar dat is voorbij, voorbij, ja voorgoed voorbij. Hij moet nu zijn weg alleen gaan. Dat stemt Komelis zijns ondanks een beetje weemoedig. Of is het zelfbeklag?... In een hoekje van de treincoupé denkt hij daar over na. Ergens is het toch allemaal mijn eigen schuld. Ik heb het zelf gewild. Ik wilde zelf de wijde wereld in. Phoe, ze konden op 't ogenblik alles gestolen krijgen, die wijde wereld! Jaap Hengelveld mocht er van dromen, maar hij niet meer. Hij voelt zich eenzaam. Hij kijkt naar het nikkelen boutje waar een foto van een Alkmaarse kaasdragers achter een mitje is vastgeschroefd. Ja, zo klein ben ik nu ook en zo onbelangrijk als dat nikkelen boutje in het geheel van de grote wereld. Als er een ongeluk met de trein gebeurt gaan ze echt niet zoeken naar dat nikkelen boutje, dan zijn er echt wel belangrijker dingen. En het dreunde met hem mee op de cadans van de wielen, on-be-langrijk-on-be-lang-rijk. Wie denkt er nu aan mij?... Nie-mand niemand zongen de wielen, nie-mand niemand. "En God dan, KomeUs?" Hij balde zijn vuisten. Ook-niet ook-niet zeiden de wielen. Jawel, jawel, zeiden de wielen toen ze over een wissel vlogen, jawel, jawel. Ook-niet ook-niet toen ze weer op de gladde baan reden. Is het niet je eigen schuld, KomeUs? Ben jij het niet zelf geweest die gebroken hebt met eUce vorm van gemeenschap? Je hebt God en de mensen van je afgestoten! Hij kijkt door het raam. Maar door het branden achter zijn ogen ziet hij niets. Hij zucht eens diep zodat zijn hele Uchaam ervan trilt. "En nu ophouden, niet dat sentimentele. Voomit, over een paar maanden is alles weer gezien en moet je maar voorgoed vergeten wat er geweest is, voorgoed vergeten, verge-ten ver-ge-ten." "Utrecht, reizigers voor Amersfoort, Apeldoom en Enschede overstappen!" Even de pijn bij het horen van "Apeldoom". Daar was ik ook naar toe gegaan als ik een jaar eerder gekomen was. Hij blijft nog wat op het eerste perron hangen en ziet de trein naar het oosten vertrekken. Hij staart hem na tot de trein door de bocht verdwenen is. En dan nog blijft hij staan en staart over de rails alsof die alles begrijpen. Weer voelt KomeUs hete tranen branden achter zijn ogen. Dan pakt hij zijn koffers en loopt het station af. "Die kant op meneer en als u vlug bent kunt u hem nog net halen!" Dus over een half uur kan ik thuis zijn, nou ja, over een half uur heb ik onderdak voor een poosje, denkt hij grimmig. Hij beleeft nu toch wel, wanneer hij in de bus zit, dit is toch echt Holland. Hij hoort weer zijn moedertaal spreken. Dat valt hem nu pas goed op. In de trein heeft hij er niet zo op gelet. Wat zei die man ook alweer? Een half uur deed de bus erover? Dan zal het niet lang meer duren en hij zal zijn zus weer zien. Zestien jaar is toch wel erg lang. Ze was vijftien toen hij wegging. "Eindpunt" hoort hij de chauffeur roepen. Wat onhandig stommelt hij met z'n koffers de bus uit. Gek, het lijkt wel of hij dronken is. Of zou hij een beetje zenuwachtig zijn? Aan de chauffeur vraagt hij waar de Mariênbergstraat is. "Kijk eens meneer," wijst de chauffeur, "zulke beste ogen hoef je niet te hebben of je kan dat bordje wel lezen." Ja, inderdaad staat hij vlak voor de Mariênbergstraat. Nummer 3 woont ze. Nu eerst kijken hoe de nummers lopen, is het hier vooraan'of is nummer 3 achter in de straat? Dan opeens staat hij voor nummer 3. Hij kijkt nog eens en nog eens. Ja, hier moet het zijn, G.J. DaUiuizen. Nee, hij durft niet, z'n knieën knikken, z'n handen beven. Nee, nu nog niet, nog even wachten. "M'n zuster" fluistert hij "ik kom zo, maar ik durf nog niet."
Resoluut pakt hij de koffers op en beent het huis voorbij, de stiUe straat in tot hij bij een portiek komt. Haastig duikt hij er in. En wat nu? Hij weet het zelf niet. Zal ik hier in de buurt maar een hotel zoeken en eerst maar tot mst komen? Hij loopt het portiek weer uit. De hoek van de straat om. Een koude wind blaast door z'n jas heen. Hij huivert. "Wat doen" bonst het in zijn hoofd. "Wat zal ik doen?" Hij gaat weer temg de hoek om. Zo, hier is het niet zo koud. Besluiteloos blijft hij weer staan en kijkt op zijn horloge, kwart voor vier al. Een enorme moeheid overvalt hem. "Ja," denkt hij hardop "ik zal gaan, het komt natuurlijk omdat ik wat moe ben." Weer staat hij op de stoep en leest. Dan gaat zijn hand ornhoog en laat hij de bel overgaan. En meteen voelt hij een ja, hij weet niet goed hoe hij het zeggen moet, deels is er de grote spanning en deels het gevoel, eindelijk zal er een plekje, een veilig plekje wezen. De deur gaat open. Twee paar bmine ogen ontmoeten elkaar. Het is, of die blikken over en weer een onmetelijke verte overbmggen. "Kor, KomeUs, ben jij het echt?" Hij wordt naar binnen gesleurd en dan, dan ervaart Komelis op dat moment hoe oneindig eenzaam hij al die jaren geweest is. Nooit, nooit in al die jaren meer een zoen ontvangen. "Meid, Riek hoe is het?" zegt hij schor. "O, broer wat ben ik bUj datje er bent, kom vlug mee naar de kamer." Weer gaat de bel. Het is een jochie, "mevrouw er staan twee koffers op de stoep, zijn die van u?" Ze lachen allebei. "Ja, joch, die koffers moeten hier zijn!" "Zo, en nu naar de kamer, ik zal gauw koffie zetten of heb je Uever thee?" "Nee, geef maar koffie!..." "Ja, Gert Jan komt over een uurtje thuis, wacht ik zal even bellen, vast zeggen dat je er bent, o, wat heerlijk dat we eUsaar weer mogen zien. Ja hier, ga hier maar zitten, lekker bij de warme kachel. En nu eerst koffie!"
Dan is Komelis alleen in de kamer. "Precies moeder" is het eerste wat hij denkt. Als hij de kamer rondkijkt ziet hij naast de vele andere foto's het portret van vader en moeder. Hetzelfde dat diep weggestoken zit in zijn koffer. Hij heeft er jaren niet naar willen kijken, maar nu bUjft zijn oog geboeid. "Voorbij" denkt hij bitter. "Dat is voorbij" ook nu wil hij niet herinnerd worden aan wat voorbij is. "Ek wil met mst gelaten worden" bij hij zich zelf toe. Zijn ogen dwalen de kamer rond. "Wentel Uw weg op den Heere en vertrouw op Hem, Hij zal het maken." Het was niet de bedoeling maar hij leest de woorden half luid op. Het is hetzelfde plankje wat bij moeder in de kamer hing. Met dat hij leest komt Riek de kamer binnen met een paar heerUjke kopjes geurende koffie. Ze hoort hem lezen en valt meteen in. "Ja joh, dat heb ik altijd zo'n mooie tekst gevonden, die woorden hebben ook voor vader en moeder altijd zóveel betekend. Het is niet de gewoonte meer om dergelijke schilderijen op te hangen maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om het ergens doelloos neer te leggen." "Ja," zegt KomeUs koud, "ieder zijn meug..." Zijn zus kijkt hem aan. Hij leest in haar ogen de teleurstelling. En dat wat zachter zegt ze: "Dus toch, KomeUs?!" Ze wil nog meer zeggen maar hij snijdt haar de pas af. "Hoor eens, lieve zus, ik ben nog geen kwartier in huis en eerUjk gezegd heb ik hier tegenop gezien, maar laten we alstubUeft niet over deze dingen praten. Jij mag er gelukkig mee zijn, maar voor mij is dit alles voorbij. De heb er geen zin in er meer van te zeggen, laten we het maar zo houden." "Ach, jongen" is het enige commentaar van zijn zus. Dan drinken ze zwijgend hun koffie en weten niet te praten terwijl er zoveel te vertellen valt. Het maakt Komelis bitter. Het is de zoveelste ervaring in die tijd. Telkens weer als hij wat gemeenschap of aanspraak zocht werd de muur hoger opgetrokken. Waarom?!... Nee, het worden dan ook geen prettige dagen bij zijn zus. O ja, ze doen echt hun best, dat merkt hij aan alles. Maar dat ene, dat hij nergens meer aan doet dat schijnt onoverbrugbaar te zijn. Bij Komelis komt weer de spijt. Waarom ben ik niet gebleven waar ik was?... Waarom kun je niet gewoon met elkaar praten? Is het dan zo belangrijk om christelijk te zijn? Hebben de jaren niet bewezen dat het zonder die poespas van de kerk en geloven ook wel gaat? Trouwens is het allemaal wel waar van God en de Bijbel?
DoeUoos loopt hij aan het eind van de middag door de straten, door stiUe en dmkke straten. Het geeft niet. Hij moet maar niet te veel binnen zijn. Morgen is het Kerstfeest en overmorgen dan is het zijn feest. Hij blijft wat talmend staan voor een etalagemit. Ziet er mooie hoezen van de langspeelplaten. "Ook voor mij hebt G' Uw rijkdom ontzegd," zingt een hoge kinderstem. "Nou, wees er maar bUj mee" bijt hij smalend. "Werd G' in stro en in doeken gelegd. Leer m' U danken daarvoor." Hij loopt door. Hij wil het niet langer aanhoren. Hij moet weg. Weg, van die zuivere kinderstem. Het vreet aan hem. Kan hij dan nergens met mst gelaten worden?... Pas wanneer Komelis al een eind buiten de stad is, op een eenzame polderweg, komt hij tot rust. Ja, hier lijkt het een beetje op het wijde Canada, dat zal het zijn, troost hij zich. Ik ben dat bekrompene niet meer gewend. Jaren heb ik in de mimte geleefd en als ik binnen was, waren er geen mensen die met lastig vielen en geen kinderstem die ergens aan herinnerde. Als een zacht avondrood de sloten keurt, gaat KorneUs temg naar de stad. Hij doet nog wat inkopen voor de familie en voor zichzelf koopt hij een paar boeken. Ziezo, dan hoef ik tenminste niet veel te praten.
Dan komt eindeUj de grote dag van zijn leven. Weer zit KomeUs weggedoken in een hoekje van de treincoupé. Eindelijk, einde- Ujk zal hij weerzien wat hem naar Holland deed temggaan. Ik zal toch proberen, denkt hij, om alles wat milder op te nemen en wat vriendelijker te zijn. Het is misschien toch mijn eigen schuld wel dat ik wat eenzelvig ben. De ben te lang alleen geweest. Ja, dat kan Komelis zich nu allemaal wel voorstellen. Het was van twee kanten een elkaar opnieuw ontmoeten. Niet een herinnering aan zoals het vroeger geweest is. En dat is nu juist fout. Ze moeten opnieuw leren leven zoals het nu is. KomeUs glimlacht. Ja, zo is het. Het geeft hem mst. En weer zingt het mee op de cadans van de wielen, zo-is-het, zo-is-het. Niet-waar, niet-waar zegt opeens een storing in het cadans. Niet-waar. Dan glijden ze weer mstig verder, zo-is-het, zois-het. En toch, nu het ritme even onderbroken geweest is, waarin hij die andere stem hoorde, weet hij dat diep in zijn hart het toch niet zo goed zit. Er is een kloof. Het is of er een donkere wolk voor de zon schuift en de blijheid van zonet is weg. Hij zucht eens een keer en staat op, omdat de trein afremt om te stoppen. Hij loopt het perron af. ledere stap is een herontdelddng. Het is heerUjk om dit alles weer te zien, zo te zien datje hart er pijn van doet. ledere boom, iedere stmik en ieder huis vertelt hem het verhaal van een blij weerzien. En hij doet net als toen hij een kleine jongen was. Hij gaat even op de leuning van de weteringbrag zitten. Hier is het goed. Dan gaat hij verder, recht op zijn doel af. Nee, niet naar het huis waar hij gewoond heeft, daar wonen nu vreemden. Hij gaat naar zijn grote vriend. Jaap. Jaap Hengelveld. Daar zal hij mee kunnen praten. Die zal hem kunnen begrijpen en zal het hem niet lastig maken met vragen over de kerk en God. Daar zal hij zich niet opgejaagd voelen. Hem zal ook niets verweten worden. Zijn hart klopt blij als hij de werf oploopt en met vaste hand grijpt luj de kUnk van de bakhuisdeur. Hij glimlacht, omdat de deur nog altijd klemt. "VoUek," roept hij, maar dat is onnodig want hij stommelt meteen door naar de keuken, hij duwt de deur open. "Goeien dag" zegt hij. De vrouw die voor het raam zit keert zich een halve slag om. "Dag meneer" hoort hij de bekende stem van moeder Hengelveld. "Dag mevrouw Hengelveld, kent u mij niet meer?..." Een ogenbUk stilte. Hij ziet het bekende gezicht diep nadenken. "Ja, nee, ik ken je wel, nee, ik kan je toch niet thuisbrengen." "Kom nou," zegt Komelis, "denk nog eens goed na, weet je dan niet meer wie KomeUs Hamer is?" "Komelis, jongen ben jij het, och nog an toe. Komelis van Harm en Dina, ja, nou zie ik het. Sjonge jonge, wie had dat ooit kunnen denken. Foei, een mens kan toch wat meemaken. Jammer dat Jaap nou niet thuis is..." "Waar is Jaap" wil hij meteen weten. "Och jochie, wat is dat nu toch jammer. Jaap is nog geen tien minuten weg en het duurt zeker wel een paar uur voor hij weer thuis komt." "Is hij ver weg?" "Nee, hij is naar het dorp." "Nou als u zegt waar hij is dan ga ik hem opzoeken!" "Ach mijn beste jongen, dat kun je nu wel doen maar dat helpt niet, hij zal echt geen tijd voor je hebben, onze Jaap is naar de kerk!..." "Naar de kerk, naar de kerk?..." reageert Komelis. "Ja, m'n jongen, onze Jaap gaat tegenwoordig naar de kerk. Al een jaar of wat. Ja, het is niet zo best met hem, hij heeft een ongeluk gehad en daarna is hij naar de kerk gegaan en nu is hij al zondagsschoolmeester ook. Vandaar dat hij er vanmiddag wezen moet." Komelis wordt duizeUg. "Naar de kerk" fluistert hij. "Nou, dan ga ik maar." Moeder Hengelveld roept nog wat maar hij hoort het al niet meer. Hij slingert als een dronken man de werf af. "God" schreeuwt hij, "laat me met rast. God, ik wil alles, maar dit niet..." Jaap Hengelveld een vrome man geworden. Hoe is het mogelijk. Zit daar dan zoveel geluk in en vrede? En als dat waar is, waarom heeft hij dan de vrede nooit gevonden? O, moeder!!!...
Zonder dat hij er erg in heeft, is hij bij de oprijlaan van het kerkhof. Moeder! Hij weifelt. Zal hij? Nee, hij loopt door. Een andere keer, nu niet. Verder loopt KomeUs, waarheen? Zijn voeten gaan de weg, de weg die ze vele jaren niet gegaan zijn. Hijgend staat hij onder de toren. Hij luistert met het oor tegen het sleutelgat. Het is stil. Dan begint het orgel te spelen en hoort hij een bekende melodie. Het maakt hem week. Komelis doet voorzichtig de deur open. Schuw kijkt hij om zich heen. Onopgemerkt schuift hij in de achterste bank. En dan wordt Komelis Hamer door een macht overweldigd. "Jongens en meisjes. We luisteren graag naar iemand die vertelt over de grote reizen die hij gemaakt heeft. Over verre, rijke landen waar alles zo mooi is. Ik ga jullie een verhaal vertellen over iemand die de grootste reis gemaakt heeft. Ik durf gemst te zeggen dat nog nooit iemand zo'n grote reis gemaakt heeft. Die Man woonde in het allermooiste land wat je maar bedenken kunt en er is een stad in dat land waar de poorten van goud zijn." Komelis zit ademloos te luisteren, zo heeft hij het Kerstverhaal nog nooit gehoord. Of komt het dat Jaap het nu vertelt? O, wat klinkt die stem hem vertrouwd in de oren. Hij praat nog precies eender alsof hij zich verstaanbaar moet maken wanneer de melkbussen op de wagen wat al te veel rammelden. "Weet je wie die Man is? Het is de Heere Jezus! Hij heeft dat mooie land vaarwel gezegd om bij ons op aarde te wonen. En nu, jongens en meisjes, fluistert Hij nog iedere avond: "Gert, Jan, Jaap, Riek, Toos, KomeUs geef Mij jouw hart..." Komelis krimpt ineen. Hij kijkt met grote vragende ogen naar de zondagsschoolmeester, die daar zo mstig en goudeerlijk staat te vertellen van de grote Kindervriend. De kinderen zingen. En Komelis vecht, hij vecht met alles zoals hij de laatste tijd steeds gedaan heeft, maar nu voelt hij: dit ga ik verliezen en dank zink ik weg in de grootste eenzaamheid die maar denkbaar is. Als een van de eerste is hij buiten wanneer het feest ten einde is. Hij wil niet herkend worden. Haastig duikt hij weg achter de heg en blijft daar wachten tot alle mensen weg zijn. Dan gaat hij de lege kerk weer in. En loopt regelrecht op zijn doel af. "Dag Jaap." De gestalte voor hem keert zich voorzichtig om. Even de vragende uitdrakking, dan grijpen twee handen hem beet. "Komelis, man hoe kom jij hier, kom mee," zegt Jaap. "Even op de bank zitten, ik kan moeiUjk staan."
Na jaren zitten de twee vrienden weer naast elkaar. Zwijgend luistert KomeUs naar hem, als Jaap vertelt van zijn grote geluk, dat de Heere Jezus hem opgezocht heeft. "En jij dan KomeUs?..." Komelis bijt op zijn lippen. Als het antwoord wat lang weg blijft, vraagt Jaap het nog eens. Komelis kijkt naar hem op. Hij blikt in een paar eerlijke, trouwe ogen, ogen die hem vroeger ook zo aankeken. Hij ziet nu ook de diepe groeven in Jaaps gezicht en een vurig litteken boven zijn ogen. Dan komt zacht het antwoord: "Ik heb met alles gebroken Jaap!..." "Ach, Kornelis, wat ben jij dan ongelukkig geworden en Lk ben vaak zo gelukkig geweest met het verhaal wat jij mij eens verteld hebt. Nee, niet direct toen, maar later. Later, toen ik in het ziekenhuis lag, heb ik gedacht: Ik moet dat zien te krijgen, waar kleine Komelis me van verteld heeft. En toen is er een nacht gekomen, zo heerlijk en zo mooi. Het was net of iemand hardop tegen me zei: "Jaap, Mijn jongen, geef Mij jouw hart." Dan zwijgt hij. KomeUs kijkt eens omhoog naar de kansel en denkt aan de verloren jaren die voorbij gegaan zijn en aan heel veel jaren temg toen eens zijn vader en moeder hier gestaan hebben en hem Ueten dopen. Dan vraagt Jaap: "Blijf vannacht bij ons, dan kunnen we nog eens verder praten. Toe, doe me een plezier..." Komelis aarzelt, dan zegt hij: "Ja, ik doe het..." Door het donker van deze avond gaat eenzaam een man. Het is Komelis Hamer. Hij loopt een eindje de oprijlaan van het kerkhof in. Moeder! Vader! ...De heb zo'n spijt... Dan is het of moeder nog één keer zijn handen in de hare neemt en fluistert: "Mijn lieve jongen, zullen we nog eens samen bidden?... 't Boze dat ik heb gedaan. Zie het Heere toch niet aan. Schoon mijn zonden vele zijn. Maak om Jezus' wil, mij rein. " 't Is het gebedje wat ze hem zo vaak heeft voorgezegd. Een kinderlied. Moeten we ook eigenlijk niet worden als een kind?...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 2001
Eilanden-Nieuws | 48 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 december 2001
Eilanden-Nieuws | 48 Pagina's