Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Actuele Toepassing van Artikel 36

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Actuele Toepassing van Artikel 36

26 minuten leestijd

Artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis brengt nog steeds pennen in beweging. Wie zich in de gereformeerde geschiedenis en traditie van Nederland verdiept, kan ook niet om dit artikel heen. De vraag is hoe dit artikel gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Wie zich verdiept in de gereformeerde geloofsbelijdenissen die omstreeks dezelfde tijd als de Nederlandse Geloofsbelijdenis (1561) werden opgesteld in Europa, komt tot de ontdekking dat er in die confessies op dezelfde wijze werd geloofd en beleden wat de taak van de overheid was. De overheid heeft als positieve taak om het Christelijk geloof en het Christendom te bevorderen. Maar ook de negatieve taak om alles wat deze bevordering hindert, bijvoorbeeld valse godsdiensten, te weren en uit te roeien. Wie de Nederlandse Geloofsbelijdenis gelooft en belijdt, erkent dat ook.

In de tijd dat deze belijdenissen werden opgesteld, was er veelal sprake van overheden die de ware gelovigen tot bloedens toe vervolgden. Maar toen de Reformatie in ons land voet aan de grond had gekregen en het Spaanse tirannieke juk was afge worpen, kon er gesproken worden van een Christe lijke overheid. Een groot verschil met nu. In de huidige moderne en postmoderne tijd valt het voor het oog niet mee om artikel 36 in te passen en toe te passen.

In het RD van woensdag 25 november 2015 stond een column afgedrukt van dr. A. Huigen (universitair hoofddocent systematische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn), waarin hij een contemporaine of eigentijdse lezing en actuele toepassing van dit artikel gaf. Natuurlijk is het een column of blog op internet die bedoeld is om te prikkelen en tot nadenken te stimuleren. In dit artikel laat ik een tegengeluid horen en maak ik wat kanttekeningen bij zijn column.

Het slot van Huigens column

Om aan de lezer duidelijk te maken tegen welke woorden van dr. Huigen ik me richt, citeer ik hier het slot van zijn column:

“Zoals De Brès aangaf geen gewapende revolutie te willen maar de machten te accepteren, zo zullen Christenen voluit de liberale democratie aanvaarden.

Zoals De Brès de macht van de overheid ook in godsdienstige kwesties erkende, lijkt het me goed om vandaag te aanvaarden dat de overheid de handen afhoudt van de godsdienst. Gelukkig maar: stel je voor dat het huidige kabinet met het zwaard ging verdedigen wat volgens hen de juiste godsdienst is. In De Brès’ tijd was er minder oog voor tolerantie dan in onze tijd. Tolerantie is echter voluit een Christelijke deugd. Als in een gelijkenis van Jezus de dienaren het onkruid tussen de tarwe vandaan willen trekken, wordt dat door de Heere verboden: ze zouden met het onkruid ook de tarwe er uittrekken. Wachten dus tot de oogst. Ongeduldig een ideale religieuze toekomst naar je toe halen, desnoods met geweld, levert altijd ongelukken op”. 1

1. Aanvaarden van de liberale democratie

Het moge ons opvallen dat dr. Huigen geen kritiekpunten plaatst bij het aanvaarden van de liberale democratie. Hij spreekt slechts van een “voluit” aanvaarden. Uiteraard in de context dat wij de machten hebben te aanvaarden, want die zijn van God (Rom. 13). Dat is echter wel een eenzijdig beroep op Gods

Woord en doet geen recht aan heel Gods Woord (tota scriptura). Dr. Huigen weet natuurlijk ook wel wat de liberale democratie - bedoeld de democratie als regeringsvorm, niet de democratie als norm gebaseerd op volkssoevereiniteit - betekent, zeker in de huidige situatie waar de Nederlandse regering niet-Christelijk, laat staan gereformeerd kan genoemd worden. Tal van goddeloze wetten heeft de overheid ons opgelegd, zoals abortus, euthanasie, legalisering van de prostitutie, afschaffing van de gewetensbezwaarde ambtenaar, verplicht onderwijs in en acceptatie van seksuele diversiteit. Deze geboden gaan rechtstreeks in tegen de geboden van God, met name het zesde en het zevende gebod. Maar indirect natuurlijk tegen al Gods geboden (Jak. 2:10). Kunnen we in deze situatie probleemloos spreken van een “voluit” aanvaarden van “de liberale democratie”? Daar zouden toch ten minste wat nuanceringen en kanttekeningen bij gemaakt moeten worden. Of leven we in een staatsdictatuur waarin we menen niet anders te mogen doen dan deze zaken probleemloos en voluit te aanvaarden? Dat lijkt me niet gezond en in strijd met Gods Woord, waar altijd gesproken wordt dat we Gode meer gehoorzaam moeten zijn dan den mensen (Hand. 5:29b). Daarmee is de theocratie een gegeven. Dit vloeit ook rechtstreeks voort uit het eerste gebod: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben (Ex. 20:3). De verklaring die onze Catechismus daarvan geeft in antwoord 94 van de Heidelbergse Catechismus is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar:

Dat ik (…) den enigen waren God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, (…), Hem van ganser harte liefhebbe, vreze en ere, alzo, dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.”

Vandaar ook dat de apostelen Petrus en Johannes vuurbang waren om iets tegen Gods wil te doen, maar niet bang waren om iets tegen de wil van het sanhedrin te doen in het geval de wil van het sanhedrin met Gods Woord in strijd bleek.

En toen die de apostelen een spreekverbod wilden opleggen, zeiden ze: Oordeelt gij of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God. Want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben (Hand. 4:19-20). Daarmee werd het sanhedrin geplaatst in de tegenwoordigheid van God (coram Deo).

Volgens de apostelen is het dus evident billijk en recht om God meer te horen (dat impliceert ook gehoorzamen) dan het sanhedrin. De vraag die zij voorleggen en waar het sanhedrin over na mag denken en op mag antwoorden, is een retorische vraag: oordeelt gij of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God. Meteen volgt dan ook de diepe gewetensovertuiging van de apostelen dat ze te doen hebben met Gods bevel en dat ze het daarom niet kunnen laten om te spreken.

Gods Woord als dé norm

We kunnen hieruit leren dat er maar één norm is waaraan iedereen getoetst en beoordeeld moet worden. En dat is de norm van God, van Zijn Woord en van Zijn geboden. En zo moeten we met de apostelen ook vandaag de dag en altijd iedereen plaatsen in de tegenwoordigheid van God. We zijn niet de schepselen, maar wel God de Almachtige Schepper van hemel en aarde onze eerste verantwoording schuldig. Vandaar dat hier de apostelen op terugvallen. Ze handelen en spreken in de Naam van God. Ze handelen en spreken met Zijn autoriteit, door Zijn bevel en door Zijn kracht. God is de Allerhoogste Wetgever en Rechter.

God heeft Zijn wil in Zijn Woord en Wet bekendgemaakt. Daarnaar hebben wij ons te richten en daarnaar zullen wij geoordeeld en beoordeeld worden. Wat we daarmee gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad. Dat geldt de onderdanen van de overheid in hun verantwoordelijkheid ten aanzien van God en de naaste (en de overheid), maar ook de overheidspersonen in hun verantwoordelijkheid ten aanzien van God en onderdanen (de naaste). Dan helpt het niet om te zeggen dat we geen Christen zijn of dat de overheid niet meer Christelijk is. Dat is juist tot verzwaring van het oordeel. Want God accepteert geen onbekeerlijkheid of andere goden naast Hem, wie dat ook zijn. Onze eigen gedachten, gevoelens en waarden of die van andere schepselen moeten buigen voor God en Zijn Woord. Als de HEERE God is, hebben we Hem alleen na te volgen!

Geen neutraal gebied

Dr. A. Kuyper stelde voor dat de overheid zou behoren tot het neutrale gebied van de gemene gratie. Er zou wel gevochten en gestreden mogen worden met woorden over de verschillende gedachten en ideeën, maar de (zwaard)macht, het ‘geweld’ van de over-heid, moest hierbuiten blijven. Dit leidde ertoe dat er een gedeelte van artikel 36, de bekende 21 woorden, uit de NGB geschrapt moest worden in de gereformeerde kerken.

De SGP heeft echter vanaf haar oprichting gestreden tegen deze manier van godsdienstvrijheid en gepleit voor de handhaving van het onverkorte artikel 36. Ten diepste gaat het hier niet over de vraag of artikel 36 onverkort gehandhaafd moet worden in onze tijd, maar is de vraag dieper, namelijk of heel Gods Wet (de Decaloog) onverkort door iedereen gehandhaafd en erkend moet worden. Misschien helpt het om de zaak zo te belichten: gelden Gods geboden voor ieder een, dan geldt ook de eerste Tafel van Gods Wet voor iedereen. Dan moet iedereen luisteren naar het eerste gebod: geen andere goden naast God, geen andere goden in de plaats van God en al helemaal niet boven God. Dan is het de taak van elke Christen, maar ook van de overheid om al die afgoden en afgoderij te weren en uit te roeien. Opdat zo God aan Zijn eer komt, niet alleen in het leven van individuen, maar in ieders leven. En ook publiek. Of het nu burgers of overheden zijn, alles moet gehoorzamen aan en zich richten naar Zijn wil.

Maar als de gehele Wet van God voor iedereen geldt, de eerste Tafel van de Wet incluis, dan betekent dit ook dat iedereen horen moet naar het tweede gebod, wat impliceert dat iedereen God behoort te dienen zoals Hij gediend wil worden. Dat is: alleen naar Gods Woord (sola scriptura) en niet zoals wij menen dat Hij gediend wil worden. Godslastering zou uit den boze moeten zijn (derde gebod). En de dag van de Heere zou heilig moeten zijn (vierde gebod). Dus geen discussies meer over winkels wel of niet open op zondag. Gewoon alles dicht. Niet alleen om lichamelijk en geestelijk uit te rusten, maar juist ook om naar de kerk te gaan. Daar kunnen en mogen we immers nog horen wat tot onze vrede en zaligheid dient. Daar wordt Gods volk ingeleid in de rust die er overblijft voor het volk van God door de Rustaanbrenger Christus Jezus.

2. De taak van de overheid

Het tweede punt waar ik nu op in wil gaan is dat dr. Huigen in het huidige tijdsgewricht geen taak weggelegd ziet voor de overheid met betrekking tot de godsdienst. Hij heeft liever dat deze overheid haar handen afhoudt van de godsdienst, wat op zich begrijpelijk is. Maar zo redeneerde De Brès niet! Ondanks dat hij en zijn gemeente door de overheid fel en bloedig vervolgd werden, hield hij vast aan de eis van Gods Woord dat de overheid de ware godsdienst behoort te bevorderen en alle afgoderij en valse godsdienst van het publieke erf dient te weren, zoals hij verwoord heeft in artikel 36. 2

Er valt nog meer te zeggen. De overheid mag niet onbekeerd wezen. We kunnen dan ook niet zomaar tevreden zijn met de huidige status-quo. We moeten onze principes en idealen niet loslaten of opgeven omdat ze moeilijk zijn te realiseren in de werkelijkheid. Ook al wordt het ideaal niet bereikt, de principes op zichzelf genomen zijn het waard om die te geloven, uit te dragen, maar ook om te streven naar realisering daarvan.

Hier kunnen we in zekere zin nog leren van de gedrevenheid van mensen die bijvoorbeeld het goddeloze idealisme najagen dat overal in Europa en ter wereld

het homohuwelijk moet worden ingevoerd en geaccepteerd. In de vorige eeuw en de eeuwen daarvoor kregen deze mensen nauwelijks voet aan de grond. Nu weten we dat de tijd en veel mensen hierin veranderd zijn van gedachten en gevoelen. En dat de sodomie in het ene na het andere land wordt ingevoerd en voluit geaccepteerd. Kennelijk weten deze mensen van geen ophouden en worden ze door een uitzonderlijke ijver gedreven. Zouden wij dan minder gedreven moeten zijn voor de erkenning van God, Zijn Woord en Zijn heilzame geboden? Dat houdt in de eerste plaats in dat de overheidspersonen zich tot God moeten bekeren. We hoeven niet meteen ongelovig te zeggen dat dit een utopie is.

Het voorbeeld van Ninevé

In Ninevé kon het ook op Jona’s prediking! De koning ging voorop met vasten en bidden en hij gaf aan het volk bevel dit ook te doen. Zelfs de dieren moesten vasten. Die heidense koning voerde tevens een reformatie door in zijn land. Hij vaardigde voor zijn onderdanen het volgende bevel uit: en zij zullen zich bekeren een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld dat in hun handen is (Jon. 3:8b). Misschien wilde God in een weg van vasten, bidden en bekering de stad nog sparen. En…het volk volgde hun koning na! Daar in Ninevé was dus een erkenning van de God van Israël, Die de stad sparen en verderven kon.

Het voorbeeld van Babels koningen

Zelfs in het heidense Babel zien we dat daar op een gegeven moment God boven alle andere goden erkend werd (Daniël). Zo was Nebukadnézar er in de uitkomst zeer verblijd mee dat Sadrach, Mesach en Abed-nego de geloofsmoed en gehoorzaamheid mochten hebben ontvangen om het bevel van koning Nebukadnézar om voor een andere god te buigen, te weerstaan. Zij eerden of aanbaden geen god dan hun eigen God, de God van Israël. Zij mochten vertrouwen op die God en Hij beschaamde ze niet in de vuuroven van de verdrukking in het dal van Dura. En dat leidde tot het volgende besluit van koning Nebukadnézar: Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abednego, in stukken gehouwen worde en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen andere god die alzo verlossen kan (Dan. 3:29).

En in Daniël 4 lezen we dat Nebukadnézar zelfs een belijder is geworden van de theocratie: en ik (Nebukadnézar) loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht; en al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand die Zijn hand afslaan of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij? (Dan. 4:34-35).

Ook in Daniël 6 lezen we dat koning Daríus de Meder de God van Israël wenste te erkennen: Van mij (Daríus) is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniël; want Hij is de levende God en bestendig in eeuwigheden, en Zijn Koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe (Dan. 6:27).

Navolging

De overheid in Nederland zou in navolging van deze heidenen zich niet alleen moeten bekeren, maar haar taak ook met betrekking tot de godsdienst behoorlijk moeten waarnemen. Het zou goed zijn als de overheid zich ging bekommeren om al die miljoenen zielen (onderdanen) op weg en reis naar de eeuwigheid en de rechterstoel van Christus. Daarvoor zouden er miljarden euro’s geïnvesteerd moeten worden in de gereformeerde godsdienst, in gereformeerde universiteiten, scholen en kerken. Alle dominees zouden, zoals vroeger, verplicht naar de universiteit moeten om daar een graad te halen in de gereformeerde theologie. Niet alleen de kosten van de opleiding, maar ook het predikantstraktement zou door de overheid bekostigd moeten worden. Zij behoren immers te zijn de voedsterheren van de kerk. Overheidspersonen zouden belijdend lid moeten zijn van een van de reformatorische kerken die de Drie Formulieren van Enigheid voluit ten grondslag hebben. En zo zouden er tal van besluiten en maatregelen ten goede moeten worden doorgevoerd.

Ook zouden er negatieve maatregelen genomen moeten worden. In Nederland zou geen plaats moeten zijn voor zaken die nu voluit geaccepteerd zijn, zoals een moskee of universiteit van de mohammedaanse godsdienst, een tempel van de boeddhistische godsdienst en een school en synagoge van de Joodse godsdienst. 3 Het zou ook betekenen dat er geen plaats meer is voor wereldse muziekfestivals, disco’s, filmzalen, theater etc. De overheid zou deze valse manieren van ‘godsdienst’ immers moeten weren uit het openbare leven.

3. Tolerantie tot de oogst

Dat brengt mij bij het derde punt dat dr. Huigen aandraagt namelijk de gelijkenis van het onkruid tussen de tarwe. De dienaren van God mochten het onkruid niet voortijdig weghalen tussen de tarwe vandaan. Ze moesten wachten tot de oogst. Dit zou betekenen: tolerantie. Volgens dr. Huigen was hier in de tijd van Guido de Brès minder oog voor. Maar het is volgens hem een Christelijke deugd. We wachten dus rustig af tot de oogst en laten tarwe en onkruid samen opgroeien tot de oogst. Ook hier problematiseert dr. Huigen deze stelling niet. Terwijl die toch tal van problemen met zich meebrengt.

Het is trouwens zeer twijfelachtig om heel ons standpunt inzake de godsdienstige taak van de overheid van deze ene gelijkenis in Mattheüs 13 af te laten hangen. Zoals we weten zijn de gelijkenissen van de Heere Jezus vol met beelden uit het alledaagse leven die niet op ieder afzonderlijk punt kunnen toegepast worden naar de geestelijke werkelijkheid. Het gaat dikwijls om een bepaalde strekking. En voor wat betreft deze gelijkenis hoeven we naar de toepassing en uitleg van de gelijkenis helemaal niet te zoeken omdat de Heere Jezus die Zelf aan Zijn discipelen heeft uitgelegd en toegepast (Matth. 13:36-43).

Brandkoren in Gods kerk

Nu is het goed om te lezen wat de kanttekenaren van onze Statenvertaling hierbij gezegd hebben. Bij Mattheüs 13:30 zeggen zij: Hiermede wil Christus niet wegnemen het ambt der overheid in het straffen der bozen (Rom. 13:4), noch der kerk in het oefenen der discipline (1 Kor. 5:7), maar geeft te kennen, dat men daarin voorzichtigheid moet gebruiken, en dat de hypocrieten en bozen niet geheel kunnen geweerd worden, overmits zij van de ware gelovigen somwijlen niet wel kunnen onderscheiden worden, gelijk het brandkoren van het goede koren, als het eerst opkomt, kwalijk kan onderscheiden worden. Een brandkorenplantje is aanvankelijk op de akker niet te onderscheiden van een graanplantje, maar wel als het brandkoren volgroeid is, in de tijd van de oogst. Brandkoren (Grieks: zizania) is een beeld van de hypocrieten in Gods kerk die zich uitgeven voor ware gelovigen en die in leer en leven nagenoeg niet van de ware gelovigen te onderscheiden zijn. Zulke hypocrieten kunnen zonder veel schade en verwarring niet als lid van de kerk en niet van het Heilig Avondmaal geweerd worden. Daarom wil Christus dat ‘onkruid’ tezamen met de tarwe laten opwassen tot de oogst. Terecht hebben de kanttekenaren opgemerkt dat deze gelijkenis dus nooit zo uitgelegd kan en mag worden als was ze strijdig met andere gedeelten uit Gods Woord zoals wat Paulus door de Geest geïnspireerd schrijft in Romeinen 13 of in 1 Korinthe 5. De taakopvatting of functie van de overheid of van de kerk wordt door deze gelijkenis dus niet gewijzigd of veranderd. Hooguit kunnen we er in dat verband deze lering uit trekken dat het straffen van de bozen en het uitoefenen van de kerkelijke tucht met de nodige voorzichtigheid gepaard moet gaan. Al met al biedt deze gelijkenis dus geen vrijbrief voor het tolereren van goddeloze wetten noch van valse godsdiensten in staat of kerk.

Een geestelijke zaak

Het is ook belangrijk om te zien dat het hier gaat over Gods Koninkrijk in deze wereld. En dat er kinderen van het Koninkrijk zijn en kinderen van de boze. Dat is een geestelijke zaak. Dat zal zo zijn tot op de jongste dag. Tot die dag van de oogst, als de opstanding der doden en het laatste oordeel aanbreken. Dan vindt de grote (af)scheiding plaats tussen: schapen en bokken, goede vissen en kwade vissen, wijze maagden en dwaze maagden, de wijze bouwer en de dwaze bouwer, tarwe en onkruid, kaf en koren, alles wordt gescheiden.

De maaiers zijn geen kerkelijke ambtsdragers of overheidspersonen. Integendeel, de scheiding die zich voltrekt, gaat hen ook aan. Er komt een scheiding tussen goede ambtsdragers en kwade ambtsdragers. Er komt een scheiding tussen goede overheidspersonen en kwade overheidspersonen. De maaiers zijn de engelen. Zij zullen alle goddelozen in de vurige oven werpen, dat wil zeggen: in de strafplaats waar wening is en knersing der tanden. En dat naar recht. Want Gods oordelen zijn geheel rechtvaardig.

Gods lankmoedigheid

Van nature zijn wij allemaal onkruid. Het is daarom een wonder van Gods grote lankmoedigheid dat we nog niet verbrand zijn. In die zin is er hier sprake van tolerantie, van uitstel van executie. Maar… niet van afstel, tenzij wij wederom geboren worden, tenzij wij van onkruid tarwe worden. Dat moge onmogelijk lijken, maar er is geen ding onmogelijk bij God. God kan van onkruid nog tarwe maken. Van een kind van de boze een kind van het Koninkrijk van God. Een kind van de Zoon des mensen, door God aangenomen en geadopteerd op grond van Jezus’ zoen- en kruisverdienste.

Er moeten nog zondaren tot bekering komen. Daarvoor geeft God nog de tijd (2 Petr. 3:9). Om die reden stelt Hij het rechtvaardig oordeel nog uit. Dat noemt Paulus Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid (Rom. 2:4). Tot de jongste dag doet God daarom inderdaad Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Matth. 5:45).

Ook een Christen heeft de roeping om hierin God, de hemelse Vader, na te volgen in het liefhebben van vijanden, in het zegenen van hen die ons vervloeken, in het wel doen aan degenen die ons haten, en met te bidden voor degenen die ons geweld aandoen en vervolgen. Maar ook dit betekent niet dat de deugden van Gods rechtvaardigheid en waarheid daarom niet meer zouden gelden, dat Gods goedertierenheid, verdraagzaamheid en lankmoedigheid ieder recht zou uitschakelen. Noch dat zij die door God geroepen zijn in kerkelijke en wereldlijke regeringen, hun taak niet meer hebben uit te voeren. De overheid draagt het zwaard niet tevergeefs. Zij is een wreekster tot straf van kwaaddoeners. En ook de kerk heeft niet voor niets de sleutelen van het hemelrijk ontvangen, die ze maar getrouw heeft te bedienen in de opening en toesluiting van het Koninkrijk. Wat dan hier op aarde toegesloten is door de bediening van de sleutelmacht, is het in de hemel ook. En wat hier op aarde geopend is, is het in de hemel ook.

Ten besluite

Guido de Brès is niet naïef geweest inzake de realisering van artikel 36 in de praktijk. De praktijk was weerbarstiger dan nu. Dit blijkt wel uit wat hij geschreven heeft in artikel 37 over het laatste oordeel. Wij geloven namelijk met De Brès dat de vromen en de uitverkorenen de schrikkelijke wraak zullen zien die God tegen “de goddelozen” doen zal, “die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld.” En ook: “hun zaak, die nu tegenwoordiglijk door vele rechters en overheden als ketters en goddeloos verdoemd wordt, zal bekend worden de zaak des Zoons Gods te zijn.” Ook in artikel 28 laat De Brès goed uitkomen wat het kon betekenen als iemand zich in die dagen bij de gereformeerde kerk voegde. Volgens de Brès is het onze plicht om ons “af te scheiden van degenen die niet van de Kerk zijn”, en zich te voegen tot de heilige vergadering, “ook al ware het zo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing.” De Brès is gestorven voor het geloof dat hij beleed. God geve elk in zijn positie getrouwmakende genade om te doen wat God van hem eist!

Noten:

1) A. Huijgen, ‘Theologenblog: Wel tolerantie, maar geen geweld in geloofsbelijdenis’, in: RD, 24-11-2015

2) Artikel 36 was geen vreemde eend in de bijt, ook andere gereformeerde belijdenisgeschriften uit die tijd wezen deze taak aan de overheid toe. Zie: P.H. op ’t Hof, ‘Geen vreemde eend in de bijt’, in: In het spoor, meinummer 2010, p. 92-101, decembernummer 2010, p. 224-232, februarinummer 2011, p. 19-26 en meinummer 2011, p. 62-74

3) In zijn Theologico-Politica Dissertatio (1662) betoogt ds. S. Oomius dat de overheid de publieke uitoefening van feitelijk alle andere godsdiensten dan de gereformeerde behoort te verbieden. Alleen voor de Joden wil hij nog wel deze uitzondering maken: aan hen wil hij de publieke uitoefening van hun godsdienst in de reeds bestaande synagogen in ons land niet geheel ontzeggen, tenminste wanneer ze op hun sabbatten enkel Mozes en de Profeten lezen en wanneer ze in het verklaren van het gelezene niets ten nadele van het Christelijke geloof en de Christelijke religie zeggen (zie: S. van Heenvliedt, Theologico-Politica Dissertatio…, Utrecht 1662, p. 189-190). Niettemin blijft staan dat ds. Oomius een volledige publieke vrijheid voor Joodse scholen en synagogen, zoals heden ten dage in ons land, afgekeurd zou hebben.

Fotoverantwoording:

a) Foto Twitter

b) Foto Reformatorisch Dagblad


Democratie: regeren verwordt tot registreren!

Ds. Tj. de Jongb : “Het woord democratie betekent: regering door het volk. (…) Volksregering. Er zit naar het schijnt nog wel een goede kant aan. Het is een uitdrukking van het verlangen dat de regeringsverantwoordelijkheid gespreid wordt. (…) Maar ten diepste is volksregering: ik accepteer niet dat een ander over mij regeert. Ik ga zelf regeren, ik ga zelf bepalen wat er dient te gebeuren. Het is de drang van het natuurlijke hart. Het is de mens die met God afrekent en zegt: ‘we redden het zonder Hem’. (…) Die niet meer weten wil van de theocratie. Die geen blijvende norm boven zich meer wil erkennen. (…)

Democratie, wat is dan regeren? Wel, regeren is dan een registreren geworden. Dat wil zeggen, men luistert goed naar wat het volk zegt, en wanneer men dit goed heeft opgevangen - geregistreerd -, dan gaat men het uitvoeren. Ja, dan is het volk soeverein geworden en de regering regeert niet meer, maar voert uit wat het volk wenst. Dan bekleedt de overheid geen ambt meer namens God. Dan is de overheid geen ambtsdrager meer, maar dan is zij een bestuur geworden van een vereniging. Een vereniging die een geheel land bestrijkt en zich een bestuur verkiest. Maar deze overheid staat niet meer boven het volk en heeft dan ook van Godswege geen opdracht meer, geen lastbrief, maar die richt zich naar de tirannie van de meerderheid. Daar heeft de meerderheid de macht.

Nog bedenkelijker wordt het wanneer de meerderheid gaat zeggen: wat wij als meerderheid beslissen is recht, dat is zedelijk recht en normatief. Wanneer dit gebeurt, dan is de mens de norm geworden van alle dingen. Dan is de helft plus één het beginsel geworden, volgens hetwelk de helft min één aan de kant geschoven wordt. En dan zegt men dat dat vrijheid is. Is dat vrijheid? Ja, het is wel de vrijheid van godsdienst, van onderwijs, van drukpers, van vergadering en ga zo maar door. Een vrijheid bij de gratie van de meerderheid, dat wil dus zeggen dat de minderheid overgeleverd is aan de willekeur van de meerderheid. Ware vrijheid is, dacht ik, wat anders. Ware vrijheid is gewillig gemaakt te zijn door de Geest van Christus om in gebondenheid aan Gods Woord en Wet te leven.”

-Bron: ‘Vergadervaria. Verslag van een regionale vergadering’, in: In het spoor, septembernr. 1984, p. 70-71 (herspeld)-


Een ‘neutrale’ overheid is een dienares van de satan

“God heeft aan de overheid nooit opgelegd inzake de godsdienst neutraal te zijn. Het is op grond van de Schrift een tastbare leugen dat de overheid het Koninkrijk van Christus het best bevorderen kan door er zich niet mee in te laten dan in zoverre dat zij gelijke rechten en gelijke bescherming verleent aan alle godsdiensten. Het is de heilloze leer en de droeve doorwerking van de gemene gratie-theorieën. En de consequente uitwerking daarvan dat landen en volken aan verstoring en verwoesting te gronde gaan. (…) Een overheid die meent het Rijk Gods het best te kunnen bevorderen door zich met de godsdienst niet te bemoeien, waarheid en leugen gelijke rechten te verlenen, is niet Gods dienares, maar dienares van de satan. Nooit wordt satans rijk meer bevorderd dan wanneer zijn dienaren in het openbare leven op gelijke voet worden behandeld als de dienaren van Christus. Dat wil zeggen, aan de dienaren van satan vrijheid gegeven wordt tot de openbare uiting van hun boosheid (…)”.

-Ds. J.D. Barth, Onze Nederlandse Geloofsbelijdenisgeschriften, Veenendaal 1978, p. 407, 418-419 (herspeld)-


Niet opgeven omwille van gods recht!

Ds. Tj. de Jong: “We leven niet meer in een land waarvan - zoals in de vorige eeuw - gezegd kan worden dat het een gedoopte natie is. De vraag rijst of we dan de situatie maar niet aanvaarden moeten zoals die is. Moeten we de vrije staat en de vrije kerk niet accepteren omwille van de kerk? Om de kerk te bevrijden voor de wurgende greep van een overheid? Of moeten we nog verder gaan en een neutrale staat aanvaarden zoals dr. A. Kuyper heeft gedaan, ja zelfs voorgestaan? Doen we dit, mijne vrienden, dan wordt de aanval gestaakt! Dan trekken we ons terug in de verdediging, dan zijn we aan het inleveren. Ja, dan leveren we het recht Gods in! Gaan ook wij, het theocratisch roepingsbesef missend, het recht Gods inleveren voor een neutrale staat met een democratische regering om straks in een tirannie te eindigen? Slaan wij zonder dat we er erg in hebben, langzaamaan deze weg in? Mocht de Heere ons schenken - want in ons is geen kracht - dat we deze Godsregering niet op zouden geven omwille van Gods recht. Ik weet ook wel dat de concrete praktische toepassing zeer veel problemen meebrengt, maar nochtans vanuit de Schrift kunnen en mogen we niet anders dan tegenover de neutrale volksregering, de gereformeerde Schriftuurlijke Godsregering stellen. En mocht het zijn dat we dit zouden beoefenen, omdat de Drie-enige God dat door Zijn eenzijdige Gods werk in onze harten onderwerpelijk heeft geleerd. Om van daaruit dienend in staat en maatschappij werkzaam te zijn.”

-Bron: ‘Vergadervaria. Verslag van een regionale vergadering’, in: In het spoor, septembernr. 1984, p. 72 (herspeld)-


Weren, verhinderen en beletten!

“Wel is waar dat de overheid geen consciëntiedwang mag invoeren. Dat is: zij mag niemand dwingen tot het omhelzen van de godsdienst die zij belijdt. Want door dwang wordt niemand het geloof gegeven en een gedwongen geloofsbelijdenis is enkel geveinsdheid. Evenwel mag noch moet ze allen zonder onderscheid de oefening van de godsdienst toestaan. De openbare afgoderijen moet ze weren. Het vrij en openlijk houden van valse en Godonterende godsdienstoefeningen als daar zijn die van de socinianen, Joden, papisten enz., moet ze zoveel mogelijk is verhinderen. Ook moet ze beletten dat iemand zielverdervende gevoelens onder de mensen strooit.”

-Ds. Eduard Meiners, Kort ontwerp van de praktyk des Christendoms…, Groningen 1734, p. 593 (herspeld)-


SGP-beginselprogram

Artikel 4

“Wetgeving en bestuur mogen de prediking van het Evangelie niet hinderen, maar moeten deze bevorderen. De Kerk van Christus dient wel onderscheiden te worden van elke vereniging en moet naar eigen rechten beschermd worden. Dientengevolge behoren ongeloofspropaganda, valse religies en antichristelijke ideologieën door de overheid uit het openbare leven te worden geweerd.”

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's

Een Actuele Toepassing van Artikel 36

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 februari 2016

In het spoor | 72 Pagina's