Ds. P. Zandt en Europa
Tot aan het einde van zijn leven is ds. P. Zandt politiek actief gebleven. Toen hij stierf (4 maart 1961) was hij namens de SGP lid van de Tweede Kamer, van de Provinciale Staten van Zuid- Holland en van de raad van Delft en daarnaast nog voorzitter van de SGP. Wel moest hij in de laatste jaren voor zijn sterven bij diverse vergaderingen verstek laten gaan vanwege ziekte en zwakte naar het lichaam. Niettemin heeft ds. Zandt de opkomst van ‘Europa’ nog bewust meegemaakt. Tien jaar voor zijn sterven, in 1951, kwam onder voorzitterschap van de Fransman Jean Monnet de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) tot stand, ondertekend door Frankrijk, West-Duitsland, Italië, België, Luxemburg en Nederland. Deze eerste Europese gemeenschap heeft de weg gebaand voor verdere Europese integratie, al ging dat minder snel dan de grondleggers aanvankelijk voor ogen hadden.
Aanvankelijk wilde men naast de EGKS ook een Europese Defensie Gemeenschap (EDG) en een Europese Politieke Gemeenschap (EPG) oprichten. De EDG zou zorgen voor een Europees leger dat centraal zou worden aangestuurd. En voor de EPG zou een direct gekozen parlement in het leven geroepen worden, alsook een door de nationale parlementen benoemde Senaat en daarnaast een centrale uitvoerende macht die ter verantwoording kon worden geroepen in de Europese parlementen. In één keer zou dan in wezen een ‘Verenigde Staten van Europa’ zijn ontstaan, supranationaal geregeerd. Maar het liep anders. Het verdrag van de EDG werd in 1952 wel ondertekend door de hierboven genoemde zes landen, maar werd nooit geratificeerd, omdat het parlement van Frankrijk dat in 1954 - na het zingen van de ‘Marseillaise’ - afstemde, met als gevolg dat het verdrag van de EPG niet eens meer in behandeling kwam.
In plaats van in één keer een grote stap te doen, koos men toen noodgedwongen voor de weg van een geleidelijk toegroeien naar een Europese eenheid. De spits kwam te liggen bij een economische integratie, wat in 1957 uitmondde in het Verdrag van Rome of voluit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG), ondertekend door dezelfde zes landen. Dit verdrag werd per 1 januari 1958 van kracht, waardoor binnen de EEG een gemeenschappelijke markt ontstond. 1 Vervolgens is in de loop der jaren dit verder uitgebouwd tot een Europese Unie die al in veel lijkt op een Europese federatie.
De genoemde verdragen kwamen ook in de Tweede Kamer aan de orde. Ds. Zandt, die namens de SGP meestal het woord voerde als het over buitenlandse zaken ging, heeft diverse keren het SGP-standpunt in dezen in de Tweede Kamer en in partijredes kenbaar gemaakt. Een aantal gedeeltes uit zijn redes laten we hieronder volgen.
Volkenbond
In zijn redes over de verdragen van ‘Europa’ verwees ds. Zandt vaak terug naar het fiasco van de Volkenbond (en later naar het fiasco van de Verenigde Naties). Deze geheel op humanistische beginselen gebaseerde bond, opgericht in 1919, meende naar eigen inzicht en op grond van menselijk overleg de wereld te kunnen regeren en voor een ongekende bloei en wereldvrede te kunnen zorgen. Evenwel was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. En de Volkenbond zelf was als een tweede toren van Babel in elkaar gestort. Voor de oorlog hadden de SGP-voormannen daar diverse keren voor gewaarschuwd, maar men had erom gelachen en hen als dompers bestempeld. Dit weerhield de SGP-voormannen er evenwel niet van om hun standpunt in het openbaar kenbaar te maken. Bijvoorbeeld bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in 1936 bracht ds. Zandt het SGP-standpunt inzake de Volkenbond in de Tweede Kamer als volgt naar voren:
Mijnheer de Voorzitter! (…) Het is geheel terecht door mr. Groen van Prinsterer betoogd dat een Volkenbond, op humanistische grondslag gebouwd, niet anders kan zijn dan een tweede torenbouw van Babel. Hij moet eindigen in een jammerlijke échec, dat de volken niets anders dan naamloze ellende en jammer kan brengen. (…) Het wordt meer dan tijd dat onze regering zich van de Volkenbond losmaakt. De vele tonnen goud, welke Nederland daarvoor uitgeeft, terwijl gebleken is dat andere landen niet of slechts gedeeltelijk hun financiële verplichtingen nakwamen, konden heel wat nuttiger en doelmatiger besteed worden. Die gelden behoorden ten bate van het welzijn van het eigen land aangewend te worden. Allerlei lonen en traktementen zijn van regeringswege verlaagd geworden, de uitkeringen aan de werklozen zijn verminderd geworden, op vele dingen moest bezuinigd worden en de regering gaat maar voort met tonnen goud naar Genève te brengen. Reeds uit die oorzaak mocht de regering wel ernstig een uittreden uit de Volkenbond overwegen. Doch er is veel meer. (…)
Mijnheer de Voorzitter! Wij zijn geen voorstanders van het humanisme of van dat verwaterde Christendom dat zich hoe langer hoe meer verliberaliseert. Daarom kunnen wij ook in onderscheiding van de antirevolutionairen en de Christelijk-historischen de Volkenbond niet voorstaan. Krachtens ons beginsel moeten wij de Volkenbond verwerpen, daar zijn fundament niet op het geopenbaarde Woord van de levende God gebouwd is en Gods Getuigenis er niet alleen geen richtsnoer is, maar er bepaaldelijk als contrabande geacht wordt. Overdenkende dat wie God verlaat smart op smart te vrezen heeft, komt het ons noodzakelijk voor dat de Bond hoe eerder hoe beter door onze regering verlaten moet worden, opdat niet nogal ergere bezoekingen en daaronder mogelijke zeer vreselijke onheilen ons zullen treffen. Nederland beware zijn zelfstandig volksbestaan dat wij als een groot geschenk Gods eenmaal ontvingen. De regering volge een politiek die daarop gericht is en menge zich niet in de voor ons volksbestaan hoogst gevaarlijke avonturen van de Volkenbond. (…) Mijnheer de Voorzitter! Ons nationaal bestaan gaat ons zeer ter harte. Het is een geschenk dat God onze vaderen gaf. Wij zijn uiterst beducht voor het grote gevaar dat wij door ons lidmaatschap van de Volkenbond ons nationaal volksbestaan zullen verliezen. Daardoor komt ons land in allerlei moeilijkheden, waar het anders buiten zou kunnen blijven.” 2
Dit geluid liet de SGP-fractie herhaaldelijk horen, ook in De Banier. Omdat de Volkenbond niet rekende met God en Zijn geboden en slechts het beginsel van volkssoevereiniteit erkende, was er voor een gereformeerde en voor een Christelijk volk aldaar geen plaats, zo stelde De Banier in 1930. 3 Bij de algemene beschouwingen van 1938 kwam ds. G.H. Kersten vanwege het negeren van Gods Woord door de Volkenbond en de dwaze machtsinbeelding van de Volkenbond om voor vrede te kunnen zorgen tot dezelfde conclusie: “Voor geen Christen-Staatsman is in deze Bond plaats. Wij zullen veiliger wandelen bij Gods wet dan onder de hoede van de lamgeslagen Volkenbond.” Hij drong dan ook aan op het verlaten van de Volkenbond. 4
Niet minder duidelijk op dit punt was ds. Zandt bij de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken in 1939. Hij zei:
“Gods Woord zelf verbiedt ons aan een bond mee te werken die zonder God begonnen en zonder God voortgezet is, waarin Zijn Woord beslist contrabande is en de menselijke rede tot het enig leidende beginsel verheven is. Door zijn beginsel was de Bond in oorsprong en wezen revolutionair, uitgesproken onchristelijk. Wij veroordelen allerminst elke poging welke aangewend wordt om vrede te stichten, maar wij moeten op grond van Gods Woord elke vredesactie welke een beslist uitgesproken revolutionair en onchristelijk karakter heeft, ten scherpste veroordelen. En dit is met de Volkenbond het geval. Hij is een boom gelijk die in wortel en takken kwaad is. En zulk een kwade boom kan naar Christus’ uitspraak nooit goede vruchten voortbrengen.” 5
Na de oorlog kwam de Organisatie van de Verenigde Naties (VN) in de plaats van de Volkenbond. De SGP-fractie had op die organisatie, opgericht in 1945, dezelfde kritiek als op de Volkenbond.
Europese verdragen
De kritiek op en de argumenten tegen de Volkenbond achtte de SGP-fractie eveneens van toepassing op de hierboven genoemde Europese verdragen die in de jaren vijftig werden opgesteld. Hartstochtelijke voorstanders van die verdragen dachten als God en zonder God te kunnen regelen dat er nooit een oorlog meer zou komen en dat er een Europese maatschappij van vrede en welvaart zou ontstaan. De basis daarvoor vormde niet Gods Woord, maar de ‘waarden’ van de Verlichting en de Franse Revolutie. Op de SGP-partijdag van 1954 zei ds. Zandt daarover het volgende:
“Nee, niet in de terugkeer tot Gods Woord en wet wordt het heil gezocht, maar bij de nietige en zondige mens en diens rede en krachten. Naar de stelregel van de revolutionairen, inzonderheid naar die van Rousseau, die gesteld heeft dat door menselijke rede en overleg alle problemen op te lossen waren, wordt er door de machtigen en regenten der aarde gehandeld. Naar die stelregel was de Volkenbond ingericht. Gods Woord was daarin contrabande. Wat zelfs de antirevolutionairen en Christelijk-historischen niet belet heeft om met die bond hun volle instemming te betuigen. Ook zij hebben er braaf aan meegedaan om de woordvoerders van de SGP te honen en te bespotten, als zij daartegen hun stem verhieven en op grond van Gods Woord voorspelden dat deze bond als een tweede toren van Babel ineen zou storten. Een voorspelling welke letterlijk bewaarheid is geworden! Nochtans heeft het hen niet kunnen weerhouden om andermaal aan een instituut van gelijke strekking als de Organisatie van de Verenigde Naties is, hun volle goedkeuring te hechten. Ook in dit instituut gelden het gezag en de lering van Rousseau en niet die van Gods Woord. En ook dit instituut is als vredesinstituut in luttele jaren al bankroet geslagen.
In weerwil van dat dubbele bankroet kunt gij de antirevolutionairen en Christelijk-historischen ten derde male zien optrekken onder het vaandel van Rousseau, als hun leiders hun instemming betoonden met en hun volle medewerking eraan verleenden dat op humanistisch-revolutionaire grondslag een eenheid van Europa tot stand gebracht zal worden. Deze heeft zó zeer de liefde van hun leiders dat zij daaraan het ene offer na het andere - ten koste van onze zelfstandigheid - brengen en willen brengen. Zij werken er bereidwillig aan mee dat - wat rome, de libertijnen en revolutionairen zeer wel naar de zin is - hetgeen onze vaderen overeenkomstig de beginselen van de Reformatie tot heil van ons land hebben opgebouwd, tot de laatste steen toe wordt afgebroken.
Maar, vraagt gij, zijn de eenheid en eendracht van de volken, is de eenheid van Europa dan geen kostelijk, begeerlijk goed? Wie zal dit kunnen ontkennen? Doch het streven daarnaar gaat in deze eenheidsbeweging niet alleen buiten God en Diens geopenbaarde Woord om, maar loopt er zelfs lijnrecht tegenin. Welke wijsheid heeft naar dat Woord de mens die Gods Woord versmaadt? Hoe leert het ons bladzijde na bladzijde dat wie en wat van de hoge God afvalt, zeker moet vallen! Zeer terecht heeft in de oude Christelijke kerk en die der Reformatie de stelregel gegolden dat het streven naar vrede goed en prijzenswaardig is, maar als zulks met miskenning van God geschiedt, zondig en afkeurenswaardig is.” 6
Een jaar later, op de SGP-partijdag van 1955, liet ds. Zandt zich op vergelijkbare wijze over het Europese eenheids- en welvaartsstreven uit. Hij zei:
“Men loopt te hoop met de kreet: ‘Mensen, verenigt u!’, en het is de mens en nog eens de mens, waar men zijn heil van verwacht. Hierbij stellen wij allerminst dat er op de mens geen verplichting rust, stellig ook ten aanzien van de vrede. Integendeel.
De Heere heeft hem zelfs geboden zoveel mogelijk vrede te houden met alle mensen. Doch dit niet tot elke prijs en niet met alle middelen. Het staan en streven naar vrede - zo hebben de auteurs in de oude Christelijke kerk en die der Reformatie beleden - is prijzenswaardig, ja, zelfs dure plicht voor een iegelijk mens. Doch zij hebben niet geschroomd daaraan toe te voegen dat het zondig is en zonde wordt als het buiten God om geschiedt. Dit is dan ook de reden dat wij ons van stonde af aan in de Tweede Kamer tegen het streven naar vrede, dat ook geheel buiten God om geschiedt, verklaard hebben; waarover wij tot over de radio toe destijds gehoond en bespot zijn geworden. Mede om deze reden hebben wij het Europees defensieverdrag, dat op eenzelfde grondslag van een revolutionair beginsel rustte, niet kunnen aanvaarden. Dit is evenzeer de reden dat wij de eenheid en eenwording van de volken van Europa verwerpen. Dat ook dit streven uit het Gode miskennende, revolutionaire beginsel voorkomt, blijkt ook wel daaruit dat verklaard wordt dat deze eenheid de enige mogelijkheid is waardoor Europa gered kan worden.” 7
Men verwachtte het heil voor ons land niet van God, maar van menselijk overleg. Men stelde vlees tot zijn arm door - in het voorbijgaan van God - van de samenwerking en eenwording van Europa alle heil te verwachten. Door daarop te bouwen en te vertrouwen. Dat was zondig. En aan zondige zaken wilden en mochten de SGP-voormannen hun stem niet geven. Het kon ook niet anders of dit moest vroeg of laat tot onheil leiden. Tijdens de laatste algemene beschouwingen waarbij ds. Zandt het woord gevoerd heeft in de Tweede Kamer (4 oktober 1960), bracht hij dit nog eens heel helder naar voren. Hij zei:
“Freule Van Straalen gaf vele jaren geleden een brochure uit waarin zij voorspelde dat heel het internationale streven ons onze koloniën zou kosten. De uitkomst heeft haar daarin in het gelijk gesteld. Als haar grootste bezwaar tegen dat streven gaf zij aan dat dit alles buiten God en Zijn geopenbaard Woord omging en dat daarom daarvan niets dan onheil te verwachten viel; een overtuiging welke wij ten volle met haar delen. Dat was ook het grote bezwaar dat mr. Groen van Prinsterer daartegen had, als hij het internationalisme veroordeelde als een zuiver revolutionair streven, wat het ook inderdaad is. Het is dan ook een bewijs van een heel sterk verval bij antirevolutionairen en Christelijkhistorischen, als zij met zuiver revolutionaire instellingen als de Volkenbond en de Organisatie [van de Verenigde Naties] en andere soortgelijke instellingen al even hard dwepen als de revolutionairen, waar zij toch jaar op jaar voor gepleit en hun instemming mede betuigd hebben. Het ligt niet in onze bedoeling onze principiële bezwaren hiertegen uitvoerig uiteen te zetten. Meermalen is zulks door ons geschied. Wij achten ons er dan ook van ontslagen om dit thans weer te doen. Nochtans kan er niet te vaak worden gezegd dat heel dat internationalisme en het heil daarvan te verwachten, lijnrecht inloopt tegen de Heilige Schrift. (…) Wij hebben ons bij onze bestrijding van de Organisatie [van de Verenigde Naties] immer beroepen op Gods geopenbaarde Woord. Dit wijst ons klaar en helder aan welke weg wij ook in dezen te bewandelen hebben. Hierbij is het voldoende en afdoende, als wij daaruit een paar uitspraken aanhalen. ‘Vervloekt is de man’, zo wordt daarin uitgesproken, ‘die vlees tot zijn arm stelt’. En: ‘Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. Zijn geest gaat uit, hij keert weder tot zijn aarde; te dienzelven dage vergaan zijn aanslagen.’ En dit is nu juist bij de door ons gemaakte instituten het geval. Daar toch is de mens, het menselijk overleg, met miskenning van God en Zijn Woord, het richtsnoer waarnaar men zich geheel richt; het albestierend element. Dit moet op teleurstelling uitlopen. Dit brengt in allerlei vorm groot onheil.” 8
Zoeken naar vrede en welvaart gaat lijnrecht in tegen de Heilige Schrift en is dus zondig als het met miskenning van God geschiedt. Deze waarschuwing is ten volle van toepassing op het gehele Europese gebeuren in onze dagen, zowel op de EU-praktijk als op de EU-grondslag vastgelegd in de EU-verdragen. Op die zondige grondslag wordt gewerkt en gebouwd, ook door het Europees Parlement. Zelfs alleen maar een verwijzing naar God in de inleiding van het Verdrag van Lissabon, dat eind 2009 van kracht geworden is, kon niet lijden; men erkende alleen maar te regeren bij de gratie van de volkssoevereiniteit. Wat hebben wij dan in ‘Europa’ te zoeken? De vrede en de welvaart dienen door ons en onze regering langs een geheel andere weg gezocht. Ds Zandt: “…wil de regering deze waarlijk bevorderen, laat zij dan de zonde bestrijden, die de oorzaak is van alle ellende, ook van de oorlog.” Maar over dit “goede middel” om de vrede en de welvaart “te dienen, namelijk een verlaten van het pad der zonde, een schuldig terugkeren tot God en Diens gebod, een ootmoedig wandelen voor het aangezicht des Heeren” 9 , werd en wordt van regeringswege, ondanks de crisis, met geen woord gerept.
Geen supranationale organen
Ds. Zandt kantte zich fel tegen het oprichten van supranationale organen, waarvan de Europese Commissie en het Europees Parlement hedendaagse voorbeelden zijn, want dit zou met verlies van belangrijke delen van Nederlands zelfstandigheid en soevereiniteit gepaard gaan. Hij en de toenmalige SGP hebben zich “nooit kunnen verenigen met het vormen van een supranationaal parlement en een supranationale regering.” 10 In 1957 sprak ds. Zandt in de Tweede Kamer bij de behandeling van het verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap - waartegen hij zich krachtig verzette! - daarom uitdrukkelijk zijn blijdschap erover uit dat de toen op te richten Gemeenschap nog geen supranationale organen omvatte. 11 En in De Banier van 10 november 1955 schreef hij:
“Een iegelijk, die het dan (…) met ons land wel meent en zijn zelfstandigheid niet prijsgegeven wil zien, heeft zich dan ook met hand en tand tegen deze supranationale organen te keren. Bovenal omdat ons eigen volksbestaan ons als een geschenk en weldaad van God geschonken is”.
Telkens weer beklemtoonde hij dat ons zelfstandig volksbestaan “ons als een geschenk van God ten deel gevallen was” en “door onze voorouders” verkregen was “in een harde strijd van tachtig jaren met grote opofferingen aan goed en bloed.” Daarom diende het door iedere Nederlander “op hoge prijs” gesteld te worden 12 en behoorden mitsdien supranationale organen afgewezen te worden.
Beginselprogramma
Dit standpunt van de eerste SGP-voormannen en van de SGP destijds vinden we gelukkig nog steeds terug in artikel 29 van het huidige SGP-beginselprogramma. We lezen daar:
“Gelet op de bijzondere (ontstaans-)geschiedenis van ons land dient de zelfstandigheid van ons land gehandhaafd te blijven. Er zal geen overdracht van de bij Nederland als zelfstandige natie behorende bevoegdheden aan bovennationale organisaties of gemeenschappen plaatshebben. Derhalve wordt het streven naar Europese eenwording onder een bovennationale regering afgewezen (…)”.
Ter verduidelijking hiervan wordt in de officiële Toelichting bij het beginselprogramma opgemerkt:
“Internationale samenwerking kan volgens de SGP noodzakelijk zijn om bepaalde vraagstukken te kunnen oplossen. Die samenwerking kan zich begeven op verschillende terreinen, maar mag er niet toe leiden dat Nederland zijn eigen soevereiniteit en identiteit inlevert. Daarom zal op zichzelf gerechtvaardigde internationale samenwerking slechts via intergouvernementele samenwerking tot stand dienen te komen. Verdere [in de zin van: Een verdergaande; AV] overdracht van nationale bevoegdheden aan supranationale organisaties, met name de Europese Gemeenschap, wordt principieel afgewezen [vet; AV]” 13 .
De door de EU op een groot aantal terreinen toegepaste supranationale besluitvormingsmethode alsmede haar supranationale organen (Europese Commissie, Europees Parlement, Europese Hof van Justitie enz.) dienen dus principieel te worden afgewezen, omdat aan het ‘supranationale’ onlosmakelijk verbonden is het afstaan van belangrijke delen van onze soevereiniteit aan ‘Europa’. Dat is de lijn van het SGP-beginselprogram en van de officiële toelichting daarop, en daarmee zijn wij het eens! Maar helaas de huidige SGP en de CU/SGP-eurofractie niet. Men gaat immers openlijk tegen het eigen beginselprogramma in door de EU niet te willen reduceren tot een zuivere intergouvernementele samenwerking en door te participeren in het Europees Parlement in plaats van deze te willen afschaffen.
Geen nationalisme
Dat het behoud van Nederlands zelfstandigheid bij ds. Zandt niet voortvloeide uit nationalisme of nationale trots maakte hij duidelijk in de rede die hij op 21 december 1954 in de Tweede Kamer hield. Aan de orde was toen de begroting van Buitenlandse Zaken voor het jaar 1955. Hij zei:
“Mijnheer de Voorzitter! Dat de verwerping van het Europese Verdedigingsverdrag door het Franse Parlement de voorstanders van de eenheid van Europa teleurgesteld heeft, sommigen van hen zelfs bitter teleurgesteld heeft, is te verstaan. Zij zagen in deze eenheid de verwezenlijking van een zeer hoog en heerlijk ideaal, dat hun zeer ter harte ging. (…) Eenheid valt inderdaad verre te verkiezen boven verdeeldheid en de staat van vrede verre boven die van oorlog. Het is zelfs een Goddelijk gebod dat ons gebiedt vrede met alle mensen te houden in zoverre zulks mogelijk is. Doch de weg welke de voorstanders van de Europese eenheid ter bevordering van de vrede inslaan, en de middelen welke zij daartoe aanwenden (…), kunnen wij om principiële redenen niet goedkeuren.
Het vormt bij ons een zeer ernstig bezwaar dat men aan deze eenheidsbeweging onze soevereiniteit, ons zelfstandig volksbestaan, geheel of gedeeltelijk wil opofferen. Dit bezwaar spruit niet voort uit zuiver nationalistische beweegredenen; wij wensen niet een nationalisme te kweken zoals dat onder meer in Duitsland gekweekt is. Wij komen er zelfs tegen op, als er een zekere nationale trots wordt gekweekt zoals die in Duitsland tot op de scholen toe gekweekt is, waartegen de voormalige hofprediker Krummacher zijn stem heeft verheven, voorspellende dat deze trots Duitsland tot de ondergang zou voeren.
Doch anderzijds stellen wij onze soevereiniteit, ons zelfstandig volksbestaan, als een gave Gods op zeer hoge prijs, welke niet tot stand gekomen is dan met grote offers van goed en bloed. Uit deze oorzaak hebben wij ons verzet tegen het Europese Verdedigingsverdrag en betreuren wij het allerminst dat dit thans van de baan is (…), omdat daarmee ook meteen de instelling van een supranationaal orgaan of supranationale organen tot het verleden behoort. Juist een supranationaal orgaan ontmoet bij ons een zeer ernstig principieel bezwaar. Daarin wordt bij ons, met ons en zonder ons - wij zijn maar een klein land - door grote mogendheden zeer tot onze schade beslist.” 14
Geringeloord en geldsmijterij
Een klein land als Nederland wordt in een supranationaal orgaan al snel “geringeloord” door grote landen, met als gevolg dat wij maar naar hun pijpen hebben te dansen, aldus ds. Zandt. Dat was toen zo en dat is vandaag aan de dag niet anders. Ook het feit dat er bij “internationale organisaties zoals de EEG” met “geld gesmeten” wordt, vormde voor ds. Zandt een reden om supranationale organen af te wijzen. “Ze kosten alle handen vol geld”, zo hield hij in 1960 de regering en de Tweede Kamer voor. 15 Naar we aannemen zal niemand dit nog willen ontkennen in deze crisistijd. Nederland droeg bijvoorbeeld in 2012 circa 6,08 miljard euro aan de EU af en ontving 2,12 miljard aan Europese steun terug. Een verschil van bijna 4 miljard in het nadeel van Nederland. En dit staat nog los van de 14,5 miljard die Nederland - volgens de gemaakte afspraken in maart 2012 - in het noodfonds moest storten om Griekenland te steunen. Alles tezamen genomen is dit ongeveer 1000 euro per inwoner!
Onontkoombaar?
Toch houden nog velen er deze redenering op na: ‘Als Nederland uit de EU zou treden, dan zou grote economische schade het gevolg zijn, onder andere omdat de Nederlandse economie voor een belangrijk deel afhankelijk is van internationale handel en transport. Daarnaast zijn er diverse grensoverschrijdende problemen en aspecten zoals milieuvervuiling, energieleverantie, klimaatveranderingen, migratie- en asielproblematiek, infrastructuur en grensoverschrijdende criminaliteit die Nederland als klein land niet in zijn eentje op kan lossen of regelen. Kortom, Nederland heeft geen keus, Nederland moet in de EU blijven, daar valt niet aan te ontkomen, zonder de EU heeft Nederland geen toekomst.’
In de tijd van ds. Zandt voerden voorstanders van de Europese integratie dergelijke argumenten ook al aan, maar ds. Zandt ging daar niet in mee. Nee, in De Banier van 18 april 1957 schreef hij bijvoorbeeld:
“Het doet bij tallozen van ons volk grotelijks opgeld dat ons land zonder deel te nemen aan de Europese gemeenschap, geen toekomst beschoren is, ja, zelfs reddeloos verloren zou zijn. Dat zulk een beschouwing een totale miskenning van de levende God in zich heeft en lijnrecht tegen Diens geopenbaarde Woord indruist, behoeft geen nader betoog. Het vertoont ons een bedroevend teken van de donkere dagen welke wij beleven, waarin de mens op de troon verheven wordt en God, de Almachtige en Waarachtige, eraf gestoten wordt. Het ‘Ken Mij in al uw wegen, en Ik zal uw paden recht maken’ achten tallozen een verouderde leer en begrip, mogelijk goed voor verleden tijden, toen het volk nog niet zo verlicht en beschaafd was, maar in onze dagen van verlichte en beschaafde mensen - zo oordeelt men in de verblinding van eigen wijsheid en eigengerechtigheid - is dit niet meer nodig”.
En in 1958 merkte hij in de Tweede Kamer tijdens de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken voor het jaar 1958 met het oog op het internationalisme veelzeggend op:
“Het is in dezen ook weer dat van de mens, diens kracht en rede het heil wordt verwacht. Een verenigd Europa zou volgens velen uitkomst brengen. Sommigen van hen zijn daarin zelfs zover gegaan, te beweren dat Nederland geen toekomst meer zou hebben, indien het niet in een Europees verband en verbond trad.Aan God, Die het kleine Nederland eenmaal door Zijn genade tot een belangrijke mogendheid heeft gemaakt, werd daarbij door hen niet gedacht. Zijn Naam werd niet eens genoemd en naar Zijn genade en bijstand werd niet gevraagd. Onze zo roemrijke historie werd daarbij vergeten. Dat verleden is daarom zo roemrijk, omdat het een gave Gods is geweest dat wij na een lange, bange strijd van 80 jaren een zelfstandig volksbestaan hebben verkregen. Hij was het Die ons kleine en toen zo schaars bevolkte land de macht gaf, alsof het een rijk van miljoenen inwoners was, zodat het aan de spits van de volkeren trad. Er werd toen, volgens de liberale [E.J.] Potgieter, geen belangrijk besluit onder de volkeren genomen of Nederland werd erin gekend, terwijl - volgens hem - het advies van Nederland de evenaar menigmaal om deed slaan. Van deze hoogte zonk het naarmate de vreze Gods onder het volk afnam en ons volk het oor ging lenen aan allerlei ongeloofstheorieën, zelfs geloof sloeg aan de zo verlokkelijke leuze van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap, gelijk ook thans weer zovele landgenoten door allerlei schoonklinkende leuzen geheel beïnvloed en overheerst worden. (…) Nee, nee, de voor velen zo bekoorlijke en door velen zo hooggeroemde vereniging van Europa zal ons volk het welzijn niet geven. Slechts een schuldig wederkeren tot God en Zijn geboden zal ons volk in al zijn geledingen tot welzijn strekken.” 16
Uittreding uit de EU kan dan in de ogen van velen onrealistisch zijn, het afzweren van de koning van Spanje was dat destijds nog veel meer gezien de grote Spaanse overmacht. Maar toen was God aan onze zij; daarom kon het toch! En daarom is het zo waar dat alleen in een schuldig wederkeren tot God en Zijn geboden het ware welzijn voor ons volk gelegen is. De Schrift leert ons: die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden (1 Sam. 2:30b)! Hoe nodig is het dan dat ons land die Europese bakken die geen water houden, verlaat - inclusief het EP - en wederkeert tot de Potentaat der potentaten!
Ten besluite
Daar thans grote delen van de Nederlandse soevereiniteit aan een supranationaal ‘Europa’ zijn overgedragen, vormt de EU een veel nauwer verbond dan vele andere samenwerkingsverbanden in de wereld (NAFTA, ASEAN, NAVO). Ten aanzien van een zeer nauw verbond als het huwelijk geldt dat we geen huwelijk mogen aangaan met een man of vrouw die een antichristelijke of atheïstische godsdienst aanhangt. De Bijbel is daar duidelijk over (Neh. 13:23-31; 2 Kor. 6:14). Maar dit geldt niet minder voor een land en volk. Als land mogen wij ons niet in een nauw verbond verzwageren met antichristelijke en atheïstische landen 17 , waarvan er in de EU velen zijn. Wij mogen ons niet verzwageren met machten van onen bijgeloof, waarvan de EU een voorbeeld is. Dit alleen al zou voor ons persoonlijk en voor de SGP en voor onze regering een genoegzame reden moeten zijn om ons verre te houden van stemmen voor en participatie in het EP.
Minder vergaande verdragen met antichristelijke landen zijn op zich wel geoorloofd, zoals bilaterale of zelfs regionale handelsverdragen en afspraken over grensoverschrijdende problemen met de ons land omringende landen. Zelfs vredesverdragen met antichristelijke landen om elkaar niet aan te vallen kunnen Bijbels niet veroordeeld worden, mits die niet strekken tot oneer van God, tot nadeel van de gereformeerde religie en/of tot erkenning van valse godsdiensten. In plaats van een zeer nauw supranationaal EU-verbond zijn er dus heus nog wel andere verdragen mogelijk om grensoverschrijdende kwesties tot een goed einde te brengen. Ook van die kant bezien is het huidige EU-verbond niet onontkoombaar.
Niet in het EP, maar in ons eigen land heeft eenieder van ons de taak en opdracht om tot reducering en omvorming van de EU tot een zuiver intergouvernementeel verbond zonder supranationale organen op te roepen. Niet in de eerste plaats vanwege onze portemonnee, maar vanwege de op Gods Woord gegronde staatkundig gereformeerde beginselen. Geve de Heere dat in ons land nog met een ware bewogenheid klinken mag: O land, land, land hoor des HEEREN Woord (Jer. 22:29) en die oproep nog ingang mocht vinden onder jong en oud.
Noten:
1) Th. Baudet, De aanval op de natiestaat, Amsterdam 2012, p. 208-210
2) Handelingen Tweede Kamer, 1936-1937, 1 december 1936, p. 686-688 (herspeld)
3) Zie: ‘De Volkenbond’, in: De Banier, 13 februari en 26 mei 1930
4) Handelingen Tweede Kamer, 1938-1939, 8 november 1938, p. 169 (herspeld)
5) Handelingen Tweede Kamer, 1939-1940, 9 november 1939, p. 307 (herspeld)
6) P. Zandt, ‘De fundamenten omgestoten’, in: Hoort de roede, dl. 3, 1984, p. 47-48
7) P. Zandt, ‘De weg tot vrede en welvaart’, in: Hoort de roede, dl. 3, 1984, p. 61-62
8) Zie: ‘Algemene Beschouwingen over de begroting van 1961’, in: De Banier, 13 oktober 1960
9) Zie: ‘Goedkeuring van het verdrag van de Euromarkt en Euratom’, in: De Banier, 10 oktober 1957
10) Zie: ‘Algemene Beschouwingen over de begroting van 1961’, in: De Banier, 13 oktober 1960
11) Handelingen Tweede Kamer, 1957-1958, 1 oktober 1957, p. 51
12) Zie: ‘Behandeling van de Parijse accoorden’, in: De Banier, 7 april 1955
13) Toelichting op het Program van Beginselen van de Staatkundig Gereformeerde Partij, Houten 2003, p. 115 en 118
14) Handelingen Tweede Kamer 1954-1955, 21 december 1954, p. 601-602 (herspeld). Zie ook: ‘Buitenlandse Zaken’, in: De Banier, 27 januari 1955
15) Zie: ‘Algemene Beschouwingen over de begroting van 1961’, in: De Banier, 13 oktober 1960
16) Zie: ‘Begroting van Buitenlandse Zaken’, in: De Banier, 20 februari 1958
17) Zie meer hierover in: ‘Samenwerken ja, supranationaal nee’, in: In het spoor, meinummer 2009, p. 69-71. En: ‘Nederland: eens van God gezegend’, in: In het spoor, meinummer 2004, p. 94-97
Een alarmkreet tot nederland
Freule Van Stralen schreef: “Gij hebt u met Gods vijanden verbonden, uzelf verkocht om kwaad te doen. Al wat er geschiedt, gaat buiten de ware eeuwige levende Drieënige Jehova om! God regeert: dit was de leuze van de vaderen; maar eigen kracht, schepselwaarde en volmaaktheid is de leuze van het tegenwoordige geslacht (Jer. 30: 12; 45: 4). O Nederland, Nederland, gij moogt nu in opgeblazenheid en trotsheid gelijk weleer een Farao zeggen: ‘Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou…?’ (Ex. 5:2). ‘Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal de Allerhoogste gelijk worden. Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden’ (Jes. 14: 14- 15). Gij jubelt en juicht in uw dwaasheid en blindheid over uw grootse plannen en ondernemingen (…). De Heere HEERE zal al uw torens van Babel terneerwerpen, in al uw fraaie en reusachtige plannen en ondernemingen blazen. Waarom? Omdat zij alle zonder Hem zijn aangevangen, omdat Hij er niet het begin, midden en einde in is. En nu is er geen zegen, maar een vloek op. Gods oordeel ligt erop! ‘Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen’ (Ezech. 21: 27). (…) Nederland, wat juicht gij toch over de vrijmaking der slaven? Is het tijd om zo te juichen en te jubelen, daar de toestand van uw koloniën er zo droevig uitziet, zo onrustbarend en onheilspellend is; daar de tijd staat aan te breken dat gij door het verlies van uw koloniën te gronde zult gaan? Het wangedrag van de Nederlanders, de knevelarijen in de Oost- en West-Indiën, vroeger en later door de Nederlanders gepleegd, roepen om wraak naar de hemel. Wat is u dan, gij hardslapend en gerust dromend Nederland, terwijl uw fundamenten ondermijnd zijn en het zwaard vanbinnen en het zwaard vanbuiten tegen u gescherpt en ook gevaagd is, terwijl het vuur van verdeeldheid en verwarring in uw boezem smeulende, u verteren zal en de uitgezochtste en listigste dwaalleringen, helse en vergiftige ketterijen u als het alles meeslepend water, als een vernielende zondvloed, overstromen en inzwelgen zullen? De HEERE heeft in Zijn rechtmatig oordeel ‘over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps’ (Jes. 29:10). Nederland, Nederland, als gij zo volhardt in de schrikbarende Godverzaking, afgoderij en beeldendienst, in de wellust, brooddronkenheid en weelde, in het vloeken, liegen, doodslaan en stelen (Hos. 4:1-3), dan snelt gij uw verderf [tegemoet]…”.
-Freule F.A.C. van Stralen, Een alarmkreet tot Nederland…, Gorinchem 1995, p. 9-10 (herspeld)-
Een verenigd europa, een vals ideaal!
“Stellig die dwaze hoogmoed God gelijk te willen zijn, leeft in het hart van een iegelijk mens. Doch in onze tijd komt dit in het doen en laten der mensheid openlijk naar voren, waartoe de moderne filosofie, inzonderheid die van Hegel, die de mens vergood heeft, veel heeft bijgedragen. Verhief Marx de leuze: ‘Proletariërs aller landen, verenigt u!’, thans doet de leuze opgeld: ‘Mensen aller landen, verenigt u!’ Vandaar de stichting van de Volkenbond, en vandaar ook is de Volkenbond als een tweede toren van Babel in puin ter aarde neergestort. (…)
Uit de vergoding en verheerlijking van de mens komt al evenzeer voort dat men een verenigd Europa als een ideaal voorstelt, waardoor de volken een gelukkige en welvarende toekomst zal gewaarborgd worden; een illusie waarmee men vrij algemeen zó dweept dat men - tot antirevolutionairen en Christelijk-historischen ten onzent toe - er de zelfstandigheid, de soevereiniteit van ons eigen volksbestaan, gedeeltelijk of geheel aan wil opofferen. Eenzelfde geest valt ook al waar te nemen in het streven naar een gemeenschappelijke Europese markt (…).
-Ds. P. Zandt, in: Hoort de roede, dl. 3, 1984, p. 92- 93 (herspeld)-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 mei 2014
In het spoor | 68 Pagina's