Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De Stuwkracht van de Tijdgeest -2-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Stuwkracht van de Tijdgeest -2-

24 minuten leestijd

De Heilige Schrift is het geopenbaarde Woord van God, de Waarheid die absoluut is en vast en zeker standhoudt tot in eeuwigheid. Hier is geen sprake van een profetie der Schrift die van eigen uitlegging is. Als het Goddelijke Woord is het voortijds evenmin voortgebracht door de wil van mensen (2 Petr. 1:20-21). De majesteit, de autoriteit en de kracht van de Bijbel ligt in de metafysische 1 , bovennatuurlijke oorsprong van het Goddelijk getuigenis. Voor alles past het ons het gezag van het Goddelijk Schriftwoord te erkennen en hier met grote eerbied en diep ontzag gehoor aan te geven. Zoals het Schriftwoord zegt: Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer (1 Sam. 15:22).

Het is meer dan opmerkelijk hoezeer de metafysische realiteit in onze moderne en postmoderne tijd uit het menselijk gezichtsveld is verdwenen. Vandaar dat het ons ook maar al te gemakkelijk ontgaat dat in die metafysische realiteit ook de bron ligt van waaruit de tijdgeest werkzaam is en zijn stuwkracht verkrijgt. In dit artikel 2 willen we die bron van de tijdgeest nader bezien om in een volgend artikel zoveel beter te kunnen onderkennen dat wij in onze tijd door de stuwkracht van de tijdgeest worden geïndoctrineerd door de demonische ideologie van het humane secularisme.

De oorsprong van de metafysische werkelijkheid

Overeenkomstig het eeuwige Woord Gods heeft de werkelijkheid als schepping van God een metafysische oorsprong. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. (…) Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is (Joh. 1:1, 3). Vanaf het eerste begin der schepping is er duidelijk sprake van een bovennatuurlijke en een natuurlijke werkelijkheid. In den beginne schiep God den hemel en de aarde (Gen. 1:1). De hemel is de metafysische realiteit, de bovennatuurlijke werkelijkheid waar God Zijn woning heeft. God is een Geest en Zijn woning is een geestelijke heerlijkheid. Als de Alomtegenwoordige woont en troont Hij daar, de almachtige en de eeuwige God, Die regeert tot in alle eeuwigheid om Zijn Goddelijke Raad te volvoeren. Daar heeft Hij Zich omgeven door Zijn hofhouding van hemelse troongeesten, die Hem onophoudelijk de hoogste eer toebrengen. Daar is Hij omringd door legioenen gedienstige geesten, een engelenschare die onophoudelijk tot Zijn dienst bereid is.

De afval van God in de bovennatuurlijke realiteit

Onvoorstelbaar is echter wat zich in die metafysische werkelijkheid heeft voltrokken. Een machtige overste der engelen wist zich door een onafzienbare engelenschare zodanig gesterkt in kracht en mogendheid dat hij als geschapen engel zijn creatuurlijke onderdanigheid meende te kunnen afleggen om in de volheid van zijn geestelijke kracht over zijn Schepper te triomferen. 3 De geest der revolutie manifesteerde zich in principieel verzet tegen de soevereiniteit Gods. De door God gegeven ordening van de engelenwereld werd aangevochten om de hoge en verheven majesteit en heerschappij van de Schepper te vernederen. Engelen als geestelijke schepselen in ondergeschiktheid dienstbaar aan hun Schepper wilden zich boven Hem ten hoogste verhogen.

De afval van God nader bezien

Wat zich hier heeft voltrokken is voor ons niet te doorgronden. Toch is het van het grootste belang dat de betekenis hiervan ons zo goed mogelijk voor ogen komt te staan. In de eerste plaats moet naar aanleiding hiervan worden opgemerkt dat het boze, het kwaad, geen zelfstandig, autonoom bestaan heeft. De bron van de zonde is in de door God geschapen werkelijkheid ontstaan doordat geschapen engelen onder leiding van satan zich tegen hun Schepper hebben gekeerd en van Hem zijn afgevallen om een duivels bestaan te leiden. Daarbij vragen vervolgens een tweetal motieven onze aandacht: verbeelding en verleiding.

De waarheid over de werkelijkheid wordt alleen in Goddelijk licht gekend. Daarin komen de Goddelijke rechten en ordinanties op het heerlijkst tot uitdrukking. Het is die werkelijkheid waarvan de overste der engelen zich heeft afgewend om in een verbeelding van die Goddelijke realiteit zelf heer en meester te kunnen zijn. Hij onttrok zich aan het Goddelijke licht en ontkende de waarheid over de werkelijkheid om als de vorst der duisternis heerschappij te voeren met het leugenachtige verhaal van zijn verbeelding. In de plaats van Goddelijk licht, waarheid en werkelijkheid stelde hij duisternis, leugen en verbeelding en gaf daarvan een voorstelling van zaken waarmee hij vele engelen wist te verleiden om de dienst aan hun Schepper op te zeggen en als duivelen aan zijn satanische macht dienstbaar te zijn. Hoe veelzeggend is in dit verband niet de opmerking van de Heere Jezus dat de satan in de waarheid niet staande is gebleven (Joh. 8:44). Satans karakteristieke bestaan is door Hem als de leugenbron getypeerd. In de kracht van zijn verbeelding weet satan het licht als de duisternis voor te stellen en de duisternis als het licht. Maar het Schriftwoord, dat ook zo nadrukkelijk door Augustinus is verwoord, laat er geen misverstand over bestaan: alleen in Uw licht zien wij het licht (Ps. 36:10b).

De strijd in de transcendente realiteit

Tegen die achtergrond moeten wij ons er rekenschap van geven dat zich in de metafysische werkelijkheid een niet te doorgronden geestelijke strijd voltrekt tussen het rijk van satan en het Koninkrijk Gods. Met de satan als overste machthebber en leider zoeken de van God afgevallen engelen als duivelen hun demonische macht te manifesteren door het werk Gods te verwoesten. Behalve het rijk Gods waarin de werkelijkheid naar waarheid bestaat in het licht van Gods aanschijn, maakt ook het satansrijk deel uit van de metafysische werkelijkheid.

In zijn leugenachtige verbeelding heeft satan of Beëlzebul een geestelijk rijk gesticht waarin hij zich omgeven heeft door een grote macht van duivelse volgelingen. Het is dit geestelijk rijk der duisternis, deze transcendente werkelijkheid der verbeelding van waaruit duivelse machten en occulte krachten hun satanisch werk verrichten. Dienstbaar aan Beëlzebul voeren zij een permanente strijd om de heerschappij van hun vorst der duisternis groot te maken. Nu is het ontegenzeggelijk waar dat satans macht en heerschappij in zijn geestelijke rijk van een verbeelde, leugenachtige werkelijkheid altijd onderworpen is en blijft aan Gods alomtegenwoordige almacht, zodat alles verloopt overeenkomstig Zijn Goddelijke Raad. Maar dat neemt niet weg dat satans macht met zijn duivelse werk van leugenachtige verbeelding een verwoestende uitwerking heeft.

De aardse werkelijkheid als schepping Gods

Niet alleen de hemel, maar ook de aarde heeft als schepping Gods een metafysische oorsprong met een werkelijkheid die naar waarheid alleen in bovennatuurlijk licht kan worden gekend. Dat geldt zowel voor de fysische werkelijkheid van de anorganische stof waaruit de levenloze natuur bestaat als voor de organische werkelijkheid van de levende natuur. Als de grote Schepper aller dingen is Hij immers de Levensbron van de organische werkelijkheid, die in biologisch opzicht tweeledig is: plantaardig en dierlijk. En in het bijzonder geldt dat voor de schepping van de mens, het hoogste schepsel in de aardse werkelijkheid, een weinig minder dan de engelen gemaakt en met eer en heerlijkheid gekroond (Ps. 8:6; Hebr. 2:7). Als het kroonjuweel der schepping heeft God de mens uit het stof der aarde geformeerd naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis en in zijn neusgaten de adem des levens geblazen, zodat hij werd tot een levende ziel. In de natuurlijkheid van zijn lichamelijk bestaan op aarde is hij toegerust om geestelijk te leven. En met zijn ziel draagt hij in zijn aardse leven het beginsel der eeuwigheid in zich dat in waarheid is gericht op de door God geschapen metafysische werkelijkheid. In dit verband is het ook van belang om onder ogen te zien dat het hart kan worden beschouwd als de poort tussen ziel en lichaam, de levensbron van waaruit het geestelijk leven van de mens enerzijds gericht is op het transcendente aspect van zijn bestaan in eeuwigheidslicht en anderzijds op de immanentie van zijn natuurlijk bestaan.

De zondeval van de mens

Vanuit zijn machtspositie als de vorst der duisternis heeft satan zijn transcendente rijk der verbeelding ook in de aardse werkelijkheid gestalte willen geven. Door leugen en bedrog heeft hij de werkelijkheid van de Goddelijke waarheid weersproken en een verleidende voorstelling van zaken gegeven: Gijlieden zult den dood niet sterven; maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden; en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad (Gen. 3:4-5). En in navolging van satan met zijn gevallen engelen heeft ook de mens zijn Schepper naar de kroon willen steken. Ook hij is in de waarheid niet staande gebleven, maar belust op macht en heerschappij heeft hij zich moed- en vrijwillig gestort in het verderf van de duivelse werkelijkheid van de bedrieglijke verbeelding. Tegen die achtergrond zien wij dat de satan zich een plaats heeft weten te verwerven als de overste dezer wereld (Joh. 12:31; 14:30; 16:11), die de mens heeft geknecht om in een verbeelde werkelijkheid dienstbaar te zijn aan de macht van satans heerschappij.

De bron van de tijdgeest

De zondeval heeft een revolutionaire omslag teweeggebracht in de door God geschapen werkelijkheid met desastreuze gevolgen. Een deel van de engelen en de mens als kroonjuweel van de schepping op aarde is in de waarheid niet staande gebleven. De mens heeft het beeld Gods verloren en is vervreemd van de waarheid die gefundeerd ligt in de metafysische werkelijkheid Gods. Smartvol is zijn aardse bestaan waarin hij, uit de aarde aards, een weg moet vinden in de werkelijkheid van een schijnwereld die om zijnentwil is vervloekt. Met zijn verduisterd verstand zoekt hij in die werkelijkheid van verbeelding tot macht en aanzien te komen. Maar in zijn natuurlijk bestaan ontkomt hij er niet aan dienstbaar te zijn aan satan die als overste dezer wereld een geest van leugen en bedrog, van verleiding en verbeelding ingang doet vinden. En deze vorst der duisternis weet zich omringd door duivelse machten, geestelijke boosheden en occulte krachten die hem terzijde staan om het aardse leven in verwoesting, dood en verderf ten onder te laten gaan.

De stuwkracht van de tijdgeest

In het voorgaande is de bron van de tijdgeest aangegeven die alle eeuwen op onderscheiden wijze als de ‘god dezer eeuw’ werkzaam is, hetzij als een briesende leeuw zoekende wie hij verslinden kan of als een engel des lichts om te verleiden en te misleiden. De tijdgeest zelf is de verschijningsvorm waarin deze machtsbron zich aandient. Alle eeuwen door is hij present op een voor iedere tijd karakteristieke wijze, hetzij afgodisch, religieus of ideologisch. In de voortgang der eeuwen is het steeds weer satan die de voortstuwende kracht der verbeelding activeert, waarmee hij mensen toerust om tot iedere prijs op vooruitgang gericht te zijn in onderwerping aan satans heerschappij.

Na de zondvloed is in dit verband de Babylonische torenbouw een uitermate opmerkelijk gegeven, dat illustratief is voor de ontwikkeling die zich toen voltrok. De voortgang der geschiedenis laat zien hoe menselijke gemeenschappen zich in stammen groepeerden, steden gingen bewonen, zich tot volken en naties ontwikkelden en cultuurmachten vormden.

Vanuit zijn transcendente rijk van leugen en bedrog, van verbeelding en verleiding nestelde satan zich in het centrum van de macht met zijn duivelse, demonische machten, met afgoden en occulte krachten. Menselijke overheden en machthebbers worden in afgodisch, religieus en ideologisch opzicht voortgestuwd om machtscentra van cultuurwerelden te vormen die op onderscheiden manieren karakteristiek zijn voor de tijd waarin zij opkomen, blinken en verzinken.

De almachtige heerschappij van het Goddelijke Woord

Weliswaar is satan de overste dezer wereld, maar daarmee is niet gezegd dat God Zijn schepping aan de verdervende duivelse macht heeft overgegeven. Vanuit Zijn majestueuze bovennatuurlijke werkelijkheid volvoert Hij door alles heen Zijn eeuwige Raad en doet Hij al Zijn welbehagen. Terstond na de zondeval laat de almachtige en eeuwige God Zijn machtswoord horen met de zo bekende moederbelofte als diepste kern: Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar Zaad; Datzelve zal u den kop vermorzelen, en gij zult Het de verzenen vermorzelen (Gen. 3:15).

Hier dient zich de strijd aan tussen het Koninkrijk Gods en het rijk van satan. Hier is de antithese principieel gegeven tussen de vorst der duisternis als gevallen schepsel en de eeuwige Koning der koningen als het Licht der wereld. 4 Hier is de confrontatie getekend tussen de duivelse machten en de levende Kerk, die al de eeuwen voortduurt tot op de jongste dag, de dag van de wederkomst van Christus.

Het machtswoord in de duisternis der verbeelding

Van beslissende betekenis in die strijd der eeuwen is het eeuwige Woord van de almachtige God. Daar waar het Woord van de Koning der koningen is, daar is de heerschappij die satan overwint (zie Pred. 8:4). Daarom moet altijd weer Gods Woord vooropstaan en van beslissende betekenis zijn. Wie daar aan voorbijgaat, hetzij uit afkeer of om strategische redenen, of hoe en waarom dan ook, heeft geen kennis van en vertrouwen in de kracht van het Goddelijke Woord. En dat geldt door de zondeval van nature ons allen.

Na de zondeval gaan mensen in de verlorenheid van hun paradijselijk leven met God van nature hun weg die volstrekt aardsgericht is, uit de aarde aards. Onder de heerschappij van de vorst der duisternis, de overste van deze wereld, zoeken zij met inspanning van alle krachten door leugenachtige verbeelding in de duisternis tot het licht te komen en hun aardse bestaan leefbaar te maken. Zij verbeelden zich dat de nacht is voorbijgegaan en de tijd der verlichting is aangebroken. Maar in het Licht der waarheid is de werkelijkheid zo geheel anders. In het licht der verbeelding kan men zichzelf wijsmaken dat de morgenstond is genaderd, maar naar de waarheid van het eeuwige Woord moet de getrouwe wachter waarschuwen: het is nog nacht (Jes. 21:11-12).

Het machtswoord in het Licht der Openbaring

In Zijn eeuwig blijvend Woord der waarheid heeft God Zichzelf echter geopenbaard en Zijn heil bekendgemaakt. Het Goddelijk getuigenis stelt de verlorenheid van het menselijk bestaan in de duisternis van zijn leugenachtige verbeelding in het Licht. In het Licht van Gods Woord wordt bekendgemaakt hoe noodzakelijk het is om uit satans macht te worden verlost en in waarheid met God te worden verzoend. Het Licht van Gods Woord maakt de Weg bekend om door Gods Geest in alle waarheid te worden geleid en het Leven te vinden in het verlangen naar en het gericht zijn op Gods eer en de heerlijkheid van Zijn bovennatuurlijke, metafysische werkelijkheid.

Het machtswoord van de Koning der koningen spitst zich toe op het ontzaglijke wonder van de vleeswording van het eeuwige Woord Gods, de komst van de Zoon van God, van de Christus Die getuigde: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6). Bij Zijn geboorte zocht satan tevergeefs Zijn dood voordat Hij het borgwerk kon verrichten waartoe Hijvan eeuwigheid was gezalfd. Bij de aanvang van Zijn ambtelijk optreden werd de Messias door de satan in de woestijn verzocht. Verslagen door het Goddelijke Woord waarmee Christus als Machthebbende hem van repliek diende, moest de vorst der duisternis Hem gehoorzamen en week hij voor een tijd van Hem (Matth. 4:1-11; Luk. 4:1-23).

De bovennatuurlijke kracht van het Woord Gods

Sinds de zondeval moet de mens op aarde in duisternis zijn weg gaan omdat ook hij in de waarheid niet staande is gebleven. Daarom moet het voor hem de hoogste prioriteit hebben dat in de duisternis van het licht der verbeelding het Licht der waarheid opgaat. Maar Gods Woord laat er geen misverstand over bestaan: Het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen (Joh. 1:5). Er is een bovennatuurlijke daad voor nodig, een Goddelijk werk, om mensen te trekken uit de duisternis van hun verbeelding, en te brengen tot het wonderlijke Licht der waarheid. Christus als het Licht der wereld moet niet in verbeelding, maar in werkelijkheid gekend worden als de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh. 14:6b).

En opnieuw zegt de Schrift dat Hij gekomen is tot het Zijne, maar dat de Zijnen Hem niet aangenomen hebben. Zij die hem werkelijk aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden (Joh. 1:11-12). Daar is dus de bovennatuurlijke kracht van Gods Woord voor nodig. Wanneer Petrus op de vraag van zijn Meester mag belijden dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God, berust dat niet op misleidende verbeelding, waartoe mensen van nature maar al te gemakkelijk in staat zijn. Hoe veelbetekenend is het antwoord dat de Heere Jezus hem op deze belijdenis geeft: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth. 16:17). De waarheid van Gods Woord krijgt een bovennatuurlijke kracht als daarin de macht van de metafysische werkelijkheid Gods aanwezig is om de leugenachtige kracht der verbeelding te verbreken. En daarvan zegt de Schrift: Hiertoe is de Zone Gods geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou (1 Joh. 3:8).

De stuwende verbeeldingskracht van de tijdgeest gesignaleerd

Ongetwijfeld valt hier veel meer over te zeggen en verdient een en ander een nadere uitwerking. Tijd en ruimte dwingen echter tot beperking. Slechts voor een enkele toespitsing op de actuele situatie is plaats om te illustreren waar de stuwende verbeeldingskracht van de tijdgeest tot uitdrukking komt.

Het katholiek-reformatorisch denken in het algemeen Allereerst verdient het onze blijvende aandacht dat zich binnen de brede gereformeerde gezindte een ontwikkeling voordoet waarbij de evangelische en de neocalvinistisch-gereformeerde richting naar elkaar toegroeien. En ook vanuit de meer klassiekgereformeerde richting staat men hier voor open. Vanuit dit gegeven dient zich een katholiek-reformatorische stroming aan waar de eenheid wordt gezocht ten koste van de waarheid. De grenzen worden opgezocht om voorbij te gaan aan de dogmatische grondslagen van Gods Woord en door hermeneutische kunstgrepen in de Bijbel te lezen wat er niet staat.

Zoals eerst bij H.M. Kuitert, zo lijkt nu ook veel breder het conceptualisme ingang te vinden. Met menselijke ideeën en denkbeelden worden concepten geconstrueerd die als een ontwerp van de werkelijkheid functioneren zolang dat zinvol wordt geacht en effectief blijkt te zijn. De stuwende kracht van de verbeelding dient zich hier steeds nadrukkelijker aan.

De invloedssfeer van Bonhoeffer en Barth

Hoe men ook over de theologie van Bonhoeffer (1906- 1945) denkt, er is onmiskenbaar een lijn naar Karl Barth (1886-1968). Om niet meer te noemen, betreft dat zeker ook de leer van de predestinatie en de daaruit voortvloeiende opvatting over de algemene verzoening. Volkomen terecht merkte dr. C.A. van der Sluijs op dat hier tussen de theologie van Barth en ook van Bonhoeffer een wezenlijk onderscheid ligt met de gereformeerde theologie. Veelbetekenend klonk in dit verband zijn opmerking: “Bij Bonhoeffer zijn Gods verkiezing en de predestinatiegedachte algemeen en niet particulier. De gereformeerde theologie staat diametraal tegenover dit barthianisme van Bonhoeffer. En het is deze aperte ketterij die mij te veel de theologie van Bonhoeffer beheerst. En die ik zeker vandaag in ons lauwe gereformeerde leven zeer gevaarlijk acht.” 5 Daarbij mag het ons zeker niet ontgaan dat prof. dr. G.C. den Hertog vaststelt dat de Duitse theoloog Bonhoeffer inmiddels is “geaccepteerd, haast als ‘een der onzen’.” Dit om naar aanleiding hiervan vervolgens de vraag te stellen: “Waarom Barth niet?” 6

Tegen deze achtergrond moet ook de totstandkoming van een Gereformeerde Theologische Universiteit nauwgezet worden gevolgd. In het bijzonder als het gaat om de preambule waarin de “coördinaten van een gereformeerde Schriftbeschouwing” worden vastgelegd. Het is niet de bedoeling om elkaar daarbij te binden aan een of andere dichtgetimmerde Schriftbeschouwing, aldus prof. H.G.L. Peels die in verband hiermee verwijst naar bestaande verschillen, zoals de scheppingsleer en de vrouw in het ambt. 7

Aansluiting bij de deugdenethiek

In het kader van de openheid naar de wereld lijkt het reformatorisch-katholieke denken ook een zekere aansluiting te zoeken bij een conservatief Christelijke deugdenethiek. Vanuit Bijbels-theologische grondmotieven wordt wellicht onbedoeld, maar daarom niet minder ernstig, een visie gepresenteerd die uitloopt op een pleidooi voor ‘goedgelovigheid’. Een houding van wantrouwen ziet men bewaarheid worden in het kader van ‘self-fulfilling prophecy’. Maar wie goed doet, goed ontmoet. Vandaar een oproep tot ‘goedgelovigheid’. “Zo beschouwd is ‘goedgelovigheid’ dus een Christelijke deugd. Uiteraard binnen grenzen. Want eerlijkheid en waarheid zijn het eveneens. Maar toch, de goedgelovige is dichter bij het Koninkrijk Gods dan hij die wantrouwend is.” 8 De hele denkwijze is ook in zoverre markant dat er mogelijk een aanknopingspunt is met het pleidooi voor ‘tolerantie’ zoals daarvan door prof. dr. A.A. van Ruler (1908-1970) is gesproken. Dit gezien de stelling van dr. B.J. Spruyt: “Tolerantie is een Christelijke deugd, en geen kwestie van concessie (of tactiek of strategie), maar van confessie (Van Ruler). 9

De ideologie van de evolutieleer

De evolutiethese heeft zich ontwikkeld tot een evolutiedogma waarvan de ideologische uitstraling ook binnen het reformatorisch-katholicisme steeds meer terrein wint. Na enkele verkennende acties door anderen heeft prof. dr. G. van den Brink de vrijheid genomen om ook hier het Bijbels getuigenis met hermeneutische kunstgrepen af te stemmen op de verbeeldingskracht der wetenschap. 10 Terecht gaf prof. dr. E. Schuurman onlangs aan dat er grenzen zijn aan de wetenschap. Wie de betrekkelijkheid van wetenschappelijke kennis niet inziet, is al te gauw bereid om die kennis als waarheid te accepteren. En als gevolg hiervan moet een harmonisatieproces op gang komen om de Bijbelse gegevens af te stemmen op de resultaten van het wetenschappelijk denken. 11 De reactie van dr. Van den Brink komt vervolgens wat vinnig en zuur over: “Het is duidelijk dat Schuur-mans wetenschapsfilosofische exercities vooral bedoeld zijn om zich de evolutietheorie van het lijf te houden. Misschien zou hij er echter beter aan doen zich daar juist eens in te verdiepen in plaats van er zich met een abstracte redenering van af te maken.” 12 Wellicht is die reactie ook ingegeven door en van toepassing op de visie die ds. A.J. Mensink onlangs naar voren bracht om de ontwikkelingen op dit gebied transparant te krijgen. Bij dr. Van den Brink, aldus de predikant, is sprake van een harmoniemodel, waarbij “de evolutiebiologie een verstaanskader van de Schrift is geworden. De Schrift moet uitgelegd worden op een manier die niet conflicteert met (bijvoorbeeld) de evolutiewetenschappen.” Ds. Mensink wijst dit harmoniemodel zonder meer af en bepleit een ‘verantwoord gespreksmodel’, waarbij recht gedaan wordt aan het feit dat de Heilige Schrift een eigenstandige uitleg vraagt. 13

De gelijkheidsideologie als het hart van de democratie

Zeker niet in het minst dient bij het reformatorischkatholicisme de stuwkracht van de verbeelding zich aan op politiek-staatkundig gebied. Weliswaar nog niet formeel, maar zeker feitelijk heeft het beginsel van volkssoevereiniteit zich weten te nestelen in het democratische hart van ons rechtsbestel. En als gevolg hiervan wordt onze samenleving steeds meer vormgegeven, geordend en georganiseerd vanuit de indoctrinerende gelijkheidsideologie. Actueel aan de orde is het om het verleden kritisch te bevragen of en in hoeverre men binnen de gereformeerde gezindte principieel afstand heeft genomen van het nationaalsocialisme. Intussen vergeet men om in de actualiteit van het heden principieel stelling te nemen tegen het humane secularisme, waarvan de gelijkheidsideologie het religieuze centrum vormt en seculiere geloofsfanatici met grote toewijding dienstbaar zijn aan de verbreiding van hun waandenkbeelden die zij samengevat zien in artikel 1 van onze grondwet. Door een principiële stellingname tegen de leugenachtige verbeeldingskracht waarmee fanatici de vrijheid voor en de gelijkheid van de autonome mens afdwingen, moest de SGP gedogen dat zij door het stempel ‘a-democratisch’ werd gebrandmerkt omdat de partij zich zonder compromissen wilde blijven baseren op het onveranderlijke Woord Gods. Inmiddels weet de SGP zich niet staande te houden in de stuwkracht van de verbeelding. Ook hier is het beleid gericht om in het kader van een harmoniemodel te overleven en zelfs het huidige kabinetsbeleid door een gedoogconstructie in stand te houden.

In verzet tegen de tijdgeest

Alleen daar wordt werkelijk verzet geboden aan de tijdgeest waar de leugenachtige verbeeldingskracht moet wijken voor de kracht van het eeuwige Woord der Goddelijke waarheid. Door Zijn almachtige kracht leidt de Geest Gods in de Goddelijke waarheid van Zijn bovennatuurlijke, metafysische werkelijkheid. Dan wordt het de volken en de overheden, de machten, de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw aangezegd: Hoort des HEE- REN Woord, gij oversten van Sódom; neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomórra (Jes. 1:10). De ware Kerk leert in het licht der waarheid bidden: Onze Vader, Die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Na de bede om het dagelijkse brood en om schuldvergeving te krijgen en te beoefenen, klinkt in ootmoedig besef van onmacht om zichzelf te bewaren, de smeekbede: En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze (Matth. 6:9-13a; Luk. 11:2-4). Maar majestueus wordt dit allervolmaaktste gebed afgesloten met de belijdenis waarin het geloof, de hoop en de liefde doorklinken als een proclamatie: Want Uw is

het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in der eeuwigheid. Amen (Matth. 6:13b). Alleen in het eeuwige Woord en - geleid door de Geest der genade en der gebeden - in waarachtig gebed ligt de weg van verzet tegen de tijdgeest.


Noten:

1) In dit artikel - evenals in het vorige artikel - worden de begrippen metafysica en metafysisch gebruikt, waarmee de werkelijkheid boven de natuurlijke realiteit wordt bedoeld. Dit geldt eveneens voor het begrip transcendent, dat de werkelijkheid wordt genoemd die boven het aardse uitstijgt. En voor die aardse, natuurlijke realiteit wordt het begrip immanent of immanentie gehanteerd.

2) Zie voor het eerste artikel: In het spoor, meinummer 2015, 39e jrg, nr. 2, p. 118-123

3) A. Kuyper, De engelen Gods, Kampen 1923, p. 200 e.v.

4) Zij die de antithese loochenen of daarmee niet willen rekenen, voeden zich in het rijk van hun verbeelding met de inbeeldingen van de vorst der duisternis.

5) C.A. van der Sluijs, ‘Lauwe gereformeerde leven zet Bon hoeffer te veel naar zijn hand’, in: Reformatorisch Dagblad, 10 april 2015

6) G.C. den Hertog, ‘Niet gelezen, toch bestreden’, in: Reformatorisch Dagblad, 13 april 2015

7) Zie: ‘Prof. dr. H.G.L. Peels: Theologie voor de toekomst’, in: Reformatorisch Dagblad, 2 april 2015

8) L. van der Tang: ‘Goedgelovigheid’, in: De Wachter Sions, 62 jrg. nr. 38, 21 mei 2015. Desgevraagd liet de heer L. van der Tang weten dat hij bij het schrijven van zijn artikel beslist niet de context in gedachten had zoals daar hier nu naar wordt verwezen. Hij was vooral gericht op de wijze waarop mensen binnen de eigen kring met elkaar behoren om te gaan, bijvoorbeeld binnen een kerkelijke gemeente.”

9) B.J. Spruyt, Voor religie en vrijheid, Apeldoorn 2015, p. 46, 165

10) Zie: ‘Wetenschap en een schuivend geloof. Interview met dr. G. van den Brink’, in: Kontekstueel, 29e jrg., nr. 3, november 2014

11) Zie: ‘Grenzen aan de wetenschap’, in: Reformatorisch Dagblad, 17 juli 2015

12) Zie: ‘Opgemerkt - Wetenschappelijke kennis’, in: Reformatorisch Dagblad, 7 augustus 2015

13) A.J. Mensink, ‘Wetenschap en Geloof ‘, in: De Waarheidsvriend, 103e jrg., nr. 12, 20 maart 2015


Een rebel tegen gods kroon

Ds. M. Henry: “De duivel en satan is de oude slang (Openb. 12:9); een boze geest, door de schepping een engel des lichts en een onmiddellijke dienaar aan Gods troon, maar door zonde een afvallige geworden van zijn eerste staat en een rebel tegen Gods kroon en waardigheid. Menigten van hen zijn gevallen, maar deze die onze eerste ouders heeft aangevallen, was voor zeker de overste van de duivelen, de aanvoerder van de opstand. Niet zodra was hij een zondaar of hij was satan, niet zodra een verrader of hij was ook een verleider, als een die verwoed was tegen God en Zijn heerlijkheid en afgunstig op de mens en zijn geluk. Hij wist dat hij de mens niet anders kon verderven dan door hem te verleiden. Bíleam kon Israël niet vervloeken, maar wel kon hij Israël verleiden (Openb. 2:14). De toeleg van satan was dus om onze eerste ouders tot zonde te brengen en aldus scheiding te maken tussen hen en God. Zo was dan de duivel een mensenmoordenaar van den beginne en een groot onheilstichter. Het ganse menselijke geslacht had hier als het ware slechts één hoofd en daarop was de slag van satan gericht. De verdrukker en vijand is deze boze”

-Ds. M. Henry, Verklaring van het Oude Testament, dl. 1, Kampen 1995, p. 23 (herspeld)-


Eerst dan…

Dr. H.F. Kohlbrügge: “Waar alleen kennis is, daar is voortdurende twijfel of Gods Woord wel Gods Woord is, daar onttrekt men zich bij elke gelegenheid, als het op de proef komt, aan het geloof en aan de Gode schuldige gehoorzaamheid, daar hoort en spreekt men van het Evangelie, maar men doet met Gods Wet naar eigen zondig overleg en zet in een goddeloze opzet zijn lust, eigen zin en wil door tot verderf van lichaam en ziel. Eerst dan als de liefde Gods wordt uitgestort in ons hart door de ons gegeven Heilige Geest, onderwerpt men verstand, wil en weg aan de gehoorzaamheid van Christus. Eerst dan als er een waarachtige bekering komt tot en geloof aan God, houdt men Gods Wet voor Gods Wet en zichzelf aan die Wet schuldig en gebonden, neemt men Gods Woord geheel voor Gods Woord aan en heeft men van de werking van Gods gehele raad ter zaligheid, van Zijn vrijmachtige genade, een ondervinding die zaligmakend is.”

-Dr. H.F. Kohlbrügge, Leerrede over Genesis 3, Dordrecht 1857, p. 4 (herspeld)-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2015

In het spoor | 60 Pagina's

De Stuwkracht van de Tijdgeest -2-

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 december 2015

In het spoor | 60 Pagina's