Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

In kader van dodenherdenking en adoptie-overdracht oorlogsmonument: Ouddorpse schooljeugd herdenkt Adrianus Aren Breen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In kader van dodenherdenking en adoptie-overdracht oorlogsmonument: Ouddorpse schooljeugd herdenkt Adrianus Aren Breen

20 minuten leestijd

“Beste Ouders en Zuster. Bij deze kan ik u melden als dat ik het nog goed maak en hoop van bij jullie hetzelfde. We zijn nog steeds in Kampen. We liggen in een kazerne met 50 man op een kamer. Het gaat er zeer netjes en stichtelijk toe. Na het eten wordt er een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en ‘s avonds worden er Psalmen en Kerstliederen gezongen. We zijn er met de meeste uit Middelharnis, maar er zijn er ook nog een paar uit Ouddorp. Er is een man bij, die nogal eens een woordje spreekt ter bemoediging...” Zo schrijft Ko Blok op 27 december 1944 aan zijn ouders en zus in Middelharnis. Hij is één van de velen die tijdens de razzia van 20 en 21 december 1944 zijn weggevoerd van Goeree-Overflakkee om in Duitsland tewerk gesteld te worden. De in de brief genoemde man uit Ouddorp, die nogal eens een woordje ter bemoediging sprak, is waarschijnlijk Arjaan Breen geweest, in zijn woonplaats beter bekend als Arjaan de Meulenaar.

Het levensverhaal van deze man, wiens naam tussen de vele anderen vermeld staat op het oorlogsmonument te Ouddorp, zal deze weken aan de leerlingen van de groepen 7 en 8 van de beide basisscholen worden voorgesteld. Aan hem zullen zij in ‘t bijzonder denken tijdens de jaarlijkse plechtigheid rond het oorlogsmonument op de hoek Hazersweg/Dorpsweg. En in hem zullen alle anderen, die in de Tweede Wereldoorlog vielen als slachtoffer van de Duitse overheersing, herdacht worden. Symbolisch zullen leerlingen van groep 8 van de beide basisscholen door middel van het overdragen van een krans aan leerlingen van groep 7 de morele adoptie van het monument overdragen. Deze zullen vervolgens ter herdenking aan de gevallenen in Wereldoorlog II, onder ceremonieel, de krans bij het monument leggen. Deze jaarlijkse plechtigheid is niet alleen voor de schooljeugd om nooit te vergeten, maar ook - en wel in het bijzonder de nabestaanden, alsmede de leeftijdgenoten van de vermelde personen - verwijlen met hun gedachten bij hen die ze lief en dierbaar waren of die ze goed gekend hebben. Dit alles gebeurt dit jaar voor de 16e keer.,De plechtigheid wordt opgeluisterd door Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Goedereede, alsmede door leden van het Marine Bewakings Korps en de Vrijwillige Brandweer van Ouddorp. Het aantal belangstellenden vanuit de burgerij neemt nog ieder jaar toe. De adoptie van het oorlogsmonument door de leerlingen van de hoogste groepen van de basisscholen was destijds een initiatief van de ‘Stichting Februari 1941’. Deze Stichting stelt zich ten doel de herinnering aan de oorlogsjaren 1940-1945 levendig te houden, teneinde het inzicht van de opgroeiende jeugd in de waarden van het begrip ‘vrijheid’ en in de noodzaak tot bescherming van ons democratisch stelsel, te bevorderen. Voor het eerst dit jaar kunnen de kinderen via een speciaal hoekje op internet rond de dodenherdenking hun verhaal of tekening kwijt. Ook dit is een initiatief van Stichting Februari 1941. Ter herinnering aan de plechtigheid op 24 april a.s. ontvangen de leerlingen van groep 7 het boekje ‘Vrijheid geef je door’, het geschenk van het ‘Nationaal Comité 4 en 5 mei’, plus een speciale pen. De leerlingen van groep 8 ontvangen ter herinnering een oorkonde op naam.

Wie was Adrianus Aren Breen?

Arjaan werd op 12 december 1905 geboren als zoon van Jan Breen en Klaartje Heerschap. Hij was de jongste van de vijf kinderen in het gezin. Arjaan trouwde met Jannetje Bakelaar. Het echtpaar kreeg 3 kinderen, waarvan er nog twee in leven zijn: mevrouw K. de Jong-Breen, Vlietberglaan 58 en de heer J. Breen, Westvoom 4 te Ouddorp.

Arjaan werkte bij de fa. Voogd van molen ‘De Hoop’ aan de Molenweg. Dagelijks reed hij door het dorp en omgeving met de meelwagen. Overal waar hij kwam, maakte hij een praatje. Hij kon goed met iedereen opschieten, daar hij vriendelijk van aard was. Op zijn route had hij zo zijn vaste adressen, waar hij wat langer bleef en ook wel koffie dronk. Dan werden er niet alleen alledaagse gebeurtenissen besproken, maar werd er ook over het geloof in God gepraat. Arjaan was een gelovig man, die vrijmoedig en gunnend kon spreken over het leven met God. Samen met zijn vrouw Jans en de kinderen Klaartje, Hanna en Hans had hij een eenvoudig, rustig bestaan in het eenvoudige huisje aan de Koude Grond nummer A 265, thans Marijke weg 19.

Toen kwam de razzia van 20 en 21 december 1944. De oorlog slokte duizenden en duizenden mannen in Duitsland op voor de gevechten aan het front en de oorlogsindustrie. De situatie waarin Duitsland verkeerde, was hopeloos. Voor het werk aan spoorlijnen, in fabrieken en op schepen werden nu arbeidskrachten uit de bezette landen geronseld. In de vroege morgen van woensdag 20 december hadden de Duitsers alle toegangswegen naar het dorp met prikkeldraad afgesloten. Binnenin het dorp begon de razzia, een militair georganiseerde drijfjacht op mannelijke arbeidskrachten. Via speciale bekendmakingen werden alle mannen in de leeftijd van 17- 40 jaar opgeroepen om zich te melden bij de cichoreifabriek de ‘Ceres’ aan het Smalle Einde. Ook Arjaan moest zich melden. Een Duitse soldaat kwam aan de deur, maar Arjaan was met de meelwagen erop uit. Zoon Hans werd erop uitgestuurd om hem te gaan halen. Lopend, kwam Arjaan naar huis. De paarden had hij op ‘Westen’ gelaten. Dwars door de landerijen was hij bij het horen van het gevreesde bericht naar huis gekomen. Bij het afscheid dat volgde, verklaarde hij een voorgevoel te hebben dat hij de oorlog niet zou overleven. Het afscheid viel zwaar. Lang niet iedereen gaf aan die eerste oproep gehoor. Velen doken onder door zich in een schuur of op het land te verbergen. Daar wisten de Duitsers echter wel raad op. Er volgde onmiddellijk een nieuwe bekendmaking, waarin werd gesteld dat nog een laatste mogelijkheid werd gegeven om zich te melden tot uiterlijk donderdag 21 december. Hierna zou de hele omgeving door de Duitse weermacht worden uitgekamd. Iedere 10e man die gevonden werd, zou worden doodgeschoten en zijn woning zou worden verbrand. Alle anderen die werden opgespoord, zouden niet bij de arbeidsinzet worden ingedeeld maar naar een concentratiekamp worden getransporteerd. Deze bekendmaking miste zijn doel niet; het verzet werd merendeels gebroken en men meldde zich alsnog. Gepakt en gezakt verdween men achter het prikkeldraad bij de ‘Ceres. Daar was het ondertussen zwart van de mensen geworden. Iedereen probeerde nog een glimp op te vangen van dierbare familieleden, buren, kennissen en/of vrienden. Hartverscheurende taferelen speelden er zich af.

Of Arjaan zich ‘s woensdags of donderdags gemeld heeft, is niet meer te achterhalen. Feit is dat hij met de honderden andere Ouddorpers lopend van Ouddorp naar Stellendam is gegaan. Daar werden ze vanaf het station aan de Langeweg met de RTM-tram naar Middelharnis-Havenhoofd getransporteerd. Hier lagen leeggemaakte vrachtschepen gereed om de ruim 3500 flakkeese mannen en jongens te vervoeren. Tussen al die anderen ging ook Arjaan Breen. Hij had nog afscheid kunnen nemen van vrouw en kinderen, voordat hij een onbekende toekomst tegemoet ging. Temidden van de ontberingen, die zich al vrij snel voordeden, mocht Arjaan zich geborgen weten in zijn God. Ontberingen waren er. Om de laadruimte te bereiken van het schip, dat hem en de anderen naar Amsterdam zou brengen, moest hij door een nauwe opening ter grootte van een scheepsluik langs een steil trapje naar beneden zien te komen. In het ruim waren geen zitbanken, er was geen licht. Op de bodem lag een dun laagje stro of misschien ook wel niet, want in sommige schepen was ook dat niet eens aanwezig, terwijl er in één schip zelfs een klein laagje water op de bodem stond! Half zittend, half staand werd de nacht doorgebracht. Men leed veel kou en de meesten voelden zich akelig. Zaterdag 23 december kwamen ze in Amsterdam aan. Eindelijk konden ze hun drijvende gevangenis verlaten en de frisse winterlucht inademen, zij het maar heel even. De mannen van Flakkee werden samen met anderen, uit o.a. IJmuiden en Beverwijk, ondergebracht in een grote loods voor bananenopslag van de K.N.S.M. Daar verbleven ze onverzorgd, met een stoppelbaard van enkele dagen en een steeds groter wordende angst voor de toekomst. De gedachten waren bij hun dierbaren thuis. Hoe zouden zij het maken? Soms gelukte het een berichtje te sturen. Daarin probeerde men de toestand zo rooskleurig mogelijk voor te stellen om elkaar nog niet ongeruster te maken. Enkele van deze brieven zijn ons ter hand gesteld. Zij zijn van de genoemde Ko Blok, die enkele jaren na de oorlog op vrij jonge leeftijd is overleden. Zijn zuster, mevrouw S. Blok, verblijft thans nog op hoge leeftijd in het bejaardencentrum ‘De Vliedberg’ te Ouddorp.

Om een indruk te geven van de situatie waarin de Flakkeese mannen zich bevonden, laten we de brieven van Ko Blok hieronder volgen. Waarschijnlijk wordt Arjaan Breen in twee ervan bedoeld.

‘Geliefde Moeder, Vader en Zuster, Zaterdag in Amsterdam. Alles goed. Ga waarschijnlijk naar Kampen. Maar niet aan mij schrijven voordat ik een juist adres heb. Gedurig maar bidden voor mij. Heb genoeg eten. Doe ook de groeten aan mijn liefhebbende zuster Saar. ’

‘Geliefde Ouders en Zuster, Bij deze kan ik U melden dat ik het goed maak, zoo ik ook hoop van U. Ik ben Zaterdag in Amsterdam aangekomen. U zult wel denken wat een kort briefje, maar ik had niet veel tijd, omdat wij dachten er weer spoedig vandaan te moeten naar Kampen. Maar het schip was vol, zoadat wij Zaterdag niet weg konden. Ik ben nu in een gebouw aan de haven van Amsterdam, daar zijn nog meer menschen van Middelharnis. Daar zal Zondagmorgen voorgegaan worden in de Dienst des Woords. Zoo zien we dus dat de Heere overal tegenwoordig is. Er is hier ene Soldaat uit Dirksland en Jan van Es en de jongens van Arend Visser. Waarschijnlijk blijven we nu de Kerstdagen in Amsterdam. Ook komt hier morgen nog een groep Stellendammers met Jan van Tante Riek. Zoo vieren we dan het Kerstfeest in Amsterdam. We hebben Zaterdagavond Kerstliederen gezongen. Er waren ook hier vanmiddag menschen uit Schouwen en Duiveland. Er waren er bij die Oome Willem kenden. Waarschijnlijk gaan we Woensdag naar Zwolle of Kampen en dan... ik weet het niet. We zullen maar zien wat God voor ons weggelegd heeft. Ik schrijf dit, dan weet u tenminste nog wat. Ik weet niet of ik in Zwolle of Kampen nog schrijven kan en mag. Tot ziens. Je liefhebbende Broer en Zoon. Doe de groeten aan Saar en verdere familie. ’

‘27 December 1944, Kampen Beste Ouders en Zuster, Bij deze kan ik U melden als dat ik het nog goed maak en hoop van bij jullie hetzelfde. We zijn nog steeds in Kampen. We liggen in een kazerne met 50 man op een kamer. Het gaat er zeer netjes en stichtelijk toe. Na het eten wordt er een hoofdstuk uit den Bijbel gelezen en ‘s avond worden er Psalmen en Kerstliederen gezongen. We zij er met de meeste uit Middelharnis, maar er zijn er ook nog een paar uit Ouddorp. Er is een man bij, die nog al eens een woordje spreekt ter bemoediging. We krijgen goed eten en voldoende. Eiken dag warm eten en ik heb nog geen enkele maal droog brood moeten eten, altijd nog met boter. Dus Moeder, maak je maar niets bezorgd hoor. Het is zeker wel stil op het dorp geworden. Het zou natuurlijk wel fijn zijn, wanneer ik ook eens iets van jullie hoorde, maar dat gaat niet, want je weet niet waar je morgen bent. We zullen hopen, dat we maar spoedig thuis mogen komen, zoo de Heere wil. Ik ben hier op de kamer met Bram de Valk, Leen Vis en de jongens van Van Wezel en nog veel anderen. Baas Leen Peeman ligt een kamer naast mij. Hoe gaat het Saar, heb je een plezierig Kerstfeest gehad? Meester Kijkuit heeft natuurlijk niet verteld, want die is ook hier. Nu schij ik er weer uit, want ik moet zuinig zijn met papier. De hartelijke groeten, ook aan Opoe en verdere familie. Ko.’

‘Kampen, 29 Dec. 1944. Beste ouders en Zuster, Bij deze kan ik u melden als dat ik gelukkig goed gezond ben, zoo ik ook van jullie hoop. Ik ben nog steeds in Kampen. Gisteren zijn er nog enkele vrijstellingen uitgereikt die naar huis mogen, maar meest boeren en veehouders, ook Willem Peeman van de Waterweg. Wij doen hier niets dan eten en slapen, dus dat gaat wel. Waarheen we eigenlijk moeten, weet ik niet. Bij onze ploeg is er echter niemand bij, die naar huis gaat. Gisteren heeft Candidaat Van Putten nog gesproken. Ik zou natuurlijk graag iets van jullie hooren, maar ik weet niet hoelang we hier blijven. Het zou natuurlijk net moeten wezen dat er uit Middelharnis iemand naar Kampen ging. Het eten is goed en voldoende. Elke middag krijgen we warm eten en ik heb altijd brood met boter en kaas. Het gaat hier netjes toe. Er wordt uit den Bijbel gelezen en ‘s avonds Psalmen gezongen. We hebben een man uit Ouddorp op de kamer, die dan iets uit den Bijbel verklaart. We zullen hopen dat de Heere met ons mag gaan, waar we ook henengaan. Want als Hij ons bewaart, zal geen haar van ons hoofd vallen. Hoe gaat het met Saar, ook nog gezond, hoop ik. We zullen maar hopen, dat we spoedig weer thuis mogen komen. Denk je om de centen van de Weermacht te halen bij Gerrit Buth, Kaaidreef. Hartelijk gegroet en Gode bevolen. Tot ziens. Ko. ’

‘Je zou ons hier eens moeten zien op de kamer, moeder. Hoe gezellig we het onder elkander hebben. We slapen op strooi. Maar we hebben een lekker warm kamertje. Het is hier elke dag lekker weer. Deze brief geef ik mee met jongens die naar Flakkee gaan. Heb je nog een gezellig Kerstfeest gehad? Ik hoop van wel. Het is zeker nu wel minder druk in de kerk, zooveel menschen uit het dorp. Ik hoorde gisteren vertellen dat de menschen van 40- 50 jaar weg moesten. Dan is Vader er gelukkig niet bij. Jan van Es ligt een kamer naast mij, ook Leen Peeman. Bram de Valk en Jan Verweij, Piet van Aren Kattestaart liggen bij mij op de kamer, ook Jan en Herman van Wezel en Leen Vis. Ik had nu niet willen schrijven, maar nu er jongens naar huis gaan, kan ik deze brief gelijk meegeven. Dan komt hij zeker terecht en heb je hem soms ook nog gauwer als met de post. Want post gaat er elke dag hier vreeselijk veel vandaan, met zoo ’n massa menschen. Nu gaat mijn nieuws toch werkelijk opraken, want het is hier elke dag hetzelfde. We doen niets. Dus dan ga ik maar eindigen met de hartelijke groeten van mij. Saar ook hartelijk gegroet hoor, en je maar niet bezorgd maken. We zijn hier met allemaal menschen uit Middelharnis, dus je kan elkaar allemaal. Nu hartelijk gegroet en een tot spoedig weerzien zullen we hopen, zoo de Heere wil. Doe ook de groeten aan de buren en alle familie in Middelharnis. Wee.s zelf hartelijk gegroet van uw Zoon en broeder. Dag Saar. Tot ziens. Ko.’

Het wederzien zou echter nog lange tijd op zich laten wachten en voor sommigen zou er hier geen weerzien meer komen. Vanuit Kampen werden tussen Kerst en Nieuwjaar de mannen Duitsland ingevoerd en over verschillende plaatsen verdeeld. Op nieuwjaarsdag 1945 kwam Arjaan Breen met nog een aantal dorpsgenoten in Bielen terecht. Dit dorpje ligt ongeveer 5 km. ten oosten van Nordhausen, een stadje in de buurt van Berlijn. Ook in de dorpjes in de omgeving, zoals Hesserode en Kleinwerther, werden Ouddorpers ‘gedropt’. Verschillende personen weten zich nu nog, na ruim 57 jaar, haarfijn bepaalde details van het verblijf in Duitsland te herinneren. De winter van 1944/1945 was een strenge winter. Het vroor soms meer dan 20 graden. Bovendien was er veel sneeuw gevallen. Onder erbarmelijke omstandigheden moest er door de Hollanders aan de spoorweg gewerkt worden. De heer K. Kastelein, thans wonend in Delft, schreef over zijn verblijf in Bielen, o.a.: ‘Het lager in Bielen; het werken aan de spoorlijn; het broodje dat we samen moesten delen. We deden dat met een touwtje met daarin een knoop, precies op de helft. Het broodje waar je drie dagen mee moest doen. Je nam één sneetje mee naar het werk voor het middaguur. O, wat was dat lekker, even op de kachelplaat in de Bude (bouwkeet), zodat het warm en zacht werd. Sommigen hadden het half in de morgen al verslonden en zaten dan kwijlend naar je te kijken. Ze moesten dan wachten op de twee pelkartoffeln, die we ‘s avonds kregen, of de driekwart liter Graupensoep. ’

Geen al te gunstige omstandigheden, zeker niet voor maaglijders, zoals Arjaan Breen. Vanuit het lager ging men erop uit om in het dorp en op de boerenhoeven in de omgeving nog wat extra voedsel te kunnen bemachtigen. Soms lukte dat. soms ook niet. Aijaan maakte tijdens die tochten kennis met een boerin, met wie hij ook over het geloof kon praten. Dat zal ongetwijfeld een bijzondere gewaarwording voor hem zijn geweest en een bevestiging van zijn geloof, dat God overal zijn kinderen heeft en voor hen zorgt. Dat geloof werd wel op de proef gesteld. De eerste zondag in Bielen hoefde er nog niet gewerkt te worden, maar de tweede zondag werd iedereen gewekt om aan de arbeid te gaan. Arjaan en zijn neef Jan Tanis weigerden beslist om op zondag, de dag des Heeren, werk te verrichten. Dit gaf geen geringe opschudding in het lager. De andere mannen vreesden dat beiden strenge straffen zouden ontvangen, ja misschien zelfs gedood zouden worden. Wat zij ook zeiden om de mannen van hun voornemen af te brengen, niets hielp. Ze weigerden beslist. Ook toen de Duitse Lagerführer hen op allerlei wijzen bedreigde. Tenslotte viel de straf voor de werkweigeraars nog mee: zij geen eten kregen als zij niet werkten. En wat gebeurde er nu? De anderen gaven uit solidariteit een gedeelte van hun rantsoen aan Breen en Tanis. Hierdoor hadden zij nog meer dan elk van de anderen!

Eind januari, begin februari wordt Arjaan plotseling ernstig ziek. Hoge koorts en hevige pijnen in maag- en darmstreek. Of hij nog naar het ziekenzaaltje in Bielen is gebracht is niet met zekerheid te zeggen. Wel staat vast dat zijn kameraden, waaronder zijn neefs Jan en Cor Breen en Jan Tanis hem naar het ziekenhuis in Nordhausen hebben gebracht. Dat gebeurde op twee aan elkaar gekoppelde kindersleeën met enkele dekens erop vast gesjord. Zo ging het over een afstand van 5 kilometer, over een door bevroren sneeuw spiegelgladde weg en onder een temperatuur van minstens 20 graden onder nul. In Nordhausen aangekomen moesten ze langer dan een uur buiten wachten, voordat ze aan de beurt waren. Toen de arts Arjaan onderzocht, schudde hij bedenkelijk het hoofd. Waarschijnlijk een maagbloeding of een kink in de darm. Opereren was de enige mogelijkheid, maar de arts zag het somber in. De doodzieke Arjaan werd op 1 februari geopereerd. Terwijl de anderen weer naar het lager in Bielen terug moesten, bleven zijn neefs Jan Breen en Jan Tanis bij hem. Toen Arjaan bij kennis kwam zag hij zijn twee neefs aan zijn bed. “Jongens, ik ga sterven, maar laten we nog een Psalm zingen.’’ Hierna noemde Arjaan de Psalm die hij wilde zingen. De beide neefs kenden deze echter niet uit het hoofd (wellicht door de emoties). Toen zong Arjaan zelf, heimaal alleen, de Psalm uit; daarna lag hij stil en ontsliep, dat was 6 uur ‘s avonds op de tweede februari 1945. Zijn dood gaf grote verslagenheid in het lager. Iedereen mocht hem graag en men had grote achting voor hem vanwege zijn geloof. Twee dagen later, op 4 februari werd hij onder betrekkelijk grote belangstelling begraven op de begraafplaats in Bielen. Ook uit de omliggende dorpen waren Ouddorpers gekomen om de begrafenis van hun dorpsgenoot bij te wonen. De oude predikant van Bielen leidde de begrafenis, terwijl J. Tanis nog een woord ter afsluiting sprak. Diep onder de indruk verliet men het kerkhof. Eén van de mannen uit het lager maakte een plankje en voorzag dit van Arjaan’s naam plus geboorte- en overlijdensdatum. Zijn graf werd bijgehouden door de Duitse vrouw bij wie hij regelmatig kwam en waarmee hij waarschijnlijk geestelijke banden had.

De eveneens in Duitsland overleden Eeuwit Hameeteman schreef te Hesserode in zijn dagboek bij 4 februari: ‘...Vrijdag 2 februari is Adriaan Breen gestorven om 6 uur, vreeselijk!'. En in hetzelfde dagboek onder 7 februari: ‘...Gisteren is Arjaan Breen begraven, er waren veel Ouddorpers aanwezig. ’

Zondag 25 februari 1945 schreef een andere Ouddorper, J. Both, in zijn dagboek: ‘... Vernomen dat A. Lokker en A. Breen Jz. beiden uit Ouddorp afkomstig, waren overleden. Dat is toch verschrikkelijk als je in een vreemd land moet sterven en de familie weet er niets van. ’

Inderdaad, Jans en de kinderen wisten eind februari nog niets van het overlijden van hun geliefde man en vader. Dat bericht kwam, langs onofficiële weg, pas 26 februari ten huize van het gezin van Aijaan Breen. Wat wilde namelijk het geval? Cor Sperling, die ook in Bielen verbleef, schreef regelmatig aan zijn verloofde, Mina Bezuijen. Dit gebeurde onder het nummer van een goedwillende Duitse soldaat, waardoor de correspondentie vlotter verliep. Eind februari schreef Cor aan Mina over het sterven van Aijaan Breen. Deze ging onmiddellijk met de brief van Cor naar de plaatselijke hervormde predikant, ds. J. Hovius (van 1935-1946 predikant te Ouddorp) en vroeg hem of hij dit doodsbericht bij de weduwe Breen wil gaan brengen. Toen Mina naar huis liep, zag ze in de Marijkeweg (Koude Grond) de kinderen van Arjaan op straat spelen. Ze dacht bij zichzelf: ‘’t Is toch wat! Die kinderen weten nog niet dat hun vader al enkele weken overleden is.’ Waarschijnlijk diezelfde avond nog ging ds. Hovius met een ouderling op pad, om de doodstijding aan het gezin van Arjaan Breen mee te delen. Dochter Klaartje weet het zich nog haarfijn te herinneren. Het was reeds duister geworden en de spertijd was ingegaan. Ze hoort als het ware de voetstappen van de naderende mannen nog. Wie kunnen daar zo laat nog aankomen? Duitsers? Zoon Hans werd naar de deur gestuurd om te kijken wie daar waren. De komst van de dominee met een ouderling werkte niet alarmerend op vrouw Breen. Ze verwelkomde hen hartelijk en dacht dat ze op een regulier huisbezoek kwamen. De dominee had erg veel moeite om zijn boodschap te brengen. Steeds maar weer stelde hij het uit. Vrouw Breen had niets in de gaten, maar al gaande het gesprek, kreeg dochter Klaartje een bang vermoeden. Ze dacht bij zichzelf: ‘Dominee, zeg het nu maar: vader leeft niet meer!’ Pas in het gebed verwoorde de predikant het overlijden van hun man en vader. De verslagenheid was groot. Men herinnerde zich het voorgevoel van Arjaan, dat hij de oorlog niet zou overleven. Daarvan had hij menig keer gesproken, ook bij zijn wegvoering naar Duitsland.

Toen na de bevrijding de meeste Ouddorpse mannen weer terug uit Duitsland waren, werden de omstandigheden waaronder Arjaan gestorven was bekend. De neefs deden verslag aan hun tante Jans. Temidden van het verdriet was er ook de troost dat hun man en vader in het geloof gestorven was. Hij was alle moeite en verdriet te boven; terwijl hier de nabestaanden treurden, juichte zijn ziel voor de troon van God!

In 1948 kreeg weduwe Breen bericht dat het lichaam van haar man, met die van vele andere Nederlanders, vanuit Duitsland was overgebracht naar Amersfoort. De neefs Cor en Jan Breen reisden toen op verzoek van vrouw Breen daarheen, om zich op de hoogte stellen van de gang van zaken. Zij deden dit in gezelschap van Willem Hameeteman en zijn zuster Jans Hameeteman. In Amersfoort troffen zij vele anderen, die tussen de talloze opgestelde kisten op zoek waren naar hun overleden betrekkingen. De Ouddorpers werden de kisten gewezen waarin de stoffelijke resten van Arjaan Breen en Eeuwit Hameeteman lagen. Vervolgens werd alles voor de herbegrafenis in Ouddorp geregeld. Deze vond onder grote belangstelling plaats op 16 juni 1948. Twee eenvoudige grafstenen op de algemene begraafplaats te Ouddorp geven de plaats aan waar de stoffelijke resten van beiden rusten tot de jongste dag. Zijn gedachtenis en die van de vele andere gevallenen in de Tweede Wereldoorlog blijve in voortdurende herinnering bij jong en oud, opdat de vrijheid, die wij als volk van Nederland hebben mogen, gewaardeerd blijve!

Met dank aan fam. A. de Jong-Breen, fam. J. Breen-v.d. Ochtend, C. Breen, G. v.d. Bok, fam. C. Sperling, J. Tanis en K. Kastelein voor het verstrekken van informatie en fotomateriaal.Gegevens over de razzia van 20/21 december 1944 ontleend aan ‘Blijvend Gedenken’door D. Hoogzand.

Ouddorp, april 2002 A. J. NELIS

A. J. NELIS

Ieder wordt hartelijk uitgenodigd aanwezig te zijn bij de kranslegging door de schoolkinderen op D.V. woensdag 24 april a.s. bij het oorlogsmonument hoek Hazersweg/Dorpsweg. Aanvang 11.00 uur. Uw belangstelling wordt zeer op prijs gesteld.

Dit artikel werd u aangeboden door: Eilanden-Nieuws

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 2002

Eilanden-Nieuws | 16 Pagina's

In kader van dodenherdenking en adoptie-overdracht oorlogsmonument: Ouddorpse schooljeugd herdenkt Adrianus Aren Breen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 april 2002

Eilanden-Nieuws | 16 Pagina's