De Diaconie Gepasseerd
Kerkelijke bijstand of algemene bijstand
“De gemeentelijke armenzorg strekke zich slechts uit tot degenen die door de familie, de kerken of door particuliere verenigingen niet of niet voldoende worden gesteund”, zo luidde de eerste zin van artikel 11 van het oude Gemeenteprogram van de SGP. Dit sloot aan op de Bijbelse rangorde in de armenzorg, waarbij de overheid pas om de hoek komt kijken als de hulp van familie, vrienden, kennissen en werkgever alsmede van particuliere en diaconale instellingen uitgeput en dus niet (meer) toereikend is. De overheid fungeert dan als laatste vangnet.
Wetten en voorzieningen die de overheid een plaats toekennen in de armenzorg vóór de diaconie en daarmee de diaconie als Goddelijke instelling voor de armenzorg passeren, moeten als onbijbels van de hand gewezen worden. Helaas zijn er daarvan vele in Nederland. We denken dan aan de volksverzekeringen en aan vele sociale voorzieningen. In dit licht bezien vormde de in 1963 aangenomen en in 1965 ingevoerde Algemene Bijstandswet (ABW), die inmiddels via enkele ‘tussenwetten’ opgenomen is in de Participatiewet, het dieptepunt. In artikel 1 van de ABW werd en in artikel 11 van de Participatiewet wordt gesteld: “Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege [vet; red.].” Door deze Bijstandswet werden de voor de armenzorg door God ingestelde diaconieën vrijwel geheel uitgeschakeld en gepasseerd. De kerkelijke armenzorg werd vrijwel geheel staatszorg, waarop men recht kon laten gelden. Die staatszorg bestond en bestaat nog steeds uit een stelsel van sociale verzekeringen en voorzieningen, gefinancierd door premies en belastingopbrengsten. De meeste politieke partijen hadden met deze omschakeling geen moeite. Bij de behandeling van de Algemene Bijstandswet in 1963 tekenden alleen de SGPfractie en twee individuele ARP’ers (van de veertien) bezwaar aan tegen deze wet. En verder was ook het GPV, dat toen echter net nog niet vertegenwoordigd was in de Kamer, uit principe tegen.
Nu we inmiddels meer dan vijftig jaar verder zijn, zijn de bezwaren bij het GPV (thans ChristenUnie) verdampt. En binnen de SGP is inmiddels een generatie opgestaan die van het standpunt om uit principe geen gebruik te maken van wetten en regelingen die de diaconie passeren, veelal geen weet meer heeft, laat staan dat men dit standpunt deelt. Daarom hebben we het ten hoogste nuttig en nodig geacht om het onbijbelse van het passeren van de diaconie in de armenzorg nogmaals onder de aandacht te brengen. 1 We willen dit doen door eerst een gedeelte aan te halen uit een referaat van de gereformeerd-vrijgemaakte predikant ds. M.J.C. Blok (1914-1976), die zich destijds tegen de Algemene Bijstandswet keerde (1). En vervolgens een gedeelte uit de rede die wijlen ds. M.A. Mieras in 1963 bij de behandeling van de Algemene Bijstandswet in de Tweede Kamer namens de SGP hield (2).
1. Ds. M.J.C. Blok sr. en de ABW
De gereformeerd-vrijgemaakte predikant ds. M.J.C. Blok sr. liet in 1972 ten aanzien van het al of niet ‘trekken’ van de Algemene Bijstandswet (1963) een
Bijbels geluid horen. Op het in dat jaar door het Gereformeerd sociaal en economisch verband (GSEV) georganiseerde subsidiecongres hield hij over dit onderwerp een rede. Deze werd een jaar later tezamen met een coreferaat van prof. dr. J. Douma uitgegeven onder de titel: Autarkie of bijstandswet: kerkelijke of algemene bijstand. 2 Daaruit citeren we het volgende:
Een taak voor de kinderen en kleinkinderen
“De roeping van de kinderen ten aanzien van hun ouders ligt uitgedrukt in het vijfde gebod. Het eren van vader en moeder houdt ook in dat de kinderen hun ouders in zwakte en ouderdom met alle krachten bijstaan. Deze bijstand impliceert zo nodig ook financiële steun, zoals Christus Zelf ons geleerd heeft in Mattheüs 15 vers 4-6: Want God heeft geboden, zeggende: Eer uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet. En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. Vergelijk ook Markus 7 vers 9-13, waar Hij deze roeping handhaaft tegenover het misplaatste beroep op ‘korban’ (de kerkelijke bijdrage aan de tempel), als middel om de kinder- en onderhoudsplicht te ontduiken. Onze ouders zijn wel ook staatsburgers, maar zij blijven primair ónze ouders, en de kinderen moeten éérst (dat wil zeggen: voordat zij iets anders doen) aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en hun ouders wedervergelding doen, want dit is goed en aangenaam voor God (1 Tim. 5:4). En vers 8 zegt: Doch zo iemand de zijnen en voornamelijk zijn huisgenoten niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige. Hierbij dient opgemerkt dat tot de ‘huisgenoten’ in die tijd ook het dienstpersoneel werd gerekend. Het is dus duidelijk dat (klein)kinderen zich moeten realiseren dat hun eerste taak is hun (groot)ouders te helpen als zij in behoeftige omstandigheden komen te verkeren. Dit kan in bepaalde omstandigheden betekenen dat je als kind je oude vader of moeder in huis moet nemen in plaats van hen te doen opnemen in een duur bejaardencentrum, dat je niet betalen kunt en waarvoor dan de Algemene Bijstandswet maar wordt aangesproken.
Een taak voor de diaconie
Er zou vanuit 1 Timotheüs 5 nog veel te zeggen zijn over de onderhoudsplicht zoals die geldt voor de verdere familie, voor kennissen, voor het bedrijfsleven enz. Ik laat dat liggen. In ieder geval is dit duidelijk: waar al deze genoemde ‘instanties’ tekortschieten en waar toch vaste ondersteuning nodig is en georganiseerd moet worden, daar heeft Christus in het diaconaat nog een bijzondere steun gegeven om de ‘werkelijke weduwen’ te ondersteunen. Maar de diakenen komen pas op de laatste plaats, opdat de gemeente niet nodeloos bezwaard worde. Wij hebben vaak de neiging om alles maar naar de diakenen te verwijzen, maar dit is niet de Goddelijke orde. Christus wil juist onze persoonlijke verantwoordelijkheid in het ambt der gelovigen activeren. Daarom moeten onze diakenen ook principieel het afschuifsysteem toepassen en trachten zichzelf overbodig te maken, door anderen die eerst daartoe geroepen zijn, op hun eigen taak te wijzen. Toen het diakenambt opkwam in de kerk, was dit niet om de [kerkelijke] gemeente het werk uit handen te nemen, maar juist om het ambt der gelovigen te laten uitgroeien naar zijn volkomenheid, want het bijzondere ambt is tijdelijk, maar het ambt der gelovigen is eeuwig. Zo moet de kerk dus aan de wereld tonen dat de Wet des HEEREN heilig is, rechtvaardig en goed. Want dit gebod geldt voor alle mensen. De diakenen hebben een zeer bescheiden taak, maar ook zo een geheel eigensoortige en zeer belangrijke taak.
Eerst de diaconie, dan pas de overheid!
Nergens (…) zegt de Schrift dat de overheidszorg nummer één moet zijn, zoals nu het geval is. Wij kunnen onze verantwoordelijkheid voor onze ouders en hulpbehoevenden niet afschuiven op de ‘gemeenschap’ met het argument dat zij staatsburgers zijn. Dat wij hier nu met een blijvende norm te doen hebben, wordt door sommigen ontkend. Hun argument is dat de overheid in Paulus’ tijd nog niet zorgde voor weduwen en wezen, en dán is het natuurlijk de roeping van familie en kerk om het te doen. Maar het is helemaal niet zeker, zegt men, dat Paulus steun van de overheid zou hebben afgewezen. Dit is niet alleen een exegetische, maar eigenlijk een hermeneutische kwestie, want hier krijgen wij te doen met het zogenaamde tijdgebonden spreken van de Bijbel, maar zo raken wij de Bijbel kwijt. Wat de apostel hier zegt [in 1 Timotheüs 5; red.], is normatief door de inspiratie van de Heilige Geest. Hij verklaart: Dat is goed en aangenaam voor God - men lette op de imperatieven [gebiedende wijsvormen; red.] in dit hoofdstuk! -, zodat wij hier een blijvende norm voor alle eeuwen hebben. Het vijfde gebod is dus via Mattheüs 15 hier terechtgekomen. De eer die God van ons vraagt in het vijfde gebod, komt hier weer terug: Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn (1 Tim. 5:3).
In Israël heeft de overheid nooit armenzorg geoefend. Die zorg was de taak van het ambt der gelovigen, toen reeds, hoewel het nog ‘maar’ de oude bedeling was. Wij vinden hiervoor in het Oude Testament ook geen bijzonder ambt; dat komt pas in Handelingen 6. Natuurlijk moest de overheid in Israël wel op de naleving van de wetten toezien en overtreders straffen.
Een taak voor het kerkverband
Wij dienen vast te houden aan het normatieve karakter van het vijfde gebod, dat alle mensen blijft binden. Hier is de zorg van de Heilige Geest voor Zijn Nieuwtestamentische kerk in haar strijd tegen de antichristelijke machten. Wij moeten op géén manier suggereren dat de instelling van het diaconaat eigenlijk een noodsprong zou zijn van de verhoogde Christus, omdat de overheid tekortschoot. Hoogstens kan de overheid als láátste instantie fungeren. Maar de vraag blijft wat de Schrift ons in dezen leert. Dan is het duidelijk dat de gelovigen eerst een roeping hebben tegenover elkaar in de plaatselijke kerk (…). De gelovigen hebben echter ook een roeping ten aanzien van de broeders en zusters in andere gemeenten (Hand. 11:29-30). Het feit dat volgens deze tekst de gaven worden doorgezonden aan de oudsten, kan niet als argument tegen het bestaan van het diakenambt worden aangevoerd. Wij kunnen alleen maar zeggen dat dit kerkrechtelijk een correcte wijze van handelen is, omdat de oudsten de gemeente vertegenwoordigen. Ook uit andere Schriftplaatsen (bijvoorbeeld Rom. 15:25 e.v., 1 Kor. 16:1-3 en 2 Kor. 8 en 9) blijkt dat de armenzorg zelfs een zaak van het hele kerkverband kan worden, indien namelijk blijkt dat de plaatselijke kerk niet in de nood van eigen armen kan voorzien. Haar autarkie [haar zelfvoorzienend of economisch onafhankelijk zijn; red.] komt dan daarin uit dat zij zich van de steun van die andere gemeenten kan verzekeren, daarop aanspraak mag en moet maken.”
Tot zover wijlen ds. M.J.C. Blok. Het is duidelijk dat deze predikant nog onverbloemd vasthield aan de Bijbelse rangorde in de armenzorg: eerst de eigen familie, dan kennissen, vrienden en werkgever, vervolgens de diaconie en daarna komt - als er dan nog steeds sprake is van nood - de overheid pas om de hoek kijken.
2. Ds. M.A. Mieras en de ABW
In 1948 werd door de VN de ‘Universele Verklaring van de Rechten van de Mens’ (UVRM) aangenomen.
In artikel 25 van die verklaring werd gesteld: “Eenieder heeft recht [vet; red.] op een levensstandaard die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder inbegrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht [vet; red.] op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.” In dit na de oorlog breed gedragen denkpatroon van ‘recht hebben op’ in plaats van ‘afhankelijk te zijn van gunsten’ paste ook de Algemene Bijstandswet. De gunsten van vroeger, die als vernederend werden gezien, werden door de Algemene Bijstandswet rechten die men met opgeheven hoofd kon laten gelden. 3 Het subsidiariteitsbeginsel (eerst familie, dan vrienden en werkgever, dan diaconie en ten slotte overheid verleent hulp) werd verlaten, de staat werd volledig verantwoordelijk voor de financiële bijstand en de familieverplichtingen werden ingeperkt tot het kerngezin: ouders met hun minderjarige kinderen.
Voor het wetsontwerp Algemene Bijstandswet was voornamelijk de roomse minister mevrouw M.A.M. Klompé (1912-1986) verantwoordelijk. Begin april 1963 werd dit wetsontwerp in de Tweede Kamer behandeld. Namens de SGP sprak ds. M.A. Mieras daarbij onder meer de volgende woorden 4 :
Wij hebben geen rechten!
“Mijnheer de Voorzitter! Bij de behandeling van het wetsontwerp (…) betreffende de verlening van bijstand door de overheid, ‘de Algemene Bijstandswet’, ter vervanging van de Armenwet (1912), wens ik vanuit het door ons voorgestane beginsel een kort principieel woord te spreken. Zeer sterk komen op de voorgrond in dit wetsontwerp de rechten van de mens. In de memorie van toelichting wordt zelfs gesproken van universele rechten. Door onze fractie zijn deze altijd betwist, ervan uitgaande dat na de zondeval wij allen gezondigd hebben en de heerlijkheid Gods derven. Alleen door Gods genade kan er sprake zijn van een kinderlijk recht voor al degenen die Christus’ verschijning mogen leren lief krijgen. Mijnheer de Voorzitter! Ik meen op die grond naar ons beginsel te mogen zeggen dat wij niet kunnen spreken over de rechten van de mens, maar alleen over de algemene genade en goedheid Gods, waaruit Hij spijzigt en verzadigt al wat leeft op de aarde, hetwelk Hij doet, opdat Hij de uitverkorenen de zaligheid zou doen beërven. Ons leven ligt verbeurd door de zonde en al wat wij leven, mogen wij leven bij de gratie Gods; daaruit zegt koning David: Mijn tijden zijn in Uw hand (Ps. 31:16). Ik had liever vernomen dat dit wetsontwerp meer had gesproken van de rechten Gods, die wel universeel zijn, zodat God kan eisen dat een iegelijk zich naar Zijn wet zal gedragen. Mijnheer de Voorzitter! Krachtens schepping en onderhouding kan God rechten laten gelden op de mens, opdat Hij van eenieder geëerd, gediend en gevreesd wordt. Wij moeten, helaas, constateren dat velen zich niet meer richten naar Gods heilige Wet.
Niet in eerste plaats de overheid
Mijnheer de Voorzitter! Ons bezwaar richt zich vooreerst tegen de plicht van de overheid tot onderstand en gelijktijdig tegen het recht van de onderdaan op onderstand, hetgeen blijkt uit de beroepsprocedure waarin het ontwerp voorziet. De plichten van de overheid lijken mij secondair te zijn in verhouding tot de plichten van degenen die het eerst daarvoor in aanmerking komen. Van Gods heilige Wet der Tien geboden, die toch voor alle tijden wezenlijk hetzelfde blijft, luidt het vijfde gebod: Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de HEERE uw God geeft. Daar de kracht van Gods Wet niet verminderd is, blijft dat, ons inziens, ook gelden voor 1963, zodat de allereerste plicht niet rust bij de overheid, maar in eerste instantie op de kinderen, onverschillig het feit of zij meerderjarig zijn, gehuwd zijn enz. Volgens Mattheüs 15 vers 3 verwijt Jezus Christus in Zijn dagen de Joden, omdat zij ter wille van hun overleveringen zelfs het gebod Gods overtraden: Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet. En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting (Matth. 15:5-6). Hoezeer blijkt dat de Joden volgens het vijfde gebod van de Wet der Tien geboden verplicht waren behoeftige ouders te ondersteunen, maar dat zij zich daaraan onttrokken, doordat zij, wat financiële steun aan de ouders moest zijn, als offergave aan de tempel schonken, welk doen door Jezus Christus scherp werd veroordeeld. Wij kunnen daaruit concluderen dat de alimentatieplicht jegens de behoeftige ouders Goddelijk gebod voor de kinderen is. In de eerste Christelijke kerk is dan ook naar deze regels gehandeld, zoals blijkt uit Handelingen 2 vers 44-47 en 4 vers 34: Want er was ook niemand onder hen die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen en legden dien aan de voeten der apostelen. Het blijkt dat de barmhartigheid in de dadelijkheid door de liefde beoefend werd.
De overheid doet het omgekeerde
De Koning van Zijn Kerk heeft het behaagd in Zijn Kerk het Goddelijk ambt van de diakenen in te stellen, toen bleek dat de weduwen van de Grieken in de dagelijkse bediening verzuimd werden volgens Handelingen 6 vers 1-5, om die behoeftigen te helpen, wanneer de familiehulp en onderlinge bijstand van de kerkleden tekortschieten. (…) Onze vrees is, mijnheer de Voorzitter, dat met dit wetsvoorstel, zo het tot wet wordt aangenomen, vele leden van de kerk voor de verzoeking zullen zwichten en in plaats van zich te wenden tot de Goddelijke instellingen, mee zullen getrokken worden door de verleiding van deze Bijstandswet. Wij achten het de taak van de overheid als Gods dienaresse alles aan te wenden wat ten goede komt om haar onderdanen naar de eis van Gods Wet te doen leven. Maar nu moeten wij constateren dat de overheid met dit wetsontwerp juist het omgekeerde doet.
De alimentatieplicht is de laatste tijd juist verlicht, namelijk door beperking van het verhaalsrecht in 1961 en nu wil de overheid met dit wetsontwerp het verhaalsrecht nog meer beperken tot die personen die in de engere zin van het woord tot het gezin behoren. Mijnheer de Voorzitter, mijns inziens zal deze drastische beperking in de hand werken de onchristelijke leer dat zij [de kinderen; red.] in hun maatschappelijke bestaan niet mogen gehinderd worden door verplichtingen aan behoeftige ouders.
Uit dit alles, mijnheer de Voorzitter, zult u bemerkt hebben dat ik het liefst vasthoud aan artikel 28 van de Armenwet (1912) waarin het subsidiariteitsbeginsel is vastgelegd. Voorzeker achten wij dat de overheid een taak heeft als Gods dienares, een dienende taak, en dat - waar nodig bij kerk en particulier initiatief - een aanvullende taak is. Ook in de dagen der Reformatie was er een nauwe samenwerking tussen kerk en overheid, maar altijd zo dat de taak van de Goddelijke ambten primair was en de taak van de overheid aanvullend, waar dat nodig was. Met dit wetsontwerp gaan wij de richting uit van wat het Friesch Dagblad schrijft in zijn nummer van 22 februari 1963: ten eerste dat de staatshulp normaal en algemeen is, ten tweede dat de kerk mag aanvullen en ten derde dat als zij te royaal aanvult, de staatshulp vervalt of in elk geval minder wordt. Wie dit goed bekijkt, moet wel tot de conclusie komen dat de primaire opzet, de plicht van de gemeenschap (lees de staat) niet zo wordt gerealiseerd dat de eretaak van de kerk wordt erkend zoals dat behoort, want de taak van de kerk wordt als ‘aanvullend’ beschouwd, waarbij de overheid controleert of die aanvulling binnen de perken blijft die de overheid stelt.
De eis van Gods Wet is gebleven
Mijnheer de Voorzitter, Psalm 72, waar iets van de taak van de overheid ons vermeld wordt, leert ons dat de Heere niet uit plicht van de overheid, noch uit het recht van de onderdanen, maar uit genade de armen Zijn hulpe tot verlossing doet toekomen. Helaas het droevige verval en het veelvuldig losmaken van de banden van de kerk doen ons zien hoe velen van de kerk vervreemd zijn, hetwelk hun evenwel niet ontslaat van de eis en de plicht zich naar Gods Wet te gedragen. Zo voorziet ook Gods Woord daarin, als de apostel Paulus schrijft in de Galatenbrief: Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs (Gal. 6:10). Dat geldt ook voor de overheid gelijk als voor allen, omdat allen onze naasten zijn. Resumerend, mijnheer de Voorzitter, moet ik besluiten met de opmerking dat dit wetsontwerp Bijstandswet ons niet sympathiek is.” Tot zover ds. M.A. Mieras in de vergadering van 2 april 1963.
Tegengestemd
Acht dagen later, in de vergadering van 10 april 1963 werd het wetsontwerp zonder hoofdelijke stemming aangenomen. Op verzoek van ir. C.N. van Dis sr. werd aangetekend dat de aanwezige leden van de SGP-fractie (Van Dis en Mieras; Kodde was afwezig) geacht wensen te worden tegen het wetsontwerp te hebben gestemd. Dit verzochten ook twee van de veertien AR-Kamerleden, te weten: de hervormde mr. W. Aantjes en de gereformeerd-vrijgemaakte domineeszoon dr. J. Meulink. De heer Aantjes gaf hiervoor de volgende verklaring, die opmerkelijk genoeg voor een belangrijk deel inhoudelijk overeenkomt met de rede van ds. Mieras:
“Mijnheer de Voorzitter, mijn politieke vriend de heer Meulink en ik zijn van oordeel dat dit wetsontwerp rechtsaanspraken toekent, waar die niet toegekend behoren te worden, en aan de overheid een primaire taak toekent, waar zij slechts een subsidiaire taak heeft. Het gaat voorbij aan de plicht van de verwantschap en het miskent de roeping van de kerk. Beogende de armoede in onze samenleving tegen te gaan, voor welk oogmerk wij gaarne onze waardering uitspreken, legaliseert en bevordert het in feite het verdwijnen van de barmhartigheid uit onze samenleving. Wij erkennen wel dat de barmhartigheid reeds zozeer uit de samenleving verdwenen is dat de overheid krachtens haar subsidiaire taak ook nu reeds in zeer vele gevallen moet optreden. Dat achten wij echter geen rechtvaardiging, een onzes inziens principieel juiste orde in feite om te keren. (…) Wij zullen er onze stem tot ons leedwezen dan ook niet aan kunnen geven.” 5
Ten besluite
Ook ten aanzien van de huidige WMO-problematiek is het van belang dat alle betrokkenen in de gereformeerde gezindte de Bijbelse rangorde in de armenzorg helder op het netvlies hebben en houden, opdat geen regelingen worden getroffen en geen praktische adviezen worden gegeven die deze Bijbelse rangorde doorkruisen of opheffen. En verder zij nogmaals opgemerkt dat men evenzeer door het afsluiten van verzekeringen, zoals een zorgverzekering, de diaconie passeert. Alleen al daarom zijn verzekeringen alsook vele sociale voorzieningen onbijbels. “In beginsel”, zei ds. G.H. Kersten in 1920, en daarmee willen we eindigen,
“zie ik in de sociale wetgeving een verdringen van de kerk in de zorg die God haar toebetrouwde. Dat zij ontwake! Zij late zich niet verjagen, zij neme de zorg van haar leden op zich en make de verzekering geheel onnodig. Zij protestere als men de bediening van haar diakenen als verachtelijk, voor de armen vernederend voorstelt. Vernederend is het voor onze behoeftigen, werkelozen, invaliden, ouden, indien ze naar de staat moeten. Maar een ere is het voor de behoeftige zo hij genieten moge van wat Christus hem door de kerk bereid heeft. Dit zij ons ideaal, het hoogtepunt waarnaar we grijpen en waarvan we helaas zo verre af zijn.” 6
Noten:
1) Zie ook: ‘Geen staatszorg, maar familiale, particuliere en diaconale armenzorg’, in: In het spoor, februarinummer 2015, p. 41-47
2) Autarkie of bijstandswet. Kerkelijke of Algemene Bijstand - Ds. M.J.C. Blok en prof. dr. J. Douma, Groningen 1973, p. 14-43
3) C.P. Polderman, De kerk gepasseerd, Middelburg 2002, p. 7 en 22-24
4) Handelingen Tweede Kamer, 1962-1963, 2 april 1963, p. 3939-3940 (herspeld)
5) Handelingen Tweede Kamer, 1962-1963, 10 april 1963, p. 4046 (herspeld)
6) G.H. Kersten, ‘De Invaliditeitswet. Onze bezwaren geschetst; ons verzet verdedigd’, in: Vooroorlogse SGP-geschriften, dl. 1, 1986, p. 25
Fotoverantwoording:
a) Foto Depositphotos
b) Foto ds. M.J.C. Blok jr.
c) Foto Depositphotos
d) By M. Minderhoud (Own work) [GFDL (http://www.gnu. org/copyleft/fdl.html) or CC-BY-SA-3.0 (http://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0/)], via Wikimedia Commons
e) Fotocollectie Nationaal Archief/Anefo/Eric Koch [CC BY-SA 3.0 nl (http://creativecommons.org/licenses/bysa/3.0/nl/deed.en)] via Wikimedia Commons
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 juli 2015
In het spoor | 68 Pagina's