Dirkslandse kerkorgels nieuw leven ingeblazen
Dat in één woonplaats twee of meer kerkgebouwen staan, zijn we heel gewoon. En dat één plaats dus meerdere kerkorgels kent, vinden we ook niet vreemd. Minder vaak komt het voor dat één van die orgels onder handen wordt genomen door een orgelbouwer, hetzij voor restauratie, hetzij voor herintonatie, of voor een grote schoonmaakbeurt. Nóg minder vaak komt het echter voor dat béide kerkorgels die een woonplaats kent, in vrijwel hetzelfde tijdsbestek flink worden aangepakt. Maar in Dirksland gebeurde het Eerst in de Gereformeerde Gemeente, kort daarop gevolgd door de Nederlandse Hervormde Kerk.
Klankmetamorfose voor orgel Gereformeerde Gemeen
In juni 2002 werd aan de Mozartsingel het nieuwe kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente in gebruik genomen. Wét een nieuw en veel groter kerkgebouw, maar géén hiero afgestemde aanpassingen aan het kerkorgel zo werd besloten. Dus werd het bestaande orgel overgeplaatst van de oude naar de nieuwe kerk. Het zou echter nog tot februari 2003 duren voordat deze werkzaamheden werden voltooid en het orgel opgeleverd kon worden. Tot die werkzaamheden behoorden niet allee de overplaatsing, maar ook een algehele herintonatie. Een totaalklus die de Oud-Sahbinger orgelmaker René Nijsse tot een méér dan succesvol eind heeft weten te brengen.
Verleden
In 1966 volt(X)ide de Apeldoomse orgelbouwer Ernst Leeflang een nieuw kerkorgel voor het - inmiddels oude - kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente aan de Geldersedijk. Het werd een instrument met 17 stemmen, verdeeld over hoofdwerk, rugwerk en pedaal en had de volgende dispositie:
Hoofdwerk: Prestant 8', Roerfluit 8'. Octaaf 4', Gedektefluit 4', Octaaf 2', Mixtaur IV-VI, Trompet«';
Rugwerk: Holpijp 8', Prestant 4', Gemshoorn 2', Quint 1 1/3', Scherp ffl-IV, Kromhoorn 8';
Pedaal: Subba.s 16', Prestant 8, Fagot 16, Schataiei4';
Speelhulpen: koppels Hoofdwerk-Rugwerk, Hoofdwerk-Pedaal, Rugwerk-Pedaal, tremulant rugwerk.
In 1986 werd het aantal zitplaatsen in de kerk uitgebreid en wa.s er behoefte ontstaan aan een 'warmere' klank en meer draagkracht van het orgel. Daarom werd toen besloten tot uitbreiding van het instrument, waarvoor opdracht werd verstrekt aan de fa. A. Nijsse & Zn. te Wolphaartsdijk. Die vernieuwde en verving enkele orgelregisters en breidde het instrument uit tot in totaal 25 stemmen.
In de praktijk echter zou bhjken dat de tevredenheid over het orgel niet onverdeeld was. Doordat het orgel onvoldoende werd uitgebreid - vooral voor het pedaal had meer geld uitgetrokken moeten worden - bleef de draagkracht van het instrument te zwak. Het pedaal was in de praktijk nauwelijks 'aanwezig'. Daarnaast werd het hoofdwerk hard en grof geïntoneerd, wellicht mede om het orgel bij een zingende gemeente - ca. 700 kerkgangers - toch verstaanbaar te doen zijn. Alleen het rugwerk had zijn chaiTnes.
Veranderingen op komst
Wetend dat in het nieuwe, duizend zitplaatsen tellende, kerkgebouw de kerkzaal qua inhoud eens zo groot zou worden - van 4 m? per persoon naar 8 m? - én met het gegeven dat in de oude situatie het orgel al op z'n tenen liep, kon worden voorzien dat aanpassing van het instrument iian de nieuwe situatie onvermijdelijk was. Omdat voor de bouw van een geheel nieuw orgel bij voorbaat al geen draagvlak was, heeft een in het leven geroepen orgelcommissie een plan uitgewerkt waarbij tot een nieuw concept werd gekomen, met jgebiuikmaking van bestaand bruikbaar materiaal. Echter, door samenloop van onoordeelkundige inmenging en - naar later ook duideüjk werd - onvoldoende fmancieringsmogelijkheden, bleek uiteindelijk nergens anders ruimte voor te bestaan dan overplaatsmg van het bestaande instrument. Ondanks waarschuwingen van de orgelcommissie dat in dat geval in de nieuwe kerk een zwakke en onsamenhangende gemeentezang zou ontstaan, werd de hoop levendig gehouden dat het sjlemaal wel mee zou vallen; de praktijk moest maar uitwijzen of het orgel 'de loir kon trekken' of niet, zo werd gesteld. En zo werd ook besloten.
Heden
Orgelbouwer René Nijsse, die in de loop van de tussenliggende jaren het bedrijf van zijn vader had overgenomen en sinds 1986 het orgel in de Gereformeerde Gemeente in onderhoud had, kreeg opdracht tot overplaatsing van het instrument en tot herintonatie van het hoofdwerk. Uit hef de tot z'n vak heeft Nijsse echter het gehele orgel geherintoneerd. En gelukkig maar. Want zoals het instrument nii klinkt, kan zéker worden gezegd dat het de stoutste verwachtmgen overtreft, zelfs van de orgelbouwer zelf...
Toegegeven, de akoestische eigenschappen van de nieuwe kerk spelen daar ook een grote rol in. Door middel van materiaalkeuze en hardheid en dikte ervan, werd gestreefd om in de nieuwe kerk tot zo'n dne seconden akoestiek te komen. En daarin is men volledig geslaagd: bij een lege kerkzaal heeft de ruünte zo goed als drie seconden nagalm, met een breed karakter. En dat klmkt namurüjk heel mooi; een niet al te fraai künkend orgel zal hierdoor sowieso beter uit de verf komen. Maar afgezien daarvan heeft Nijsse in Dirksland een spraakmakend staaltje intoneerwerk geleverd.
Klinkend resultaat
Alle hardheid en ^oflieid is uit het orgel weggenomen. Een nulde warme en ontspannen klank waaiert nu de kerkruimte in, met op zowel hoofd- als rugwerk warme, wat wollig klinkende prestanten 8', milde en goed mengende octaven 4' en 2, frisse dartelefluitenop het mgwerk (waarvan het met iedere combinatie is alsof je een nieuwe 'verrassingsdoos' opent, hier en daar doet het zelfs 'oud' aan), op het hoofdwerk een feestelijke pomet en een trompet die met name in de tenor verrassend mooi als uitkomende stem kan worden gebruikt. En waar in de oude situatie het pedaal nauwelijks aanwezig was, staat het nu als een huis, met een Fagot 16" die de allures heeft van een Bazuin 16', terwijl de Subbas 16' - als enige register dat niet werd gehenntoneerd - soms zelfs een beetje te veel van het goede üjkt te hebben. Met ttd van registratiemogelijkheden, zéker ook voor üio's en uitkomende stemmen, is het orgel een lust geworden om naar te luisteren en om te bespelen. Wie de klank van het 'oude' orgel nog in het hoofd heeft, kan zich nauweHjks voorstellen dat het hier om hetzelfde instrument gaat, dit ook vanwege de wijze waarop de registers' onderling harmoniëren en een prachtige samensmelting vormen. Alleen op het rugwerk is het bovenste koor van de Scherp het zwijgen opgelegd, zodat deze thans 2 tot 3 sterk is.
Zonder overdrijven mag dit instrument thans besUst tot de mooist klinkende kerkorgels van het eiland worden gerekend. En Nijsse heeft ermee getoond het intoneervak goed te verstaan. 'Wie beweert nog dat een mengeUng van wijdere en nauwere orgelpijpen (mensuren) niet tot een klinkende eenheid kan leiden? En wie heeft ooit een geherintoneerd neobarok orgel gehoord waarbij als klinkend resultaat niet slechts de scherpe en strakke kantjes zijn weggenomen, maar waarbij werkeüjk een ander orgel geboren Ujkt? Een absolute prestatie voor een orgelbouwer!
Overgebleven problemen
Al blijft er natourhjk altijd wel wat te wensen over. Zo is op het hoofdwerk de Roerfluit 8'^ wel geoptimahseerd, maar met een duideüjk Quintadeenkarakter zal dit nooit een basisfluit worden die je op een kerkorgel wenst. Daarvoor zijn van dit register de pijpen te nauw.
En tot hiertoe gmg het uitsluitend over de klank van het orgel, maar nog niet over de mechamek en het toucher. Want die zijn niet geweldig te noemen. Het orgel speek zwaar, zéker met gekoppelde klavieren - hoofdzakelijk veroorzaakt door de mechaniek van het hoofdweric, die bovendien zo traag is dat na het loslaten van de toetsen deze te traag teragkomen, waardoor je het spelen van triosonates, trillers of andere snelle(re) passages er eigenHjk wel kunt vergeten. En zo nu en dan duiken er ook 'mankementjes' op van mechanische aard. Maar voor dal alles kreeg Nijsse ook geen opdracht om een en ander aan te pakken.
Verder vormt het orgelbalkon een probleem voor de wmdvoorziening van het rugwerk. Het balkon zal uiteraard sterk genoeg berekend zijn om het orgel te kunnen dragen, maar de staalbalkenconstructie is niet stijf genoeg om de trillingen van het balgblad te 'absorberen' . Door deze deiningen wordt het orgelbalkon enigszins in beweging gebracht. En doordat de rugwerkbalg op de vloer van het balkon ligt, worden vervolgens de bewegingen van het orgelbalkon weer opgevangen door het balgblad, waardoor tijdens het spelen al snel een behoorhjke en aanhoudendeflucmatiem de windvoorziening ontstaat, met als gevolg gebibber in de orgeUdank.
Tóch geen trekpaard...
In dit artikel daarom uitsluitend lof over de klank van dit orgel, die zingend, karaktervol en overtuigend is. Tenminste..., alleen in een lége kerkzaal. Dén heeft de Gereformeerde Gemeente er een pracht instrument suian dat het als solo-instrmnent bijzonder goed doet. Als zodanig echter zal het orgel er niet of nauwelijks worden gebruikt.
e In de Gereformeerde Gemeente moet het orgel de gemééntezang begeleiden. En dat gebeurt niet in een lege kerk met een weldadige akoestiek, maar in een kerkzaal met zo'n 700 ä 800 kerkgangers, waaruit de meeste akoestiek verdwenen is - en daarmee ook de geluidsversterkende werking ervan, waardoor in de lege kerk het orgel zo overtuigend overkomt. De milde warme klank, die blijft wel behouden bij een volle kerk, maar een iso-ritmisch zingende gemeente 'dragen'? Dat gaat slecht. In een volle kerkzaal komt de orgelklank te
In een volle kerkzaal komt de orgelklank te diffuus en voor de zingende gemeente niet overtuigend genoeg over om 'zich aan over te geven'. Wat gemeentezang betreft kan dan ook niet anders worden gezegd dan dat deze lui en terughoudend inzet, om vervolgens 'ergens onder de kerkbanken te blijven hangen', zo lijkt het, met name als er bede- en boetepsalmen worden gezongen of psalmen met een meditatief karakter, waarbij op het orgel registraties worden gebruikt die - zoals dat hoort - aansluiten bij de inhoud van te zingen verzen. Echter, met zulke registraties kan in het nieuwe kerkgebouw met goed fatsoen niet worden begeleid; daarvoor is een kerkorgel nodig met wijder gemensureerd pijpwerk, d.w.z. orgelpijpen met een wijdere diameter. Alleen als op het orgel een heel eind nchting 'volle werk' wordt geregistreerd, blijken ook in de gemeente 'de registers open te gaan'. Daarnaast bhjft ook het tempo van de gemeentezang veelal achter ten opzichte van de oude simatie en verschilt het tempo tijdens het zingen zelfs per 'afdehng' in de kerkzaal.
Ook tijdens een 'keunng' door de orgelbouwadviescommissie van de V.O.G.G. werd overduidehjk vastgesteld dat in de nieuwe kerk hpt orgel onvoldoende capaciteit heeft om de gemeentezang werkehjk te kunnen ondersteunen. Zo heeft de praktijk inmssen uitgewezen of het orgel de kar kan trekken of niet... Het hernieuwde kerkorgel is ovengens nooit
Het hernieuwde kerkorgel is ovengens nooit 'officieel' opmeuw in gebruik genomen. Wel zal binnenkort een open middag worden belegd, waarbij organisten/orgelhefhebbers de gelegenheid krijgen om kennis te maken met dit ovengens vertassend fraai klinkende instrument. Orgelbouwer Nijsse zal daarbij ook aanwezig zijn om tekst en uitleg te geven bij de door hem vemchte werkzaamheden.
Dispositie
Sinds de uitbreiding en herintonatie van 1986 luidt de dispositie van het orgel als volgt:
Hoofdwerk: Bourdon 16'(v.a. c°), Prestant 8', Roerfluit 8', Gamba 8' (v .a. c°, groot octaaf transmissie Roerfluit 8'), Vox Celeste 8' (v.a. c"). Octaaf 4', Gedekte fluit 4', Quint 2 2/3', Octaaf 2', Comet V (v.a. c?). Mixtuur rV-"VI, Trompet 8';
Rugwerk: Prestant 8' (v.a. c°, groot octaaf fransmissie Holpijp 8'), Holpijp 8', Octaaf 4', Fluit 4', Nasard 2 2/3', Gemshoorn 2', Terts 1 3/5' (v.a. c"), Scherp II-Dl, Dulciaan 8' (bask/disk);
Pedaal: Subbas 16', ftestant 8' (transmissie Prestant 8' hoofdwerk), Gedekt 8', Fagot 16';
SpeeUiulpen: koppels Hoofdwerk-Rugwerk, Hoofdwerk-Pedaal, Rugwerk-Pedaal, tremulant hoofdwerk, tremulant rugwerk.
Hervormde gemeente geniet weer van haar onvolprezen Künckel-orgel
Verscheidene jaren al werden er voorbesprekingen over gehouden: de restauratie van he orgel in de Nederlandse Hervormde kerk te Dirksland. De technische toestand van het orgel liet vanaf halverwege de jaren '90 steeds meer te wensen over, zodat in 1996 he traject werd ingegaan om tot restauratie te komen. Het betreft een historisch orgel - het oudste kerkorgel op het eiland - dal in dit eveneens ntonumentale kerkgebouw staat, du gaat zo'n klus niet buiten Monumentenzorg om. En vanzelf valt er dan heel wat te bepraten over 'het hoe en wat' van een aanstaande restauratie. Maar: het i's ervan gekomen. Da wil zeggen: geen algehele maar een deelrestauratie, onder advies van organist Aart Bergwerff idtgevoerd door Flentrop orgelbouw te Zaandmn. Met name de windvoorziening en waar nodig ~ het pijpwerk werden hersteld en als bekroning op de werkzaamheden werd ook intonatie van het gehele orgel op orde gebracht. Tijdens een speciale dienst werd he instrument vorige week vrijdagavond opnieuw in gebruik genomen. De plaatselijke hervormde predikant ds. G. van Meijeren leidde de bijeenkomst, de eigen organisten Krijn Kieviet en Anton Weenink bespeelden het orgel en directeur C. van Oostenbrugge van Flentrop orgelbouw schetste wat achtergronden van het orgel en de zojuist (^geronde restauratie.
Duistere spiegel
"Rond de geschiedems van het orgel in de Nederlandse Hervormde kerk te Dirksland kijken we eigenlijk in een duistere spiegel", zei orgelbouwdirecteur de heer Van Oostenbrugge vorige week vrijdagavond. Daarmee is zoveel gezegd als dat over de ontstaansgeschiedenis van het instmment eigenlijk mets bekend is, al schrijft men de bouw ervan wel toe aan de Vlaamse orgelmaker Jan van Belle. Zéker is echter dat de orgelkas veel ouder is dan het binnenwerk van het instrument: de kas dateert reeds uit 1680, terwijl het hmdige binnenwerk pas in 1811 werd gebouwd. In ieder geval hebben de kerkmeesters van Dirksland op' 16 december 1803 besloten om ter ondersteuning van het zingen tijdens de kerkdiensten een orgel aan te schaffen. Wat dat betreft kan dus worden gesteld dat vanaf dit jaartal de Dirkslandse periode van de geschiedenis van het orgel begint.
Moeizame weg
Daaraan vooraf moet echter een Vlaamse periode zijn gegaan. Een periode waarin door de Franse overheersing in Frans-Vlaanderen veel kloosters en kerken werden gesloten en de inventaris ervan vericocht, zodat daar ook t s t nogal eens een orgel vrijkwam. Op die manier is de Brusselse orgelbouwer J. Smets - die voor Dirksland bemiddelde in de aanschaf van een gebruikt kerkorgel - aan een orgel voor deze gemeente gekomen. Het is dus zeer waarschijnlijk dat het voor Dirksland bestemde instrument indertijd gebouwd werd voor een kerk of klooster in Frans-Vlaanderen en dat het nog een halve eeuw de Rooms-katho- Beke mis heeft versierd. Dirksland kocht het orgel voor 1275 gulden, en voor nóg eens 500 gulden zou Smets er de nodige (herstelwerkzaamheden aan verrichten en het orgel in Dirksland opbouwen.
Maar een voorspoedige weg tot wederopbouw in het Dirkslandse kerkgebouw heeft het orgel niet gehad. Het nakomen van de overeengekomen verplichtingen bleek namelijk met Smets' sterkste kant; ook zou duideüjk worden dat zijn vakmanschap niet geweldig was (als handelaar scheen hij het beter te doen...) En: nog vóórdat Smets het orgel kon voltooien, overleed hij (1804). Daarna werkten enkele andere orgelbouwers aan het instrument, onder andere G.P. Welters uit Geertruidenberg, maar slechts moeizaam bleek men tot voltooiing te kunnen komen. Dat was pas in 1808. De kwaüteit van het geleverde werk bleek echter van dien aard dat twee organisten uit Rotterdam, de heren J. Robbers en J. Tours, het moesten aflceuren. Toen werd de Rotterdamse orgelbouwer Jan Pieter Künckel ingeschakeld. Hij bekeek het orgel en stelde voor om in de bestaande kassen een geheel nieuw orgel te bouwen. Daar kreeg hij inderdaad opdracht voor, tegen een overeengekomen bedrag van 3200 gulden. Maar succesvol zou ook dit werk niet worden, want ook het nieuwe orgel werd afgekeurd. Het was uitemdeUjk de Utrechtse orgelmaker Abraham Meere die het msürument op 13 mei 1811 voltooide, al draagt het onmiskenbaar het stempel van Kimckel. De dispositie luidde toen:
Hoofdwerk: Bourdon 16", Prestant 8', Roerfluyt 8', Quintadena 8', Octaaf 4', SaUcionaal 4', Quintprestant 3', Comet VI (disc.), Sexquialter II, Mixtuur Ill-V (basc/disc), "Trompet 8' (basc/disc);
Rugwerk: Holpijp 8', Flute Traverse 8' (disc), Prestant 4', Fluit 4', Quintfluyt 3', Octaaf 2', Nachthoom 2", Carriljon UI (disc), Dulciaan 8' (basc/disc); Pedaal: aangehangen:
Pedaal: aangehangen:
Speelhulpen: koppels Hoofdwerk/Rugwerk, Hoofdwerk/Pedaal, tremulant rugwerk, afsluiting hoofdwerk, afsluiting ragwerk, calcantenbel.
Ovengens verkocht Künckel het oorspronke- Ujke binnenwerk - uit Mechelen dus - op 19 januan 1808 aan de Gereformeerde kerk te Alphen aan den Rijn. Ook däär leverde het orgel regelmatig problemen op, totdat het in 1916 door brand roemloos ten onder ging.
Sprookjesachtig
Het snij- en beeldhouwwerk is bijzonder fraai en gedeeltelijk nog origineel, zoals de slingers op de stijlen en de cherabijnen in de wangstokken. Pas m 1805 zijn de twee enorme engelenbeelden bovenop het orgel geplaatst - gemaakt van iepenhout dat geschonken werd door één van de Dirkslandse kerkmeesters, een zekere Groenendijk. Boven de engelenbeelden - ook wel 'faroen' genoemd - staat als bekroning het 'alziend oog', symboliserend de alwetendheid van God. Ook werd in die tijd besloten om op het rugwerk aan weerszijden een vaas te plaatsen en m het midden twee spelende engeltjes, terwijl de hoofdwerkkas van zware loonlijsten werd voorzien. De Rotterdamse beeldhouwer J.C. Schoenmakers verdiende met het vervaardigen van al dit sierwerk 30 staivers per dag. Het verschaft tot op de dag van vandaag het in Oudhollands meekrap geschilderde en rijkelijk van bladgoud voorziene orgelfront een sprookjesachtige schoonheid.
Eerdere restauraties
In de jaren daarna hebben verschUlende orgelmakers werkzaamheden aan het orgel uitgevoerd. Belangnjke wijzigingen werden in 1902 en 1921 aangebracht door resp. de orgelbouwers Maarschalkerweerd en De Koff. Uiteindelijk bleken in de jaren zestig nog slechts 11 van de 20 ongmele orgelnsgisters te zijn overgebleven. Tijdens de kerkrestauratie van 1966- 1970 werd het orgel verplaatst van de scheidingswand tussen koor en schip naar de westmuur, tegen de toren aan. Tevens heeft J. de Koff uit Utrecht het orgel toen grondig gerestaureerd en teruggebracht naar de situatie van 1808; alleen verving hij op het hoofdwerk de Salicionaal 4' door een Octaaf 2'. Nadien is de dispositie niet meer gewijzigd. Ook de originele trapinstaUatie om het orgel van wind te voorzien, is nog aanwezig. (Jverigens werd deze restauratie - wegens bedrijfsbeëindiging van De Koff- voltooid door Flentrop orgelbouw.
Deelrestauratie 2003
"Hoewel de restauratie van 1969 zeer integer werd uitgevoerd, lagen de kennis en orgelbouwkundige inzichten in die tijd nog niet op het huidige mveau", zo legde vrijdagavond de heer Van Oostenbragge uit. "De fouten die toen nog werden gemaakt, hebben we met de zojuist afgesloten restauratie hersteld en rechtgezet. De klank was 'vrij ver weg', maar staat nu weer in de buurt van wat het in 1811 moet zijn "geweest."
Daartoe is de wmdvoorziening - een orgel is immers een blaasinstrument - geheel hersteld. Niet alleen door lekkages te repareren, maar ook door de afdichtingen in de sleeplades duurzamer en minder gevoelig voor verwarming te maken én door de winddruk te verlagen van 90(!) naar 78 millimeter waterkolom. In totaal heeft het orgel 4 blaasbalgen.
En wat het pijpwerk betreft: alle orgelpijpen zijn schoongemaakt en ontdaan van ruim dertig jaar stof, sommige houten pijpen die gescheurd waren, zijn opnieuw gelijmd en waar nodig werden metalen pijpen (een legering van lood en tin) vervangen door zo goed mogelijk gereconstrueerde exemplaren, met als uiteindelijk doel een optimale onderlinge klankversmelting. Ook zijn de twee tongwerken flink aangepakt: de koppen zijn vernieuwd, de schalbekers verlengd en van de Dulciaan 8" zijn de tongen deels verdikt. En verder is de Sexquialter van het hoofdwerk - die tot de zojuist voltooide restauratie alleen in de discant sprak - doorlopend gemaakt, dus klinkt die nu niet alleen m de bovenste helft van het klavier, maar ook in de onderste helft. Als heelfraaiklinkende orgelregisters mogen verder de 'vernieuwde' Dulciaan 8', de Fluit Traver 8' (disk.) en Carillon III van het rugwerk wel worden genoemd, en de Quintadeen 8' van het hoofdwerL
Op sommige punten werd ook de speelmechaniek van het instrument onderhanden genomen, waardoor de speelaard van het orgel enigszins verbeterd is. Overigens üet de heer Van Oostenbrugge weten via Monumentenzorg nog een voorstel te willen doen tot aanvullende verbetenngen van de speelmechaniek van het hoofdwerk, zodat tijdens het orgelspelen minder rammelgeluiden te horen zullen zijn dan thans (nog steeds) het geval is.
Goede wijn...
Over de klank van het Künckel-orgel hoeft eigenlijk niet zo heel veel gezegd te worden, daar het gedurende zo'n dertig jaar zichzelf al bewezen én naam gemaakt heeft. Zowel in de eigen kerkelijke gemeente als in de zeer brede knng van orgelüethebbers op het eiland - en ook daarbuiten - staat het instrument bekend om zijn fraaie klank, waaraan de akoestiek in het kerkgebouw zeker ook een bijdrage levert. En aaii die orgelklank zelf is tijdens de laatste restauratie feiteüjk niets veranderd; zoals vermeld, IS de intonatie alleen geoptimaliseerd maar niet veranderd, zoals in de Gereformeerde Gemeente.
Wel is door de aangebrachte verbeteringen in de windvoorziening en door het schoonmaken, repareren en reconstrueren van het pijpwerk de klank niet alleen stabieler en evenwichtiger geworden, maar ook steviger en briljanter; het orgel lijkt meer pit te hebben gelaegen en jubelt m zijn volle werk. En dat zal het tijdens het begeleiden van de gemeentezang goed kunnen gebmiken, daar het instmment géén pedaalwerk heeft.
Voor een gemeentezangorgel echter vormt een volwaardig zelfstandig pedaal juist de basis van de draagkracht; zonder dät is zo'n orgel eigenlijk niet af. Alle mogelijke redeneringen over authenticiteit en originaUteit ten spijt - wat feitelijk slechts theoretische benaderingen zijn - het ontbreken van een zelfstandig pedaal blijft voor dit Dirkslandse orgel een gemis en leidt zelfs tot beperkingen in de registratiemogeüjkheden. Zeker, zo'n 'vervolwaardiging' van het orgel vereist ook de nodige financiën, maar wie weet, misschien kao daar ooit nog eens potje voor worden gevormd...
Dispositie
De huidige dispositie van het orgel luidt:
Hoofdwerk: Bourdon 16', Prestant 8',Roerfluit 8', Quintadeen 8', Octaaf 4', CJuint 3', Octaaf 2', Cornet VI (disc), Sexquialter II, Mixtuur ID-V (basc/disc). Trompet 8' (basc/disc);
Rugwerk: Holpijp 8', Fluit Traver 8' (disc), Prestant 4', Fluit 4', Quintfluit 3', Octaaf 2', Nachthoom 2', Carillon lil (disc), Dulciaan 8' (basc/disc);
Pedaal: aangehangen;
Speelhulpen: koppels Hoofdwerk/Rugwerk, Hoofdwerk/Pedaal, tremulant rugwerk, afsluiting hoofdwerk, afsluitmg rugwerk, calcantenbel.
Vroege neobarok of late klassieker?
Uit het oeuvre van Künckel zijn slechts drie kerkorgels overgebleven. Daarom vertegenwoordigt het orgel in de Nederlandse Hervormde kerk te Dirkslandse niet alleen in muzikale zin, maar ook m historische opzicht een bijzondere waarde.
Wie overigens denkt dat in historische orgels als vanzelf ook orgelpijpen staan met wijde(re) mensuren (vooreen stevigere, vollere en bredere klank), heeft het mis. Want m zijn oorspronkeüjke toestand - in Mechelen - zal het huidige Dirkslandse orgel bedoeld zijn geweest voor orgelspel tijdens de Rooms-katholieke mis, en dat vereiste met zulke brede orgelklanken (en orgelpijpen) als de gemeentezang in de protestantse erediensten. Dus bevatte het oude orgel eng gemensureerd pijpwerk, hetgeen medebepalend was voor de inhoud van de orgelkas. Dientengevolge was ook Künckel niet m staat om hierin een wijd gemensureerd orgel op te bouwen. Aldus treffen we m de Hervormde kerk van Diricsland een histonsch orgel aan, echter met pijpwerk qua mensurering mogeüjk grenst aan neobarokke maatvoeringen. En ook dät valt in de klank te beluisteren. Want hoewel die onmiskenbaar fraai te noemen is, blijft de orgelklank ook ietwat dun, spits en strak, en kan in de klank zelfs een zekere mate van gespannenheid worden ervaren. Frappant is het dan ook om te beluisteren hoe
Frappant is het dan ook om te beluisteren hoe in de naburige kerk van de Gereformeerde Gemeente de klank van een écht neobarokorgel breder, nulder en beslist ontspannen te noemen is, meer 19e-eeuws. Niet dat hiermee een waarde oordeel over beide orgels wordt uitgesproken, want voor het begeleiden van de samenzang 'doet' het Künckel-orgel het veel beter. En bovendien: nog steeds kunnen appels niet met peren worden vergeleken. Feit is echter wel dat Du-ksland thans twee bijzonder fraaie kerkorgels heeft. nk. ,,^
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 2003
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 oktober 2003
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's