Frederik III van de Palts (1515-1576), Een Voedsterheer van de Kerk -8-
In de laatste twee artikelen 1 over Frederik III zijn we ingegaan op de verweergeschriften van Ursinus en de preken van Olevianus ter verdediging van de Heidelbergse Catechismus. De verschijning van dit geschrift had heftige reacties van vooral lutherse zijde opgeroepen. Opvallend was de waardige en grondige wijze waarop vooral Ursinus de tegenstanders van repliek wist te dienen. Vastgesteld kon ook worden dat beiden de hervormingsmaatregelen van Frederik ten aanzien van het weren en uitroeien van alle afgoderij en valse godsdienst zonder meer van harte steunden. Nog was de tegenstand echter niet ten einde, integendeel! Zijn vijanden, tot wie niet in de laatste plaats de lutheranen behoorden, maakten zich op om hem met behulp van de nieuwe, roomse keizer (Maximiliaan II) op de Rijksdag van Augsburg (1566) van zijn hervormingsschreden te doen terugkeren of hem zelfs als (keur)vorst af te zetten. Voordat we deze bekende geschiedenis in een volgend artikel hopen te beschrijven, gaan we eerst nog in op een voorafgaande verzoeningspoging in Maulbronn uit het jaar 1564. Vervolgens komt als achtergrondinformatie met het oog op Augsburg Frederik als keurvorst en zijn verhouding tot de nieuwe keizer ter sprake.
Inmiddels is wat het leven van Frederik betreft zijn jeugd, huwelijk, overgang naar de lutherse en daarna naar de gereformeerde godsdienst beschreven met alle daarmee gepaard gaande beproevingen. Vervolgens is stilgestaan bij de hervormingen in zijn land, waartoe niet in de laatste plaats de totstandkoming en invoering van de Heidelbergse Catechismus behoren. Hiermee wilde hij de leer en liturgie in de kerken van zijn keurvorstendom in zuiver gereformeerde zin vastleggen en bewaren. We hebben vastgesteld dat Frederik zich daarin als een echte voedsterheer van Gods kerk mocht betonen, als een custos utriusque tabulae (een beschermer van beide tafelen van de Wet). Nadat de pijlen van vijandschap tegen de Catechismus vooral door de geschriften van Ursinus waren afgewend, kreeg Frederik weer moed om tot een verzoening met hen die het dichtst nabij stonden te komen. Daarom ging nu een verzoeningspoging van Heidelberg uit.
Bij de beschrijving van een en ander is weer de meeste informatie ontleend aan de oude biografie over Olevianus en Ursinus van Karl Sudhoff met de titel C. Olevianus und Z. Ursinus. Leben und ausgewählte Schriften 2 uit 1857 en aan die over Frederik III van F.A. Kluckhohn met de titel Friedrich der Fromme, Churfürst von der Pfalz, der Schützer der reformirten Kirche, 1559-1576 3 uit het jaar 1879.
Verzoeningspoging
Eerder schreven we hoe de tegenstand tegen de hervormingen in de Palts zowel van de kant van zijn di-recte familieleden als van sommige verwante en nietverwante naburige vorsten kwam. 4 Vooral de streng luthers geworden Christoph van Württemberg (1515-1568) speelde daarbij een hoofdrol samen met Wolfgang van Zweibrücken (1526-1569) en Frederiks zwager markgraaf Karel van Baden (1529-1577). Zij hadden de landgraaf Filips van Hessen (1504-1567) ingeschakeld om Frederik tot andere gedachten te brengen. Deze moest echter na een bezoek aan Heidelberg in 1563 tot de conclusie komen dat Frederik theologisch wist waarover hij sprak. Hij zag daarom van een verdere theologische discussie af. Wel drong hij bij Frederik sterk aan op een samenkomst van theologen om over de verschillen te praten, waartoe Frederik alleen met vrienden en familieleden, maar niet met al te fanatieke theologen genegen was. Zo moest Filips onder de indruk van de vroomheid van Frederik onverrichterzake vertrekken om hertog Christoph het volgende over Frederik te verzekeren: “Wij achten dat hij waarlijk een vroom man is.” 5 Ook een later gezantschap van de naburige vorsten kon Frederik niet tot een samenkomst bewegen. Wel was dit aanleiding tot een nieuw verdedigingsgeschrift, het Gründtlicher bericht, dat we in het vorige artikel beschreven hebben.
Toen in 1564 de meeste verdedigingsgeschriften verschenen waren, achtte Frederik de tijd rijp om allereerst een verzoeningspoging met de hertog van Württemberg te ondernemen en om daarna met de andere lutherse vorsten te praten. Hij stuurde een vriendelijke uitnodiging naar Christoph voor een gesprek, maar kreeg tot twee keer nul op het rekest.
Pas de derde keer had hij succes, zodat hij op 16 februari 1564 zonder begeleidende theologen naar Hilsbach vertrok. Hier wist Frederik Christoph over te halen tot een gesprek tussen hun theologen. Hoewel Christoph graag Filips van Hessen en anderen met hun theologen erbij had gehad, voorzag Frederik daarmee alleen maar moeilijkheden. Daarom wilde hij dat liever tot een later tijdstip uitstellen. Filips en Wolfgang von Zweibrücken waren echter niet tot deelname bereid, zodat dit probleem zich vanzelf oploste. Vol verwachting zag Frederik uit naar de 10 e april, waarop men in het klooster van Maulbronn het gesprek zou beginnen. Afgesproken was dat de politieke adviseurs direct zouden ingrijpen als het tussen de theologen tot onredelijk geruzie zou komen, en dat er geen notulen gepubliceerd werden om onenigheden achteraf te voorkomen.
Het gesprek te Maulbronn
In tegenstelling tot menig luthers vorst en zijn eigen theologen - Ursinus zag helemaal geen heil in een godsdienstgesprek - was Frederik hoopvol gestemd. Behalve Ursinus nam Frederik als theologen Caspar Olevianus (1536-1587), Petrus Boquinus (ca. 1510-1582), zijn hofpredikers Petrus Datheen (1531-1590) en Michael Diller (ca.1500-1570), alsook zijn adviseurs de rechtsgeleerde en overtuigde calvinist Christoph Ehem (1528-1592) en de arts en kerkenraadslid Thomas Erastus (1524-1583) mee. Als notulist fungeerde de taalkundige Wilhelm Xylander (Wilhelm Holtzman; 1532-1576). Het gesprek duurde van 10 tot en met 15 april en bestond uit tien lange bijeenkomsten. Woordvoerders van de kant van Heidelberg waren Boquinus en vooral Ursinus en Olevianus, terwijl Datheen zich er een enkele keer in mengde. Namens Württemberg voerde de uiterst gevatte theoloog Jakob Andreä (1528-1590) met name het woord, terwijl Johannes Brenz (1499- 1570) met enige andere theologen hem op de achtergrond ondersteunde. Twee vragen waren onderwerp van discussie, hoe de instellingswoorden van het Avondmaal verstaan moeten worden en of Jezus ook naar Zijn menselijke natuur overaltegenwoordig is. De kanselier Ehem opende het geheel met een rede waarin hij aandrong op het afleggen van partijschap en het beoefenen van bescheidenheid en mildheid en waarin hij namens de beide vorsten wees op het feit dat men eenmaal voor God rekenschap van woorden en werken moest afleggen. Olevianus beloofde voor het aangezicht van God daarop namens de theologen van de Palts dat zij de Württembergers als broeders zouden behandelen, alleen met Gods Woord zouden strijden en dat zij alles wilden richten op de vrede en stichting van de kerk, “want de zaken zijn Godes, in Wiens hand het verschrikkelijk is te vallen”. 7 Na sterk aandringen van de Württembergse theologen werd, wat onlogisch, met de tweede vraag begonnen, waaraan de eerste acht bijeenkomsten gewijd waren. Na een openingsgebed van Olevianus begon het eigen lijke twistgesprek, dat door Sudhoff uitvoerig wordt weergegeven en dat grotendeels in tegenstelling tot wat veelal toen gebruikelijk was, redelijk rustig verliep. Volgens Kluckhohn was dit behalve aan de ontzag afdwingende persoonlijkheden van de beide vorsten Frederik en Christoph vooral te danken aan de rustige en gematigde houding van de Heidelbergse theologen. 8
Het verloop
We kunnen hier slechts enkele opmerkelijke zaken uit dit gesprek aanhalen. Gedurig werd Andreä door Ursinus in het nauw gedreven, waarbij deze dan op andere zaken overstapte en niet serieus op de argumenten van de tegenpartij inging. Ook nam hij zijn toevlucht tot boute, onbewezen beweringen en zinloze onderscheidingen, soms verbonden met uiterst lange uitweidingen. Olevianus bracht Andreä daarbij in moeilijkheden met de herhaalde vraag of Christus ook in de moederschoot van Maria al overaltegenwoordig was, wat deze uiteindelijk toestemde. Daarop zette Olevianus hem klem met de opmerking dat Christus dan in de moederschoot van alle maagden aanwezig zou moeten zijn. Met een nietszeggende onderscheiding praatte Andreä zich hier weer uit. Ook Frederik mengde zich wel eens in het gesprek. Toen Andreä voor de alomtegenwoordigheid van Christus zich op Luther beriep, onderbrak de keurvorst hem met de opmerking: “Luther was geen apostel, ook hij kon dwalen.” 9 Acht zittingen lang verliep het gesprek over de alomtegenwoordigheid zonder dat men maar iets tot elkaar kwam. Op verzoek van de Württembergers besloot men daarom zonder overeenstemming over de betekenis van de instellingswoorden verder te gaan. Maar toen op de tiende bijeenkomst het gesprek weer door Andreä op de alomtegenwoordigheid gebracht werd, zagen de vorsten het vruchteloze van het geheel in en onder het mom van dringende zaken werd het gesprek beëindigd. Het is veelzeggend dat Frederik daarna nog eens persoonlijk probeerde om Andreä en Brenz tot wat toegeven te bewegen, maar tevergeefs. Voordat Christoph vertrok, schreef deze zijn mening op over de besproken theologische zaken en deed dit schrijven Frederik toekomen. Hierop reageerde Frederik in de nacht van 17 op 18 april met zijn mening, die hij naar eigen zeggen door nauwgezette studie van Gods Woord zich eigen had gemaakt en waarvan hij overtuigd was dat die overeenkwam met het algemeen Christelijke geloof en de oude Christelijke kerk. 10 Beide vorsten waren zeer teleurgesteld over het mislukken van deze verzoeningspoging.
Getuigenis van een voedsterheer: brief van 1 juli 1564
In het bijzonder was voor Frederik het mislukken van Maulbronn een pijnlijke zaak. Duidelijk was nu dat hij met zijn gereformeerde belijdenis en zijn hervormingen onder de Duitse vorsten geheel alleen stond. Frederik had zijn ambt als keurvorst aanvaard in de hoop om de eenheid onder de vorsten te bewerkstelligen en de protestantse kerk in vrede te doen groeien. Maar nu werd hij ervan beschuldigd van de zuivere leer af te wijken en door zijn hervormingen de kerk te verwoesten. Was hij wel op de goede weg? Zulke aanvechtingen zullen zijn deel zijn geworden. Toch mocht hij deze in het geloof overwinnen, zoals uit een brief van 1 juli 1564 aan zijn zonen Lodewijk, Johann Casimir en Christoph alsook enkele vertrouwde adviseurs blijkt. Indrukwekkend is het getuigenis dat uit deze brief klinkt, waarin hij ook een terugblik op zijn hervormingen en de tegenstand daartegen geeft. We kunnen niet nalaten deze brief wat uitvoeriger weer te geven en enkele citaten daaruit in vertaling door te geven. Hier is werkelijk een door God geroepen kind en knecht aan het woord! Zijn brief begint hij met te wijzen op zijn Goddelijke roeping en plicht. Hij laat zijn zonen en adviseurs als voedsterheer van Gods kerk en volledig in overeenstemming met artikel 36 NGB weten dat hij:
“zich niet in de regering ingedrongen heeft, maar door God daarin geplaatst is. Hem moet men danken Die de genade verleend heeft dat hij de kennis van Zijn Woord verkregen heeft en dat hij niet voor tijdelijk zingenot en voor zijn plezier leeft, maar als hoeder over de schaapjes van Christus aangesteld is om hen te weiden en voor afgoderij te behoeden en deze af te schaffen en de eer van God te bevorderen. Ten tweede is hij aangesteld om de onderdanen in het tijdelijke te beschermen en te behoeden. Daarom wil hij zich zelf en zijn zonen aansporen, dit in gedachtenis te houden.” 11
Vervolgens herinnert hij aan de kerkelijke moeilijkheden in Heidelberg en dat men hem zijn vrouw en kinderen heeft willen afnemen en in de kerken van Thüringen tegen hem gebeden heeft, hoewel men zijn naam niet noemde. Dit alles dreef hem echter te meer in het gebed tot God uit en mocht hem des te meer doen vertrouwen dat God hem met Zijn Heilige Geest niet zou verlaten. Zijn streven is overal en te allen tijde erop gericht om “zoals alle Godzalige overheden de afgoderij af te schaffen, in het bijzonder die welke uit het pausdom zijn voortgekomen.” 13 Daarom heeft hij de afgoderij die met het ronde brood bij het Avondmaal bedreven werd, alsof de predikanten God in hun handen hadden, zonder het advies van zijn raadgevers afgeschaft en het breken van het brood ingesteld. Een verandering die door vele vrienden hem is kwalijk genomen, maar waarin hij het bevel van God en het voorbeeld van de discipelen wenste te volgen. Verder heeft nog niemand de Catechismus, de latere kerkorde en de verweerschriften op grond van Gods Woord kunnen weerleggen. Daarom moeten deze zo gehandhaafd blijven. Hierin is geen nieuwe leer te vinden, wat sommigen lasteren. Deze leer is in overeenstemming met het Oude en Nieuwe Testament, met de oude Christelijke kerk en met de Augsburgse Confessie. Voor deze leer hebben anderen in landen als Frankrijk, Spanje, Engeland, Schotland, Nederland en Italië goed en veel bloed over. God wil niet alleen de mond, maar ook het hart en de hand hebben. Ondanks alle tegenstand wil hij daarom met alle vrome Christenen de ware religie belijden en tot aan het eind van zijn leven daaraan vasthouden.
“Aangezien hij nu in zijn geweten ervan overtuigd is dat zijn religie naar Gods Woord is, kan hij zich daarvan des te minder noch door de wereld noch door de duivel laten afschrikken, en is hij van plan ook tot aan het einde met alle vrome Christenen haar te belijden en te praktiseren, tegen alle poorten van de hel in als hij die religie dan van plan is voor zich en zijn zonen te planten.” 14
Vervolgens wekt hij zijn zonen en adviseurs op om hem in het handhaven van de zuivere godsdienst en het weren van de afgoderij te volgen om dan verzekerd te mogen zijn van de zegen des Heeren.
Hiermee wil hij wat zich zelf betreft getuigen dat hij in deze religie wil sterven en leven en onwrikbaar blijven en ook hen, zijn zonen, eraan herinnerd hebben dat zij dezelfde zuiver ingevoerde religie willen praktiseren en daar waar niet alles opgeruimd is, dat naar hun vermogen uit de weg ruimen. Want dit weet hij uit de Bijbelse geschiedenissen dat aan God geen welgevalliger dienst bewezen kan worden dan dat men de gruwel van afgoderij uit de kerk wegdoet; niets verschrikkelijker is er dan de afgoderij, zoals onze ouders zich daartoe hebben laten overreden en goden wilden zijn [d.w.z. consubstantiatie; PHoptH], waarom God hen en ons daarop gestraft heeft. Daarom wil hij ook zijn zonen en adviseurs daaraan herinneren en daartoe aansporen om zijn voorbeeld te volgen. Waar dat gebeurt, zal God Zijn zegen geven, zal Hij vrede en voorspoed verlenen en Zijn bescherming schenken.” 15
Ten slotte waarschuwt hij hen in de volle zekerheid van het geloof dat als zij de afgoderij weer willen herstellen, zij tijdelijke en eeuwige straffen hebben te verwachten. Zij dienen het voorbeeld van koning Josia uit 2 Koningen 22 en 23 steeds voor ogen te houden. Bijna profetisch wijst hij dan op het herstel van de afgoderij door de kinderen van Josia, Jóahaz en Jójakim, zoals in de verzen 32 en 37 van hoofdstuk 23 te lezen is. 16 Wellicht heeft hij hier al een voorgevoel gehad dat zijn zoon en opvolger Lodewijk VI (1539-1583) weer tot de lutherse godsdienst zou terugkeren en zijn hervormingen voor een groot deel zou tenietdoen.
Men heeft Frederik gewaarschuwd dat men van plan is hem aan te pakken van een kant waarvan men dit het allerminst zou verwachten, maar dit is het werk van de satan die hem van zijn goede voornemen wil afschrikken en hem kleinmoedig wil maken. Dit alles wil hij zijn zonen en adviseurs laten weten.
Nasleep
Frederik en Christoph hadden afgesproken dat er geen notulen van het gesprek gepubliceerd zouden worden en dat hun theologen zich zouden onthouden van strijdgeschriften en elke vorm van haatuitingen. Desondanks verscheen nog in hetzelfde jaar op instigatie van Brenz in Frankfurt am Main een verslag. Hierin werd gesteld dat de mensen uit de Palts alleen maar spitsvondige onzinnigheden te berde hadden gebracht door het ene moment iets te ontkennen en dit het andere moment toe te geven, kortom dat ze zelf niet wisten wat ze geloofden. Daardoor waren de hertog en zijn adviseurs des te meer in het geloof en de belijdenis van hun kerk versterkt. Maar hier verweet de pot de ketel dat hij zwart is.
Onmiskenbaar waren de Heidelbergers op grond van argumenten winnaar, al was het dan niet op grond van handigheid en spitsvondigheid. Ursinus heeft in vertrouwelijke brieven zijn teleurstelling en terechte verontwaardiging uitgesproken over de vindingrijke trucjes en onredelijke uitvluchten van Andreä. Waarschijnlijk heeft hertog Christoph, die niet tot een veroordeling van Frederik en daarmee tot zijn uitsluiting van de Augsburgse godsdienstvrede wilde komen, zich door zijn fanatieke theologen laten overhalen om zijn belofte te breken. Steeds meer raakte hij in de ban van zijn theologen.
Het antwoord van de Heidelbergers kon niet achterblijven en zij publiceerden de volledige notulen samen met een grondige weerlegging van het strijdgeschrift van Brenz van de hand van Ursinus. De Württembergers gaven weer een reactie en publiceerden eveneens de notulen met in de titel de onheuse bejegening ‘zonder toevoegingen en weglatingen‘. Ten onrechte werden daarmee de Heidelbergers van een bewuste vervalsing of verminking beticht. Het bewijst het blinde fanatisme en de onredelijke strijdlust van de Württembergse theologen. Nogmaals trad Ursinus in het strijdperk. Er volgde daarna nog een vloed van strijd- en smaadschriften omdat elke partij het laatste woord wilde hebben. Deze strijd was tegen de bedoeling van Frederik en heeft hem ongetwijfeld leed gedaan. Toch wilde hij zijn theologen de verdediging van de waarheid niet verbieden. Hij volgde de theologische discussie nauwlettend en nam zelfs actief deel aan de beantwoording van de vraag hoe Luther zich in de Avondmaalskwestie had opgesteld.
De gematigde Avondmaalsopvatting van Luther
Bij zijn zoektocht naar de waarheid had Frederik ook de geschriften van Luther uitvoerig bestudeerd en ontdekt dat de reformator in het begin van zijn prediking heel wat dwalingen had gehad die hij later herroepen had. Dit had Frederik er niet toe gebracht om de buitengewone verdienste van hem als reformator maar enigszins te ontkennen, maar wel zag hij duidelijk in dat Luther geen profeet of apostel was die niet zou kunnen dwalen. De keurvorst had mondeling gehoord dat Luther kort voor zijn sterven zich milder en anders over de Avondmaalsstrijd zou hebben geuit dan hij vroeger had gedaan, terwijl de gnesio-lutheranen niet moe werden zich voor hun streng lutherse Avondmaalsopvatting op hem als autoriteit te beroepen. Luther zou vóór zijn laatste reis naar Wittenberg in een gesprek met Melanchthon toegegeven hebben dat hij betreffende het Avondmaalsgeschil de zaak overdreven had. Waarschijnlijk heeft Ursinus Frederik het eerst van dit veel omstreden gesprek op de hoogte gesteld. Melanchthon zou eerlijk tegen Luther gezegd hebben dat de kerkvaders op het punt van het Avondmaal dichter bij de Zwitserse leer stonden dan bij die van Luther. Daarop zou Luther toegegeven hebben: “Lieber Philippus, ich bekenne, daβ der Sache vom Sacrament zu viel gethan ist.” 17 , wat zo ongeveer betekent: “Beste Philippus, ik geef toe dat de zaak van het sacrament overdreven is”. Daarop zou Melanchthon voorgesteld hebben om een geschrift te doen uitgaan waarin de zaak verzacht werd om de waarheid recht te doen en de kerken weer eendrachtig te maken. Hierop zou Luther gezegd hebben: “Ja, beste Philippus, ik heb dit vaak en menigmaal gedacht, maar zo zou de hele leer verdacht gemaakt worden. Ik wil het aan de almachtige God overlaten. Doen jullie ook iets na mijn dood.” 18 Melanchthon maakte geen geheim van dit gesprek en vertelde dit zijn vertrouwde leerlingen en vrienden. Zo heeft Ursinus dit in Wittenberg gehoord.
Uit Melanchthons mond hadden de Nederlandse predikant uit het Overijsselse Rheeze (buurtschap bij Hardenberg) Albert Hardenberg of Albertus Risaeus (1510-1574) 19 , die in Bremen en Emden predikant is geweest, en de Bremer domheer Herbert von Langen 20 dit verhaal ook gehoord en bij de Avondmaalsstrijd in Bremen omstreeks 1560 in een verhoor voor de burgemeester en Raad daarvan gebruikgemaakt. Om zekerheid hierover te verkrijgen, zond de Raad van Bremen een afgezant naar Wittenberg, waar Melanchthon de man verzekerde dat het verhaal op waarheid berustte. Frederik hoorde hiervan en liet daarop een schrijven naar de burgemeester van Bremen uitgaan met het verzoek om het getuigenis van hem en van Herbert von Langen alsook van de afgezant dat dit zich alles echt in Bremen had afgespeeld. Een antwoord uit Bremen verzekerde hem dat men de waarheid hiervan voor de hele wereld wilde betuigen. Van Albert Hardenberg ligt, aldus Klukhohn, in Bremen een schriftelijke verklaring onder ede die hij zelf na het verhoor voor de Raad heeft opgesteld en waarin hij getuigt dat hij het voorval uit de mond van Melanchthon zelf gehoord heeft. 21
Toch wordt dit gegeven van Luthers gematigde Avondmaalsopvatting niet alleen door lutherse kerkhistorici verworpen, maar zelfs ook door protestantse betwijfeld. Helaas blijft waar dat Luther zelf naar buiten toe van geen verandering blijk heeft gegeven. De getuigenissen uit Bremen gaven Frederik en Ursinus echter het volste recht om van deze kennis gebruik te maken. Frederik deed dit in brieven aan zijn schoonzoon en Ursinus in zijn aan de notulen van het gesprek te Maulbronn toegevoegde verweerschrift tegen het verslag van de Württembergers. Dit leidde echter alleen maar tot een toenemende verbittering van de lutherse tegenstanders, die ronduit spraken van openbare leugens. Ook hertog Christoph liet zich niet vermurwen toen Theodorus Beza in 1565 twee op rustige toon gestelde geschriften aan hem opdroeg, een tegen Brenz over de alomtegenwoordigheid van het lichaam van Christus en een tegen Andreä.
Keurvorst
Frederik was keurvorst. Dat wil zeggen dat hij tot het college behoorde dat het recht had bij het overlijden van de keizer een nieuwe koning van Duitsland te kiezen die tot keizer gekroond werd. De keurvorsten hadden tevens het recht om een keurhoed te dragen en deze in hun wapen te voeren. Deze rechten waren in het belangrijkste document van het ‘Heilige Roomse Rijk’ de ‘Gouden Bul’ uit het jaar 1356 vastgelegd. Dit Rijk heette ‘Rooms’ omdat het zich als voortzetting van het Romeinse Rijk beschouwde en ‘Heilig’ vanwege de nauwe verwevenheid met de sancta ecclesia (de Heilige Kerk) uit de Middeleeuwen. In de Middeleeuwen werd de nieuw gekozen koning dan ook door de paus tot keizer van het Heilige Roomse Rijk gekroond, maar vanaf de zestiende eeuw nam deze zelf de keizerstitel aan. In de ‘Gouden Bul’ was ook beschreven dat de zeven keurvorsten vier wereldlijke vorsten waren, namelijk de Paltsgraaf aan de Rijn (tevens vervanger van de koning bij diens ontstentenis), de koning van Bohemen, de hertog van Saksen en de markgraaf van Brandenburg en drie geestelijken, namelijk de aartsbisschoppen van Mainz, Trier en Keulen. In 1495 werd in Worms de eerste ‘Reichstag’ (Rijksdag) als wetgevend orgaan van het Rijk gehouden, waar door staatkundige hervormingen enige structuur aan het Rijk werd gegeven. In 1512 werden tien landen samengebracht in een nieuwe organisatiestructuur, zodat het Rijk nu heette: ‘Heiliges Römisches Reich Deutscher Nation’. ‘Deutscher Nation’, omdat de meeste inwoners Duits als moedertaal hadden en de Duitse Habsburgers op één na alle keizers leverden. Belangrijk is ook te weten dat de Duitse keurvorsten de keizer pas kozen als deze allerlei concessies had gedaan. Hiermee was hun macht veiliggesteld.
Toen Frederik in 1559 keurvorst werd, was Ferdinand I (1503-1564) keizer. Deze was de roomse godsdienst van harte toegedaan. Als plaatsvervanger van zijn oudere broer Karel V (1500-1558), die zoals algemeen bekend streefde naar één groot rijk met als enige godsdienst de roomse, kwam onder zijn voorzitterschap zonder Karels toestemming de godsdienstvrede van Augsburg in 1555 tot stand. Het was een vrede tussen de roomsen en luthersen waarin bepaald was dat de landsheer de godsdienst van zijn onderdanen bepaalde (cuius regio, eius religio). Zijn broer Karel V deed daarop ontgoocheld afstand van de troon, waarna het Rijk zich splitste. Zijn zoon Filips II kreeg Spanje en de Nederlanden, terwijl Karels broer Ferdinand de Duitse gebieden onder zijn hoede kreeg.
Overigens was en bleef Ferdinand overtuigd rooms, maar hij stond uit politieke overwegingen toleranter tegenover de protestanten en hield zich strak aan de godsdienstvrede tot tevredenheid van de Duitse rijksvorsten. In dit opzicht waardeerde Frederik hem ook als keizer. Anders stond de oudste zoon van Ferdinand Maximiliaan II (1527-1576) tegenover de godsdienst. Hij was een ijverig onderzoeker van de Bijbel en bestudeerde de geschriften van Luther en andere reformatoren. Hij had een gereformeerde lijfarts, terwijl zijn hofprediker Johann Sebastian Pfauser (1520-1569) getrouwd en luthersgezind was. Door zijn invloed liet Maximiliaan bepaalde roomse gebruiken na en gebruikte bijvoorbeeld het Avondmaal alleen maar onder beide gestalten (brood én wijn). Zijn vader Ferdinand zette hem echter onder druk en dwong hem om Pfauser te ontslaan. Tot een hartelijke persoonlijke keuze voor het protestantisme kwam het bij hem niet. Hij wilde de kroon van Hongarije en het keizerschap van het Duitse Rijk niet op het spel zetten en zwichtte voor de druk van zijn vader en de roomse kerk. Tegenover een Poolse kardinaal verklaarde hij “niet papist, noch lutheraan, maar Christen” 23 te willen zijn. Enerzijds speelde hij de rol van trouwe aanhanger van de roomse kerk, anderzijds stond hij open voor hervormingen. In dit opzicht bleef hij de ‘raadselachtige’ keizer. Uiteindelijk wilde hij de godsdienstvrede in zijn rijk bewerkstelligen binnen de kaders van de godsdienstvrede van Augsburg, waarbij naar zijn opvatting geen plaats kon zijn voor sekten en dweperijen, waartoe hij de leer van Zwingli en Calvijn rekende. 24
Frederik en de nieuwe koning
Toen Maximiliaan vanwege zijn belangstelling voor de Hervorming door zijn vader gedwongen werd om zijn hofprediker te ontslaan, liet hij in april 1560 door middel van een gezant de bevriende protestantse vorsten om raad vragen en informeerde hij of ze eventueel bereid waren om hem te beschermen. Op 3 juni bereikten deze vragen Heidelberg. Het zeer lezenswaardige antwoord van Frederik van 5 juni 25 , waaruit zijn oprechte Godsvrucht weer zo onmiskenbaar blijkt, luidde samengevat als volgt: hij diende wat de predikant betreft zijn vader te gehoorzamen, maar des te ijveriger God om hulp aan te roepen en tegelijk de gruwel van de mis en alle afgoderij te vlieden en openlijk tegenover zijn vader en de mensen de waarheid te belijden. Bij eventuele moeilijkheden zou Frederik hem niet in de steek laten, hoewel Maximiliaan zich aan Gods leiding moest onderwerpen. Omdat Frederik door geen eed aan de paus of het pausdom was gebonden, kon hij bij moeilijkheden van deze zijde niet alleen op zijn vriendelijke gezindheid, maar ook op zijn daadwerkelijke hulp rekenen.
In de herfst van het jaar 1561 stelde keizer Ferdinand als bindende voorwaarde voor het Duitse koning- en keizerschap dat Maximiliaan in leven en sterven de roomse kerk trouw zou blijven. Helaas hiertegen was Maximiliaan niet bestand. Hij legde die belofte af, min of meer in het geheim zodat hij tegenover de protestanten een andere schijn kon ophouden, onder andere door het Avondmaal onder beide gestalten te gebruiken. De paus was tevreden en de protestantse keurvorsten van Brandenburg en Saksen eveneens. Alleen keurvorst Frederik kon zich er niet in vinden. Toen keizerlijke gezanten eind 1561 bij hem om toestemming vroegen voor de keuze van een Duitse koning terwijl de keizer nog leefde, gaf hij die niet. Als redenen voerde hij aan dat dit tegen de constitutie van het Rijk en het vrije kiesrecht van de keurvorsten inging en dat daarmee de opvolging voor het Oostenrijkse huis erfelijk zou worden, terwijl het voor het Rijk beter was dat een ander vorstenhuis aan de macht zou komen. Bovendien bezwaarde Frederik behalve de halfheid van Maximiliaan ook de goede verhouding van het Oostenrijkse huis met Spanje. Terecht zag hij hierin het grootste gevaar voor het Duitse protestantisme. Daar kwam nog bij dat bij ontstentenis van de Duitse koning de keurvorst van de Palts diens plaatsvervanger was, zodat uitstel van een nieuwe koning alleen maar in het belang van het protestantisme was.
Grote druk werd er vervolgens uitgeoefend door keizer Ferdinand, het Oostenrijkse hof en Christoph von Württemberg, die niet geheel onbaatzuchtig zei van Maximiliaan veel goeds voor de Duitse protestanten te verwachten. Nadat Frederik onmogelijk langer een vergadering van de keurvorsten kon tegenhouden, kwamen zij in oktober met de keizer en zijn zoon Maximiliaan ter vergadering in Frankfurt bijeen.
Bij de onderhandelingen bleek dat iedereen de keuze van Maximiliaan steunde en alles eigenlijk al voorbereid was, zodat hij dit niet meer kon tegenhouden. Met de grootste moeite overtuigde hij de beide andere protestantse keurvorsten van het belang om de verplichting van de toekomstige keizer om de roomse stoel en de pauselijke heiligheid te beschermen in zoverre te beperken dat zij daartoe niet bereid waren en zich niet verplicht hoefden te gevoelen. Niet verhinderd kon worden dat Maximiliaan de gebruikelijke eden zwoer.
Ter geruststelling van de protestantse vorsten toonde Maximiliaan in Frankfurt zijn warme belangstelling voor de kerk van de Augsburgse Confessie, waarbij hij de noodzaak van eenheid onder de Duitse protestantse vorsten beklemtoonde. Zo werd op 24 november 1562 Maximiliaan tot koning van Duitsland gekozen. Ter verdere geruststelling van de protestanten werd tegen de gewoonte in door de nieuwe koning het Avondmaal niet gevierd. Omdat allerlei koninklijke gewaden van ver gehaald moesten worden, vond de kroning pas op 30 november plaats. Frederik ergerde zich bij het aanzien van de roomse ceremoniën bij de kroning zo dat hertog Christoph hem moest kalmeren. Maar tot het bijwonen van de “gruwel van de pauselijke mis” 26 kon niemand hem overhalen: samen met zijn zoon Johann Casimir verliet hij als enige onder de keur- en andere vorsten de kerk. Opmerkelijk is dat Ferdinand en Maximiliaan met enige andere vorsten op hun terugreis van Frankfurt enige dagen te gast bleven in Heidelberg om aan een jachtpartij deel te nemen. Kennelijk had het optreden van keurvorst Frederik bij de verkiezing en kroning van de nieuwe koning hen toch niet zo geïrriteerd dat zij zich niet meer met hem wilden bemoeien.
Overhandiging Catechismus en toename tegenstand
Voordat de nieuwe Duitse koning Maximiliaan naar Oostenrijk terugkeerde, verbleef hij nog enige tijd bij hertog Christoph in Stuttgart en Augsburg. In de laatste plaats overhandigde de raadgever en diplomaat van Frederik Wenzeslaus Zuleger (1530-1596) in het voorjaar van 1563 hem een exemplaar van de Heidelbergse Catechismus met het verzoek om zijn oordeel hierover. De koning ging niet op dit verzoek in onder het voorwendsel dat zijn verstand tekortschoot. Toch reageerde hij later per brief van 25 april vanuit Wenen. Zoals we eerder schreven 27 , hield het antwoord een vriendelijke, maar duidelijke waarschuwing in. Volgens Maximiliaan was het geschrift vooral op het punt van de Doop en het Avondmaal zwingliaans. En de leer van Zwingli kwam niet overeen met de Augsburgse Confessie en met de oude godsdienst, zodat deze buiten de godsdienstvrede van Augsburg viel. 28
Iets later (brief van 13 juli) volgde een bijna dreigende brief van keizer Ferdinand zelf om bij de Augsburgse Confessie te blijven en niet onder het mom van deze belijdenis de leer van Zwingli en Calvijn aan te hangen en in zijn land in te voeren. 29 Toch trok Frederik zich hiervan weinig aan mede omdat hij geloofde dat koning en keizer door hun theologen misleid werden. In dit gevoelen werd hij versterkt omdat hij korte tijd later van de koning enige jachthonden en een koets ten geschenke kreeg. Ondertussen lieten Wolfgang von Zweibrücken en Christoph niet na de koning op de hoogte te houden van hun vergeefse pogingen om Frederik van het calvinisme te doen terugkeren. Toch ging de koning niet in op hun verzoek om een nieuwe waarschuwingsbrief te schrijven.
Overlijden van de keizer en brieven aan de nieuwe keizer
Op 25 juli 1564 stierf keizer Ferdinand I. Maximiliaan werd nu behalve koning van Bohemen, Hongarije en aartshertog van Oostenrijk keizer van het Heilige Roomse Rijk. De protestanten waren nu vol hoop dat de Reformatie zich volledig kon doorzetten en allerlei maatregelen ten nadele van de protestanten zouden worden opgeheven. Deze hoop komt ook tot uitdrukking in de formele gelukwens van Frederik van 14 augustus. Hij betuigt zijn deelneming bij het verlies van zijn vader en spreekt tevens zijn vertrouwen uit in de goede bedoelingen van de nieuwe keizer. Hij wenst hem geluk en de zegen van God. Van zijn kant belooft hij als keurvorst met de andere stenden de keizer naar vermogen bij te willen staan bij het bestuur van het Rijk tot eer van God en ter voortplanting van Zijn Rijk, tot instandhouding van eeuwige en tijdelijke vrede, rust en eenheid, alsook tot eer en bloei van het hoofd en van de leden. 30
Op 16 augustus, twee dagen later dus, volgt een uitvoerige, door hem zelf geschreven, zeer lezenswaardige brief, die eerder in dit blad in samenvatting als artikel heeft gestaan. 31 Vanwege de bijzondere inhoud willen we hieruit het belangrijkste nogmaals kort weergeven en wat citeren.
Frederik verzoekt de keizer “de belijdenis, planting en voortzetting van onze ware Christelijke en alleenzaligmakende religie ter harte” te nemen en zich daarvan niet te laten afschrikken. Tot zijn hoge ambt behoort het om behalve de handhaving van vrede en rust ook alle mensen tot de ware kennis van het Goddelijke Woord te brengen. Hij wijst erop dat hij rekenschap voor God zal moeten afleggen aangaande de zielen van de vele duizenden onderdanen. Hij dient wegen en middelen te bedenken “hoe de hele Christenheid, die in de grootste en meest wrede duisternis, afgoderijen en valse godsdienst als het ware als verdronken ligt”, gebracht kan worden tot het zuivere Evangelie. Zulke pogingen zal God zeker zegenen. De keizers Constantijn en Theodosius kunnen hem tot voorbeeld zijn.
En dan schrijft hij de nog altijd roomse keizer onomwonden: Tegen dit voornemen zal de duivel en vooral de paus met zijn aanhang alles in het werk stellen, maar hij dient het bevel van God voor ogen te houden. Om tweedracht in en verwoesting van zijn rijk te voorkomen, moet hij in elk geval de paus niet het hof maken, maar zich verzetten “tegen het roomse, antichristelijke rijk en zijn gruwelijke afgoderij”. Om de gunst van God te verkrijgen, moet hij zich niet laten leiden door mensen die hem tot matiging in deze zaken aanraden. Hij moet zich ook niet laten afleiden door het weerzinwekkend getwist van de theologen, maar daaraan een einde maken door het bijeenroepen van een concilie. Voor hen die onder het pausdom leven, dient het Rijk van God ontsloten te worden door het opheffen van hinderlijke bepalingen.
Frederik beklemtoont ten slotte dat hij niet twijfelt aan de goede wil van de keizer, maar dat hij hem dit met een onderdanig gemoed en uit schuldige plicht schrijft. Zijn intentie is de eer van God en het welvaren van Maximiliaans rijk. “Ik probeer daarin niets anders te zoeken dan de ere Gods, waarmee ik het bevestigd wil hebben, en de bevordering van Zijn eeuwig Rijk en ook het eeuwig welzijn en tijdelijke voordeel van het gehele rijk van Zijne keizerlijke Majesteit. Ook wil ik ter voldoening van mijn geweten u daaraan beleefd herinneren en daartoe aansporen.”
Ten besluite
Wat een liefde voor de eer van God, welk een medelijden voor zijn misleide roomse medemens, maar ook wat een getrouwheid als voedsterheer van Gods kerk blijken uit deze brief. Opvallend is ook de geloofsvrijmoedigheid die Frederik mocht bezitten om zijn nieuwe keizer zo oprecht gunnend aan te spreken en hem het goede toe te wensen. Ziende op het gebod en blind voor de toekomst, mocht hij zijn geheiligd geweten ontlasten. Wat ware het te wensen dat zulke vorsten nog eens aan ons land gegeven werden!
Toch brak het hart van de nieuwe keizer niet. Integendeel, in een volgend artikel hopen we te laten zien hoe de keizer in zijn blindheid het goede voor zijn onderdanen meende te moeten zoeken in een veroordeling van Frederik en zijn hervormingspolitiek. De roomsen juichten evenals sommige lutheranen. Maar zij deden het te vroeg. Want uiteindelijk regeert geen aards vorst, maar de God van Frederik de Derde!
Noten:
1) Zie het februarinummer van 2014 (nr. 1, p. 30-41) en het decembernummer van 2013 (nr. 5, p. 241-255) van In het spoor. De eerste vijf artikelen zijn te vinden in het oktobernummer (no. 4, p. 211-219), het decembernummer (no. 5, p. 236-247) van 2012 en het februarinummer (nr. 1, p. 27-37), het meinummer (nr. 2, p. 79-91) en het julinummer (nr. 3, p. 120-130) van 2013 van In het spoor
2) K. Sudhoff, C. Olevianus und Z. Ursinus. Leben und ausgewählte Schriften, Elberfeld 1857, 644 pagina’s (hierna te noemen: Sudhoff). Ik maak hier gebruik van een reprint.
3) F.A. Kluckhohn, Friedrich der Fromme, Churfürst von der Pfalz, der Schützer der reformirten Kirche, 1559- 1576, Nördlingen 1879, 478 pagina’s (hierna te noemen: Kluckhohn). Ook hier maak ik gebruik van een reprint.
4) Zie het julinummer van 2013, p. 124-126 en het februarinummer van 2014, p. 30 van In het spoor
5) Geciteerd bij: Kluckhohn, p. 148. De vertaling van het citaat is van mijn hand. Dit geldt ook voor alle verdere citaten in dit artikel die uit het Duits vertaald zijn.
6) Foto: E. Wetzig (Elya) (Own work) [CC-BY-SA-3.0 (http:// creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0) or GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html)], via Wikimedia Commons
7) Geciteerd bij: Sudhoff, p. 262
8) Zie: Kluckhohn: p. 169
9) Geciteerd bij: Kluckhohn, p. 169
10) Zie: Kluckhohn, p. 171. De inhoud van deze ‘nachtelijke’ brief is weer een sterk argument tegen de mening van de onlangs overleden prof. dr. W.J. van Asselt dat Frederik de theologische discussies op academisch niveau niet kon volgen en dus geen zelfstandig denker zou zijn geweest. Zie: W. J. van Asselt en H. van den Belt, ‘Frederik de Vrome’, in: Reformatorisch Dagblad, 27 april 2013, Puntkomma, p. 15 onder ‘Opgemerkt’. Zie voor mijn eerdere argumenten: P.H. op ’t Hof, ‘Frederik III van de Palts (1515-1576), een voedsterheer van de kerk -5- ’, in: In het spoor, jrg. 37, nr. 3, 2013, p. 130 (noot 16)
11) Geciteerd bij : A. Kluckhohn, Briefe Friedrich des Frommen Kurfürsten von der Pfalz, erster Band (1559-1566), Braunschweig 1868, p. 513 (hierna te noemen: Briefe I)
12) Foto: Pumuckel42 at the German language Wikipedia [GFDL (http://www.gnu.org/copyleft/fdl.html) or CC- BY-SA-3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/ 3.0/)], via Wikimedia Commons
13) Briefe I, p. 513, 514
14) Briefe I, p. 514
15) Briefe I, p. 514, 515
16) In de bij Kluckhohn afgedrukte brief staat ‘2 Reg. 24 en 25’ en verderop ‘im 36. Capitel’. Dit kan niet anders zijn dan hoofdstuk 22 en 23 uit 2 Koningen en in plaats van hoofdstuk 36 de verzen 32 en 37 van hoofdstuk 23. Zie: Briefe I, p. 515
17) Geciteerd bij: Kluckhohn, p. 177. Zie voor dit en het volgende citaat ook: W. Janse, Albert Hardenberg als Theologe. Profil eines Bucer-Schülers (†1574), Leiden 1994, p, 49 (hierna te noemen: Janse).
18) Geciteerd bij: Kluckhohn, p. 178
19) Zie over hem het proefschrift van W. Janse (noot 15).
20) De enige informatie die ik over hem vond, was dat hij ‘Domherr’ was. Zie: Janse, p. 44.
21) Kluckhohn, p. 178, 179
22) Foto: J. Howaldt (selbst erstelltes Foto) [CC-BY-SA-2.0- de (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0/de/ deed.en)], via Wikimedia Commons
23) Zie: J.N. Bakhuizen van den Brink, Protestantse Pleidooien II, Kampen 1962, p. 168
24) De meeste informatie van deze en de volgende twee para grafen is door mij al eerder bij de bespreking van de Smeekbrief van de Christenen in Nederland, die om de ware religie zijn getroffen, aan de keizer op de Rijksdag te Augsburg aangeboden 1566 en het Vertoog van de Kerken van Christus in dit blad doorgegeven. Zie: P.H. op ’t Hof, ‘Geen vreemde eend in de bijt -3- . Artikel 36 NGB in de praktijk van de zestiende eeuw’, in: In het spoor, jrg. 35, nr. 1, 2011, p. 19-22 (hierna te noemen: Geen vreemde eend in de bijt -3- )
25) Zie: A. Kluckhohn, Briefe Friedrich des Frommen, Kurfürsten von der Pfalz, mit verwandten Schriftstücken, zweiter Band (1567-1576), Braunschweig 1872, p. 1034 (hierna te noemen: Briefe II)
26) Geciteerd bij: Kluckhohn, p. 195 -3-
27) Zie: Geen vreemde eend in de bijt -3- , p. 125
28) Zie voor de samenvatting van deze brief: Briefe I, p. 398, 399
29) Briefe I, p. 419-422
30) Zie voor de samenvatting van deze brief: Briefe I, p. 519
31) Zie: P.H. op ’t Hof, ‘Een lezenswaardige brief van keurvorst Frederik III’, in: In het spoor, jrg. 35, nr. 1, 2011, p. 27-28. De uitgebreide samenvatting die Walter Hollweg in zijn boek geeft, is toen door mij uit het Duits en Oudduits vertaald. Zie: W. Hollweg, Der Augsburger Reichstag von 1566 und seine Bedeutung für die Entstehung der Reformierten Kirche und ihres Bekenntnisses, Neukirchen-Vluyn 1964, p. 73-75. Ook Kluckhohn geeft een korte samenvatting van deze brief: Briefe I, p. 519, 520.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 juli 2014
In het spoor | 56 Pagina's