De Opvoeding van Onze Kinderen -16-
In het oktobernummer van vorig jaar hebben we een gedeelte aangehaald uit het tweede deel van de Christelyke Jonkheit (1754) van ds. Wilhelmus van Eenhoorn (1691-1759). Hieronder volgt opnieuw een gedeelte uit dit werk, maar nu uit het derde en laatste deel (p. 152-163, 169- 170, 178-179). Ook dit betoog, dat we voor het leesgemak in herspelde en soms licht hertaalde vorm hebben weergegeven, is de moeite van het lezen meer dan waard. Mocht de Heere er Zijn zegen nog aan verbinden voor ons en onze kinderen. Redactie
Onschuldig vermaak
Ds. Van Eenhoorn: “Vergun mij, ouders die uw kinderen liefhebt, u te vragen hoe u zich tot hiertoe gedragen hebt? Is alles wat u omtrent uw lieve kinderen gedaan hebt, niet alleen uit eigenliefde voortgekomen om uzelf door hun liefkozingen en andere aangenaamheden alleen te verkwikken of om uzelf vermaak en gemak toe te brengen? Dat dit zeker geoorloofd is als het binnen de rechte palen blijft, zal niemand met grond kunnen tegenspreken. Ouders mogen wel vermaak en gemak van en door hun kinderen genieten en door hun zoetigheden verblijd worden. Wat natuurlijk en onzondig is, wordt door de godsdienst, die altijd redelijk is, niet gewraakt noch weggenomen. Het Christendom verbiedt geen natuurlijke en onschuldige vermakelijkheden die kinderen aan hun ouders geven kunnen. Wij mogen hierin niet te streng zijn, noch boven de rede en buiten de Heilige Schrift bepalingen maken. Gelijk als ons de rede de genieting van de aangenaamheden van jonge kinderen toestaat, wordt het ons in de rol des Boeks ook niet verboden. Wij vinden integendeel spreekwijzen van de Oppermajesteit gebruikt die van het menselijke ontleend zijn. De opperste Wijsheid was van eeuwigheid des Vaders Voedsterling, (…) dagelijks Zijn vermakingen, en te allen tijde voor Zijn aangezicht spelende, spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Zijn vermakingen waren met der mensen kinderen (Spr. 8:30-31). Dat dit op een verheven en Gode betamelijke wijze te verstaan is, staat vast. Het is een onbegrijpelijke nederbuiging van het eeu wig en geestelijk Opperwezen dat Hij Zich in sommige uitdrukkingen schikt naar de menselijke zwakheid en vatbaarheid. Deze hebben hun grondslag in hetgeen onder ons mensen plaatsheeft. Zo was Efraïm den Heere een dierbare zoon en een troetelkind (Jer. 31:20), om andere spreekwijzen voorbij te gaan. Ten bewijze dat het natuurlijk en geoorloofd is door de liefkozingen en aardigheden van jonge kinderen vermaakt en verkwikt te worden.
Wegen bij u hun eeuwige belangen?
Laat ik voortgaan u vriendelijk te vragen of u niet voornamelijk uw werk gemaakt hebt om uw kinderen in de wereld gelukkig te doen worden, tot eerambten te bevorderen, schatten voor hen te vergaderen en hun een tijdelijk beroep te bezorgen, waardoor zij in het burgerlijke op een eerlijke wijze door de wereld zouden kunnen raken? Dit is zeker op zichzelf niet af te keuren en met de nodige bepaling aan te prijzen. Maar gelijk men het ene dat minder is, doen moet, behoorde men het andere dat van meer gewicht is, vooral niet na te laten. Bent u wel evenzo bezorgd en oplettende geweest om uw kinderen - als onsterfelijke schepselen voor de eeuwigheid geschapen - in de vreze des Heeren op te voeden en alle mogelijke zorg te dragen dat zij voor de hemel mochten opwassen om dus gelukkig uit de wereld te komen, waarin u hen zondig en ellendig gebracht hebt? Heeft hun verdorven en betreurenswaardige jammerstaat waarin zij als kinderen des toorns vanwege de erfschuld en erfsmet ook door uw toedoen gekomen zijn, u wel ooit recht aangedaan? Hebt u hen die wel eens recht onder het oog en aan het hart gebracht en hebt u hen van de noodzakelijkheid van een Borg en Middelaar zoeken te overtuigen? Hebt u hen van de weg om deel aan Hem te krijgen wel onderwezen dat zij zonder Hem en Zijn eeuwige gerechtigheid, zonder geloof in Hem, zonder bekering en heiligmaking, eeuwig verloren zouden gaan? U hebt ze mogelijk laten leren: lezen, schrijven en andere kunsten en wetenschappen die hen in het burgerlijke van pas zouden kunnen komen, wat ook nodig en prijzenswaardig is. Maar heeft zich uw zorg wel wijder uitgestrekt? Omtrent die dingen die als Christenen hun eeuwige staat aangaan? Hebt u hen over de vier uitersten van een mens: dood, oordeel, hemel en hel, wel ooit ernstig onderhouden en doen begrijpen dat die van het hoogste gewicht zijn en er het meeste aan gelegen is? Hebt u hen doen begrijpen dat ons gehele leven een voorbereiding moest zijn om eens wel of zalig te sterven? Dat daartoe noodzakelijk het ‘wel leven’ moet voorafgaan, omdat zonder heiligmaking niemand den Heere zien zal (Hebr. 12:14)? Hebt u uw kinderen van de dierbaarheid van hun kostelijke zielen, als meer waard dan de gehele wereld, wel zoeken te overtuigen en alle middelen naar vermogen in het werk gesteld om hen met kennis, liefde en vreze van het eeuwig Opperwezen te doen vervuld en ingenomen worden? Hebt u er wel tijd toe afgezonderd en uw werk ervan gemaakt om de zaden van deugd en Godsvrucht in hun tedere gemoed in te planten? Hebt u menigmaal uw hart voor de Heere uitgestort dat uw kinderen leven mochten voor Zijn aangezicht, uw zaad Hem dienen en aangeschreven mocht worden tot in geslachten (Ps. 22:31)?
Uw kinderen zijn in ongerechtigheid geboren, en in zonde (…) ontvangen (Ps. 51:7). Hierdoor zijn zij ‘aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen’, en in gevaar om bij het eerste ophouden van Gods lankmoedigheid in een eeuwig verderf in te storten. Hebt u, vaders en moeders, dit ooit wel met indruk overwogen en heeft het wel enig medelijden over de vruchten van uw lendenen en uws buiks, over uw tedere kinderen, in u teweeggebracht? Heeft het u wel opgewekt om door heilzame onderwijzingen - naar den eis huns wegs (Spr. 22:6) - hen daar heldere begrippen van te doen ontvangen en door waarschuwingen en vermaningen hen te doen ontvlieden de toekomende toorn? Zijn daartoe uw stille verzuchtingen en vurige gebeden menigmaal naar de hemel gezonden?
Schuldig
Hier zal de beste zich schuldig kennen! En ik verbeeld mij dat rechtschapen ouders, die God met enige indrukken verwaardigd heeft, zich hier verlegen zullen vinden als zij zien hun totale ongelijkvormigheid aan hetgeen zij begrijpen zullen evenwel hun plicht te zijn. Hier zullen zij met schaamte uitroepen: Wie zou de afdwalingen ook hierin verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen (Ps. 19:13). Zo Gij, HEERE, mijn ongerechtigheden, afwijkingen en verkeerdheden ook in het behandelen van mijn kinderen zou willen gadeslaan, Heere, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing (Ps. 130:3-4, 7). Met deze en dergelijke betuigingen uit het Woord kunnen Godvrezende ouders zich opbeuren die hun trouweloosheden zien, en onder het gezicht daarvan en door de weerspannigheid van hun kinderen wel eens moedeloos kunnen worden.
Komt het er zo nauw op aan?
Mogelijk zal iemand denken en zeggen: ‘Komt het er zo nauw op aan en ligt er zoveel tot last van de ouders in het wel opvoeden van hun kinderen, wie kan daaraan naar behoren voldoen? Waar zijn ze die zo bezorgd en teder omtrent hen verkeren?’ Ik antwoord:
Ten eerste dat het zeker is dat de poort eng en de weg nauw is, die tot het leven leidt (Matth. 7:14). En dat dit zich tot al de plichten van het Christendom en dus ook tot die welke de ouders aan hun kinderen moeten bewijzen, uitstrekt, zal niemand met grond kunnen ontkennen. Ook hierin heeft de HEERE geboden dat men Zijn bevelen zeer, dat is nauwkeurig, bewaren zal (Ps. 119:4).
Ten tweede dat ik alles wat ik van de verplichting van de ouders om hun kinderen voor God en voor de hemel op te voeden, geschreven heb, graag aan het gemoed van goedaardige vaders en teder liefhebbende moeders wil overlaten om te oordelen of het niet alles redelijk is en gegrond op de rede en op des Heeren Woord (Jer. 17:16). Ik zoek ook hierin niet aan te dringen meer dan een herder achter zijn kudde betaamt. Maar door openbaring der waarheid alleen mij aangenaam te maken bij alle consciënties der mensen, in de tegenwoordigheid Gods (2 Kor. 4:2).
Ten derde dat u aan al uw verplichtingen niet naar behoren voldoet, staat vast. Wie van de allerheiligsten zal dat van zichzelf zeggen of geloven? Die het meest verlicht is, de meeste indrukken heeft en op het tederste zoekt te leven, zal het allermeeste zijn ongelijkvormigheid zien en zich over zijn dagelijkse tekortkomingen het meest beklagen. Wie toch onder al de stervelingen kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde? (Spr. 20:9). David, die man naar Gods hart die in het midden van zijn huis wilde wandelen in oprechtheid zijns harten (Ps. 78:72), heeft niet alleen menigmaal zijn zonden beleden en betreurd gelijk zijn psalmen aantonen, maar hij moest op het einde van zijn leven belijden dat zijn huis alzo niet, dat is, niet recht, was bij God (2 Sam. 23:5). Zijn huis, de hut van David, zou vervallen (Amos 9:11). Wat was er de reden van? Zijn eigen zonden en de zonden van zijn huis. Maar hoe hij zich ook met Uría, Bathséba en op andere wijze mocht vergrepen en bezondigd hebben, zijn hart was en bleef recht met God, geheel anders dan de geveinsde (Ps. 78:37). Hij bleef waarheid bezitten in zijn binnenste (Ps. 51:8). Maar zijn huis, zijn kinderen, zouden in het bijzonder van de Heere afwijken, gelijk hij in Ammon, Absalom en Adónia beleefd heeft. David voorzag dat zijn nakomelingen vervolgens de Heere zouden verlaten (2 Sam. 7:14; Ps. 89:31-33), hetgeen men op zijn eigen kinderen, maar ook op de kinderen van zijn Tegenbeeld, de Messías, toepassen kan. Dit belijdt David met schaamte, tot een bewijs dat hij aan zijn huis geen waardigheid wilde toeschrijven of iets wat de Heere zou bewogen hebben om zijn huis het stamhuis van de Messías te doen worden. Nee, de grondslag van al zijn hoop en vertrouwen op vergeving van de zonden van zichzelf en van zijn huis was het welgeordineerde genadeverbond en de Rechtvaardige, de Heerser, Die de Middelaar van dat verbond was.
Deze beschouwing kan Godvrezende ouders tot bemoediging dienen als zij hun eigen zonden en verkeerdheden zien of onder de dwaasheden en godde-loosheden van hun kinderen wel eens moeten zuchten, als zij ondervinden dat hun pogingen omtrent hen vruchteloos schijnen te zijn en zij onder het gezicht van de boosheden van hun huis gebukt gaan. Indien hun hart recht met de Heere is en blijft en zij bewustheid hebben aan hun licht en plicht naar vermogen getrouw te zijn geweest, moeten zij het aan de Heere overgeven en al hun heil en lust zoeken en vinden in het eeuwig en onveranderlijk zoutverbond en in de Heere Jezus als Die getrouwe Borg, Wiens bloed alleen ons reinigen kan van alle zonde (1 Joh. 1:7).
Ten vierde dat er zeer weinig ouders zijn die zo bezorgd en teder leven omtrent hun jonge kinderen als het wel behoorde en wij ervan geschreven hebben, zal ik gaarne toestaan. Maar dat er ook weinig ouders zijn die alleen genoegen en vreugde aan hun kinderen beleven, zal mij ook niemand betwisten. Vanwaar komt gewoonlijk het zondig gedrag van de jeugd? Is het ook niet van hun kwade of slordige opvoeding? Zijn dan de ouders zelf niet meestal de oorzaak dat zij in plaats van blijdschap, reden tot droefheid door hen ontvangen? Hier en daar vindt men nog wel een vader of moeder die zich voorbeeldig omtrent hun kinderen gedragen, die ze leiden en weiden naar de oprechtheid huns harten, en met een zeer verstandig beleid hunner handen (Ps. 78:72). Die goede voorbeelden behoorde u, waarde vrienden, na te volgen en niet de menigte tot boze zaken (Ex. 23:2) of in een kwade, ongeregelde opvoeding! Is het getal klein van degenen die hun kinderen opvoeden in de leer en vermaning des Heeren en zoals het Christenouders betaamt: velen zijn ook geroepen, maar weinigen uitverkoren (Matth. 20:16), en weinigen zullen ook door de enge poort en de nauwe weg tot het leven ingaan (Matth. 7:13-14). Wilt u dan met de weinigen die hun best gedaan hebben om aangaande hen en hun huis den HEERE te dienen (Joz. 24:15), zoeken behouden te worden, dan moet u zich van de grote menigte die trouweloos handelen, met uzelf en met uw zaad af- en onderscheiden en tonen dat een andere geest met u is gelijk voortijds met Kaleb, en dat gij volharden wilt de Heere en de voorbeelden van de heiligen na te volgen (Num. 14:24).
Ten vijfde. Vindt u uzelf onmachtig, ziet u ertegen op om uw kinderen naar behoren op te voeden en roept gij uit: Wie is er ook tot deze dingen bekwaam? (2 Kor. 2:16). Uw onmacht ontslaat u geenszins van uw verplichting. Doet gij wel alles wat in uw vermogen is? Kan uw consciëntie u dat getuigenis geven? Dat wij als redelijke mensen meer kunnen doen dan doorgaans door ons verricht wordt, heb ik elders aangetoond en is hier de plaats niet om nader aan te wijzen. Ik geef het aan uw eigen gemoed over of gij tot hiertoe wel alles in het werk gesteld hebt en al de middelen hebt gebruikt en beproefd om uw kinderen een Christelijke opvoeding te bezorgen? Zegt u nee, gelijk u zeggen zult zo u uzelf en uw verplichtingen recht kent, vernedert u dan daarover voor de Heere en belijdt uw schulden. En verblijdt en vertroost u dat er hulp besteld is bij een Held (Ps. 89:20), Die door Zijn genadekracht uw onmacht kan wegnemen en in u kan werken het willen en volbrengen naar Zijn welbehagen (Filipp. 2:13). Hij is de Heerlijkheid van uw sterkte (Ps. 89:18), Hem moet u veel aanlopen als een waterstroom (Ps. 34:6) en dagelijks door zuchtingen en gebeden tot Hem de toevlucht nemen. Die goede Heiland zal het gebrekkige overzien, verzoening doen over uw trouweloosheden, hoewel u Hem niet gezocht hebt naar de reinheid des heiligdoms (2 Kron. 30:19), als u maar uw licht en plicht hebt trachten te voldoen en uw ganse hart gericht hebt om de God van uw vaderen te zoeken. De HEERE is goed dengenen die Hem verwachten, der ziele die Hem zoekt (Klaagl. 3:25)
Kunt u het verantwoorden voor de hoge Rechter?
Waarde ouders en geliefde vrienden, vergun het mij voort te gaan om nog kort met u te spreken, gezien dat ik alleen uw tijdelijk en eeuwig heil en dat van uw dierbare kinderen wens en tracht te bevorderen en hen onder de vleugelen van uw tedere zorg zoekt te vergaderen. U gelooft immers dat God ieder werk eens in het gericht zal brengen (Pred. 12:14), dat wij allen geopenbaard moeten worden voor den rechterstoel van Christus (2 Kor. 5:10) en van al ons doen en laten aan die geduchte Rechter rekenschap zullen moeten geven. Wat dunkt u, Christenouders, zult u uw gedrag omtrent uw kinderen wel kunnen verantwoorden? Kan de schrik u soms niet bevangen als u met enige indruk denkt dat u hen in die grote dag eens ontmoeten zult voor de Rechter van hemel en van aarde en dat u uw gedrag omtrent uw kinderen zult moeten verantwoorden? Moet het u niet ontzetten als u zich levendig in uw gedachten voorstelt de verwijtingen - die ik u in deel 2 (p. 432-433) opgesomd heb - die een rechtvaardig God u zal kunnen tegemoet voeren en ook uw kinderen die door uw verzuim verloren gaan?
Zijn de bijzondere gemeenten aan de zorg van bijzondere leraren die de Heilige Geest over deze tot opzieners gesteld heeft (Hand. 20:28), toevertrouwd, moeten zij waken voor hun zielen, als die rekenschap geven zullen (Hebr. 13:17), veel nader en natuurlijker is de betrekking, veel meer moet dan ook de zorg en veel sterker zal de verplichting zijn van de ouders omtrent hun kinderen om voor hun zielen te waken en b˘oven alles te bezorgen dat zij in de gemeenschap van de zalige God in tijd en eeuwigheid leven mogen. Zal God het bloed eisen van trouweloze leraren die hun plicht verzuimd en verwaarloosd hebben, veel meer zal dat geschieden van zulke ouders die nalatig zijn geweest om hun kinderen door zichzelf of door anderen te laten onderwijzen en te laten opgewekt en vermaand worden tot het uitwerken van hun eeuwige zaligheid. Zult u wel enige verschoningen tegen de beschuldigingen van de Rechter of van uw kinderen kunnen inbrengen? Veroordeelt u thans uw eigen geweten niet van plichtsverzuim en van een onvergeeflijke traagheid en nalatigheid? Zal ze u dan wel verontschuldigen en vrijspreken als u voor die ontzaglijke vierschaar zult staan, de boeken geopend en een iegelijk geoordeeld zal worden uit hetgeen in de boeken geschreven is naar zijn werken (Openb. 20:12), als er geen herstel noch verbetering [meer] te wachten is, maar het vonnis over eenieder uitgesproken zal worden? Dat vonnis zullen velen hier al kunnen opmaken met het licht van hun consciënties. Dat licht zal hen mogelijk hier al veroordelen en verzekeren dat zij volgens de regels van de hoogste billijkheid toorn en verbolgenheid zullen te wachten hebben vanwege al hun zonden in het algemeen en vanwege hun trouweloosheden omtrent hun kinderen in het bijzonder. Toorn en verbolgenheid, indien zij niet bijtijds hun Rechter om genade bidden, verzoening zoeken in het bloed van de Middelaar en met een oprecht en hartelijk voornemen zoeken het gebrekkige door Zijn kracht te verbeteren en voortaan aan licht en plicht meer getrouw te zijn.
Zult u zich, geachte ouders en mijn waarde vrienden, in die grote en vreselijke dag wel kunnen verschonen met voorwendsels dat u uw kinderen hebt laten dopen, in de Christelijke godsdienst opgevoed, van het nodige voorzien en hen in de wereld zover gebracht hebt als het u mogelijk was? Zullen de zorgen en moeiten die u aangewend mocht hebben om hen in de wereld gelukkig te maken, in die ontzaglijke gerichtsdag voor u in aanmerking komen? Zullen die niet veeleer u tot een verwijt strekken dat u eer en meer voor hun tijdelijke dan voor hun eeuwige belangen zorggedragen hebt? Zal het u kunnen vergenoegen en geruststellen dat al uw arbeid omtrent uw dierbare panden bepaald is geweest tot dat wat hen alleen eerlijke en fatsoenlijke burgers kon doen worden, met verwaarlozing van het voorname dat hen onder Gods zegen nuttige Christenen had kunnen maken en dat er vereist wordt om hen - volgens uw eigen belijdenis - van een eeuwig verderf te bevrijden en deel te doen krijgen aan het gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid (2 Kor. 4:17)? U bent begerig - wat zeer natuurlijk is - om uw kinderen, zij het geen schatten, dan toch ten minste naar uw vermogen een goede erfenis na te laten. Maar hebt gij uw best wel gedaan om hen deel te doen krijgen aan die onverderfelijke en onbevlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen voor het volk des Heeren bewaard is (1 Petr. 1:4)?
Aanspraak aan de ouders
Geëerde ouders die de vrijmachtige Opperheer met kinderen gezegend heeft, hetzij dat ze u tot blijdschap of tot droefheid mochten strekken, bezorgt hen toch een behoorlijke opvoeding waardoor zij in de tijd en in het burgerlijke zouden kunnen gelukkig worden, maar bovenal zoekt hen Christelijk op te voeden in de lering en vermaning des Heeren (Ef. 6:4), opdat zij op goede gronden na dit leven een eeuwige zaligheid mogen kunnen tegemoet zien. Laat het zwaarste toch het meeste op uw harten wegen. Toont toch dat u uw eigen belijdenis waarachtig gelooft. Laten de eeuwige belangen van uw lieve kinderen u toch ter harte gaan. Laten uw ingewanden rommelen van medelijden over hun toestand. Ontfermt u hunner (…), behoudt ze door vreze en rukt ze uit het vuur van een eeuwig verderf (Jud. vs. 22-23). Ik betuig voor God en den Heere Jezus Christus en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen, die tot de Christelijke opvoeding van kinderen behoren, onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid (1 Tim. 5:21), maar uit zuivere liefde tot eer van het aanbiddelijk en prijzenswaardig Opperwezen en tot bevordering van de eeuwige belangen van uw dierbare panden. Zij zijn voor de eeuwigheid geschapen en behoren door u volgens de natuurlijke betrekking en verplichting bovenal daartoe bezorgd te worden. Zal ik dan wel drangredenen behoeven te gebruiken omtrent hetgeen de natuur zelf u leert en daar u immers, rechtgeaarde en Godvruchtige ouders, uit uzelf begerig naar bent? Wenst u wel iets met meer hartelijkheid dan dat uw kinderen voor de Heere mochten leven en in tijd en eeuwigheid gelukkig zijn? Is een geregelde en Christelijke opvoeding onder Gods zegen - waarover ik in deel 2 uitvoerig geschreven heb - daartoe het gepaste en geschikte middel, ik zeg u dan in de Naam des Heeren en betuig bij het belang van uw eeuwige zielen en bij de hoge aangelegenheid die er uw kinderen in hebben dat u dit ter harte neemt en u toch bedient van de middelen die u door de mond of de pen van uw getrouwe leraren worden toegediend, opdat zij tegen u niet mochten opstaan en getuigen in de grote dag. Merk toch, zo bid ik u, mijn vrienden, op hetgeen ik zeg, doch de Heere geve u verstand in deze dingen, en genade om die te betrachten! (2 Tim. 2:7). Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het en bemerk gij het voor u (Job 5:27). (…)
Ten besluite
Christenouders, ik zal hier tot uw opwekking en aansporing niet meer bijvoegen. Gij weet uw verplichting. Dat het uw voorrecht mocht zijn aan deze te voldoen en dat u er zelf het meeste genoegen van mocht hebben. Laat dan de ijver van anderen begonnen, velen van u tot naijver verwekken (2 Kor. 9:2). Volg de voorbeelden van rechtschapen Godvruchtige ouders, die het Bijbelwoord en andere kerkelijke en wereldlijke geschiedenissen ons tonen, edelmoedig na. Breng u bij sommige gelegenheden voor de geest het voorbeeld van Jozef en Maria in de opvoeding van hun heilig Kind Jezus, waaruit nuttige leringen en lessen te trekken zijn, gelijk in het eerste hoofdstuk van dit derde deel breder is aangewezen. Indien u getrouw bent aan uw plicht en met Rachel uw kinderen beweent (Matth. 2:18), hetzij wegens hun wederspannigheid, hetzij dat God hen door de dood van u wegneemt, bedwing dan uw stem van geween en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE (Jer. 31:16). Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden (Spr. 23:18). Hebt u alles wat u in de opvoeding van uw kinderen gedaan hebt van harte en als in den Heere gedaan, u zult dan ook van den Heere ontvangen de vergelding der erfenis, als die den Heere Christus hierin ook gediend hebt, in zoverre u Zijn Naam van kind tot kind hebt zoeken voort te planten (Ps. 72:17) en Zijn roem doen verspreid worden van geslacht tot geslacht. De Heere bevestige dit aan u tot Zijn eer en tot uw en uwer kinderen zaligheid!”
Jozef en maria ten voorbeeld
De ouders moeten “ook hierin Jozefs en Maria’s voorbeeld uitdrukken dat ze hun kind al vroeg in de tempel des Heeren, in Gods huis, en tot de openbare godsdienst met zich meebrengen. (…) Ook is het de plicht van de ouders - in navolging van Jozef en Maria - hun kind te voorzien van zodanig gezelschap daar het kan geleerd, gesticht en tot God opgeleid worden. (…) Gingen (…) Jozelf en Maria het heilig Kind Jezus steeds voor met hun Godvrezend en heilig voorbeeld in de oefening van alle godsdienstplichten, die voetstappen moeten de ouders ook in de opvoeding van hun kind zoeken warm te houden en met Jozua zeggen: Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen (Joz. 24:15). Zij moeten hun huis maken tot een kleine kerk. En daartoe Gods Woord dagelijks lezen, het nodige onderricht daaruit geven, voor en met hun kind in statelijke huisgebeden de Heere vurig smeken, Hem met psalmen, met lofzangen en geestelijke liederen verhogen en in het midden van hun huis zo wandelen in oprechtheid van hun hart (Ps. 101:2) dat ze Gideon kunnen nazeggen: Zie naar mij en doe alzo (Richt. 7:17), en de apostel Paulus: Weest mijn navolgers, gelijk ik Christus’ navolger ben (1 Kor. 11:1).”
-Ds. Jacobus Willemsen, ‘Voorrede’, in: J. de Swaef, De geestelijke kwekerij, Ederveen 2005, p. 23, 24-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 2014
In het spoor | 56 Pagina's