Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ds. Jacobus Tichlerus’ Lessen Voor de Overheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ds. Jacobus Tichlerus’ Lessen Voor de Overheid

31 minuten leestijd

De aanleiding voor dit artikel is de zevende preek in het boek Hiskie Oprechtigheydt van ds. Jacobus Tichlerus (1604-1652). Het boek Hiskie Oprechtigheydt bevat een negentiental predicaties over Jesaja 38 die hij gedaan heeft toen hij predikant was in Elburg. In het midden van de zevende preek geeft ds. Tichlerus enkele theocratische lessen en leringen voor de overheid weer naar aanleiding van het leven van koning Hizkía. We kunnen daar nog steeds ons geestelijk nut en voordeel mee doen, niet alleen op het persoonlijke, private en familiale terrein, maar juist ook op het staatkundige en kerkelijke terrein.

In dit artikel geef ik enkele leringen van ds. Jacobus Tichlerus (1604-1652) voor de overheid door en bespreek die met toepassing op onze huidige situatie en tijd. Ik begin het artikel met een korte inleiding (1).

Daarna geef ik in grote lijnen het leven en de reformatorische arbeid van koning Hizkía weer vanuit de Bijbelse gegevens (2). Vervolgens volgt in het kort de levensloop van dominee Tichlerus, daar die niet iedere In het spoor-lezer zal kennen (3). Daarna ga ik verder met enkele van zijn lessen en leringen voor de overheid, die ik toepas op de context van nu (4). Waarna ik het artikel weer uitleid (5).

1. Inleiding

Voor de liefhebbers van de staatkundig geformeerde beginselen en voor de meeste lezers van In het spoor is het geen verrassing dat onze gereformeerde vaderen zich van harte stelden achter het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Pas in het jaar 1905 was er één kerk, de Gereformeerde Kerken, die het heeft bestaan om artikel 36 te kortwieken. Gelukkig werd dit verkeerde voorbeeld destijds niet door andere kerken gevolgd. Het betekent immers nogal wat. Een theologische koerswijziging op een zeer aangelegen punt. Eenvoudig gesteld: heerst God als Koning alleen over kerk en staat of heerst de mens daarover? Heeft God het alleen voor het zeggen op alle levensgebieden of de mens? Voelen we nog dat God recht heeft op ons en op Nederland, en op andere landen? Omdat God ons aller Schepper en Onderhouder is, maar ook ons aller Rechter en Wetgever. Het blijft een lastig te begrijpen beslissing van de Gereformeerde Kerken omdat juist deze kerk met dr. Abraham Kuyper voorop zich hebben ingezet voor de kerkelijke binding aan de Drie Formulieren van Enigheid. Maar door te schrappen in de Belijdenis zijn zij niet alleen het spoor van belijdeniskritiek ingeslagen, maar wat veel erger is: ook het spoor van Schriftkritiek.

Onze orthodox gereformeerde vaderen deden op dit punt geen water bij de wijn en onderschreven de Geloofsbelijdenis van harte en conformeerden zich aan het onverkorte artikel 36. Dominee Jacobus Tichlerus vormt met zijn geschrift Hiskie Oprechtigheydt op deze regel geen uitzondering. Het is belangwekkend en leerzaam voor ons om te zien welke leringen hij heeft voor de Nederlandse overheid in de eerste helft van de zeventiende eeuw.

De waarheid van Gods Woord is niet alleen onfeilbaar, maar ook tijdloos. Ik bedoel daarmee dat de prescriptieve of normatieve gedeelten van Gods Woord op alle personen, tijden en plaatsen betrokken dienen te worden. Niet wij, de tijdgeest of onze situatie moeten heersen over het Woord van God, maar andersom: het Woord moet met gezag en autoriteit heersen in alle levensverbanden. In het persoonlijke leven, in het gezinsleven, in het kerkelijke leven, maar zeker ook in het politieke leven.

Het leven van de overheid in onze dagen moet net als in de dagen van Hizkía bepaald en gereguleerd worden naar de Goddelijke, enige, volmaakte en onfeilbare norm van Gods Woord en geboden. De overheid moet zich gezeggen laten door de kritiek van Gods Woord. Hiertegen ingaan is niet alleen onverstandig en ijdel, maar het is ook rebels, opstandig, goddeloos, ja, zelfs duivels. Onze overheid dient zich nog steeds net als in de dagen van koning Hizkía rekenschap te geven van de Goddelijke opdracht en eis in Psalm 2 vers 10-12: Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde. Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op Hem betrouwen.

2. Het leven en de reformatorische arbeid van koning Hizkía

Het leven van koning Hizkía wordt in de Bijbel op drie plaatsen uitvoerig beschreven. In 2 Koningen 18 tot en met 20, in 2 Kronieken 29 tot en met 32, alsook in Jesaja 36 tot en met 39. Dat is een belangrijke constatering. Kennelijk is deze levensgeschiedenis van koning Hizkía van groot belang, daar hij breed beschreven staat in drie verschillende Bijbelboeken. Zijn levensgeschiedenis neemt dus in de Bijbelse geschiedenis een niet te verwaarlozen plaats in. Het is niet de bedoeling heel zijn levensgeschiedenis hier weer te geven. Die kan eenieder zelf wel lezen in Gods Woord. Maar wel geef ik een kleine indruk van wat hij in zijn ambtstermijn van negenentwintig jaar heeft mogen doen aan reformatorische arbeid voor land en volk, kerk en staat.

Hizkía, de zoon van Achaz, was vijfentwintig jaar toen hij koning werd over Juda en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem, zo blijkt uit 2 Koningen 18 vers 1 en 2. Dat Hizkía een Godvrezende koning is geweest, komt meteen al in het volgende vers naar voren: En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles wat zijn vader David gedaan had (vers 3). Hoewel hij naar zijn directe vleselijke afstamming in de eerste plaats een zoon van Achaz was, wordt hier toch gezegd dat hij een zoon van David was. Natuurlijk was hij een nazaat van David, maar hij was ook geestelijk een kind van David, omdat hij in hetzelfde spoor van David ging, de man naar Gods hart die Gods wil deed, God gevreesd heeft, maar ook zijn koninkrijk gereformeerd heeft. Hizkía ging niet in het goddeloze spoor van zijn vader Achaz, maar in het spoor der Godsvrucht van David. Niet alleen het spoor van persoonlijke Godsvrucht, maar koning Hizkía trad ook theocratisch in het voetspoor van zijn voorvader, de koning David.

Van zijn Godsvrucht lezen we in vers 5 en 6: Hij betrouwde op den HEERE, den God Israëls, zodat na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die vóór hem geweest waren. Want hij kleefde den HEERE aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die de HEERE Mozes geboden had. De auteur noemt koning Hizkía een voorbeeld van een aanklevend en nauw leven met de Heere. In kinderlijk geloofsvertrouwen mocht Hizkía leven en de HEERE navolgen en Zijn geboden houden. Zelfs zo dat er vóór en na hem zijns gelijke niet geweest is onder de koningen van Juda.

Dat het theocratisch regeren ook ‘negatieve’ implicaties heeft in de zin van het weren en uitroeien van de afgoderij en valse godsdienst is goed te zien in vers 4: Hij nam de hoogten weg en brak de opgerichte beelden en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe aan haar gerookt hadden; en hij noemde ze Nehûstan. De koning Hizkía schroomde dus niet om de bijl te zetten in de bossen van de afgoden en de sloophamer te gebruiken tegen de opgerichte beelden. Zo werd de afgoderij in de openbare ruimte opgeruimd en vernietigd.

Verder herstelde Hizkía weer de openbare eredienst in Jeruzalem met alles wat daarbij hoorde. Zowel de ambten als het huis des Heeren met zijn gereedschappen, instrumenten, ceremoniën en feesten, want hij deed de deuren van het huis des HEEREN open (die gesloten waren) en beterde ze (2 Kron. 29 vers 3). En hij bracht de priesters en de Levieten in (vers 4) en liet ze zichzelf en het huis des HEEREN heiligen en de onreinheid wegbrengen uit het heiligdom (vers 5).

3. Jacobus Tichlerus’ levensloop

Voor de levensloop van Tichlerus maak ik gebruik van het werk van prof. W.J. op ’t Hof. Ik geef de levensloop verkort weer. Wie er meer over wil lezen, kan terecht in het derde deel van Figuren en Thema’s van de Nadere Reformatie (Rotterdam 1993).

Jacobus Tichlerus werd in Deventer geboren en op 10 april 1604 gedoopt als zoon van Rutgerus Tichlerus, predikant van Olst, en van Fenneken van Keisersweerdt. Rutgerus was zelf in Deventer op 4 november 1574 gedoopt, terwijl hij in diezelfde stad op 6 oktober 1601 Fenneken huwde. Hun huwelijk werd gezegend met drie kinderen: Truijken, Jacobus en Swenne.

Jacobus werd op 23 april 1623 als student in de theologie aan de universiteit te Franeker en op 11 september 1624 in dezelfde hoedanigheid aan de Leidse universiteit ingeschreven. Nadat Tichlerus in het voorjaar van 1626 in de classis Deventer het voorbereidend en het afsluitend examen met goed gevolg had afgelegd, werd hij op 10 oktober 1626 te Wesepe beroepen. Hier werd hij door C. Bokelman, predikant te Wije, voorgesteld en door H. Weddeus, predikant te Bathmen, bevestigd. 1

Eind mei 1630 volgde Tichlerus zijn overleden vader op als predikant te Olst, hier door dezelfde predikanten voorgesteld en bevestigd als in zijn eerste gemeente. In 1635 verwisselde hij Olst voor Elburg. Twee jaar later werd Tichlerus predikant te Zwolle. Omstreeks halverwege het jaar 1637 werd hij als zodanig door ds. E. Schuttenius (ca. 1595-1655), die ook deel van de beroepingscommissie had uitgemaakt, bevestigd.

Op 21 oktober 1641 kwamen uit Deventer onder meer de predikanten C. Sibelius en J. Ekelius een beroep naar deze plaats op Tichlerus uitbrengen. Zij vertelden de Zwolse kerkenraad maar even dat Tichlerus hun zelfs had beloofd dit beroep aan te nemen. Schoorvoetend liet de Zwolse kerkenraad hem gaan. Dit college moest dit wel doen, aangezien Deventer Tichlerus’ studie had betaald en daarom rechten op hem kon laten gelden. Tichlerus heeft tot aan zijn dood in 1652 het ambt van predikant in zijn vaderstad uitgeoefend. 2

Op 24 september 1626 huwde Tichlerus te Deventer Margaretha Nilant, die op 3 mei 1607 in deze stad gedoopt was. Zij was een dochter van Hendrik Nilant, doctor in de rechten, en van Marie van Boeckholt. Margaretha overleed op 28 september 1643. Tichlerus hertrouwde op 30 november 1645 te Deventer met Helena Roeck, die als dochter van Derk Roeck en Anna van der Leije op 15 augustus 1600 in diezelfde stad was gedoopt. Helena was de weduwe van burgemeester Derk Scharf, met wie zij op 2 februari 1619 te Deventer in het huwelijk was getreden en aan wie Tichlerus onder andere de eerste editie van zijn prekenbundel had opgedragen. Uit het eerste huwelijk van Tichlerus zijn zes kinderen bekend: Johannes, Wilhelmus, Jenneken, Henricus, Rutger en Jacobus. 3

4. Leringen voor de overheid

Nu geef ik enkele lessen en leringen van ds. Jacobus Tichlerus weer voor de magistraat. Ik beperk me alleen tot de zevende preek over Hizkía 4 , omdat Tichlerus zich daar expliciet uitlaat over de taak van de overheid. Ik hoop dat ik de In het spoor-lezers nieuwsgierig genoeg kan maken om de preek zelf te gaan lezen, en misschien ook de andere preken van Tichlerus over Hizkía. De preken zijn in elk geval door en door Schriftuurlijk en kunnen ook met stichting gelezen worden. Ik beperk me tot die lessen en leringen van Tichlerus die betrekking hebben op de taak van de overheid ten aanzien van de godsdienst, omdat juist op dat punt artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in het verleden bekritiseerd is geworden en nog bekritiseerd wordt in onze huidige tijd. Het neocalvinistische gedachtegoed van Abraham Kuyper heeft ook in de gereformeerde gezindte helaas nog steeds zijn invloed en verslaat nog steeds zijn tienduizenden.

a. De eerste les: het navolgen van de goede voorbeelden en deugden van voorouders

De eerste les die we van het leven en werk van koning Hizkía kunnen leren, is dat hij niet ging in het spoor van zijn vader, de goddeloze koning Achaz, maar in het spoor van zijn voorvader David (2 Kon. 18:3). Van Achaz staat uitdrukkelijk dat hij in zijn ambt en regeringstermijn van zestien jaren in Jeruzalem niet deed wat recht was in de ogen des HEEREN, zoals zijn vader David (2 Kon. 16:2). Want hij wandelde in den weg der koningen van Israël, ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan naar de gruwelen der heidenen die de HEERE voor de kinderen Israëls verdreven had. Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvels, ook onder alle groen geboomte (2 Kon. 16:3-4). En in 2 Kronieken 28 vers 2-4 lezen we over hem: Maar hij wandelde in de wegen der koningen van Israël; daartoe maakte hij ook gegoten beelden voor den Baäls. Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had. Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte.

Wat dat betreft heeft Hizkía in zijn vader Achaz een gruwelijk voorbeeld gehad van hoe het niet moest. En waar het meestal gebeurt dat een kwaad voorbeeld kwaad doet volgen, daar mocht het hier door Goddelijke genade en ingrijpen anders zijn. Hizkía deed het precies andersom dan zijn vader. Hij vroeg naar de oude paden en wilde wandelen in het rechte spoor in het midden van de paden des rechts (Spr. 8:20b). En dat niet alleen persoonlijk, maar ook ambtelijk. Hij hield het geloof bepaald niet achter de voordeur, alleen voor zijn eigen persoonlijke beleving, maar hij ging er land en volk, kerk en staat in voor. Hij wilde het goede voorbeeld van zijn voorvader en zijn geestelijke vader, de reformator koning David, volgen. Hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles wat zijn vader David gedaan heeft (2 Kon. 18:3). “Waaruit een magistraat”, aldus ds. Tichlerus,

leert dat hij in alle dingen zijn oprechte voorzaten volgen moet, gelijk hier Hizkía en op andere plaatsen alle Godzalige koningen gedaan hebben. En inzonderheid hebben hier de kinderen te onthouden de les dat zij niet zo zeer moeten staan op hun ouders geslacht, eer en rijkdom, dan op hun deugden.” 5

Voorschrijvend van aard

In onze politieke situatie is het natuurlijk heel anders dan onder de monarchie in Israël en Juda, waar één enkele machthebber met zijn raadgevers het voor het zeggen had. Werd dan de koning tot God bekeerd, dan kon er een reformatorische wending komen voor heel het land en heel het volk. Niettemin, of we nu geregeerd worden door enkelen of door velen, het Bijbels voorbeeld blijft toch de norm, omdat er elke keer nadrukkelijk bij staat dat wie een land en volk regeert naar de wetten en inzettingen van God, recht doet in de ogen des HEEREN. Wat enkele duizenden jaren terug recht was in de ogen des HEEREN, is het nog steeds. En wat toen niet recht was in de ogen des HEEREN, is het nog steeds niet. Daarom kunnen we de geschiedenissen uit Koningen en Kronieken niet alleen lezen als interessante geschiedenissen die descriptief of omschrijvend van aard zijn, als waren het alleen maar interessante lezingen die ons slechts informatie en kennis verschaffen over die tijd. Nee, de geschiedenissen uit Koningen en Kronieken willen ons ook duidelijk wat leren en zijn prescriptief of voorschrijvend van aard, namelijk dat de koningen die recht doen in de ogen van de HEERE, gezegend worden en dat zij die het spoor van Gods geboden verlaten en afgoden dienen, vervloekt worden. We zien dat duidelijk in de wegvoeringen en in de verwoesting van het land Israël, de stad Jeruzalem en de tempel. Gods ongenoegen en toorn komen over het land dat en over de koning die God niet vreest, terwijl Gods welgevallen en gunst is over het land dat en over de koning die de HEERE vreest. Dat is ook precies wat we uitgewerkt kunnen vinden en lezen in de wetten van Mozes, bijvoorbeeld in Leviticus 26 en Deuteronomium 28.

Koning en koningin

Concreet betekent dit dat onze majesteit koning Willem Alexander en onze koningin Maxima hun voetstappen zouden moeten zetten op het pad van Gods geboden dat Hij heeft voorgeschreven. Alleen in die weg is er goedkeuring en zegen te verwachten. Prins Willem van Oranje zou kunnen dienen als een voorbeeld van persoonlijke Godsvreze en Godsvrucht. Prins Maurits kan als een voorbeeld dienen van iemand die met het zwaard de zuivere calvinistische leer, zoals vastgesteld in de Dordtse Synode (1618-1619), verdedigd heeft. Ik zeg niet teveel als ik constateer dat de koning en de koningin niet gaan in het spoor van deze vaderen. De koning wil het geloof alleen persoonlijk beleven. Het blijft veelal achter de voordeur, zij het dat hij wel de eed gezworen heeft bij zijn inhuldiging en niet de surrogaateed of belofte van trouw. Helaas is de predikant die het koningshuis vraagt voor officiële gelegenheden, niet bepaald een voorganger in de lijn van de Dordtse Synode, maar eerder vrijzinnig. Van de koningin geldt helaas dat ze het roomse geloof niet vaarwel gezegd heeft, maar behouden. En blijkens de laatste audiëntie bij de paus in Rome, schaamt het vorstenhuis zich hiervoor niet. Verregaande aanpassingen tot in de kleding aan toe worden gedaan vanwege de roomse religie.

Mochten onze koning en koningin een hart krijgen om schoon schip te maken met de vrijzinnigheid en de zogenaamde roomse rechtzinnigheid. En dat ze de orthodoxe leer die in de Dordtse Synode is vastgesteld, van harte mochten geloven en belijden. Maar ook dat ze het geestelijk stuurloze volk mochten voorgaan in de vreze des HEEREN. Het is nog slechts een kleine minderheid van de Nederlandse bevolking die nog naar de kerk gaat en de godsdienst in ere houdt. Het volk heeft dus een goed voorbeeld nodig van een vorstenhuis dat wil gaan in het smalle spoor van Gods geboden en inzettingen. In die weg alleen is er ook zegen te verwachten. We mochten het maar in de gebeden voor God brengen met de bede of God wonderen wil doen. God is almachtig en werd zelfs de koning Manasse te sterk. Ja, zelfs de koning van Ninevé toonde tekenen van berouw ten tijde van de profeet Jona en de heidense koningen in het boek Daniël erkenden dat de Heere God is. Die God leeft nog!

Regering en volksvertegenwoordigers

Wat voor de koning geldt, geldt natuurlijk niet minder voor de regering en voor de 150 volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer en de 75 in de Eerste Kamer. Juist zij hebben het samen in ons land voor het zeggen en zouden daarom hun geestelijke winst en voordeel moeten doen met het voorbeeld van koning Hizkía. Dat zou een radicale koerswijziging betekenen. Schoon schip maken met de afgoderij en valse religie in het publieke of openbare domein. Weg met de mohammedaanse universiteiten, scholen en moskeeën. Weg ook met de hindoereligie, boeddhisme, Jodendom, atheïsme etc. En met alle goddeloze uitingen daarvan. Geen podium en plaats meer voor de uitleving van afgoderij, bijgeloof en ongeloof.

En daartegenover moesten regering en parlement juist de gereformeerde religie en eredienst in stand houden en stimuleren. Daarbij hoort het in stand houden, ook financieel, van kerken, scholen en universiteiten op gereformeerde grondslag alsmede het bevorderen van de rechtzinnige prediking van Gods Woord.

Het betekent ook in plaats van het afbreken van de Christelijke religie in het publieke en openbare domein, het opbouwen en uitbouwen daarvan. Onder andere door het stimuleren van het gereformeerd levensbeschouwelijk onderwijs, ook financieel, zonder daarbij aan de onderschrijving van de gereformeerde grondslag door de ouders te morrelen. Aan het benoemings- en toelatingsbeleid zouden onverminderd de hoge eisen van Gods Woord gesteld moeten worden. De onderschrijving van de gereformeerde grondslag hoort daar ook bij.

De overheid zou de heiliging van ’s HEEREN Naam moeten handhaven en bevorderen, in plaats van het ongehinderd laten vloeken en minachten van Gods Naam. En de zondagsrust en -heiliging handhaven en bevorderen, in plaats van het afschaffen daarvan. Zij zou ook het staatkundig gereformeerde beginsel inzake de plaats en de positie van de vrouw moeten bevorderen, in plaats van een praktisch verbod op de politieke uitoefening van dit principe. En daarom ook de verkeerde stimulans van tweeverdieners zo snel mogelijk ongedaan moeten maken. Redden wat er nog te redden valt van onze arme gezinnen.

Verder zou zij allerlei zondige seksuele afwijkingen moeten tegengaan in plaats van die met campagnes met overheidsgeld tot in het onderwijs toe te stimuleren en af te dwingen. Zij zou Bijbelgetrouwe ambtenaren moeten stimuleren in plaats van het ontslaan van zulke gewetensvolle mannen.

En zo zouden we door kunnen gaan. Helaas wordt de lijst steeds langer. De overheid is geroepen de staatkundig gereformeerde beginselen te bevorderen en te handhaven.

Voor de SGP-volksvertegenwoordigers betekent het goede voorbeeld van Hizkía volgen dat ze niet alleen moeten zitten op de zetel van mannen als ds. P. Zandt en ds. G.H. Kersten, maar dat ze ook in datzelfde spoor het staatkundig gereformeerde geluid mogen uitdragen in ’s lands vergaderzalen. Het moet hun niet gaan om een positie of om geld, maar om de handhaving en bevordering van de staatkundig gereformeerde beginselen. Zonder water bij de wijn te doen en te buigen voor de tijdgeest of cultuur waarin wij leven. Zo had de SGP het vrouwenstandpunt moeten handhaven, in plaats van dat praktisch op te geven. Zo moet de SGP eerlijk in onze tijd het theocratisch standpunt belijden zonder dat uit valse schaamte te verloochenen. Het profetisch getuigenis moest meer gehoord worden. En kritisch staan tegenover partijen en parlementsleden die de hoge eisen van Gods Woord helemaal niet serieus en ernstig blijken te nemen. Dat betekent in elk geval daarmee niet nauw samenwerken. Wat anderen daar ook van vinden. En ook hier zouden we kunnen uitbreiden.

b. De tweede les: de overheid moet vooral ijveren voor de zuivere godsdienst

De tweede les die we van het leven en werk van koning Hizkía kunnen leren, ligt in het verlengde van de eerste. Hizkía volgde de voetstappen van zijn vader David na, zowel ten aanzien van God als ten aanzien van de onderdanen.

Ten aanzien van God kan opgemerkt worden dat hij de bezem haalde door de afgodendienst. Hij nam de hoogten weg en brak de opgerichte beelden en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israëls tot die dagen toe aan haar gerookt hadden; en hij noemde ze Nehûstan (2 Kon. 18:4). En hij herstelde de eredienst in de tempel in Jeruzalem weer. Ik citeer nu ds. Tich lerus:

“Hieruit leren dan alle magistraten dat zij voor alle dingen moeten ijveren voor de godsdienst en de kerk, want de kerkendienst is het uitwendig middel waardoor God de Heere het geloof in het hart van Zijn kinderen werkt.” 6

De liefde tot God en de liefde tot de onderdanen zijn niet in tegenstelling tot elkaar, maar sluiten elkaar in. Ik citeer opnieuw ds. Tichlerus:

“Naar de ziel betoont de magistraat zijn liefde wanneer hij een scherp oog heeft om de rechte, zuivere leer te handhaven, door de reine predicatie van het Goddelijke Woord voort te planten en daarentegen alle valse leer, dwaling en afgoderij af te schaffen.” 7

Dat betekent dus dat er heel wat veranderen moet. Want we hebben in onze tijd in Nederland te maken met een seculiere overheid en een vrije moraal. ‘Vrij’ betekent niet dat de overheid waardevrij is of dat het publieke domein neutraal of vrij is, want de uitingen van goddeloosheid en zonde gaan steeds meer overheersen in het publieke domein. Waarom mogen we anders homoseksuele leraren in het reformatorisch onderwijs niet meer weigeren en ook werknemers of stagelopers bij een Christelijk bedrijf, zonder bij de rechter aangeklaagd en bestraft te worden? Waarom moeten we anders stoplichten hebben met homo’s erin afgebeeld of zebrapaden in alle kleuren van de regenboog en dat niet om Gods verbondstrouw te illustreren? En misschien straks nog toiletten voor transgenders of helemaal geen verschillen meer in identiteit tussen man en vrouw. Wat niet alleen onbijbels is, maar ook tegennatuurlijk, ik zou zeggen: monsterlijk.

De overheid blijkt steeds meer in te grijpen in het openbare leven. Ook ten aanzien van de godsdienst bemoeit de overheid zich daar wel degelijk mee. Principes en beginselen van Bijbelgetrouwe en gewetensvolle reformatorische Christenen blijken haaks te staan op wat breed in de samenleving geaccepteerd is en ook door de overheid publiek wordt uitgedragen. Wie daar niet aan mee wil doen, wordt al snel gebrandmerkt met het etiket fundamentalistisch of intolerant. Want ook het seculier liberalisme kent grenzen. Met name als iemand het liberalisme en de vrije moraal niet accepteert, blijkt dat er strenge grenzen zijn die krachtig worden gehandhaafd. Dan horen we geluiden dat de overheid de mogelijkheid moet hebben om zelfs kerken te verbieden, omdat ze wel eens staatsgevaarlijk kunnen zijn.

Religieuze uitingen worden door de overheid al aan banden gelegd. Zo mogen moslima’s met boerka’s en gezicht bedekkende kleding niet meer in openbare gebouwen. Ook de publieke opinie is niet neutraal. Moslims met lange baarden worden raar aangekeken en Joden met keppeltjes op kunnen al niet eens meer veilig over straat zonder uitgescholden of - nog erger - aangevallen te worden.

Een en ander betekent dat de overheid zeker niet iedereen laat doen wat goed is in zijn ogen, maar wel degelijk ingrijpt. Maar nu is het nodig dat de overheid zich tot God bekeert en zich op een andere manier met de godsdienst gaat bemoeien, namelijk zoals een koning Hizkía dat deed. Het is typisch kuyperiaans of neocalvinistisch om te zeggen dat de overheid hier geen rol heeft en dat het publieke domein vrij is. Maar het roer moet juist om! Terug naar de geboden en inzettingen van God. Terug naar het Woord van God als de enige regel en het enige richtsnoer voor al ons doen en laten in het persoonlijke, godsdienstige en openbare leven. Dat betekent aan de ene kant de bezem door de afgodendienst en alle openbare ongerechtigheid tegen Gods geboden en inzettingen. Een bestraffen, weren en uitroeien van de afgoderij en valse godsdienst. En anderzijds betekent dat een herstel en handhaving van de Bijbelse waarden en normen en een herstel en handhaving van de Christelijke en zuivere openbare eredienst op gereformeerde grondslag.

Het is zo belangrijk dat de prediking en de kerkendienst hun loop hebben, niet omdat God er van afhankelijk is, maar de Heere werkt wel middellijk. Wij zijn er zeker van afhankelijk, omdat het geloof door het gehoor is en het gehoor door het gepredikte Woord van God. Als we iets voelen van de waarde en het gewicht van een onsterfelijke ziel, geschapen voor de eeuwigheid en op weg en reis naar de rechterstoel van Christus, hoef ik verder geen uitgebreid pleidooi meer te doen voor het onwaardeerbare belang van de kerkendienst. En wat nog belangrijker is dan onze zaligheid, is de eer van God. God heeft er ook recht op, krachtens schepping en onderhouding, als onze allerhoogste Rechter en Wetgever. Maar God is het ook zo waard om gediend en gehoorzaamd te worden, om geliefd, geëerd en aanbeden te worden. En in de veelheid der onderdanen is toch des Konings heerlijkheid (Spr. 14:28).

c. De derde les: de overheid moet enkel en alleen op God vertrouwen

De derde les uit het leven en werk van koning Hizkía is dat hij een Godsvertrouwen had zoals geen koning in Juda vóór hem en na hem had gehad (2 Kon. 18:5). Hierin ligt dus een bevindelijke les. Ik citeer ds. Tichlerus:

“Hieruit leren alle magistraten dat zij als trouwe vaderlanders enkel en alleen op God [moeten] vertrouwen.” 8

De les mag eenvoudig lijken: ‘enkel en alleen op God vertrouwen’, maar de praktijk is weerbarstig. Een mens vertrouwt in het algemeen toch graag op andere mensen, waarvan het Woord duidelijk zegt dat we op prinsen, op een mensenkind, bij wie geen heil is, geen vertrouwen moeten stellen (Ps. 146:3). Want het hart van een mens is immers dodelijk en arglistig. De meest oprechte is nog scherper dan een doornheg. En toch kan het zo fijn zijn om op andere mensen te leunen en te steunen. Dikwijls stelt een mens toch vlees tot zijn arm en dat is al een vorm van afgoderij. Bijvoorbeeld door een mens een grotere plaats en eer te geven dan hij verdient. En God, Die deze plaats alleen verdient, Zijn eer niet te geven. Als er Één vol-strekt betrouwbaar en onveranderlijk is, is het God. En toch wordt Hij zo weinig vertrouwd alsof Hij niet te vertrouwen is. Alsof God een man was dat Hij liegen zou of een mensenkind dat Hem iets berouwen zou. Iemand die iets zegt en het niet doet.

Wat wordt het politieke heil niet gezocht in gemeenschappen, akkoorden en verdragen met andere landen, met de Europese Unie bijvoorbeeld, met groot vertoon van geld en macht. Wat is er ook een groot vertrouwen in menselijke kunde en bekwaamheid. In menselijke wijsheid en verstand. Wat worden er niet een torens van Babel naar de hemel gebouwd. En wat is er weinig vertrouwen op de God des hemels, voor Wie de aarde slechts een voetbank van Zijn heilige voeten is. Wat is er ook veel een kijken naar het getal van mensen. Daar is de gehele democratie op gebaseerd: de helft plus één. En wat doet een mens niet om - ook in de politiek - andere mensen achter zich te krijgen die hem steunen. Om aantallen te krijgen, om meer macht en invloed te krijgen. Maar de echte vreze Gods kenmerkt zich juist door de steile en diepe afhankelijkheid van God alleen. Enkel en alleen op God vertrouwen.

d. De vierde les: de overheid moet al Gods geboden houden

Van de koning Hizkía staat geschreven dat hij de HEERE aankleefde, dat hij niet week van Hem na te volgen en dat hij de geboden hield die de HEERE Mozes geboden had (2 Kon. 18:6). Hij deed daar niets anders dan wat God geboden had voor de koning in de wet van Mozes in Deuteronomium 17 vers 18 en 19: Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen dat voor het aangezicht der Levitische priesters is. En het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens, opdat hij den HEERE zijn God lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen. Ik citeer opnieuw ds. Tichlerus:

“Hieruit leren alle Christelijke magistraten mede [eveneens; op gelijke wijze; DB] te houden alle geboden Gods.”

En:

“Het is niet mogelijk dat een republiek lang bestaan kan wanneer een magistraat zijn eigen hoofd volgt en de Wet des Heeren varen laat.” 9

Als we hierop zien wat is er dan in ons land nog veel te verbeteren en te reformeren naar de Wet van God. Wij leven in een tijd waarin de zonden steeds meer naar buiten doorbreken en waar de zonden steeds gewoner worden, zodat het bijna geen zonden meer lijken te zijn. Tegen alle geboden van God wordt gezondigd en de zonden worden massaal goedgepraat. Als het gaat over de eerste twee geboden van de Decaloog, wordt het beginsel van de godsdienstvrijheid omarmt, alsof Gods Woord ruimte laat voor meer goden en meer waarheden dan de ene, unieke en exclusieve waarheid van Gods Woord.

De eerste Tafel van Gods Wet wordt nog meer verwaarloosd dan de tweede Tafel van Gods Wet. De geboden van de tweede Tafel worden vaak nog enigszins gewaardeerd, aangezien het daar gaat om de relatie tot de naaste, terwijl de eerste Tafel wordt samengevat in de liefde tot God, dat niet voor niets ook meteen door de Heere Jezus Zelf het grote gebod wordt genoemd.

Maar ook als het gaat om de tweede Tafel leven wij in een tijd en samenleving die vergeven is van onbijbelse zaken. Zo mag er niet meer gestraft en gekastijd worden naar de hoge eis van Gods Woord. Dat is een regelrechte ondermijning van het vijfde gebod. Geen wonder dat er steeds minder gezag en autoriteit is. Maar in Gods Woord wordt gesproken van strenge straffen. De ouders hebben hun kinderen uit liefde te tuchtigen en te kastijden. Gezagsdragers van de overheid straffen toch ook als ze rebellen en opstandelingen moeten bedwingen! Naar Bijbels voorbeeld zou de overheid bovendien de doodstraf weer moeten invoeren en handhaven. In veel opzichten ligt ook het zesde gebod verbroken. Zo is het een vermeend recht en een vermeende verworvenheid in Nederland om ongeboren kinderen en ook ouderen legaal te mogen vermoorden. Niet verboden, maar gelegitimeerd.

En wat te denken van het breken van het zevende gebod. Niet alleen als het gaat om hoererij, echtbreuk en overspel. Op dat gebied wordt veel te veel getolereerd. En zelfs gestimuleerd. Maar ik denk juist ook aan de verschrikkelijke afwijkende vormen van seksualiteit die gepropageerd worden en die wij verplicht en met dwang moeten aanvaarden en zelfs respecteren. En ook hier zouden we helaas uit kunnen breiden met een lang register van Nederlands zonden. Een zondenspiegel niet te overzien. Wat zijn er veel redenen tot boete en berouw, vasten en bidden. Maar de overheid schrijft geen boetedagen meer uit, wat ook een zonde is. En de kerk? Er zijn wel de jaarlijkse bid- en dankdagen die, gezien de situatie in ons land, tegelijk ook boetedagen zouden moeten zijn, maar verder komt het niet, op één gunstige uitzondering na: de door de Gereformeerde Gemeenten in 2014 uitgeschreven boete- en bededag.

e. De vijfde les: de overheid moet het meeste ijveren tegen de lastering van Gods Naam

Koning Hizkía was vertoornd met een rechtvaardige toorn, ijver en misnoegen over het lasteren van Sanherib tegen God (2 Kon. 19:1-3). Ik citeer ds. Tich lerus:

“Hieruit leren de magistraten dat hun meeste ijver en grootste droefenis moet zijn over de lastering van de Naam van God. In de Wet Gods wordt bevolen dat de lasteraar zal ter dood gestenigd worden (Lev. 24:14).”

Ook op dit terrein kan nog heel wat gedaan worden. In Nederland is het erger en meer strafbaar om een staatshoofd te beledigen dan het Hoofd van hemel en aarde te beledigen en te lasteren. Als we meer voelden dat Gods Naam heilig is, zouden we ons ook meer zorgen maken over de ontheiliging van Gods Naam. We kunnen op dit terrein nog wel in de leer bij de mohammedanen, want zij ijveren ten minste voor de naam van hun god. Dat is een ijver zonder verstand weliswaar, maar dat ze het niet nemen dat hun god gesmaad en gelasterd wordt, moet ons wel wat te zeggen hebben. Ze nemen het heel ernstig als de naam van hun god door het slijk gehaald wordt. En hoe vaak gebeurt het niet dat de Naam des HEEREN zomaar ijdel gebruikt wordt en dat er heel geen bestraffing volgt? Dat moest niet zo zijn.

De overheid moest er in voorgaan om te ijveren voor de Naam des HEEREN, meer dan voor haar eigen positie, naam en eer. Achteloos wordt Gods Naam onteerd en door het slijk gehaald. Als dat heel veel geld zou kosten, een hoge geldboete voor een vloek, wie zou het dan nog doen? Als iemand harder rijdt dan toegestaan op een bepaald traject, moet hij wel meteen boeten. Het wordt de overtreder letterlijk betaald gezet. Maar als iemand zich laat gaan door al dan niet in drift te vloeken en te tieren, volgt er - geheel ten onrechte - geen bestraffing en/of geldboete.

5. Uitleiding

Ik denk dat het duidelijk is dat we nog heel wat kunnen leren uit de preek van Tichlerus. Zeker als we het toepassen op onze eigen tijd en samenleving. Er staan nog meer leringen in zijn preek voor de magistraat, die ik hier verder niet meer behandel. En laten we niet vergeten dat wat de overheid moet doen in het groot, ieder Christen dat moet doen in het klein. Niet voor niets leert ons de Heidelbergse Catechismus (1563) dat de Christen ook gezalfd is tot koning. Elke Christen heeft dus een koninklijk ambt, waarbij er ook genoeg te reformeren valt. Het hart en het verstand is een fabriek van afgoden. Daar moet wel elke dag opnieuw de bezem doorheen. En de vreze Gods moet elke dag opnieuw geleerd worden.

Bovendien heeft een huisvader of voogd ook een koninklijke taak in zijn gezin. Wat zou het een zegen zijn, als we gingen merken dat de huisvaders en voogden weer naar de HEERE gingen vragen. En het gezin zo gingen regeren als God dat in Zijn wetten heeft voorgeschreven. Dat de gezinnen mochten zijn als kerkjes in het klein. Laten we daarom leren wat onze plicht is ook op dat gebied. En ik denk dat ieder dan wel veel tekortkomt aan Gods volmaakte eis. Maar ook al is het zo dat we ons dagelijks hebben te verootmoedigen voor God, dat we dagelijks verzoening en vergeving nodig hebben, het zal toch de begeerte van een waar Christen zijn om naar al Gods geboden te leven. Het goede, dat ik wil, zegt Paulus in Romeinen 7:19, daarmee te kennen gevend dat het wel zijn wil was, ook al was het een strijd. Hij wilde leven naar Gods geboden, want die wet is heilig en rechtvaardig en goed (Rom. 7:12b).


Noten:

1) W.J. op ’t Hof, ‘Jacobus Tichlerus (1604-1652)’, in: Figuren en Thema’s van de Nadere Reformatie, dl. 3, Rotterdam 1993, p. 43 (hierna: Op ’t Hof)

2) Op ’t Hof, p. 44

3) Op ’t Hof, p. 45

4) Jacobus Tichlerus, Hizkie Oprechtigheydt, Amsterdam 1645, p. 166-197 (hierna: Tichlerus)

5) Tichlerus, p. 177-178

6) Tichlerus, p. 179

7) Tichlerus, p. 186

8) Tichlerus, p. 180

9) Tichlerus, p. 182

10) Tichlerus, p. 184

Fotoverantwoording:

a) © RVD, foto: Koos Breukel

b) Bron van geciteerd bericht: www.nu.nl

c) Depositphotos

d) Depositphotos

e) Depositphotos, bewerkt

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

In het spoor | 68 Pagina's

Ds. Jacobus Tichlerus’ Lessen Voor de Overheid

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

In het spoor | 68 Pagina's