Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Opvoeding van Onze Kinderen -18-

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Opvoeding van Onze Kinderen -18-

Het tuchtigen van de jeugd: hoe het niet moet.

42 minuten leestijd

De tucht vormt een wezenlijk onderdeel van een goede opvoeding van de kinderen. Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging (Spr. 13:24), zegt immers koning Sálomo. En op een andere plaats: Tuchtig uw zoon en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven (Spr. 29:17). Ds. Wilhelmus van Eenhoorn (1691-1759) gaat in zijn Christelyke Jonkheit (1755) ook uitvoerig op het tuchtigen in. Hij beschrijft hoe het niet moet en hoe het wel moet. Een gedeelte uit zijn betoog hoe het niet moet, treft u hieronder aan.

Van de tucht geeft ds. Van Eenhoorn de volgende beschrijving: “‘Uiterlijke tekenen en bewijzen van misnoegen met gebaren, woorden of daden door de ouders of meesters over het wanbedrijf van de kinderen”. “De zonde”, zo stelt hij, “heeft het tuchtigen noodzakelijk gemaakt.” Onze kinderen zijn “uit zondige zaden geteeld”, zij zijn “verdorven”, “stout” en bedrijven “kwaad”. Dan spreekt het “vanzelf dat zij daarover moeten bestraft en, als het erger wordt, op de een of andere wijze gestraft worden.” Bij dit tuchtigen dient in het oog gehouden te worden dat de zwaarte van de straf in verhouding staat tot de misdaad. Kleine dingen zoals bijvoorbeeld het breken van een huisraad of het vies maken van de kleren dient veel minder zwaar bestraft of gestraft te worden dan het liegen, het misbruiken van Gods Naam of andere tegen Gods Wet bedreven zonden.

Het tuchtigen kan geschieden door gebaren (bijvoorbeeld door droevig, ernstig of verontwaardigd te kijken), met woorden (door met redenen omkleed de kinderen hun misdaad aan te wijzen en te veroordelen) of - als gebaren en woorden niet blijken te helpen - met de daad. De tuchtiging met de daad dient altijd wel vergezeld te gaan met uitleg waarom. “Men moet de kinderen helder doen begrijpen dat zij de tuchtroede hebben verdiend” en dat die tuchtiging “alleen tot hun verbetering geschiedt”, aldus ds. Van Eenhoorn.

Het tuchtigen dient, wil het doel - de kinderen terugbrengen tot hun plicht - bereikt worden, enerzijds niet

al te zacht, maar anderzijds ook niet te streng (1) en niet te dikwijls (2) te geschieden. Over deze laatste twee aspecten willen we ds. Van Eenhoorn hieronder aan het woord laten. Voor het leesgemak hebben we zijn betoog, dat te vinden is in deel 2 van zijn genoemd werk (p. 319-331), in herspelde en soms licht hertaalde vorm afgedrukt. Mochten zijn woorden nog tot steun zijn van de ouders en andere opvoeders in deze verwarde tijden.

Redactie

1. Niet al te streng

Ds. Van Eenhoorn: “Dat er hier en daar harde naturen zijn die met zachtheid niet goed kunnen gere-

geerd worden, leert de ondervinding. En dat het wel eens nodig is de zodanigen harder te behandelen dan liefdragende ouders graag zouden doen, is niet minder zeker. Duro nodo durus est adhibendus cuneus, dat is: ‘Dat men tot harde dingen ook harde werktuigen moet gebruiken’, werd al vanouds gezegd.

Niettemin zal in het algemeen beschouwd het tuchtigen van de jeugd met zachtheid moeten plaatsvinden en beoefend worden. Het mag nooit in toorn of met drift geschieden. Wat de Heilige Schrift van de toorn zegt, is bekend: De toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet (Jak. 1:20). Die zal ook geen gerechtigheid of verbetering in de kinderen teweegbrengen. De HEERE was oudtijds met de bewijzen van Zijn bijzondere en gunstige tegenwoordigheid niet in de sterke wind, noch in de aardbeving, noch in het vuur, maar in het suizen van een zachte stilte (1 Kon. 19:11-12). Om zo aan de ijverige Elía te tonen dat Hij geen lust had in ongestadige gemoedsbewegingen, in uiterlijke sterke beroeringen of in het vuur van gramschap en hete driften, maar in een stille en zachtmoedige geest. Die kan ook in het straffen van de kinderen getoond en beoefend worden. Ziet men niet wel eens dat ouders hun kinderen met hun gezicht kunnen dwingen en dat een zachte bestraffing soms betere uitwerkingen heeft dan zware en harde kastijdingen? Gelijk Sálomo’s tempel niet is opgebouwd onder het harde gedruis van harde hamerslagen, daar geen hamers, noch bijl, noch enig ijzeren gereedschap gehoord is (1 Kon. 6:7), zo moeten kinderen tot een woonstede Gods in den Geest worden opgevoed (Éf. 2:22), zonder dat er veel geroep of geraas, door bestraffingen en woordentwist, veel minder harde slagen mogen gehoord worden. Alles behoort hier zacht en vriendelijk in zijn werk te gaan, omdat een zacht antwoord de grimmigheid wel eens afkeert, maar een smartend, hard, scherp en stekend woord den toorn doet oprijzen (Spr. 15:1). Vaders mogen hun kinderen niet tot toorn verwekken (Éf. 6:4). Dat dit echter door harde behandelingen vaak geschiedt, is zeker. Als ouders of meesters ongeduldig en driftig worden, doen zij soms meer kwaad dan de jeugd bedreven heeft en waar zij hen om willen straffen. Dan zijn zij niet goed in staat om straf te oefenen. Zij zouden dan, gezien dat de toorn volgens de ouden een korte razernij is, gemakkelijk in het kastijden de maat te buiten kunnen gaan. Hierom was het niet kwalijk wat een zekere vader tegen zijn zoon zei: ‘Zoon, ik zou u slaan als ik niet toornig was!’ Hij begreep terecht dat hij door zijn gaande gemaakte driften en oplopende toorn nauwelijks meester van zichzelf was en daarom het straffen beter kon uitstellen totdat hij weer bedaard zou zijn.

In hoeverre de toorn goed kan zijn?

Wanneer de wanbedrijven van de kinderen zover gaan dat zij zich niet uit zwakheid, maar moedwillig aan grove zonden schuldig maken, kan de toorn zelfs van Godvruchtige ouders wel eens opgewekt worden. Niet uit een vleselijke drift, maar uit liefde tot Gods eer. Niet tot verderf, maar tot behoudenis van hun zaad. Zij zullen - in navolging van de Heiland - hen wel met toorn aanzien, maar ook meteen bedroefd zijn over de verharding van hun hart (Mark. 3:5). Wel toornig worden, maar niet zondigen en de zon niet onder laten gaan over hun toornigheid (Éf. 4:26), ten bewijze dat hun toornigheid niet uit haat, die iemand meestal bijblijft, maar alleen uit liefde en medelijden tot het welzijn van hun kinderen voortkwam. Merken de kinderen dat zij alleen uit drift gekastijd worden, dan zal dat bij hen een heimelijke verachting en afkeer veroorzaken en haat en weerwraak kunnen teweegbrengen, zodat zij niet zullen verbeterd, maar veeleer verbitterd en erger worden. Hierdoor missen ouders niet zelden hun doel. Omdat hetgeen zij deden om hun gezag te bewaren, door hun eigen onvoorzichtigheid dan dienen zal om het te verminderen en weg te nemen.

Het zal beter zijn om een kind minder te straffen dan het wel verdiend had, dan door zwaardere kastijdingen hem op zijn minst aanleiding te geven om te denken dat het uit gramschap of uit een kwaad humeur voortkomt. Hierom moet men zich wel wachten om niet te straffen als de aandoeningen nog in beweging zijn, daar men dan wel eens iets zeggen of doen zou waarover men zich daarna zou moeten beklagen. Het zal daarom veiliger zijn de tucht wat uit te stellen totdat men zelf bedaard is en in staat om met oordeel en onderscheid tucht te oefenen. Als men te zacht gestraft heeft, kan het door een zwaardere straf verbeterd worden. Maar als het in haast, met drift en met stekende woorden geschied is, kan men het ongelijk, de kinderen daardoor soms aangedaan, niet gemakkelijk wegnemen. Vergiffenis daarover aan de jeugd te verzoeken zou niet passen en vleierijen zouden nog erger zijn. Heeft men kinderen bestraft, dan moet men voor een tijd een ernstige gesteldheid tegenover hen vertonen zonder stuursheid. Niet terstond weer te vriendelijk en gemeenzaam met hen worden, maar ongemerkt langzamerhand hun weer bewijzen van vriendschap en goedwilligheid laten zien. Ons ongenoegen met gebaren, gelaat of anderszins moet niet te lang duren, opdat de kinderen niet moedeloos noch verhard mochten worden.

Te streng in de praktijk

Een onverstandige gestrengheid door ouders of leermeesters kan uitgeoefend worden met woorden en met daden.

Met woorden door schampere verwijten, schimp en spotachtige redenen, die geen duister bewijs geven dat zij met geen behoorlijk medelijden omtrent de jeugd zijn aangedaan. Het redelijk gemoed, ook van kinderen, wordt zeer licht geraakt door schimp en spottaal, omdat die een verachting te kennen geven die niemand licht verdragen kan en die haat met afkeer meestentijds tot gevolg zal hebben. Ook door sterk afsnauwen en bestraffen met roepen, schelden en andere lelijke gebaren, die bij geen burgerlijke noch fatsoenlijke mensen behoorden bekend te zijn en die meestal uit een toornig en driftig gemoed voortkomen. Die nadrukkelijke vermaning van de apostel in Éfeze 4 vers 31: Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid, behoorde door alle Christenen - en dus ook door Christenouders - opgemerkt en opgevolgd te worden.

Met daden door op de ene of andere manier de kinderen met de roede of anderszins te slaan. “Voorzichtig en behoorlijk bestraffen en kastijden als het vereist wordt, zal zeker veel goed doen, maar het geselen is geen middel om een mens te verbeteren. ’s Mensen natuur kan daardoor wel worden voortgedreven, maar ze behoort door zachtere en gemakkelijkere middelen geleid te worden.” Dit zijn de woorden van de vermaarde aartsbisschop John Tillotson (1630- 1694), die ik toestem. En die van de beroemde Plutarchus, die vele eeuwen voor hem leefde (ca. 46-120 na Chr.), zijn: “Dat men vrije personen niet moet behandelen als slaven. Dat men hun hierdoor alle moed beneemt en een afkeer verwekt van leren en van alle werk, enzovoort.”

Het slaan van de kinderen

Dat het slaan eigenlijk meer tot de beesten dan tot de mensen behoort en dat het die meer eigen is, was reeds lange tijd mijn oordeel. Dat men de bloem wel eens uit de kinderen slaat en de zemelen in hen laat overblijven, hoorde ik al in vroegere jaren. Goedaardige kinderen kunnen door onverstandig kastijden wel eens kwaadaardig, stug en halsstarrig worden. Dan wordt het goede dat erin was, eruit en het kwade erin geslagen. Kinderen die timide zijn, gelijk men zegt, die vreesachtig, verlegen en beschaamd zijn, hard berispen of slaan, is geschikt om hun geest uit te blussen en onvatbaar te maken voor alle onderwijs. De zodanigen moeten veel eerder opgebeurd en bemoedigd worden door enige lof die men hun voorzichtig geven kan. Die wreed is, beroert zijn vlees, zegt Sálomo (Spr. 11:17b). Dit is van toornige ouders of meesters waar, die zichzelf ontstellen en beroeren als zij de kinderen zullen slaan, terwijl het de kinderen ook niet minder aandoet en wel eens ongezondheid of andere ongemakken in hen veroorzaken kan. In welke gevallen het juiste slaan zou mogen en moeten geoefend worden, zal ik niet bepalen en zeg alleen dat als er noodzaak mocht zijn om het een of andere weerspannig kind te slaan, het altijd moet geschieden met de stok lieflijkheid (Zach. 11:7) en het blijken mag dat het slagen zijn uit het huis der liefhebbers (Zach. 13:6), wiens wonden getrouw zijn (Spr. 27:6). De humeuren en gesteldheden van de kinderen zijn zo verschillend dat men omtrent het kastijden van hen, geen algemene regels kan maken. Ik denk evenwel dat slaan het beste middel niet is om de jeugd tot hun plicht te brengen. Wat daar beter toe geschikt is, zal ik straks aanwijzen. “Het gebeurt vaak”, schrijft de zo-even genoemde Engelse aartsbisschop Tillotson,

“dat kinderen die opgevoed zijn in een zeer strenge school, daarna een onverzettelijke haat tegen de geleerdheid hebben, enkel omdat men hen met zulk een wreedheid daartoe heeft willen dwingen. Zo ook wanneer men kinderen door een onbescheiden hardheid en strengheid tot het goede en de Godzaligheid tracht te dwingen, baant men menigmaal in hen een tegenzin en vooroordeel tegen de godsdienst enzovoort. En zeker hoe zal men kunnen verwachten dat kinderen met lust en genegenheid hun plicht zullen doen, wanneer zij daar nooit dan met roeden boven hun hoofd van gehoord hebben?”

Daar slaan beter op beesten dan op mensen past, gelijk ik zo-even aanmerkte, behoort het alleen geoefend te worden wanneer kinderen zich in het een of ander beestachtig aanstellen. En dan zal het evenwel nog alleen dienen te geschieden als zij nog geen 12 tot 14 jaar oud zijn, omdat zij die ouder zijn en geslagen worden, wel eens daartegen opstuiven en zich aankanten, hetgeen van kwalijke gevolgen zou kunnen zijn. Als het slaan geen goed doet, dan zal het zeker kwaad doen. Wanneer het gemoed hetgeen eigenlijk verbeterd moet worden, daardoor niet geraakt is, zal het weerbarstig en halsstarrig worden, en het lichaam hetzelfde blijven, daar het door slagen niet veranderd wordt. Van het hart moet men beginnen, alle kwade neigingen daarin tegengaan en de boze wil zoeken te overwinnen, hetgeen eerder en meer door kracht van redenen dan door slagen zal kunnen geschieden. Algemene fouten en misgrepen van de jeugd moet men wat over het hoofd zien en met een lichte berisping trachten weg te nemen. Maar als het moedwilligheid en kwaadaardigheid wordt en dus van de boze wil voortkomt, dan mag geen oogluiking plaatshebben, maar moet de straf evenredig worden gemaakt aan de misdaad. Wat door haast of drift geschiedt - en dus van het lichaam is af te leiden -, dat mag met de roede of anderszins wel gekastijd worden. Maar dat wat van de ziel en de boze wil zijn oorsprong heeft, zal met een straf die met die natuur meer overeenkomt, dienen terechtgebracht te worden. Hun zin te weigeren, genoegens te ontnemen en hun dadelijk te onthouden alles wat hun aangenaam is, zal het redelijk gemoed gevoeliger treffen en meer aandoen dan eigenlijke slagen het lichaam.

Gevaar van uit de band springen

De weg van lieflijke vermaningen is zeker veel beter dan de weg van harde slagen. De eerste zullen soms nog vrucht doen, al wordt men het lang daarna pas gewaar, maar de tweede zullen het gemoed verharden, de liefde tot de ouders verminderen, het verstand van de kinderen stomp, hen moedeloos en onvatbaar maken voor alle onderwijs, waarvan zij een afkeer krijgen. Is zulk een strengheid met woorden of werken wel goed te keuren die de kinderen zo angstig en beschroomd maken dat zij beven als zij aan hun ouders of meesters denken en schrikken om hun lessen voor hen op te zeggen? De siddering des mensen legt een strik, volgens Spreuken 29:25. Zo kunnen harde behandelingen die hen bevend en sidderend maken, als strikken voor de jeugd zijn, waardoor zij verdriet krijgen in het leren en onbekwaam en onwillig worden om daarin voort te gaan. Wanneer men kinderen onder al te nauwe band houdt en om de minste misslagen scherp berispt of straft, zullen zij gemakkelijk geheel uit de band springen en veel losser en wilder worden dan doorgaans anderen die men niet al te nauw gehouden en over kleinigheden niet altijd berispt heeft. De natuur wil niet gedwongen zijn. Als zij lucht krijgt, slaat zij met geweld achteruit. Gelijk een fontein die gestopt is, bij zijn opening het water met groot geweld opgeeft, zo zal de geest van een mens die door ontzag en vrees als bedwongen en ineengedreven is geweest, zich meer en sterker uitlaten zodra dat bedwang ophoudt. En dan zullen die kinderen die door te grote straf en strengheid van ouders of meesters, binnenshuis onder het hoogste bedwang en de strengste tucht waren, meestal de ongebondenste zijn, zodra zij wat meer ruimte krijgen en hun eigen meesters worden.

2. Niet te vaak tuchtigen

Gelijk men niet te streng, zal men ook niet te vaak de jeugd moeten tuchtigen of anders zou men gemak-kelijk het oogmerk van de tucht missen en kwijtraken. “De kinderen zullen door menigvuldige slagen, gelijk het ijzer, verhard worden en die edelmoedige schaamte, die de grootste prikkel aanbrengt aan hetgeen dat zij van de handen van hun ouders lijden, zal langzamerhand slijten”, zo merkt de Godvruchtige ds. Ph. Doddridge (1702-1751) op inzake het slaan van de kinderen. Nooit moeten kinderen bestraft of gekastijd worden, dan wanneer zij daar gegronde redenen toe gegeven hebben. Door redeloos en menigvuldig bestraffen komt er een kwade gesteldheid in de kinderen, en zij krijgen vooroordelen dat het berispen of straffen een aangenaam werk is, daar het gewoonlijk van kalme en welmenende ouders niet dan met tegenzin, ongenoegen en meestal niet zonder ontsteltenis geschiedt.

Ook worden de kinderen door het gedurig herhalen van dezelfde bestraffingen die zó gewoon dat het geen indruk meer maakt op hun gemoed. Het gedurig morren en knorren over de minste beuzelingen maakt de kinderen verdrietig en zij worden dat zo gewoon dat zij het nauwelijks meer horen en het dus geheel vergeefs is, ja, hen soms erger maakt. Als zij over het een of ander gestraft zijn, moet men hun kwaad of kastijding niet opnieuw ophalen, maar zich houden alsof het niet gebeurd was. Het vaak herhalen van hun misslagen maakt hen verdrietig en zal weinig of niets tot hun verbetering toebrengen.

Zijn kinderen van hun onschuld overtuigd en worden zij evenwel sterk berispt of gestraft, zo zien zij de onkunde of boosaardigheid van hun bestraffers, wat in hen een kleinachting en afkeer verwekt en de oorzaak is dat als de bestraffingen eens gegrond en rechtmatig zijn, deze geen ingang vinden of vrucht zullen doen. Hard berispen, het slaan of andere harde middelen moeten alleen in geval van nood in het werk worden gesteld, gelijk men bijtende en scherpe geneesmiddelen niet gebruikt voor een geringe, maar voor een zware en gevaarlijke wond.

Een Goddelijk voorbeeld

Het voorbeeld van de hemelse Vader in het behandelen van Zijn kinderen kan alle aardse vaders tot een voorbeeld ter navolging dienen. God is lankmoedig en verdraagt zeer veel in hen, eer Hij hen straft. Als de mate der ongerechtigheid vol is, voert Hij Zijn bedreigingen uit, straft Zijn volk, maar plaagt en bedroeft hen niet van harte (Klaagl. 3:32-33). Het is die heilige Majesteit, Die de hoogste Goedheid is, als een vreemde zaak waartoe Hij niet komt zonder noodzaak. Hij kastijdt altijd met mate, nooit boven hetgeen Zijn volk kan verdragen. Als Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid Zijner barmhartigheden (Ps. 103:10, 13). Hij is hun wel een vergevend God, maar doet evenwel wraak over hun daden (Ps. 99:8). In al Zijn wegen toont Hij dat Hij de Zijnen kastijdt tot hun nut, opdat zij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden (Hebr. 12:10b). Al deze handelingen van de Vader der geesten in het kastijden van Zijn kinderen, kunnen wij als voorschriften aanmerken, hoe de natuurlijke vaders met hun kinderen behoren te werk te gaan. Veel zwakheden in hen verdragen en over het hoofd zien. Hen straffen, maar tevens doen blijken dat het met tegenzin geschiedt. Niet te hard en te dikwijls straffen en nooit zó streng als het wel verdiend was. Gereed om de feilen in de kinderen te vergeven, echter gans niet onverschillig daaromtrent. Met geen ander oogmerk hen kastijden, dan tot hun verbetering. Al deze zaken kan ik hier niet verder uitbreiden.

Ten slotte

Als de kinderen hun zin niet krijgen, zijn ze doorgaans kribbig, ongemakkelijk en huilen ze zo lang, totdat aan hun begeerten wordt voldaan. Dit moet al in de eerste jaren in hen tegengegaan en hun getoond worden dat hun dit of dat geweigerd wordt omdat hetgeen zij begeren, hun nadelig zou zijn. Zij moeten nooit met huilen of schreeuwen hun ouders dwingen en die moeten zich ook nooit laten overhalen om hun zin op te volgen, maar integendeel hen daarover bestraffen.

Indien men hen van het nodige verzorgt en ook geen speelgoed hun onthoudt, moet men hen doen begrij-pen dat hetgeen zij verzoeken, met geen dwingen te bekomen is, maar dat het hun juist daarom niet zal gegeven worden. Wanneer men de kleine kinderen in de eerste jeugd alles inwilligt, zullen zij daarna menen op alles recht te hebben. En wanneer zij ondervinden dat zij met janken, huilen en dergelijke onaangenaamheden hun zin krijgen, zullen zij zich van die middelen tot hun oogmerk menigmaal bedienen. Heeft men hun eens met reden iets geweigerd, zo moet het hun om het misbaar dat zij maken, niet ingewilligd worden. Zolang de kinderen klein en jong zijn en nog niet redeneren kunnen, moeten hun dwaze en ongeregelde begeerten door gezag en bedwang worden tegengegaan. Hun gebrek van oordeel moet wel eens door de tucht verbeterd worden en zij moeten al vroeg genoodzaakt worden zich in alles aan de wil van hun ouders en aan hen die het opzicht over hen is toevertrouwd, zonder tegenspreken te onderwerpen. Heeft men hen van de eerste jeugd af gewend onder enig bedwang te zijn en de wil van hun meerderen op te volgen, dan zullen zij het gewoon vinden en het zal hun natuurlijk worden te gehoorzamen, waardoor het ook gemakkelijker zal zijn om hen bij de vermeerdering van jaren te besturen. En als zij zelf overtuigd worden dat alles wat omtrent hen gedaan is, uit enkel liefde en tot hun eigen bestwil geschied is, zal dit hen op een redelijke wijze zoveel te meer achting en liefde voor hun ouders of meesters doen opvatten.”

Fotoverantwoording:

a,b,c en d: Depositphotos


Laatste restanten van zakagenda 2015 gratis!

Van de eind september verschenen mooie zakagenda voor 2015 is nog een restant over. Deze zijn niet helemaal voor honderd procent gaaf, althans op de achterkant van de omslag zijn enkele witte of licht grijze stippen zichtbaar. Voor de rest zijn deze agenda’s wel compleet en volledig in orde. Hoewel deze kleine tot zeer kleine schoonheidsfoutjes er weinig toe doen, hebben we toch besloten om het restant gratis ter beschikking te stellen. U betaalt dan alleen de verzendkosten (1 of 2 exemplaren: € 2,50; 3 tot 10 exemplaren: € 3,50 en daarboven € 7,-). Wacht u niet te lang met bestellen, want op is op!

Zoals u weet, gaat het om een zakagenda waarin iedere week met de zondag begint - volgens de Bijbel de eerste dag van de week! - en niet met de maandag zoals in veel andere agenda’s het geval is. Bij iedere week is een spreuk of gedicht ter overdenking opgenomen. Verder merken we nog op dat - in tegenstelling tot de meeste andere zakagenda’s - u in deze agenda geen feestdagen van de mohammedanen of van andere valse religies aantreft. De zakagenda heeft een afmeting van 9 bij 14 cm (kan in de meeste blousezakjes!), is stevig ingebonden, heeft een eigentijdse omslag en is voorzien van een leeslint. Iedere week beslaat twee pagina’s. Daarnaast zijn er vanzelf ook enkele pagina’s gereserveerd om uw eigen gegevens en telefoonnummers te noteren en om notities te maken. Voor hen die zich nu voor € 7,- per jaar als nieuwe abonnee voor In het spoor aanmelden, is ook de verzending van de agenda gratis. Bestellingen kunnen geplaatst worden per mail (inhetspoor@ kliksafe.nl) of per telefoon (0418-671790 / 0416-693844). Graag in alle gevallen uw volledige adres opgeven.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014

In het spoor | 76 Pagina's

De Opvoeding van Onze Kinderen -18-

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 december 2014

In het spoor | 76 Pagina's

PDF Bekijken