De Grote Afval - Een Waarschuwend Woord Bij De Oprichting Van Het Rd
Wijlen ds. J. van Haaren, die predikant was bij de Gereformeerde Gemeenten, hield op 17 oktober 1969 in het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Amersfoort tijdens een streekbijeenkomst van de in 1968 opgerichte Stichting Reformatorische Publikatie (SRP) een toespraak in het kader van het laten verschijnen van een reformatorisch dagblad. Aan deze toespraak gaf hij de titel mee: ‘De grote afval’. Later heeft de genoemde stichting deze rede uitgegeven (oktober 1970) omdat ds. Van Haaren wees op de “schrikwekkende openbaringen van de tijdgeest, zoals deze zijn zal in het laatste der dagen.” Kenmerken van die tijdgeest kwamen reeds in de toenmalige kranten en tijdschriften openbaar.
“En juist omdat ook onze dag- en nieuwsbladen aan deze openbaringen niet zullen kunnen voorbijgaan”, bleek hieruit volgens de SRP “de noodzaak” van een “echt, gedegen Reformatorisch Dagblad.” In het ‘Ten geleide’ werd tevens een oproep geplaatst om abonnee te worden en/of één of meer aandelen à fl. 100,- te kopen van de door die stichting op 15 januari 1970 opgerichte NV ‘Het Reformatorisch Dagblad’. 1 Een en ander is uiteindelijk uitgemond in het verschijnen van het Reformatorisch Dagblad, waarvan de eerste editie op 1 april 1971 bij de abonnees op de mat viel. Wat ds. Van Haaren in zijn rede over de tijdgeest zei, is ook nu nog actueel en van belang. Daarom willen we in dit artikel aandacht aan zijn rede schenken en tevens trachten de lijnen door te trekken naar het heden.
Een eigen dagblad
Ds. Van Haaren ving zijn rede destijds als volgt aan: “Wij zijn samengekomen om zo mogelijk straks te komen tot de uitgave van een eigen krant. Een krant die wij, om het heel eenvoudig te zeggen, naast Gods Woord kunnen neerleggen. Dat kan van de hedendaagse kranten helaas niet gezegd worden. Want dan moet men Gods Woord aan de ene zijde van de kamer neerleggen en de krant aan de andere zijde van de kamer. Want in die krant staan dingen die geheel en al in strijd zijn met Gods Woord, staan verderfelijke leringen, ja, daar worden dingen ons voor ogen gesteld waarover wij ons moeten schamen. En daarom is dat streven om te komen tot een eigen dagblad een goed streven. En wat zou het een voorrecht zijn als het bekroond werd met Gods zegen, zodat wij te zijner tijd die krant in huis zouden mogen hebben.” 2
Christus’ wederkomst
Als uitgangspunt voor zijn toespraak nam ds. Van Haaren 2 Thessalonicenzen 2. Paulus spreekt in het eerste vers van dit hoofdstuk over de wederkomst van Christus, te weten over de grote dag van Christus en de toevergadering van de Zijnen tot Hem. Ds. Van Haaren:
“En inderdaad, dat mag wel genoemd worden de dag van Christus. Want dan wordt de laatste steen aan het bouwwerk des Heeren toegevoegd, onder het uitroepen van: ‘Genade, genade zij denzelven.’ Dan is Christus’ werk voltooid, dan wordt Hij met eer gekroond. Dan zal Hij komen als een Rechter van levenden en doden en dan zal Hij afrekenen met allen die weigerden de knie voor Hem te buigen, die weigerden Hem te kussen, die weigerden Hem te voet te vallen. [Maar] een zalige dag zal het zijn voor Gods kinderen, voor degenen die in Hem hun leven en hun zaligheid door genade mochten vinden. (…) Ze zullen tot Hem vergaderd worden. Als één kudde, waarover één enige Herder zal zijn, om dan eeuwig bij Hem te wezen.” 3
De grote afval en de antichrist
In vers 2 en 3 zegt Paulus dat die wederkomst van Christus nog niet terstond zou geschieden; die dag van Christus was toen nog niet aanstaande, want die komt niet, zo zegt hij, tenzij dat eerst de afval gekomen is, en dat geopenbaard is de mens der zonde, de zoon des verderfs. Onder de mens der zonde hebben we volgens de kanttekenaren de antichrist te verstaan.
Om de noodzaak van een reformatorische krant aan te tonen gaat ds. Van Haaren vervolgens met name in op die grote afval en die openbaring van de antichrist in de tijd. Het is opmerkelijk dat ds. Van Haaren de in 2 Thessalonicenzen 2 beschreven afval en openbaring van de antichrist voornamelijk nog als toekomend beschouwt. Later, in 1973, zou hij bovendien in De Saambinder schrijven dat we niet weten wie die antichrist zal zijn. 4 Opmerkelijk, daar onze belijdenisgeschriften, de reformatoren, de kanttekenaren, de nadere reformatoren, ja, feitelijk alle orthodox-gereformeerden van voor 1800 zonder meer van mening zijn dat het pauselijk instituut de antichrist is en dat de grote afval duidt op enerzijds de massale opkomst van het mohammedanisme in het begin van de 7 e eeuw en anderzijds op het grote verval dat zich - eveneens met name vanaf het begin van de 7 e eeuw - in de roomse kerk aftekende. 5
Wij houden ook in dezen vast aan de leer van onze vaderen. Dit neemt echter niet weg dat ds. Van Haaren in zijn rede zeker wel nuttige en belangrijke dingen zegt met betrekking tot de openbaring van de tijdgeest in zijn tijd en onze tijd. Niet te ontkennen valt dat er in de laatste vijftig jaar in ons land een grote afval heeft plaatsgevonden en nog plaatsvindt. Om zijn lessen en toepassingen goed te kunnen begrijpen, zullen we eerst even ds. Van Haaren aan het woord laten over zijn visie op de grote afval uit 2 Thessalonicenzen 2.
Ds. Van Haarens visie
Als Paulus het in 2 Thessalonicenzen 2 over de afval heeft, dan is dat volgens Van Haaren,
“een grote afval van de waarheid die naar de Godzaligheid is, een verloochenen daarvan, een zich verweren daartegen. De afval van het Christelijk geloof.
En dan is het niet zo dat slechts enkelen zullen afvallen, dat er zo hier en daar eentje zal breken met God en Zijn dienst. Nee, dan wil dat zeggen dat dat zeer velen zullen doen, ja, dat dat bijna allen zullen doen.
De afval… En dan moeten we niet denken aan de wereld, die alsmaar goddelozer wordt in z’n uitleving, die in steeds bruter wijze zich uitspreekt met God niet van doen te willen hebben. Maar als wij spreken van de afval en als Paulus het daarover heeft in deze brief, dan moeten wij denken aan diegenen die onder de waarheid zijn geboren, zijn opgevoed, zijn grootgebracht, die bekend zijn met het Evangelie, die heel nauw bij de waarheid betrokken waren. Onder hén zal een grote afval komen. Steeds meerderen zullen dus van de waarheid afwijken en van de waarheid zelfs niet meer willen weten. Het is niet zo dat zij zich zullen wenden tot een valse leer, tot een halve waarheid. Zij zullen helemaal breken met de waarheid, zij zullen hun eigen weg gaan. (…)
Zal daar dan een lege plaats ontstaan? Nee, in plaats van de godsdienst zal er komen een openlijke, een brute zondedienst. Dat wordt de toekomstige godsdienst. De zonde gaan wij tot God verheffen en de zonde dienen met al onze krachten, met al onze vermogens naar ziel en naar lichaam, openlijke zondedienst, de dienst der wellust.
En dan zegt Paulus (…) in vers 6 en 7: ‘En nu, wat hem [dat is de antichrist; HT] wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. Want’, zegt hij, ‘de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.’ Dus de opkomst van de antichrist werd in zijn dagen, in de dagen van Paulus, al gezien als uit de verte. Hij was toen al ondergronds aan het werk, hij was toen al bezig op te komen, maar hij werd nog weerhouden. (…) Hij wordt weerhouden om straks vrij spel te hebben, want straks wordt hij niet meer weerhouden. Die weerhouding zal minder worden naar mate de dag van Christus nadert en nu hoeven we eigenlijk niet eens meer een toepassing te maken. Want (…) als wij nu om ons heen zien, dan mag toch gezegd worden dat het einde der eeuwen op ons gekomen is en dat het einde aller dingen nabij is. Dan mag het woord van Johannes overgenomen worden: ‘Kinderkens, het is de laatste ure!’ (1 Joh. 2:18). Wij leven dichter bij de dag van Christus dan menigeen vermoedt, en wij zien dat in de tekenen der tijden. Want hoe kunnen wij nu bemerken dat God die weerhouding gaat terugtrekken, zodat de antichrist en de antichristelijke geest meer een meer vrij spel krijgt? Wel, dat kunnen we aan allerlei dingen merken en dan stippen we zomaar iets aan.” 6
Openbaring van de tijdgeest
Ds. Van Haaren noemt dan de volgende kenmerken van de openbaring van de antichristelijke tijdgeest: Ten eerste het verdwijnen van “de eerbied voor het gezag in het algemeen: geen koning boven ons, geen meester boven ons, ik wil mijn eigen baas zijn! En dat zie je in de wereld zich voltrekken. Medezeggenschap, en dat op elk terrein van het leven. (…) Het is een zich losrukken van het gezag dat God boven ons gesteld heeft in alle verhoudingen, zelfs tot in het gezin toe.”
Ten tweede alle religie moet weg. “En dat zien we toch in onze dagen zich voltrekken, waar men aan alles gaat tornen. (…) Het Woord van God, voor wie heeft het nog wezenlijke waarde?” Men ontziet zich immers niet “dat Woord te verlagen tot een gewoon menselijk geschrift”, men buigt niet meer “voor de autoriteit van de Schrift”.
Ten derde openbaart zich allerwegen een verschrikkelijke verwording. Ds. Van Haaren: “Het kwaad wordt beloond en het goede wordt bijna gestraft! Denk alleen maar eens aan Van het Reve, die goddeloze schrijver, die een boek schrijft en meerdere boeken geschreven heeft waarin hij godslasterlijke dingen zegt en waarin hij bovendien de homoseksualiteit voorstaat en homoseksuele handelingen verricht met zijn ezelgod. En zo’n schrijver krijgt nu de hoogste prijs, de hoogste literaire prijs van Nederland, de P.C. Hooftprijs! Het is alsof onze overheid hem aanmoedigt: ‘Ga maar door, Van het Reve, op de ingeslagen weg! Probeer nog maar meer vergif te spuien, probeer maar meer ons volk tot verwording te brengen! En dan denk ik tegelijkertijd aan ir. Van Dis (en anderen met hem in de Tweede Kamer), die geprotesteerd heeft tegen deze schrijver. Dan wordt men uitgelachen, bespot. (…) Het kwaad wordt beloond en het goede wordt in feite gestraft.” 7
En ten vierde de consciëntie spreekt niet meer. En dat merkt men in eigen kring. Waar doet het Woord nog kracht? Waar wordt het hart nog eens geraakt? Waar wordt de consciëntie nog bewogen? 8
Deze kenmerken van de antichristelijke tijdgeest waren in de tijd van ds. Van Haaren al volop in Nederland te vinden. Hij concludeerde dan ook dat we “in de tijd van het einde” leven en dat het te vrezen was dat het nog erger zal worden, dat er zeer bange dagen voor de deur staan. Hij constateerde dat in de pers van zijn dagen de mens die het kwade voorstond, hoog geroemd werd en dat de zonden beminnelijk werden voorgesteld. “Is het dan niet nodig”, zo vroeg hij zich af, “om een dam daartegen op de werpen? Is het niet nodig om wakend te zijn?” Ja, het is “zo nodig dat wij ons wapenen. Dat wij alles doen wat onze hand vindt om te doen. Dat wij met allen die nog naar het richtsnoer van Gods Woord wensen te leven, de handen ineenslaan en de krachten bundelen om in deze verworden tijd elkaar tot een hand en tot een voet te zijn. Wat zal het een voorrecht zijn als het streven om te komen tot de uitgave van een eigen krant gezegend mag worden. Wanneer wij die krant onze kinderen in de hand zouden mogen geven. Wanneer we die krant niet zouden behoeven te verbergen, omdat in die krant aan onze kinderen goede voorlichting gegeven wordt, de gebeurtenissen geplaatst worden in het licht van de Schrift.” 9 Ds. Van Haaren wenste dus dat de krachten gebundeld werden om tot een uitgave van een eigen krant te komen. Hij voelde - samen met vele anderen - de noodzaak van een eigen krant goed aan.
De noodzaak van een RD
Ds. Van Haaren heeft ook een grote rol gespeeld bij het oprichten van enkele reformatorische scholen voor het voortgezet onderwijs, die inmiddels 40 jaar bestaan. Ook het RD bestaat inmiddels al meer dan 44 jaar. Het blad vervult een belangrijke functie in onze achterban. Het aantal abonnees neemt echter al jaren af. Ir. B. Visser, algemeen directeur Erdee Media Groep, verwoordde het tijdens een gastles op het Hoornbeeck College te Kampen zo: “In de jaren negentig van de vorige eeuw namen negen van de tien getrouwden een abonnement op onze krant. Nu is dat omgekeerd”, nu slechts één op tien. Veel jonggetrouwden steunen de krant niet meer. Vaak wordt als argument de prijs van de krant genoemd of de digitalisering. Een deel kiest dan voor een digitale abonnementsvorm. Maar er is veel meer aan de hand. De prijs van het abonnement kan het probleem niet meer zijn, gezien de mogelijkheid om te kiezen voor een aanmerkelijk goedkoper digitaal abonnement. Talloze ouderen en jongeren onder ons lezen - met name digitaal - volop andere kranten (Telegraaf, AD enz.) dan het RD, terwijl de inhoud van die andere kranten in onze tijd nog veel verder van Gods Woord afwijkt dan toen het RD werd opgericht. De noodzaak van een krant die ons in leer en leven voorhoudt wat naar de Schrift is en die niet openlijk of bedekt het tegendeel propageert, wordt kennelijk nu in een deel van de gereformeerde gezindte niet meer in voldoende mate aangevoeld. En dan heeft men ook het geld er niet meer voor over. Veel jongeren en ouderen onder ons gaan wel massaal op vakantie naar verre oorden. Dat is allemaal wel mogelijk en het mag wat kosten. Maar wat het zwaarst is, zou toch het zwaarst moeten wegen. Het is de wereldgelijkvormigheid die ons al te pakken heeft…
Facebook verraadt wie we werkelijk zijn
In de tijd toen ds. Van Haaren zijn rede uitsprak, vond er een grote afval plaats in onder meer de Gereformeerde Kerken. In die kerken speelt zich die afval nu niet meer af, want die zijn al afgevallen. In de Protestantse Kerk in Nederland (PKN), waarin de Gereformeerde Kerken inmiddels zijn opgegaan, mag alles gepreekt worden. Men mag weliswaar nog behoudend preken, maar men mag ook geheel anders preken. De Gereformeerde Kerken zijn destijds gezwicht voor het Algemeen Betwijfeld Christelijk Geloof van prof. dr. H.M. Kuitert. Nee, de grote afval speelt zich nu in onze eigen kring af. Niet in de laatste plaats door de invloeden van de moderne media laten wij die bij de waarheid zijn opgevoed, de waarheid in leer en leven steeds meer los. ‘Wel van de wereld, maar niet in de wereld’, schreef eens een opinieschrijver in het RD, terwijl het vroeger was: ‘Wel in de wereld, maar niet van de wereld’. We hebben eigen scholen, eigen kerken, een eigen krant en eigen bladen. Maar Facebook verraadt dat we niet veel anders zijn dan de wereldse mensen om ons heen. Sterker nog: we draven nog verder door dan onze ‘wereldse’ buren. Een ontzaglijke ontwikkeling. Ja, Facebook verraadt nog veel meer over onze kring. Onze jongeren en ouderen posten berichten en plaatsen foto’s die in de tijd van ds. Van Haaren (ja, zo kort geleden nog!) tot censuur zouden leiden. De opmerkingen, foto’s, video’s en reacties die geplaatst worden door leden van de reformatorische kerken in de breedte, geen enkele kerk uitgezonderd, stemmen tot verdriet. Hoeveel vakantiefoto’s van schaars geklede reformatorische jongeren en ouderen worden zonder schaamtegevoel op Facebook gezet? Hoeveel onchristelijke opmerkingen worden niet gepost?
Voorbeeld
Op een gegeven moment had een student uit het reformatorisch middelbaar beroepsonderwijs een website gemaakt voor een keet. 10 Een tijdje later stonden er ook foto’s op van mijn eigen studenten aan wie ik lesgeef. Tijdens een les Burgerschap heb ik hierover met ze gesproken. Open en eerlijk waren mijn studenten. Dat valt me altijd op: ouderen hebben vaak veel meer huichelachtigheid (hoe ouder hoe kouder wordt wel gezegd). Een van die studenten zei: “Meneer, u hebt wel gelijk. U vindt die foto’s niet goed. Weet u wat, ik zet er een wachtwoord op. Dan kunt u de foto’s niet meer zien.” Dat vond hij een mooie oplossing. Maar het ging mij niet alleen om die foto’s op zich, maar om het gedrag van onze jonge mensen. We hebben helemaal niet meer in de gaten hoe werelds het onder ons is geworden en ik sluit mezelf er volledig bij in. Laat duidelijk zijn dat ik me niet beter voel dan mijn studenten. We zijn allemaal van dezelfde lap gescheurd en derven allen de heerlijkheid Gods. Maar als we eerlijk zijn, zouden we tezamen toch moeten constateren dat er onder ons als reformatorische gezindte sprake is van een voortschrijdende wereldgelijkvormigheid. Laat het daarom onze dagelijkse bede moge zijn dat er een breken met de zonden en een herstel mag komen in reformatorisch Nederland.
Boodschap
De boodschap ‘Doch gij geheel anders’ heeft maar weinig invloed meer op onze jongeren en ouderen. Er zijn zelfs ouderen die richting hun kinderen nog wel waarschuwen tegen het (intensief en/of verkeerd) gebruik van de sociale media (Facebook, Instagram, Pinterest etc.), de mobiel, de smartphone en wat dies meer zij, maar er zelf ook zeer intensief gebruik van maken. Onze leidslieden waarschuwen ertegen, maar hoevelen gaan er zelf aan mank? In het verleden waarschuwde dr. A. Kuyper (1837-1921) tegen de roomse invloed, maar intussen werkte hij in de Tweede Kamer en in het Kabinet rustig met rome samen. Op verkiezingscampagnes waarschuwt de SGP tegen D66, maar ze hebben samen wel het kabinet Rutte II in het zadel gehouden en dus min of meer gedoogd. Dit is geen voorbeeld van het ‘Doch gij geheel anders’! Dit is ook geen voorbeeld van eerlijk en consequent handelen, onder andere richting de kiezers.
Er worden lectoraten opgericht om onderzoek te doen naar de sociale media en hoe we ermee om moeten gaan. Maar wordt het werkelijke probleem: Wij hebben God op ’t hoogst misdaan; wij zijn van Zijn heilspoor afgegaan, wel aangepakt? We vrezen van niet. Het is te hopen dat het onderzoek effect zal hebben, maar we vrezen dat dit nauwelijks het geval zal zijn, omdat de ontwikkelingen in een snel tempo doorgaan. Ik begreep dat er slechts zo’n 15.000 personen of gezin-nen uit onze gezindte (en dan spreek ik over de hele reformatorische gezindte) een Kliksafe-aansluiting hebben. Dat zegt genoeg als we weten dat het RD een oplage heeft van krap 53.000 en de SGP bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen een kleine 200.000 stemmen behaalde. Een deel zal het principieel gezien minder goede filter van Solcon gebruiken. Maar afgezien daarvan, valt het evenwel moeilijk te ontkennen dat ook een groot deel van de reformatorische Christenen open internet in huis heeft. Zij denken kennelijk dat ze zelf sterk genoeg zijn om de goddeloosheid buiten de deur van hun hart te houden. We hebben echter allen een boos hart dat tot het kwade geneigd is en dat aansluiting vindt bij wat internet biedt. Het boekje dat Andries Knevel, jarenlang programmadirecteur van de Evangelische Omroep, in de jaren negentig van de vorige eeuw met betrekking tot het televisiekijken van kerkelijken schreef, heette Doe dat ding dan uit!, want ook de kerkelijken bleken naar alles te kijken. Zal het dan met open internet anders zijn of gaan? Het is naïef dat te denken. Op dezelfde zin zouden we nu ten aanzien van open internet een boekje kunnen schrijven met als titel: Filter dat open riool dan toch!
Ds. A. Moerkerken, docent aan de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten, constateerde decennia terug dat de gereformeerde gezindte 50 jaar achterliep. Inmiddels moeten we zeggen dat de inhaalslag in volle gang is! Een televisie heeft men niet in de kast, dat mag immers niet, maar op internet bekijkt men alle belangrijke afleveringen van de afgelopen tijd. En ook onder ons wordt door een deel van de jeugd, maar ook door ouderen naar porno gekeken. Pornoverslaving is ook onder ons toegenomen door de verleidelijke mogelijkheden die onder andere de smartphones daarvoor bieden. Wel van de wereld, maar niet in de wereld! De grote afval is in volle gang!
Ten slotte
Het bovenstaande zijn zomaar wat zaken die al schrijvende naar boven kwamen naar aanleiding van de brochure van ds. Van Haaren. Ik wil eindigen met een gedicht van ds. D.P.M. Huët (1827-1895) dat ik eens las, waarvan ik u de inhoud allen toewens. Bedenkt u hierbij dat het kwaad niet zit in de ander, maar zelf hebben we God op het hoogst misdaan!
De laagste plaats
In dit leven is een pad,
Slechts door weinigen betreden;
Maar, die ooit dien weg betrad
Wordt geleid naar ’t hemels Eden. ’t Is een weg van droef geween,
Maar van zoete vreugde tevens,
Vaak door donk’re neev’len heen;
’t Is de nauwe weg des levens.
Heere, dat mij de laagste plaats
Op dien heilweg zij gegeven!
Niemand ooit heeft zoveel kwaads 11
Tegen zoveel licht bedreven. 11
Noten:
1) J. van Haaren, De grote afval, Driebergen-Rijsenburg 1970, p.3-4 (hierna: De grote afval)
2) De grote afval, p. 6
3) De grote afval, p. 7 4) J. van Haaren, ‘Het chiliasme (3)’, in: De Saambinder, 21 juni 1973
5) Zie meer hierover in: A. Verwijs, ‘De antichrist geopenbaard’, in: In het spoor, oktobernummer 2005, p. 152- 161 en decembernummer 2005, p. 219-227
6) De grote afval, p. 12
7) Zie meer hierover in: A. Verwijs, ‘Van het Reve en de homoseksualiteit’, in: In het spoor, meinummer 2008, p. 70-79
8) De grote afval, p. 12-14
9) De grote afval, p. 16
10) Het betrof keet ‘De Kolk’. Over deze keet is veel gediscussieerd in de gemeenschap van Genemuiden. De SGP-fractie van Genemuiden had voor een paar jaar terug ingestemd met een subsidieaanvraag voor de verbouw van deze keet. Een deel van de achterban was daar niet mee akkoord en heeft die instemming nooit kunnen begrijpen.
11) P. Huet, Afrikaansche Gedichten, Rotterdam 1891, p. 67
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 2015
In het spoor | 72 Pagina's