Gereformeerd bekeken
Emotionele redevoeringen, bewogen pleidooien, tenslotte de eindstemming: de Hervormde Synode besloot op 12 december jl. tot fusie met 51 stemmen voor en 24 stemmen tegen. De secretaris-generaal dr. B. Plaisier toonde zich blij met de nipte meerderheid die nodig was - dat was tweederde van de stemmen. Met de stemming kwam een einde aan een proces dat de lengte van Israëls woestijnreis overschreed. Meer dan veertig jaar vergde het slepend proces dat menigeen sloopte en slapeloze nachten kostte. Nu is de grote en grootste zorg de nasleep, want de vereniging van kerken is een feit, maar de eenheid geenszins. Het besluit heeft zeker niet overal de eenheid bevorderd. Aan de gereformeerde geschiedenis van de Vaderlandse Kerk kwam een einde. Of toch niet? Ds. J.H. Schrijver stelde dat de Hervormde Kerk wel juridisch meegaat, maar niet confessioneel. Ik veronderstel dat de fusie juridisch nog wel een staartje zal krijgen, want de confessie heeft grondrechten en zeggingskracht. Alléén de gereformeerde belijdenisgeschriften, aan de leidende hand van de Heilige Schrift, hebben heel de levensgeschiedenis van de Hervormde Kerk ‘meegelopen’. Tot op de laatste dag, tot aan het besluit de Vaderlandse Kerk op te geven voor een nieuwe gefuseerde kerk. Voor het behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk gaan hier en daar nog stemmen op. We onderzoeken de omgang met de gereformeerde belijdenisgeschriften door degenen voor wie de aanduiding ‘gereformeerd’ een erenaam was en is.
Gaan gereformeerden samen?
Bij de kerkfusie is een vraag te stellen: zijn het wel gereformeerden die zich herenigen? Deze vraag heeft verklaring nodig.
Voor het proces staat het jaar 1961 als beginjaar geboekt. Achttien dominees waren het hartelijk eens dat het gescheiden optrekken van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland een ontoelaatbaar feit was. Samengaan werd het motto, onder verwijzing naar Pinksteren waarop de Heere ook de eenheid schiep. De verdeeldheid was in strijd met het verlangen van de Heere Jezus ‘dat zij allen één zijn.’ Het gebed van de Heere moest gestalte krijgen. Daaraan wilden de negen hervormde en de negen gereformeerde predikanten hun bijdrage leveren.
Het streven van de achttien is opmerkelijk, des te opvallender wanneer we bedenken dat bij het aanvaarden van de Hervormde Kerkorde in 1951 van de kant van de Gereformeerde Kerken (nog) werd gezegd dat een samengaan met de Hervormde Kerk onmogelijk was omdat uit haar Kerkorde bleek dat het een principeloze kerk was. De boodschap was duidelijk: de Nederlandse Hervormde Kerk kon met deze kerkorde samengaan met de Gereformeerde Kerken in Nederland wel vergeten. Terwijl juist gereformeerden in de Hervormde Kerk blij waren met de nieuwe stap in de goede richting: men was van het juk van de overheid verlost, de Kerk werd eindelijk tóch weer een belijdende Kerk, de Kerk kon en ging weer ambtelijk spreken. Tegelijk was er gaandeweg de gesprekken over de kerkorde 1951 ook onrust en angst gerezen, want men was bang dat de formulering ‘in gemeenschap met de belijdenis der vaderen’ misbruikt zou worden en een loslaten van de belijdenis ten gevolge zou hebben. De toenemende vrees bleek later niet ongegrond te zijn. Maar niettemin werd de Kerkorde van 1951 als een hele vooruitgang beschouwd. In 1983 schreef Ir. J. van der Graaf daarover in Theologia Reformata, het zijn lovende woorden: ‘De vraag is of de Hervormde Kerk na zoveel jaren malaise, onvermogen tot kerkelijk handelen en spreken, na zoveel jaren tuchteloosheid en belijdenisontrouw, verder had kunnen komen. Ik meen van niet. Ik meen ook dat de hoogte, die hier werd bereikt in het kerkelijk gesprek, sindsdien niet meer zo is gehaald. ’ Dat zijn woorden van een ‘insider’ van de Hervormde Kerk, die met liefde voor de gereformeerde belijdenis en haar religie, de Hervormde Kerk geleidelijk uit haar verval zag oprijzen. Ging de Hervormde Kerkorde 1951 de Gereformeerde Kerken in Nederland niet ver genoeg, de gereformeerden in de Hervormde Kerk zelf waren dus wel blij met deze stap, zij het dat zij nog genoeg vragen overhielden en ook met angst en beven naar de toekomst keken.
De klemmende vraag is of er de dingen in 1961 anders waren geworden. Was er in de tien jaren die verstreken een positieve ontwikkeling in de Hervormde Kerk waar te nemen als het gaat om toenemend gezag van de gereformeerde belijdenisgeschriften? Was de Hervormde Kerk opgeschoven in de richting van het principe dat de Gereformeerde Kerken voor ogen stond en wilden? Was de Hervormde Kerk principiëler geworden? Het is onmogelijk dat te bevestigen. Het eerlijk antwoord is: neen. En dus lag een toenadering tussen de twee kerken op grond van gedane uitspraken veeleer verder weg dan voor de hand. En toch... zochten deze twee kerken hereniging.
Op gereformeerde basis?
Een hereniging op gereformeerde basis? Dat kan dus onmogelijk worden beweerd. Zien we de feiten onder ogen en rekenen we de gehele periode 1961-2003 mee - de termijn van het SoW-proces dus - dan moeten we vaststellen dat twee gereformeerde kerken die verenigden en met de Evangelisch Lutherse Kerk samengingen om gedrieën de nieuwe kerk, de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) te vormen, van hun geloof zijn afgestapt. Het is publiek dat de positie van de gereformeerde belijdenisgeschriften er niet beter op geworden is. Met de oude traditie is gebroken: Voor de nieuwe kerk is de gereformeerde waarheid als exclusieve reisgids bij de onuitputtelijke Bron van Heilige Schrift achterhaald. Men houdt er vréémde principes op na. Het leidt maar tot één conclusie: gereformeerden van de Gereformeerde Kerken in Nederland zijn anders over de Kerk gaan denken en hebben een andere visie op de Kerk dan hun voormannen en collegae uit 1951. Zij kennen aan de gereformeerde belijdenisgeschriften een andere plaats toe dan anderen vroeger deden. Hetzelfde lijkt gezegd te moeten worden van de gereformeerden in de PKN die ook Lutherse belijdenisgeschriften een plaats in de PKN gunnen, waar de gereformeerden uit de begindagen van de Hervormde Kerk op dat punt onvermurwbaar waren. De Vaderlandse Kerk heeft een belijdenis waarvoor de oudste gereformeerde vaderen, de mannen van het eerste uur, met inzet van hun leven gestreden hebben! Zij stonden op een exclusief gereformeerd standpunt en hielden voet bij stuk. In de PKN blijken nazaten, die de Hervormde Kerk daarin menen voort te zetten, er anders over te denken. Zij zeggen zich gebonden te weten aan de gereformeerde belijdenisgeschriften; maar het is een andere binding, want zij staan tegenover de Lutherse erfenis milder en gematigder.
Mij dunkt, gelet op deze feiten is de totaal nieuwe situatie en een geheel nieuwe kerk treffend in de naam weergegeven. Geen verdediging van en opkomen voor de gereformeerde belijdenisgeschriften, maar het protestantse collectief: Verzet
Verzet
Uit het vorenstaande is af te leiden dat gereformeerden sterk aan de gereformeerde belijdenisgeschriften gehecht waren. We mogen gerust zeggen dat het een gereformeerde kenmerkt. De geschiedenis bewijst dat. In de Hervormde Kerk zijn gereformeerden voortdurend voor de binding aan de gereformeerde belijdenis van de gehele kerk opgekomen. Het is de rechterflank, oftewel de gereformeerde vleugel, in de Hervormde Kerk geweest die heftig verzet heeft geboden bij de totstandkoming van de nieuwe gefuseerde kerk. Hervormd gereformeerden hebben zich over de nieuwe kerk vaak ongunstig uitgelaten en hun woorden waren soms zeer fel. Een duidelijk normatieve plaats van de klassieke belijdenis der Reformatie werd nagestreefd. De jaren door was er tijdens het hele proces op het grondvlak, in de gemeenten dus, vanwege die plaats van de gereformeerde belijdenis veel onrust en onvrede. In alle drie de kerken rommelde het, maar in de Hervormde Kerk rommelde het eigenlijk altijd.
Om over dat verzet maar eens wat aan te halen uit de kerkelijke pers, met name het contactorgaan van de Gereformeerde Bond ‘De Waarheidsvriend’: ‘wanneer door Samen op Weg de Nederlandse Hervormde Kerk als vaderlandse kerk zou moeten worden opgeheven, betekent deze hereniging een breuk met de geschiedenis van de Reformatie in ons land’ (brief kerkenraad B.W. Krimpen a/d IJssel, 1984); ‘in het loslaten van de belijdenis is er sprake van een verloochening van de leiding van de Heilige Geest in de geschiedenis van de kerk, waarin ook het ontstaan van de belijdenisgeschriften een plaats heeft gehad’; ‘onze kracht ligt niet allereerst in het “neen” tegenover Samen op Weg, maar in het “ja” tegenover de confessie’ ; ‘we spreken onze kerk aan op haar belijdenis en haar geschiedenis’; ‘geen per definitie gelegitimeerde plurale kerk maar een kerk waarin de Schrift norma normans en de belijdenis norma normata is. En hoezeer we ook zelf als hervormd gereformeerden een stukje zijn van die plurale kerk in haar praktische gestalte, we zullen nimmer vrede hebben bij een ecclesiologische consensus op pluraliteit gebaseerd. Dan hebben we de Reformatie prijsgegeven’; ‘als de kerk niet meer de kerk van het Woord is, dient ze andere góden dan de levende God’; ‘wanneer de kerk ... een nieuwe identiteit aanneemt dan is de situatie fundamenteel en principieel gewijzigd. De gewetensvraag is dan immers: ga ik mee met deze nieuwe kerkformatie, of blijf ik achter in het grotendeels ontvolkte huis van de oude Nederlandse Hervormde Kerk’?; ‘In de classis Brielle leven grote bezwaren. Tal van gemeenten willen en zullen niet meegaan’; ‘u als synode geeft er blijk van wél weg te kunnen en ook metterdaad weg te gaan van de historische belijdende wortels van onze kerk’; en tenslotte een laatste citaat hiervan: ‘wij spreken hier in vervolg op “Putten” nog eens uit, dat wij op de weg naar een Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, zoals wordt beoogd, niet mee kunnen gaan. Wij kunnen en willen niet mede verantwoordelijk zijn voor het prijsgeven van de historische Hervormde Kerk aan een kerk, die niet meer geworteld is in de traditie van de Reformatie’.
Het zijn stuk voor stuk bewogen woorden, het zijn hartenkreten die illustreren hoe hartelijk de verbondenheid van hervormden met de gereformeerde belijdenis in de grondslag van de Hervormde kerk is. De grondslag die de reden is dat men in die kerk is! Aan die grondslag wenst men dan ook de gehele kerk te houden. Ieder is daaraan gebonden. Hervormd gereformeerden blijken vuurbang te zijn voor een grote afscheiding van de oude Hervormde Kerk. Een gefuseerde kerk, een nieuwe kerk, vandaag de dag PKN geheten, benoemde men met de grootste Afscheiding uit de Vaderlandse Kerkgeschiedenis. In een uitgebreide verantwoording op de Hervormde Synode luchtte er blijkbaar eentje zijn hart en zei bevreesd te zijn voor een leegloop van de Hervormde Kerk en met weinigen achter te blijven.
Liefde tot en zorg over de lgereformeerde belijdenis
De liefde tot de gereformeerde belijdenisgeschriften en de zorg over de handhaving van die geschriften blijkt met de geschiedenis en het bestaan van deze kerk verbonden te zijn. Nadat in 1816 de Reglementenbundel ingevoerd werd en Koning Willem I het bestuur van de kerk aan zich trok, ontstonden er meer en meer problemen. De problemen rezen juist op het punt van de leer. De leer van de kerk lag en ligt eigenlijk altijd onder vuur. Wie de Bijbel leest, hoeft niet lang te zoeken naar gedeelten die dwalingen tot inhoud hebben. In het Oude Testament waren er de valse profeten die met het Woord van God de hand Echtten. In het Nieuwe Testament kunnen we lezen hoe de apostel Paulus de gemeenten waarschuwde voor dwalingen van dwaalleraren en duivelse aanvallen op de leer van de apostelen. De Kerk van vandaag bezit in de boodschap van de Heere Jezus en de apostelen de waarschuwingsvlag: wolven zullen de schapen proberen te grijpen. De geschiedenis van de Vaderlandse Kerk staat in de lijn van de apostolische woorden. Wie de goede belijdenis houdt, komt onder vuur te liggen. De Vaderlandse Kerk noteert 1618-1619: de Dordtse Synode. Uitwijzingen hebben plaatsgevonden. De leer van Gods soevereiniteit, Zijn verkiezing tot zaligheid en de volharding van de heiligen zijn als vast en zeker in God beleden. (Gelukkig werd in de Grote Kerk te Dordrecht, waar in 1619 na de Synodevergadering de Koning der Kerk aangeroepen werd, de dankdienst voor de totstandkoming van de PKN niet gehouden, daarvoor was een meer oecumenische plaats gekozen.)
Welnu, de invoering van de Reglementenbundel zorgde voor specifieke leeiproble- men. De leertucht werkte niet. Ieder veroorloofde zich te zeggen wat hij dacht. Ongestraft werden dingen verkondigd en werden leringen gedaan die in strijd waren met de gereformeerde belijdenisgeschriften. Naar de letter der kerkelijke wet mocht dit wel niet, maar het gebeurde wel. We kennen de pijn die gereformeerden gingen voelen en de nood waarin zij geraakten. 1834 is een markant jaartal in deze kwestie. Een jaar dat verbonden is met de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Hendrik de Cock, hervormd predikant te Ulrum in Groningen, scheidde zich af. Hij had het niet gezocht. Tot het einde toe ging hij de kerkelijke weg. Hij was innerlijk gebroken toen collega Scholte voor zijn prediking in Hervormd Ulrum de kerk ontzegd werd, waardoor hij veroordeeld was voor zijn prediking een boerenwagen als preekstoel te gebruiken. Op 14 oktober 1834 werd de ‘Acte van Afscheiding of Wederkering’ getekend. Een deel daarvan luidt: ‘Wij ondergetekenden Opzienderen en litmaten der Gereformeerde Gemeente van Jezus Christus te Ulrum; sedert geruimen tijd opgemerkt hebben, het bederf in de Nederlandsche Hervormde Kerk, zoo wel in de verminking of verloche- ning van de leer onzer vaderen gegrond op Gods woord, als in de verbastering van de bediening der Heilige Sacramenten naar de verordineering van Christus in zijn woord; en in bijna volstrekte verzuim der kerkelijke tucht; welke stukken allen naar onze Gereformeerde belijdenis Art: 29 kenmerken zijn der ware kerk (...) weshalven de ondergetekenden met dezen verklaren dat zij overeenkomstig het ampt aller gelovigen Art 28 zich afscheiden van degene die niet van de kerk zijn, en dus geen gemeenschap meer te willen hebben, met de Nederlandsche Hervormde Kerk, tot dat deze terug keert tot de waarachtige dienst des Heeren en verklaren tevens gemeenschap te willen uitoefenen met ale ware Gereformeerde ledematen, en zich te willen vereenigen met elke op Gods Woord gegronde vergadering, aan welke plaatze God dezelve ook vereenigd heeft ...’ Gereformeerden gingen heen, anderen bleven omdat, zo zeiden zij, de gereformeerde belijdenisgeschriften wettig nog altijd de grondslag van de kerk waren. De geschiedenis herhaalde zich: 1886 dr. A. Kuyper en de Doleantie. De twee afscheidsbewegingen verenigden zich in 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Een deel van 1834 wilde zich niet verenigen maar bleef op zichzelf: Christelijk Gereformeerde Kerk.
Alle kerkelijke feiten hoeven niet gememoreerd te worden, het is wel duidelijk dat de Hervormde Kerk een geschiedenis kent waarin gereformeerden onvermoeibaar hebben opgeroepen tot en zijn opgekomen voor het alleenrecht van de gereformeerde belijdenisgeschriften. Zowel uit het boek ‘Zij die bleven’ van drs. K. Exalto, ds. W. van Gorsel, e.a., als uit het boekje Belijdenis en Verbond dat onder verantwoordelijkheid van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond is uitgegeven blijkt hoe gereformeerden toch altijd bleven vanwege de gereformeerde belijdenis die het alleenrecht op de Hervormde Kerk heeft. Daarover kan geen discussie zijn. Ook in de laatste decennia hebben zij, de gereformeerden in de Hervormde Kerk, het SoW-proces aanhoudend bekritiseerd, zoals uit citaten al is gebleken.
Voluit gereformeerd en exclusief gereformeerd
We constateerden een enorm en breed verzet van hervormd gereformeerden tegen het samengaan van drie kerken. En als de PKN een feit wordt? Dan is de eenheid van hervormd gereformeerden gebroken. Als ik het goed zie, is hier het spreken van ‘voluit gereformeerd’ en ‘exclusief gereformeerd’ kenmerkend. De bezwaarde die toch meegaat in de PKN hanteert de terminologie ‘voluit gereformeerd' en de bezwaarde die niet kan meegaan naar de PKN gebruikt de woorden ‘exclusief gereformeerd'.
Toen na de stemming op 12 december aan twee hervormd gereformeerde predikanten de vraag werd gesteld waarom zij aan de totstandkoming van de PKN hadden meegewerkt door voor de vereniging te stemmen, luidde het antwoord: ‘We kunnen in de PKN voluit gereformeerd zijn en blijven.' Anders is het geluid van een andere hervormd gereformeerde dominee die erop aandrong tegen het fusiebesluit te stemmen: ‘Een uitermate droevig besluit. Allereerst omdat met dit fusiebesluit de kerk waaraan ik me verbonden weet en die ik belijd als een planting van God, besloten heeft om zichzelf op te heffen. Ze heeft haar bijbels-gereformeerd karakter definitief afgelegd en ingewisseld voor een modem-plurale identiteit, waarbij eenieder zijn eigen waarheid mag hebben.’ Hier is een verschil, hier ontstaat een breuk, hier begint het te scheuren: de ene hervormd gereformeerde gaat mee omdat hij op zijn post of plaats in de PKN nog voluit gereformeerd kan zijn, de andere hervormd gereformeerde kan niet mee omdat hij naar eer en geweten het alleenrecht van de gereformeerde belijdenisgeschriften op de héle kerk moet eisen. Waarom kan een gereformeerde gewetensbezwaarde niet mee de PKN in? Heel raak en kemachtig is naar mijn overtuiging het probleem door ds. L.J. Geluk geanalyseerd en heeft hij het antwoord op die vraag gegeven. Hij is van mening dat de Synode richting de gewetensbezwaarde niets heeft opgelost in zijn wezenlijke en principiële bezwaren. Misschien zijn de leidinggevenden daarvoor ook te ver van de religie van de belijdenis vervreemd, zo vraagt hij het zich af. Ds. Geluk schreef: ‘Het is een religieuze bron die het protest tegen het verdwijnen van de Hervormde Kerk en tegen de PKN voedt ... De bezwaarden houden vast aan hun kerk omdat deze niet is ontstaan uit enige menselijke actie, maar geboren uit het Evangelie, dat hier voor het eerst in de 7e eeuw door Angelsaksische monniken werd verkondigd. Een kerk die in een weg van diep lijden en ten koste van het leven van vele martelaars in de 16e eeuw is gezuiverd, her-vormd, ge-refor- meerd. Zij hebben haar steeds weer herinnerd aan haar afkomst, aan haar plaats in de Nederlandse staat en samenleving, aan haar met bloed bezegelde belijdenis, aan de onwankelbare waarheid van het Evangelie, aan de vastheid van Gods wet. Haar zijn zij trouw gebleven ondanks haar gebreken, haar verdeeldheid, de vele onbijbelse leringen die straffeloos hun weg mochten gaan ... Deze kerk hebben zij lief, ondanks haar verval en de onvriendelijke woorden die hun soms zijn toegevoegd. Zij is het voorwerp van hun gebed: dat God in Zijn genade haar herstelt, zodat zij weer licht uitstraalt in onze verloederde samenleving, dat alle gemeenten een plaats zullen zijn waar de drie-enige God wordt aanbeden, waar geen water bij de wijn van het Evangelie wordt gemengd, waar de heilige sacramenten naar Christus’ bedoeling worden bediend, waar de enige troost in leven en sterven wordt gepredikt. Hun kerk gaat weg. Er komt een nieuwe, een andere kerk. Het gaat hen niet om een plekje daarin, waar zij enigszins zichzelf kunnen zijn, waar zij meer of minder royaal worden geduld. Het gaat hen niet om een aantal gemeenten waar de gereformeerde belijdenis in ere mag zijn. Het gaat hen om het geheel van de kerk. Alleen een kerk die trouw is aan het Goddelijk Woord kan tot zegen zijn voor het volk. De eerstverantwoordelijken voor het SoW- proces hadden moeten herkennen dat hier de bron van het verzet der bezwaarden ligt, dat daarom het hele verschijnsel van de beoogde PKN voor hen onaanvaardbaar is en dat zij zich daarom niet met een troostprijs laten afschepen. Triest dat aan de ideologische, zelotische ijveraars voor SoW hiervoor de antenne ontbreekt. Hier botsen godsdienstige ideologie en religieus gemoed op elkaar. En die zijn niet met elkaar te verzoenen.’
Aan de hand van de woorden van ds. Geluk lijkt het verschil tussen bezwaarden die wel meegaan in de PKN en bezwaarden die de PKN niet in kunnen gaan met twee zinnen weergegeven te kunnen worden. De eersten zijn dankbaar voor en blij met de ruimte die de nieuwe kerkorde biedt, zij kunnen plaatselijk voluit gereformeerd zijn. De laatsten, de gewetensbezwaarden genoemd, kunnen niet mee omdat zij overtuigd zijn dat de gereformeerde belijdenis het alleenrecht op de héle kerk heeft, hetgeen door de nieuwe kerkorde ongedaan wordt gemaakt. In haar grondslag was de Vaderlandse Kerk altijd exclusief gereformeerd. Professor Graafland erkende dat daarom ook het Comité tot Behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk met het pleidooi voor de belijdenis historisch gezien gelijk heeft, maar aan de gevolgen wilde hij liever niet denken. Het kan nauwelijks kemachtiger gezegd worden: gewetensbezwaarden gaat het om de aanspraak van de gereformeerde belijdenis op het gehéél van de kerk! Juist dat lijkt hen te vervullen als zij spreken over het behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk. De PKN is een geheel nieuwe kerk die een nieuwe geschiedenis schrijft waarin uit hoofde van de pluraliteit de gereformeerde voluit gereformeerd en de lutherse voluit luthers kan zijn.
Woorden uit afgescheiden kerken
Met de vorming van een nieuwe kerk wordt de brug opgehaald voor afgescheiden kerken. De sleutel van de gereformeerde belijdenisgeschriften is gebroken. De ‘Acte van Afscheiding of Wederkering’, zoals in 1834 getekend, lijkt een archiefstuk geworden te zijn. Dat zou diep te betreuren zijn. Een ontmoeting met mijn Christelijke Gereformeerde collega P. den Butter in de jaren negentig in de Sint Jan te Gouda terzake een Reforma- tieherdenking was onvergetelijk en, om persoonlijk te spreken, voor herhaling vatbaar. Voor afgescheiden kerken, waarin de gereformeerde belijdenisgeschriften als Schriftuurlijke documenten kerkelijke fundering is, lijkt nu echter de weg naar de Hervormde Kerk jammer genoeg voorgoed voorbij. Of toch niet? Deze vraag is ingegeven door reacties van afgescheidenen zelf, die werden opgetekend na het aanvaarde verenigingsbe- sluit. Onder de kop 'meeleven met hen aan wie wij ons verbonden weten' werden woorden opgetekend van verschillende vertegenwoordigers uit gereformeerde kerken op het ontstaan van de nieuwe kerk. Woorden die te denken geven. Overwegend woorden waaruit verbondenheid met gewetensbezwaarden valt op te maken en waaruit verwachting en hoop spreekt. Ze worden hier grotendeels herhaald, gevolgd door een vraag ter afronding.
Allereerst toonde professor dr. J.W. Maris van de Christelijke Gereformeerde Kerken vooral begaan te zijn met het gereformeerde deel in de Hervormde Kerk dat twee wegen ging: “Ik begrijp de bonders die zeggen dat ze in de PKN net zo veel ruimte krijgen als in de Hervormde Kerk het geval was. Ik ben met hen begaan, omdat hun plaats in de PKN nog meer gecompromitteerd zal zijn. Het bijna maximale aantal hervormde tegenstemmers tegen de fusie zal hopelijk in de hele Hervormde Kerk als pijn doen voelen. Was het niet een laatste wanhopig beroep van de aanhangers van de gereformeerde belijdenis in de NHK op het geheel van hun kerk ...? Daarom heb ik misschien nog meer begrip voor degenen die niet alleen tegen het voorstel tot fusie hebben gestemd, maar die vervolgens verklaren niet mee te gaan. Ik hoop van harte dat hun stap niet slechts een romantisch “ja” betreft, maar een consequent “ja” tegen het Woord van God en het gereformeerde belijden.”
Vervolgens woorden van diaken L.M.P Scholten, lid van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland, die luidden: “Het betekent dat deze drie kerken zichzelf opheffen, dat is heel wat. Er komt een nieuwe kerk voor in de plaats, waar we zeer gemengde gevoelens bij hebben, een modem-plurale kerk. Dat was het al in de praktijk, maar de grondslag is daarmee nu in overeenstemming gebracht. Wat betreft de handreiking die gisteren door het hervormde synodebestuur is gedaan, deze ligt toch in het verlengde van de eerdere handreiking, waarin toegezegd wordt dat gemeenten zichzelf kunnen blijven. Maar dat neemt niet weg wat door het Comité is aangevoerd en wat ik helemaal onderschrijf: Je zit in een kerkverband en je moet dan toch respecteren dat andersdenkenden daarin een legitieme plaats hebben.”
Als derde aanhaling, uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, worden woorden van ds. A.J. van Zuijlekom opgeschreven: “Dit is geen eenheid in geloof. We leven bijzonder mee met hen aan wie wij ons in geloof verbonden weten, dat zijn er velen binnen de PKN. Met voorgangers die verantwoordelijkheden voelen drukken. Die ‘hun’ gemeente bijeen willen houden, en haar niet willen uitleveren aan dit eenheidsstreven. De Bond heeft gezegd: Wij kunnen niet mee en wij kunnen niet weg. Toch vraagt de Heere trouw aan Hem. Groen van Prinsterer zei: ‘Geen recht om te blijven in een kerk waaruit veeleer een christen, aan de hervormde kerkleer getrouw, verplicht is te wijken.’ We staan niet triomfalistisch aan de kant. We bidden om verlichte ogen van het hart.”
Ouderling J.B. Philibert uit de Oud Gereformeerde Gemeenten sprak zijn droefheid en schuld uit. Uit zijn mond zijn de woorden: “Ik had altijd nog een hoop dat de Heere in die kerk dusdanig zou werken dat alles op de rechte plaats zou komen, zodat wij weer terug zouden kunnen. Maar, ik moet eerlijk zeggen, nu weet ik het niet meer. Ik weet niet wat de Heere gaat doen. Ik heb veel te doen met de bezwaarden. Kun je zeggen dat de mensen die niet meegaan met de nieuwe kerk, de Hervormde Kerk verlaten? Of moet je zeggen: De kerk heeft hen verlaten? Ik stel dit vragenderwijs, maar die gedachte komt wel bij je op.”
Tenslotte is ds. J.J. van Eckeveld van de Gereformeerde Gemeenten te citeren: “We moeten eerlijk zijn, ook de Nederlandse Hervormde Kerk was een pluralistische kerk, waarin de gereformeerden was in ieder geval nog op die belijdenis aanspreekbaar. In de nieuwe kerk is de belijdenis zelf pluralistisch geworden. Ongetwijfeld een grote stap achteruit. Van harte leven we mee met degenen die door deze kerkelijke fusie in grote gewetensnood gekomen zijn vanwege hun liefde voor de gereformeerde belijdenis. Sommigen van hen kunnen om des gewetens wil niet mee. Terwijl anderen, die evenzeer in gewetensnood verkeren, toch geen andere weg zien dan mee te gaan. Dat tekent de verwarring die er is. Heel deze gebeurtenis bepaalt ons bij de nood en schuld van de kerk. We hebben niet gewaakt en gebeden. Het is mijn bede of de Heere de hof van de kerk van Nederland wil doorwaaien met de wind van Zijn Geest en dat Hij nog eens bij elkaar zou willen brengen wat bij elkaar hoort.”
Naar aanleiding van de reacties dringt zich een vraag ter afronding op: Zouden vele gereformeerden, tussen wie ook zeker behoorlijke verschillen bestaan, een ontvolkte Hervormde Kerk in de toekomst bevolken? De Heere weet het antwoord, ’t Is alleen goed en het houdt alleen stand als het uit God is, ‘eens Geestes’. Dan zal het met dankzegging genomen zijn, geheiligd door het Woord van God en door het gebed.
Drs. J.W. van Estrik, V.D.M. Hervormd predikant Goedereede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 30 december 2003
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 30 december 2003
Eilanden-Nieuws | 24 Pagina's