Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Nodige Waarschuwingen Tegen Sodoms Zonde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nodige Waarschuwingen Tegen Sodoms Zonde

25 minuten leestijd

In de eerste maanden van 1730 was het in Utrecht openbaar gekomen dat er daar en in een aantal andere grote steden van Nederland netwerken van homoseksuelen bestonden. Begin mei deelde Utrecht dit aan de andere steden mee, wat tot diverse arrestaties leidde, onder andere te Amsterdam. Een en ander werd breed bekend en zorgde ervoor dat er een schokgolf door ons land ging. Het feit dat verscheidene landgenoten zo’n afschuwelijke zonde bedreven, deed velen in kerk en staat ernstig vrezen dat God Nederland - evenals eertijds Sódom en Gomórra - zou gaan omkeren, tenzij de overheid deze misdaad door strenge maatregelen krachtig zou bestrijden en trachten uit te roeien. De predikanten begonnen toen openlijk tegen deze voorheen in het dagelijkse leven vrij onbekende sodomszonde te waarschuwen, onder wie ds. Albertus Royaards (1668-1739). In dit artikel willen we u laten kennisnemen van het geluid dat zijn bazuin hiertegen liet horen.

In het bijzonder op de bededag van 1731 - de eerstvolgende bededag na de genoemde uitbraak van sodomie, zoals de homoseksualiteit toen genoemd werd - hebben naar alle waarschijnlijkheid vele predikanten hun waarschuwende stem tegen deze zonde verheven. Zelfs de overheid had daar in de biddagsbrief aandacht voor gevraagd. 1 Maar helaas is slechts van enkele predikanten een door hen op die dag gehouden predicatie in druk bewaard gebleven. De predicatie van ds. Albertus Royaards die hij op de ‘dank-, vast- en bededag’ van 28 februari 1731 te Nijmegen gehouden heeft, is wel bewaard gebleven. Deze preek werd in 1731 onder de titel: Nodige en tydige waarschouwing tegens de gemeenschap aan Sodoms grouwelyke zonde en vreeselyke straffe uitgegeven, nadat deze eerst door de professoren J. van den Honert, H.S. van Alphen, J. Ens en D. Mill van de Theologische Faculteit te Utrecht van een approba

tie of goedkeuring was voorzien (10 april 1731). Deze uitgave werd verzorgd door de Nijmeegse boekverkoper Wilhelmus Bongaards.

Wie was ds. Albertus Royaards?

Albertus werd in januari 1668 geboren in het dorp Waalre in Noord-Brabant 2 , waar zijn vader, Jan Gijsberts (Johan) Royaards of Royaerts, schoolmeester was. Zijn moeder heette Maria Alberts van de Venne. Hij was nog maar 5 jaar oud toen binnen enkele weken zowel zijn vader als zijn moeder hem ontvielen. Daarna had hij kennelijk mogen ondervinden dat God een Vader der wezen is. Vanaf 23 augustus 1689 tot in ieder geval 3 augustus 1691 oefende ook Albertus het beroep van schoolmeester uit, namelijk in het dorp Mierlo, gelegen in de Peel in Noord-Brabant. Daarnaast was hij daar voorlezer en koster.

In augustus 1691 is van hem opgetekend dat hij zich reeds enige tijd naast zijn schoolmeesterschap had gezet “tot de studie van de heilige Godgeleerdheid”. 3 Rond 1690 had hij zich gedrongen gevoeld om voor predikant te gaan studeren, mede op aanraden van geleerde en Godzalige mannen of vrienden. Vanaf die tijd was hij zich met veel ijver gaan bekwamen in Latijn, Grieks en de beginselen van het Hebreeuws.

Medio 1692 was hij daarmee kennelijk al zo ver gevorderd dat hij naar de universiteit kon, want in september 1692 liet hij zich als Aelbertus Roijaardus in Franeker inschrijven voor de studie letteren. Drie jaren heeft hij daar aan de voeten gezeten van de professoren Jacob Perizonius, Jacob Rhenferd, Johannes van der Waeyen, Campegius Vitringa senior en Herman Alexander Roëll. Zijn studie verliep voorspoedig. Vervolgens is hij in juli 1695 naar Dordrecht vertrokken, waar hij gedurende twee jaar onderwijs ontving van de latere professor Salomon van Til, toen predikant in Dordrecht. Door de classis van Zuid-Holland werd hij op 11 juni 1696 tot proponent aangenomen. Door ’s Heeren bijzondere voorzienigheid werd hij op 27 maart 1697 te IJzendijke (gelegen in Zeeuws-Vlaanderen, niet ver van de stad Sluis) beroepen 4 en op 16 juni 1697 aldaar bevestigd. Ruim zeven jaar is hij in IJzendijke predikant geweest. In deze tijd trad hij te Middelburg (11 juni 1699) in het huwelijk met Catharina Biscop of Bisschop (1665-1732), een dochter van ds. Isaäc Bisschop en Elisabeth Thilenus. Uit dit huwelijk werden in IJzendijke vermoedelijk drie zoons (Albertus, Isaäc en Johan) geboren die respectievelijk al na twee dagen, een half jaar en twee jaar overleden zijn. Dit zal hem en zijn vrouw ongetwijfeld diep aangegrepen hebben.

Op 23 november 1704 ontving hij een beroep naar Nijmegen, dat hij aannam. Het echtpaar Royaards werd daar op 1 april 1705 ingeschreven in het lidmatenregister van de Gereformeerde Kerk. 5 In de Grote of Sint-Stevenskerk van Nijmegen bleef hij predikant tot aan zijn sterven op 4 november 1739. Naast het verzorgen van de predikdienst en het pastoraat in de gemeente nam hij daar ook deel aan de meerdere vergaderingen. Zo was hij in 1718 preses van de Gelderse Synode, die op 17 augustus te Nijmegen gehouden werd, en behoorde hij op de Gelderse Synode van 1719 en die van 1720 tot de deputaten van die synoden. 6

In het voorjaar van 1731 meldde hij sinds enige maanden te worstelen met “een verzwakkende ongestalte van het lichaam”. Medio 1732 had hij last van een “aanhoudende koortsziekte”. En in 1735 deelde hij mee dat hij gedurende een jaar lang niet had kunnen preken vanwege lichaamszwakte. Hij schreef dat “een en ander” hem door “de vertroostende en bemoedigende werking van de Heilige Geest zo wonder zoet en nuttig” was geweest dat hij niet zou durven wensen “een aasje minder van dat heilig en honigzoet bitter te hebben geproefd”. 7

De laatste acht weken van zijn leven was hij ernstig ziek. Hoewel hij toen door zware toevallen, grote pijnen en smarten getroffen werd, wat uiteindelijk leidde tot zijn dood, mocht hij ondertussen vele blijken geven van een levendig geloof en een vaste hoop en bij zijn sterven ruim ingaan in die gewesten waar geen inwoner meer zal zeggen: ik ben ziek. Hij was 71 jaar oud toen hij stierf, en hij werd begraven in de Stevenskerk. 8

Zijn geliefde vrouw was overigens al eerder overleden, namelijk op 17 juni 1732. De vrouw van collega ds. F.C. Coets (1679-1767) uit Arnhem, Fransina Jacoba van Westrem, had toen op haar sterven een gedicht gemaakt en uitgegeven onder de veelzeggende titel: Ter nagedagtenisse van de deugdryke, godvrugtige vrouwe mejuffrouw Catharina Biscop, huisvrouw van (…) Albertus Royaarts (…). Na een langdurige zwakheit in het 68 ste jaar haars ouderdoms in den Heere ontslapen (…). Ongeveer drie jaar na het afsterven van zijn eerste vrouw was hij te Beek bij Nijmegen opnieuw in het huwelijk getreden (24 juli 1735). Zijn tweede vrouw heette Anna Barbara Mackay (1684-1743), een dochter van generaal Hugh Hughzn Mackay of Scourcy (1640-1692) uit Zaltbommel, die onder meer in het leger van stadhouder Willem III gediend had. 9 Voor zover bekend heeft ds. Royaards geen kinderen gehad die de volwassen leeftijd mochten bereiken. 10

Geschriften

Ds. Royaards heeft ook enkele werken uitgegeven. Twee daarvan zijn zeer fors van omvang, namelijk zijn eerste en zijn laatste werk. Het eerste is een verklaring van Psalm 19, getiteld: De heerlykheid van Gods werken, zoo in de natuur als in de genade; en de voortreffelykheden van des Heeren wet; betoogd en aangeprezen in de verklaring en toepassing van den XIX. Psalm.: Nevens een ontledend ontwerp van de zakelyke verklaringe. Dit werk, dat een omvang had van 1228 pagina’s (in quarto), bevat naast een ontleding en een toegift daarop 22 predicaties die hij eerder in de gemeente van Nijmegen gehouden had. 11 Het verscheen in januari 1728 als een “nieuwjaarsgift” aan zijn gemeenteleden, aan wie hij dit werk ook opdroeg. In zijn voorrede meldde hij behalve van voornamelijk “eigen bedenkingen”, ook dankbaar gebruik te hebben gemaakt van wat anderen reeds geschreven hadden. Het meest had hij zich bediend van een of meer werken van “geleerde en Godvruchtige mannen” als de arts B. Nieuwentyd, professor F.A. Lampe, de heer A. Duizing, ds. J. Nyloë, professor H. van Alphen, ds. P. Dinant, ds. S. Doreslaar en ds. F. van Houten.

Vervolgens verscheen in 1731 de reeds genoemde preek tegen de gemeenschap aan Sódoms zonde, die een omvang had van 79 pagina’s (in quarto). In de voorrede meldde hij dat hij “bezet” was met “een ondernomen verklaring van Paulus’ zinrijke brief aan de gemeente van Efeze”. Vier jaar later, in 1735 publiceerde hij het eerste deel van deze verklaring, getiteld: De kennis der waarheid, die na de godzaligheid is, in de hope des eeuwigen levens: Klaar ontdekt, kragtig betoogd en ernstig aangedrongen in Paulus’ brief aan de Ephesers, schriftmatig verklaard, en kortelyk tot zyn oogmerk en nuttige stigting toegepast. Dit eerste deel telde maar liefst 1233 pagina’s en het tweede, dat in 1738 verscheen, nog eens 849 pagina’s (in quarto).

Deze twee delen werden overigens niet in Nijmegen, maar in Amsterdam uitgegeven bij Hendrik Vieroot. In de Naam-rol der Godgeleerde schryvers van Bernardus Mourik wordt in het register nog een vierde werk van hem genoemd: Waarschouwing tegens Sodoms zonde. Het zou kunnen zijn dat dit een herdruk van de hierboven genoemde boetepreek uit 1731 is geweest of mogelijk een bewerking daarvan. Volgens het Naamregister van de bekendste meest in gebruik zynde Nederduitsche boeken van Reinier Arrenberg zou dit werk ook in 1731 bij Bogaards in Nijmegen uitgegeven zijn. 12 Voor zover we hebben kunnen nagaan, is helaas van dit werk geen exemplaar meer voorhanden.

Voorrede

Aan de genoemde boetpredicatie uit 1731 heeft ds. Royaards een ‘Voorrede aan den waarheid- en deugdlievenden lezer’ toegevoegd. 13 Daarin laat hij de lezer weten dat hij zich “gedrongen” had gevoeld om met “andere waakzame wachters” niet alleen te zuchten, maar ook openlijk op de biddag van 1731 zijn stem te verheffen tegen de “ontdekte gruwelen van Nederlands Jeruzalem (Ez. 6:11; 9:4)”, met name dus tegen de zonden van sodomie, daar die “zo afschuwelijk en zo strafwaardig zijn en zulk een spoedige verdrijving vorderen”, wil “het Nederlandse volk nog enige ver-schoning van Sódoms vreselijke, maar tegelijk rechtvaardige oordeel te wachten hebben.” Aan de hand van de gekozen tekstwoorden: Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sódom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden (Jes. 1:9), had hij zijn hoorders ervan trachten te overtuigen dat in het algemeen gesproken Nederland - evenals Israël - aan Sódom en Gomórra gelijk was geworden. Alleen was er nog dit verschil met Sódom en Gomórra dat God “naar de grootheid van Zijn goedertierenheid” onder ons nog een “overblijfsel naar de verkiezing der genade” gelaten had. Niets anders dan Gods “onveranderlijke en eeuwige goedertierenheid” omtrent dat overblijfsel was de grondreden van de nog “sparende en verschonende lankmoedigheid” Gods over ons strafwaardig Nederland.

Ernstig had hij in zijn preek gewaarschuwd voor het doorgaan in dit zo ernstige zondekwaad en voor de daaraan verbonden vreselijke wraakstraf, indien geen bekering tussenbeide kwam. Uitgesproken woorden zijn echter veelal snel vergeten en waren mogelijk niet eens door allen met aandacht aangehoord. Daarom had ds. Royaards vervolgens besloten om “het loffelijk voetspoor van de hooggeleerde heer professor T.H. van den Honert 14 , de weleerwaarde heer L. Beels 15 en andere roepende wachters” na te volgen door zijn waarschuwende boodschap tegen Sodoms zonde ook aan het papier toe te vertrouwen, opdat niemand aan het “bedrijven, verschonen of overzien van die gruwelzonde langer” kon “toegeven onder voorwendsel van onkunde omtrent die hoogste afschuwelijkheid en strafwaardigheid” daarvan. Tevens sprak hij de hoop uit dat door het lezen van zijn preek de “onreine sodomieten (…) van hun sodomitische onreinheid mochten worden afgeschrikt” en door bekering als uit het vuur gerukt (Judas vs. 23).

Gruwelijkheid

Hoe nu ds. Royaards precies over de zonde van sodomie dacht, laten we hem zelf zeggen door enkele gedeeltes uit zijn preek uit 1731 over te nemen. In Ezechiël 16 vers 50 zegt de Heere van de inwoners van Sódom: En zij verhieven zich en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht (Ez. 16:50a). “Door de hatelijke en afschuwelijke benaming van ‘gruwelijkheid’ wijst de grote Wetgever en Opperrichter ons” daar, aldus ds. Royaards, “duidelijk op Zijn Goddelijke Wet in Leviticus 18 vers 22: Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging; dat is een gruwel. En daarom op die hoogst afschuwelijke en strafwaardige zonde die tot op heden toe onder ons - van de onreine sodomieten - nog met de hatelijke naam van ‘sodomie’ benoemd wordt. Gelijk het woord ‘gruwel’ en ‘gruwelijkheid’ ook doorgaans gebruikt wordt om zulke personen, zaken en daden uit te drukken die vanwege hun hatelijke en afschuwelijke hoedanigheid door God en Zijn heiligen niet anders dan met de uiterste verontwaardiging en afkeer beschouwd kunnen worden (Deut. 18:12; 27:15; Ps. 14:1; 53:2; Job 15:16; Spr. 3:32; 6:16; Jer. 7:10; Ez. 8:6). En zeker, de sodomie is zulk een gruwelijke of hatelijke, afschuwelijke en strafwaardige zonde dat ze zelfs schandelijk is te noemen en nauwelijks anders dan met de uiterste afkeer en verontwaardiging kan worden gemeld of aangehoord. Daarom niet ten onrechte met de naam van stomme zonde genoemd (vgl. Ef. 5:12), dat is, een gruwelzonde, niet anders te noemen of niet verder te beschrijven dan nodig is om door het vertoog van haar afschuwelijkheid en strafwaardigheid eenieder daarvan af te schrikken. Gelijk met dat doel de heilige schrijvers deze nu en dan niet alleen noemen, maar ook zelfs nog enigermate beschrijven. Namelijk wanneer deze door de onbeschaamdheid van de gruwelijke mensen (…) openbaar is geworden en daarom haar vermelding nodig is tot ontdekking van het diep verval van mensen, tot waarschuwing van anderen en ten slotte ook tot billijking van Gods strenge wraakstraf over die gruwelijke boosdoeners (zie: Gen. 19; Lev. 18:22; Rom. 1; 2 Petr. 2:6; Jud. vs. 7).” 16

Sódom om die zonde omgekeerd

“Dat nu de goddeloze inwoners van Sódom en Gomórra zich waarlijk hebben verheven om die genoemde gruwelijkheid te doen voor des Heeren aangezicht, dus openlijk en trots (…), en dat het doen van die gruwelijkheid de voornaamste beweegreden is geweest waarom de Heere hen billijk heeft weggedaan en ter waarschuwing van anderen (…) tot voorwerpen van Zijn strenge, maar niettemin rechtvaardige wraakstraf heeft gesteld, behoeft” volgens ds. Royaards “voor de opmerkenden niet veel betoog. Want de waarheid van dat gruwelijk bedrijf van de sodomieten is gegrond in het ontwijfelbaar Getuigenis van de waarachtige God Zelf (Ez. 16:50). En tegelijk blijkt het ook uit de overeenstemming van Zijn knechten in het Oude en Nieuwe Testament, die het gruwelijk en onnatuurlijk bedrijf van de sodomieten in dezen zo duidelijk tot hun smaad en schande hebben aangetekend. Zo stelt de man Gods Mozes die gruwelijke zonde met uitgedrukte woorden op hun rekening (Gen. 19:4). En wel op rekening van alle mannen van Sódom, van de jongste tot de oudste toe. Dus van het gehele volk. De heilige Petrus stelt de inwoners van Sódom en Gomórra duidelijk te boek als gruwelijke mensen, namelijk vanwege hun ontuchtige wandel of het doen van gruwelijkheid voor des Heeren aangezicht. En hij zegt (…) dat hun steden daarom zijn omgekeerd en tot as verbrand en dus tot een voorbeeld gezet zijn dengenen die goddelooslijk zouden leven (2 Petr. 2:6). Insgelijks getuigt de apostel Judas dat Sódom en Gomórra en de steden rondom deze niet alleen gehoereerd hebben, maar ook ander vlees zijn nagegaan, dat is, zich hebben schuldig gemaakt aan een vreemde en onnatuurlijke vermenging van het vlees (Rom. 1:26-27), en om die gruweldaad tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs (Jud. vs. 7).” 17

Ten hoogste zondig en onbetamelijk

“De afschuwelijke gruwelijkheid van die sodomitische ontuchtigheid, hetzij in betrekking tot de reine God of in betrekking tot de onreine zondaar zelf en andere mensen beschouwd, gaat beide tong en pen te boven. Daar ze de mens meer als enige andere zonde verontreinigt, ja, als het ware geheel ontmenst en verbeest. En dus ten allerhoogste afschuwelijk maakt in de reine ogen van God en Zijn heiligen. Daar God Zelf die onnatuurlijke zonde duidelijk een gruwel noemt en deze tot huivering of afschrik en vermijding aan Zijn volk voorstelt (Lev. 18:22; Ez. 16:50). En den rechtvaardigen Lot is vermoeid geweest van den ontuchtigen wandel der gruwelijke mensen (2 Petr. 2:7a) en heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld door het zien en horen van hun ongerechtige werken (2 Petr. 2:8b). Gelijk vervolgens de Godvruchtigen ook te allen tijde met hem hebben moeten zuchten en uitroepen over die zo hooggaande en Godtergende gruwelen (Ez. 6:11; 9:4). En dat met recht, want gelijk er nauwelijks iets afschuwelijker is in Gods reine ogen of meer strijdig tegen de vereiste reinheid en heiligheid van Zijn volk dan de verontreinigende ontucht (1 Kor. 6:15; Ef. 5:3; 1 Thess. 4:3), zo is onder alle soorten van verontreinigende ontucht de sodomitische nog de allerafschuwelijkste en onnatuurlijkste (Rom. 1:24).

En zo afschuwelijk als deze zonde is voor God en Zijn heiligen, zo onbetamelijk, zo schandelijk en verderfelijk is ze ook voor een redelijk schepsel. Daar de apostel Paulus in Romeinen 1 vers 24 en verder uitdrukkelijk toont dat ze het eigen werk en kenteken is van Godvergetende en overgegeven booswichten, van hen die van alle eerbiedig ontzag voor God en wederhoudende schaamte voor de mensen ontbloot zijn (Gen. 19:4, Ez. 16:50), van hen die weigeren God naar verplichting in erkentenis te houden, en daarom door Zijn rechtvaardig oordeel, waardoor Hij billijk zonde met zonde straft, worden overgegeven tot die oneerlijke bewegingen om dus te doen dingen die niet betamen en hun lichamen onder elkander te onteren (vgl. Ef. 2:2 met Ef. 4:17; 5:3, 11; 1 Tim. 1:10 e.v.; Jud. vs. 7-10; Job 36:14). Hoe kan een redelijk schepsel toch immers redelozer en onbetamelijker handelen of zijn redelijkheid meer verkrachten en zichtbaarder verloochenen dan ten eerste door zichzelf beneden de redeloze dieren te verbeesten? Dan door zo zijn Schepper en Weldoener zo openlijk en op zulk een schandelijke en beestachtige wijze - door het vermetel en onbeschaamd overtreden van Zijn zo billijke en heilzame huwelijkswet en door een omkering en verkrachting van de menselijke natuur - te onteren en te versmaden? Ja, bovendien ten tweede dan door zichzelf naar ziel en lichaam aan zijn wettige Heer, Die alleen waardig is om gediend te worden, geheel te onttrekken en daarentegen te verslaven aan de satan en de allerverfoeilijkste onreinheid? En dus zichzelf naar ziel en lichaam - beide voor tijd en eeuwigheid - moedwillig en jammerlijk te verderven (Spr. 6:32-35; Hos. 4:11; Rom. 1:27; 1 Kor. 6:10-20; Ef. 5:3-5; Jud. vs. 7).” 18

“En niet minder gevaarlijk en verderfelijk is deze zo afschuwelijke onreinheid ook voor de gehele menselijke maatschappij (…). [Onder andere] omdat deze ontuchtige sodomieten door een trouweloze verbreking of onbeschaamde versmading van het heilig en heilzaam trouwverbond alle wettige voortteling van het menselijke geslacht stremmen (Rom. 1:27; Jud. vs. 7)”. 19

Ten hoogste strafwaardig

“Het gezegde is genoeg om de oplettenden en welmenenden enig verontwaardigend besef van de gruwelijkheid van deze sodomitische ontucht in te boezemen en bij gevolg ook van haar onverschoonbare strafwaardigheid. Want de Opperwetgever en Richter Zelf heeft ze niet alleen scherp aan Zijn volk verboden als een gruwelijke en strafwaardige schanddaad, maar ook wel uitdrukkelijk geboden dat ze (…) zekerlijk en dus zonder enige verschoning met de dood gestraft zou worden (Lev. 18:22-29; 20:13; Deut. 23:17; vgl. 1 Kor. 6:10). Gelijk Hij Zelf namelijk die zonde - tot een navolgenswaardig voorbeeld (…) - zo streng in de sodomieten en benjaminieten gestraft heeft (Gen. 19; Richt. 19 vgl. met 2 Kron. 19:6-7). Wat van de Godvruchtige koningen van Israël - die hun hart door de Goddelijke genade vervuld vonden met schuldige eerbied voor de geduchte Opperrichter (…) en tot handhaving van Zijn wetten (…) - ook met een heilige ijver is nagevolgd en behartigd, daar ze telkens die sodomitische schandjongens hebben weggedaan die hun goddeloze voorgangers straffeloos hadden geduld. Zij begrepen wel dat ze als Gods stedehouders voor Zijn geduchte vierschaar aangesproken zouden worden voor die strafschuld die ze - tegen de uitgedrukte letter van Zijn Wet - straffeloos in anderen hadden overzien (zie: 1 Kon. 14:24; vgl. 1 Kon. 15:12; 22:47; 2 Kon. 23:7; Job. 36:14 met: Éx. 23:7; Spr. 17:1; 24:24 en 1 Kon. 20:39). (…)

Gelijk ook verscheidene geduchte overheden in ons lieve vaderland in onze dagen - anderen tot een loffelijk voorbeeld! - deze roepende zonde billijk ten hoogste gruwzaam en vervloekt keuren, met een rechtvaardige verfoeiing tegen deze zijn aangedaan en vervolgens wel ernstig bevelen deze nauwkeurig te onderzoeken, getrouw aan te brengen en - ter afwending van Gods vreselijke en rechtvaardig bedreigde oordelen - openlijk met de dood te straffen. (…) En zeker is het nooit van rechtgeaarde staatkundigen of Godvruchtige richters te verwachten dat ze die strafwaardige mensen - tegen de uitgedrukte letter van de Goddelijke Wet en dus met krenking van Zijn wet-gevend gezag en bij gevolg met uitdaging van Zijn rechtvaardige wraakstraf tegen zichzelf en hun volk - enigszins (…) zouden willen verschonen (vgl. Rom. 3:1; Matth. 8:34; Joh. 11:50).” 20

Toepassing

Aan de uiteenzetting van zijn tekstwoorden voegde ds. Royaards vervolgens nog een uitvoerige toepassing toe die ruim 30 pagina’s omvat. We citeren slechts het volgende daaruit: “Ach, dat (…) alle inwoners van Nederlands Sódom, van de grootste tot de kleinste, eens zichtbaar werden overstort met de Geest der vernedering en bekering. Dat ze dus allen even krachtig werden gaande gemaakt om zich nu, nu terwijl er nog plaats van berouw te vinden is (Hebr. 4:7; 12:17), te spiegelen aan Gods rechtvaardige en tot voorbeeld gestelde wraakoefening omtrent de heidense sodomieten en sodomitische Israëlieten (Gen. 19:24; Jud. vs. 7; 2 Petr. 2:6-22; Deut. 32:15- 22; Mal. 4:1; Matth. 3:10; 2 Kor. 10:6). En vervolgens bewogen werden om zich heden, heden, op het deemoedigst te vernederen voor Gods rechtvaardige en geduchte vierschaar en Hem hun Richter met openlijke schuldbekentenis, met een hartelijke gezindheid om afstand te doen van alle ongerechtigheid, ootmoedig in de roede te vallen en om genade (…) te smeken (1 Kon. 20:31; Job 9:15; Ps. 130:3; Spr. 8:13; Jer. 14:7; Joël 2:15).” 21

In actie

Reeds op 5 mei 1730 had het Utrechtse gerecht de Nijmeegse raad per brief op de hoogte gebracht dat een tweetal Nijmeegse burgers er sodomitische praktijken op na hielden, te weten herbergier Heysen en de ongeveer 29-jarige knopenmaker Albertus Fodeyn. Die informatie hadden de Utrechtse magistraten verkregen van de in Utrecht gearresteerde sodomiet Zacharias Wilsma. Deze had met hen die ‘gruweldaad’ bedreven. Beiden hadden er waarschijnlijk lucht van gekregen dat ze gearresteerd zouden worden, want beide heren waren snel gevlucht. Ruim een jaar later werd Albertus Fodeyn alsnog gearresteerd. Op 6 juli 1731 stelde de Nijmeegse raad de collega’s in Utrecht hiervan op de hoogte. Inmiddels was zijn naam ook door andere, reeds geëxecuteerde sodomieten genoemd. Fodeyn bleef echter de beschuldigingen stelselmatig ontkennen. Uitgebreide onderzoeken of verhoringen leidden er uiteindelijk toe dat hij schuldig werd bevonden aan sodomie. Over hem werd de doodstraf uitgesproken, die uiteindelijk op 7 december 1731 in de kelder van het stadhuis werd voltrokken. 22 Nog in het geheim, wat na de sodomieuitbraak van 1730 in Nederland eigenlijk niet meer gebruikelijk was, omdat een geheime terechtstelling niet het gewenste afschrikwekkend effect had. Nijmegen wilde kennelijk deze zonde nog stil houden. In zijn boetepreek van februari 1731 had ds. Royaards indringend gewaarschuwd dat God ons land met Zijn geduchte oordelen zou komen te bezoeken als de gruwelijke zonde van sodomie door de overheden niet krachtig werd aangepakt. Nijmegen pakte deze zonde inderdaad aan, wat echter nog niet behoeft te betekenen dat er sprake was van een hetze tegen de homoseksuelen als persoon. De Heilige Schrift leert de zonde te haten, maar de zondaar lief te hebben. Dat was ook de intentie van ds. Royaards. In zijn preek sprak hij de sodomieten op het “allervriendelijkst en bewegelijkst” aan om toch “spoedig en ernstig met hete tranen” een “plaats van berouw” te zoeken (Jes. 55:6; Hebr. 2:3; 4:7; Rom. 2:4 vgl. met Luk. 23:40; Spr. 1:24; 28:15; 29:1). 23

Ten besluite

Veel van onze overheden en landgenoten doen er alles aan om de onbijbelse, tegen de scheppingsordinantie (met betrekking tot het huwelijk) strijdige en onnatuurlijke zienswijze dat een homoseksuele leefwijze volstrekt normaal is, breed ingang te doen vinden. Dit lukt helaas heel goed. Inmiddels denkt nog maar zeven procent van de Nederlandse bevolking negatief over de zo ernstige zonde van homoseksualiteit. 24 Dit ideologische drijven gaat zelfs zover dat er geen ambtenaren van de burgerlijke stand meer benoemd mogen worden die op grond van Gods Woord geen medewerking kunnen en willen verlenen aan een, Bijbels gezien, zozeer strafbaar feit als een homohuwelijk. En in plaats dat personen die er openlijk een homoseksuele leefwijze op na houden, van overheidswege daarvoor worden gestraft, worden bedrijven, scholen en instellingen rechterlijk en publiekelijk veroordeeld en beboet als zij zulke personen om die specifieke reden weigeren als stagiair of werknemer aan te nemen. Dat personen die én de homoseksualiteit niet in praktijk brengen én tegen hun homoseksuele gevoelens strijden, om hun homoseksuele gerichtheid niet geweigerd of achtergesteld (mogen) worden, is Bijbels, maar wat er nu in ons land gebeurt, is de wereld op z’n kop. Het kwade wordt goed en het goede kwaad geheten. Hoewel de Oudtestamentische burgerlijke wetten in letterlijke zin alleen voor oud- Israël golden, is daarentegen de morele strekking van die wetten, voor zover deze voortvloeien uit de Tien Geboden, universeel en dus geldig voor alle tijden en plaatsen. Dit betekent onder meer dat waar Oudtestamentisch met het oog op het zevende gebod en de ernst van de zonde een zware straf op stond, zoals op het bij mannen liggen, thans ook een zware straf op behoort te staan. Op dit punt staan onze overheid en ons volk diep schuldig. 25 Niet in het minst als we denken aan de bij wet ingestelde mogelijkheid van het ‘homohuwelijk’ en aan bijvoorbeeld de jaarlijkse Gay Pride en Canal Parade in Amsterdam.

Een gereformeerde predikant als ds. Royaards wees de ernst en gruwelijkheid van de zonde van homoseksualiteit aan. Hierin stond hij niet alleen. Ds. L. Beels (1674-1756), ds. H.C. van Byler (1692-1756) en andere gereformeerde predikanten lieten eenzelfde geluid horen. Zij riepen uit de keel, zij verhieven hun stem als een bazuin tegen deze zonde. Helaas moet worden vastgesteld dat thans zelfs ook door velen in de gereformeerde gezindte de ernst en gruwelijkheid van deze om Gods oordeel roepende zonde niet meer (ten volle) worden gepeild, zodat we ons wel terdege mogen afvragen hoelang God in Zijn lankmoedigheid Nederland nog zal sparen. Dit mocht ons des te meer ter harte doen nemen Christus’ dringende raad: Strijdt gij om in te gaan door de enge poort (Luk. 13:24a), opdat we onze ziel door genade nog als een buit zouden mogen wegdragen uit deze ondergaande wereld.


Noten:

1) N.C. Kist, Neêrland’s bededagen en biddagsbrieven, dl. 2, Leiden 1849, p. 321-322

2) Een belangrijk deel van de biografische informatie over Albertus Royaards is afkomstig uit: W.M.C. Regt, Naamlijst der Predikanten van Zeeland, 1565-1938, geraadpleegd via: www.zeeuwengezocht.nl. En uit: Maandelyke Uittreksels, of Boekzaal der geleerde Waerelt, december 1739, dl. 49, Amsterdam 1739, p. 675-677.

3) Bron: Raad van State, toegangsnummer: 178, inventarisnummer: 235, plaats: Mierlo, 3 augustus 1691, p. 436

4) In de Naamlijst der predikanten van De Jongh wordt gesteld dat hij op 27 maart 1697 “in den dienst gekomen” is te IJzendijke, maar dit moet zeer waarschijnlijk zijn ‘beroepen’. Dit strijdt op zich niet met het volgende bericht: “Aelbert Royaerts schoolmeester koster en voorlezer te Mierlo in kwartier Peelland is beroepen tot predikant te Isendijk en in zijn plaats is beroepen Gijs-bert Royaerts aan wie de vereiste commissie verleend zal worden”, Bron: Raad van State, toegangsnummer: 178, inventarisnummer: 244, datum: 3 april 1697, plaats Mierlo, p. 275v. Zie ook: H. de Jongh Azn, Naam-lyst der predikanten, die in de gemeenten behoorende onder de IX classen van het Geldersche synode zedert de hervorming der kerken tot den jaare 1750 het heilig evangelium bediend hebben, Leiden 1750, p. 405.

5) Zie: Lidmatenregister Nederlands Hervormde Gemeente te Nijmegen (St. Stevenskerk) 1698-1842, 1 april 1705, p. 100. Met dank aan mw. J. Laarman van het Regionaal Archief Nijmegen.

6) Zie: Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der geleerde Werelt, september 1718, dl. 7, Amsterdam 1718, p. 357; september 1719, dl. 9, Amsterdam 1719, p. 364 en augustus 1720, dl. 11, Amsterdam 1720, p. 232

7) Zie: Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der geleerde Werelt, januari 1726, dl. 42, Amsterdam 1736, p. 12. En verder in de voorredes van zijn werken.

8) Zie: Begraafregister Nederduits-Gereformeerde Gemeente van Nijmegen, 1592-1811 (RBS 1187/126), datum document: 11-11-1739

9) Zie: Huwelijksregister Nederduits-Gereformeerde Gemeente van Nijmegen, 1592-1811 (RBS 1176/476), datum document: 10-7-1735

10) Op 10 augustus 1749 trouwt ‘Johanna Maria Rojaarts’, een ‘jonge dochter te Nijmegen’ met ‘Jacobus Roelands’, een ‘jonge man te Hasselt’, getrouwd te ‘Neerbos’. Gezien de naam ‘Johanna Maria’ zou zij een dochter van ds. Royaards kunnen zijn. Zie: Huwelijksregister Nederduits-Gereformeerde Gemeente van Nijmegen, 1592- 1811 (RBS 1179/114), datum document: 27-7-1749

11) Zie: Maendelyke Uittreksels, of Boekzael der geleerde Werelt, oktober 1728, dl. 27, Amsterdam 1728, p. 422-440. En zijn voorrede op dit werk. Met dank aan de heer B. de Roo voor de voorrede uit deel 1 van ds. Royaards’ verklaring van Efeze.

12) R. Arrenberg, Naamregister van de bekendste en meest in gebruik zynde Nederduitsche boeken, Rotterdam 1788, p. 446. Volgens Arrenberg zou dit werk in quatro uitgeven zijn, terwijl de Naam-rol spreekt van in octavo.

13) A. Royaards, Nodige en tydige waarschouwing tegens de gemeenschap aan Sodoms grouwelyke zonde en vreeselyke straffe, Nijmegen 1731, 79 pagina’s. De aangehaalde citaten zijn herspeld/licht hertaald. Hierna: Royaards.

14) Zie: T.H. van den Honert, De grouwlikheid en verfoeyelikheid der hoerery, wegens de nu doorgebrookene schandelikheeden, ter waarschouwing voorgestelt, Leiden 1730, 26 pagina’s

15) Zie: L. Beels, Sodoms zonde en straffe, Amsterdam 1730, 190 pagina’s

16) Royaards, p. 11

17) Royaards, p. 11-12

18) Royaards, p. 17-18

19) Royaards, p. 19

20) Royaards, p. 20-21, 23

21) Royaards, p. 59

22) Zie: B. Kokke, ‘Sodomie, de stomme zonde’, in: Het Verleden Tijd Schrift, nr. 1, 1996, p. 3-7

23) Royaards, p. 55

24) L. Kuyper, Lhbt-monitor 2016. Opvattingen over en ervaringen van lesbische, homoseksuele, biseksuele en transgender personen. SCP, Den Haag, mei 2016

25) Voor alle duidelijkheid: dit houdt geen vrijbrief in om het recht in eigen hand te nemen, zoals onlangs in Orlando gebeurd is. Het ten uitvoer brengen van een straf is een overheidstaak.

Fotoverantwoording:

a) Foto: http://www.djdekker.net/stevenskerk/gesch/royaards. html

b) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 3.0 nl] via Wikimedia Commons

c) Depositphotos


Het oordeel kan niet uitbijven!

Ds. F. Mallan: “De mannen van Sódom (…) zijn naar Lot gegaan en hebben gezegd: Breng hen uit tot ons, opdat wij hen bekennen. Lot heeft toen gezegd: Mijn broeders, doet toch geen kwaad. Hij zou dan maar zijn twee dochters uitbrengen tot die mannen van Sódom, opdat ze met die dochters zouden doen wat goed was in hun ogen. Maar nee, de natuurlijke hartstocht bij deze mannen was zo ontaard in boze lusten tegen de natuur dat ze met die dochters geen genoegen namen en tegen Lot gezegd hebben: Kom verder aan! (…) Ze wilden Lot dus aangrijpen. Maar de engelen hebben Lot in huis gebracht, de deur gesloten en die mannen met verblindheid geslagen. O, wat een gruwel en ongerechtigheid toch in Sódom. Dat heeft ons ook veel te zeggen voor de tijd waarin wij nu leven, waarin homohuwelijken worden gesloten. Wat hebben wij dan te verwachten? Dan kan het oordeel over ons niet uitblijven. We zijn net als de Sódomskinderen waarmee Lots dochters zouden gaan trouwen. We lezen in het veertiende vers dat Lot de boodschap van de engelen heeft overgebracht aan de jongens (Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de HEERE gaat deze stad verderven), maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende. Dat is bij ons ook nog zo. Spreek maar van vrede en spreek tot ons zachte dingen, maar kondig geen oordeel aan. Het oordeel zal echter gewis en zeker komen. Dat kan niet uitblijven.”

-Ds. F. Mallan, Het verbond met Abraham, Alblasserdam 2008, p. 124-

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 2016

In het spoor | 68 Pagina's

Nodige Waarschuwingen Tegen Sodoms Zonde

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 2016

In het spoor | 68 Pagina's