Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Zondagsrust en Zondagsheiliging -22-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zondagsrust en Zondagsheiliging -22-

22 minuten leestijd

Artikel 4 van het oude beginselprogram van de SGP begon als volgt: “De overheid zal ook in haar ambt naar Gods Wet geoordeeld worden en heeft als Zijn dienares voor de naleving van deze Wet zorg te dragen. Daarom is zij onder meer geroepen: a. strafbaar te stellen de ontheiliging van Gods Naam en dag.” Inzake het punt van de zondagsrust en zondagsheiliging heeft ir. C.N. van Dis sr. in 1966 in De Banier een uitvoerige toelichting geschreven. Het eerste gedeelte van zijn toelichting hebben we in het vorige nummer afgedrukt. 1 Hieronder volgt het tweede en laatste gedeelte. 2

In dit tweede gedeelte gaat Van Dis achtereenvolgens kort in op de vóór 1795 in ons land uitgevaardigde plakkaten tegen de zondagsontheiliging, op de situatie in de Franse tijd (1795-1813) en op de zondagswetten van daarna (1815 en 1953). Kennis van de historie is ook in dezen van belang. Enerzijds om te voorkomen dat we het verleden te veel gaan verheerlijken alsof toen alles goed was. Ook vóór 1795 zijn er heel wat overheden geweest die de bestaande plakkaten tegen de zondagsontheiliging - ondanks dat gereformeerde predikanten daarop herhaaldelijk aandrongen - niet krachtig genoeg hebben gehandhaafd of te traag waren in het uitvaardigen van nieuwe regels ter bestrijding van dit kwaad. En anderzijds om te voorkomen dat we ons laten meevoeren met hen die de ernst van de huidige situatie wegredeneren door te stellen dat de situatie nu niet veel anders, niet veel slechter, is dan toen. Nu zijn er echter geen goede plakkaten tegen de zondagsontheiliging meer, laat staan dat ze gehandhaafd zouden worden, en veruit het grootste deel van Nederlands inwoners maakt helaas van de zondag een zondedag. Er is dus wel degelijk sprake van een ernstige situatie die om de oordelen Gods roept. Ds. P. Zandt heeft daar in 1953 al op gewezen, zo blijkt ook uit de onderstaande toelichting van ir. Van Dis.

Voor het leesgemak hebben we aan zijn toelichting tussenkopjes toegevoegd en de woorden herspeld weergegeven. De gedeeltes die specifiek gingen over de door de SGP ingediende amendementen op de Winkelsluitingswet van 1930 en op de Zondagswet van 1953 hebben we grotendeels weggelaten, omdat dit ook een behandeling van de wettekst zelf zou vragen, wat voor nu te ver voert.

Dat het lezen van dit artikel bij overheid en onderdaan mocht leiden tot het meer eerbiedigen van Gods dag, is ten slotte onze wens.

Redactie

Plakkaten

Ir. C.N. van Dis sr.: “Dat de eerbiediging van de dag des Heeren onze vaderen zwaar woog, blijkt overduidelijk uit de talrijke plakkaten uit vorige eeuwen die hierop betrekking hadden. Die plakkaten werden behalve door de Generale Staten ook menigmaal uitgevaardigd door de Provinciale Staten, terwijl ook vele gemeenten op de ontheiliging van Gods dag hun eigen keuren [verordeningen; red.] hadden. De Provinciale Staten moesten door middel van de rechterlijke macht zorgdragen voor de nauwgezette uitvoering van die keuren en tevens deden zij hun invloed gelden om in plaatsen waar nog geen keuren bestonden, deze aldaar te verkrijgen.

Door de kerk aangespoord

De kerk van de Reformatie liet zich daarbij niet onbetuigd. Integendeel, zij was het die er voortdurend bij de overheid op aandrong om tegen de schending van de dag des Heeren op te treden en de overtreders van het vierde gebod te straffen. Zowel kerkenraden als classes en synoden lieten van zich horen wanneer in bepaalde plaatsen de plakkaten niet werden gehandhaafd zoals dit behoorde. Hun optreden had gewoonlijk tot gevolg dat de Staten alsdan op scherpere naleving van de plakkaten aandrongen bij hen die hiermee waren belast. Zo werden in 1619 de officieren in Holland aangemaand erop te letten dat de plaatselijke keuren werden nagekomen. In 1632 werd de resolutie van 1619 opnieuw bekrachtigd en tevens werd het de schepenen verboden onder kerktijd te vergaderen en werd het verboden [om op de dag des Heeren] erfhuizen en verkopingen van goederen te houden, te maaien, te baggeren, te dorsen, vlas en hennep te plukken, werken te besteden, land en goederen te verhuren en nog meer van dergelijke slaafse werken.

Zeeland

In andere provinciën werden eveneens krachtige maatregelen tegen de zondagsontheiliging genomen. Daar wij veel te uitvoerig zouden worden door alle provinciën na te gaan, zullen wij hier slechts bij één ervan, namelijk Zeeland, stilstaan. En wel om deze reden dat het prins Willem, de Vader des vaderlands, was die in 1583 een ordonnantie gaf “op het stuk van de politie [staatsbestuur; red.] binnen Zeeland”. Hierin werd eenieder bevolen om de zondag te eerbiedigen en ook aan eenieder verboden om op zondag handwerk te verrichten, te lossen en te laden, in huizen of op straten te kopen en te verkopen en winkels te openen op boete van drie gulden bij de eerste en het dubbele bij elke volgende keer. Ook werd het verboden op zondag herberg te houden, aldaar te drinken, te spelen of iets anders van dien aard te doen. Voorts was het strafbaar op zondag allerlei spelen te doen zoals kaatsen, klossen [een soort van kegelen; red.] enz.

In 1673 werd de resolutie van 1583 aangevuld. Het werd hierbij verboden om op zondag kramen op te zetten, met gewassen en eetwaren langs de straat te lopen en in het algemeen te kopen en te verkopen. Vogelschieten 3 en ganstrekken 4 werden verboden, evenals het balspel, terwijl het ook niet geoorloofd was om op zondag onbehoorlijk langs de wegen met paard en wagen te rossen of te rennen, met kaarten of dobbelstenen te spelen, zondagsmiddags bruiloftsfeesten alsmede rouw- of kindermalen te houden.

De straffen die hierop werden toegekend, waren veel zwaarder dan voorzien was in de resolutie van 1583. Zij bestonden in het verbeurdverklaren van de waren die men uitstalde of verkocht, het sluiten van de winkels en herbergen gedurende zes weken, het opleggen van een boete van vijf gulden voor het drinken in herbergen, huizen, winkels of kelders en een boete van vijftien gulden voor het rijden en rossen en spelen, voor het houden van bruiloftsfeesten, rouw- en kindermalen op het platteland, alsmede voor het aldaar begraven, kramen openen en laten exerceren [in bedrijf nemen; red.], en voor het houden van bruiloftsfeesten, rouw- of kindermalen in de besloten steden.

Vermaand door getrouwe predikanten

Voor de getrouwe leraren in die dagen was het met betrekking tot de heiliging van en het rusten op de dag des Heeren geen gemakkelijke tijd. Telkens weer verhieven zij hun stem tegen de ergerlijke ontheiliging van Gods dag, zoals onder meer kan blijken uit een geschrift van Jacobus Koelman van 1678 [te weten: De pointen van nodige reformatie; red.], waarin hij verzuchtte dat de sabbatschending in Nederland “gruwelijk in zwang” was. Zo zelfs dat hij meende met alle recht te kunnen verklaren dat deze zonde op een zonderlinge wijze “de zonde van Nederland” moest worden genoemd. Niet minder dan 36 verschillende ernstige vergrijpen tegen de zondagsrust en zondagsheiliging werden daarbij door ds. Koelman opgesomd. 5

Ook de Godzalige predikant Jodocus van Lodenstein (1620-1677) had een zware strijd te voeren, toen hij als jong predikant van 1644 tot 1650 te Zoetermeer en Zegwaart stond. Dus van zijn 24ste tot zijn 30ste jaar. Hij had daar onder meer te strijden tegen de Vastenavonden (door hem ‘bacchusfeesten van de papisten’ genoemd), tegen de kermis, de komediespelen, de rederijkerskamers en de ontheiliging van Gods dag. Dat het met het laatstgenoemde in Van Lodensteins gemeente er niet zo best voorstond, blijkt overduidelijk uit de notulen van de kerkenraad, die uitvoerig en met grote nauwgezetheid door Van Lodenstein zelf geschreven zijn. Wij zullen op bijzonderheden uit die notulen niet ingaan, maar volstaan met op te merken dat ds. Van Lodenstein het daar in Zoetermeer en Zegwaart niet gemakkelijk heeft gehad. En dat temeer niet, omdat hij van de zijde van de plaatselijke gezagsdragers bitter weinig medewerking kreeg. Wel werden hem en zijn kerkenraad van die zijde mooie beloften gedaan, maar de uitvoering liet zeer veel te wensen over. Zo was het ook in andere plaatsen. Niet zelden waren de schouten en hun helpers zeer slap in het toepassen van de keuren en plakkaten. Veelal ontzagen zij ‘om profijtswille’ de zonen van de hooggeplaatsten, die zich voor een deel op de zondagen nogal eens te buiten gingen. Toch komt het ons voor dat de plakkaten inzake de eerbiediging van de dag des Heeren in die tijd zeer zeker ten goede hebben gewerkt. Waren zij er niet geweest, dan zou het er met de ontheiliging van die dag ongetwijfeld nog veel slechter hebben voorgestaan.

Voorbeelden van keuren uit de 18e eeuw

De meeste plakkaten betreffende de zondag dateren uit de 17e eeuw. Toch werden hier en daar ook in de 18e eeuw nog maatregelen dienaangaande genomen (zelfs tot ver in de 18e eeuw). Om dit nog met een voorbeeld te illustreren zij gewezen op de resolutie van 16 juli 1706 in de provincie Overijssel, waarbij op het platteland het houden van veemarkten op zondag verboden werd. Zij moesten voortaan op maandag plaatshebben. In maart 1756 werd voorts in een uitvoerige publicatie bevolen dat de kermissen - die tot dusver op het platteland en in de kleine steden op zondag gehouden waren - met het begin van 1757 op dinsdag of woensdag in diezelfde week moesten plaatshebben. Tevens werd bepaald dat niemand op zon- of maandag een kraam mocht opzetten of mocht hebben staan, noch ook tafels, draaiborden, spelen of andere vertoningen mocht inzetten. Of ook koeken of andere waren mocht veilen of verkopen. Herbergiers of anderen mochten alsdan ook geen gelagen zetten, terwijl zij dan ook geen dansen of spelen op de viool of andere muziekinstrumenten in hun huizen of op hun erven mochten toelaten. Bovendien werd bij deze resolutie nog eens bevolen dat het plakkaat van 1690 streng moest worden uitgevoerd. Ook werd de eis gesteld dat dit jaarlijks van de predikstoelen werd afgelezen op de zondag waarop over het vierde gebod van de Wet Gods of over de 38ste zondag van de Heidelbergse Catechismus werd gepreekt. Zelfs niet lang vóór de Franse Revolutie, namelijk op 7 april 1775, kwam er in Overijssel nog weer eens een resolutie waarbij het houden van kermissen op zondagen en maandagen op het platteland en in de kleinere steden verboden werd. Ook werden toen begrafenissen op zondag verboden. Evenmin mochten doodsklokken op die dag worden geluid.

Door de Revolutie vernietigd

De doorwerking van de Revolutie in ons land deed ook haar invloed gelden op de maatregelen die van overheidswege met betrekking tot de eerbiediging van de dag des Heeren waren genomen. Dit was ook wel te verwachten. De Revolutie toch gaat uit van het beginsel: Ni Dieu ni maître, dat wil zeggen: ‘Geen God, geen meester’, zodat volgens haar alles wat maar enigszins met God en godsdienst verband houdt, moet worden uitgebannen. Ook dus de bepalingen die hun bestaan ontleenden aan het vierde gebod van de Wet des Heeren. Dit gebeurde dan ook zodra de Nationale Vergadering ingesteld was. Op 5 augustus 1796 vaardigde deze vergadering namelijk een decreet uit “ter afscheiding van de kerk van de staat of het doen ophouden van een bevoorrechte kerk.” In dit decreet kwam onder meer deze bepaling voor: “Alle plakkaten en resoluties van de gewezen Staten-Generaal, uit het oude stelsel van de vereniging van kerk en staat geboren, worden gehouden voor vernietigd.” Dit had dus betrekking op de plakkaten die in de loop van de jaren van de Staten-Generaal waren uitgegaan, maar nog niet op die welke afkomstig waren van de onderscheidene provincies. Ook deze moesten echter verdwijnen. Daartoe zond de Nationale Vergadering aan de hoge overheid in de verschillende gewesten een missive [ambtelijk schrijven; red.] met een kopie van het zo-even genoemde decreet. In die missive werd er krachtig op aangedrongen “alle drukkende en bezwarende overblijfselen van het oude stelsel van een heersende kerk” zo spoedig mogelijk op te heffen. 6 Een bevel kon de Nationale Vergadering aan de provinciale overheden niet geven, daar deze zich niet lieten overheersen. Vandaar dat de vorm van een aanmoediging werd gebezigd.

In 1798 echter verscheen er een nieuwe staatsregeling waarbij alle provinciale plakkaten en resoluties vervallen werden verklaard. Eenieder was nu vrij op zondag te doen wat hij wilde. Eerst in 1810, toen ons land bij Frankrijk werd ingelijfd, kwam er enige verandering voor zover het de publieke diensten betrof. De ambtenaren in overheidsdienst werden toen namelijk van arbeid op zondag vrijgesteld. Overigens kon echter eenieder de dag des Heeren in het openbaar ontheiligen zonder dat hem van overheidswege iets in de weg werd gelegd.

Kentering ten goede

Eerst toen het Franse juk was afgeschud en koning Willem I het bewind in handen had gekregen (30 november 1813), kwam er een kentering ten goede. Op 27 december 1813 ging er namelijk een schrijven uit van de commissaris-generaal van Binnenlandse Zaken van de Verenigde Nederlanden aan die van de onderscheidene departementen om in hun gewesten te zorgen voor de getrouwe waarneming van de zonen feestdagen.

Gevolg hiervan was dat in sommige plaatsen van ons land aan de wens van de koning ten spoedigste werd voldaan. Zo vaardigde de commissarisgeneraal van het departement Boven-IJssel, W.H.A.C. baron van Heeckeren van Kell (1774-1847), op 1 januari 1814 een proclamatie inzake de eerbiediging van de zondag uit die met de vroegere plakkaten grote overeenkomst vertoonde. De aanhef van deze proclamatie luidde: “Het is op Zijne”, namelijk koning Willem, “uitdrukkelijke begeerte dat wij - in navolging van de instellingen van onze godsdienstige voorgangers - bij dezen willen hebben voorzien tegen de ontheiliging van de dag des Heeren en nu voortaan gelasten dat op alle zon- en feestdagen, bijzonder gedurende de tijd van de godsdienstoefeningen, alle beroepen, bezigheid en openbare vermaken zullen stilstaan.” 7 Evenals in de vroegere plakkaten werd het verboden om “onder kerktijd markt te houden, winkels te openen, koopmanschap te drijven op straffe van vier daalders voor elke partij die contracten aangegaan of winkels geopend” had. Ook mochten in die tijd geen gelagen worden gezet voor anderen dan voor reizigers “op straffe van vier daalders voor de herbergiers en twee daalders voor de bezoekers.” Uiterlijk handwerk was gedurende de gehele zondag “op straffe van twee daalders verboden.” 8

Ook kwam er een bepaling in voor betreffende het inhalen van het koren bij ongunstige weersgesteldheid. Dit mocht alleen geschieden nadat daartoe aan de plaatselijke overheid verlof gevraagd was en verkregen was.

Algemene Zondagswet van 1815

Er was echter geen algemeen geldende regeling inzake de eerbiediging van Gods dag. In de ene provincie en in de ene gemeente was de regeling weer anders dan in de andere provincie en gemeente, wat tot allerlei moeilijkheden aanleiding gaf. Dit leidde ertoe dat de regering de noodzakelijkheid ervan ging inzien een regeling te ontwerpen die voor het gehele land zou gelden. Zulk een regeling werd door de koning eerst aan België gegeven en wel op de 1 oktober 1814. Op 1 maart 1815 kreeg Nederland een Zondagswet, die over het algemeen genomen uitgebreider en strenger was dan de Belgische. Ook de aanhef van de twee wetten was anders. Terwijl in de wet van 1 maart 1815 werd gesteld dat zij bedoelde om ‘op het voetspoor van onze godsdienstige voorvaderen (…) de plichtmatige viering van de dag des Heeren en andere dagen, de openbare Christelijke godsdienst toegewijd, door eenparige en voor de gehele uitgestrektheid van de Verenigde Nederlanden algemeen werkende maatregelen te verzekeren’, kwam in de Belgische wet de term ‘op het voetspoor van onze godsdienstige voorvaderen’ niet voor. 9

Protestants karakter

In vele opzichten kwam de Zondagswet van 1 maart 1815 dan ook wel overeen met de vroegere plakkaten, al waren deze nog uitgebreider. Zij voldeed echter niet geheel aan de eisen die aan zulk een wet op grond van het vierde gebod van de Wet des Heeren behoren te worden gesteld. Wel droeg zij een beslist protestants karakter. De feestdagen die er in werden genoemd, waren de algemeen erkende Christelijke feestdagen. Met specifieke roomse feestdagen werd dus geen rekening gehouden, wat begrijpelijk rome nooit naar de zin is geweest. Van die zijde had men de roomse feestdagen zoals ‘Maria ten hemelopneming’ (15 augustus) en ‘Allerheiligen’ (1 november) graag in de wet van 1815 gelijkgesteld gezien met de Kerst-, Paas- en Pinksterdagen.

Dit bleek wel toen in 1930 de Winkelsluitingswet aan de orde kwam. In het ontwerp van deze wet werden namelijk de beide genoemde roomse heiligendagen op één lijn gesteld met de zondag, doordat evenals voor de zondag de winkelsluiting ook voor de genoemde dagen zou moeten gelden. De SGP-Kamerleden hebben zich daartegen toen ten sterkste verzet. Zij dienden een viertal amendementen in op artikel 4 van dat wetsontwerp, onder meer om de roomse heiligendagen daaruit te lichten. Een heftige bestrijding viel hun daarvoor van roomse zijde ten deel. Helaas kregen zij noch van de antirevolutionairen noch van de Christelijk-historischen steun, zodat hun verzet niet tot het zozeer gewenste resultaat leidde, daar ook van de zogenaamde linkerzijde niet de minste bijval verkregen werd. (…) Bij de stemming over het amendement dat gericht was tegen de gelijkstelling van roomse heiligendagen met de zondag, kreeg de SGP-fractie slechts de steun van één Kamerlid, namelijk van ds. C.A. Lingbeek (1867-1939), die destijds de Hervormd Gereformeerde Staatspartij (HGS) vertegenwoordigde.

Niet gehandhaafd

Terugkerend tot de Zondagswet van 1815, zij vermeld dat gedurende de eerste tientallen jaren na haar totstandkoming maar weinig klachten over haar werden vernomen. Omstreeks 1860 echter werd dit anders. Herhaaldelijk werd in de Staten-Generaal op intrekking of herziening ervan aangedrongen, enerzijds omdat de vervolgingen wegens overtreding van de wet vermeerderden, en anderzijds omdat de rechters de wet tot een bespotting maakten door het opleggen van zeer lage boeten, tot zelfs van 10 cent! Anderen waren er die de Zondagswet in strijd achtten met de geest van de latere staatsregeling waarbij vrijheid van godsdienst werd gewaarborgd. De toenmalige regering [van conservatieven en gematigde liberalen; red.] voelde er echter blijkbaar niet voor om de Zondagswet in te trekken. Zij was van oordeel dat handhaving met een matige toepassing het beste standpunt was. Ook volgende regeringen kwamen er niet toe de wet in te trekken, hoewel verscheidene liberale ministers meermalen te kennen gaven dat de wet van 1815 een ongeoorloofde inbreuk op de vrijheid maakte en niet uitvoerbaar was.

Grote verwachting hadden velen met het oog op de naleving van de Zondagswet van 1815 toen het coalitiekabinet-Kuyper in 1901 tot stand kwam. Het liep hiermede echter op een grote teleurstelling uit. Ook bracht dit kabinet geen nieuwe Zondagswet die beter aan de Wet Gods beantwoordde. Later, omstreeks 1920, werd door het kabinet-Ruys de Beerenbrouck wel een wetsontwerp voor een nieuwe Zondagswet ingediend, maar dit bracht het nooit tot wet. Inmiddels werd de Zondagswet van 1815 dagelijks ongestraft overtreden, zodat de eerbied voor deze wet sterk ondermijnd werd.

Zondagswet van 1953

Het duurde echter nog verscheidene jaren aleer er een nieuwe Zondagswet tot stand kwam. Dit geschiedde in 1953. Het was echter een wet die uit het oogpunt van het beginsel niet beter, maar veeleer slechter was dan die van 1815. Het desbetreffende wetsontwerp werd door de Tweede Kamer met 60 tegen 24 stemmen 10 en door de Eerste Kamer zonder hoofdelijke stemming aangenomen. (…) Dit wetsontwerp (…) was voor de SGP-Kamerleden een grote teleurstelling. Het stond namelijk niet op de basis van het vierde gebod van de Wet Gods, maar op de basis van de volkswil. Het droeg derhalve een zuiver revolutionair karakter. Dit bleek duidelijk uit de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp. Hierin toch werd van regeringszijde het volgende verklaard:

“Intussen kan zulks in het huidige tijdsbestek niet leiden tot het geheel doen stilstaan van het openbare leven, terwijl mede in aanmerking moet worden genomen dat velen (…) de zondag thans een andere bestemming geven dan die van een Godgewijde en geheiligde dag. Bij het treffen van zijn maatregelen ter bescherming van het Christelijk karakter van de zondag kan de wetgever deze ontwikkeling van het gemeenschapsleven niet negeren, doch zal hij daarmede rekening moeten houden. Gelet op het vorenstaande is het al aanstonds duidelijk dat de huidige wetgever tegenover sportbeoefening op zondag niet dezelfde houding kan aannemen als de oude wet, welke in artikel 3 bepaalt dat gedurende de tijd voor openbare godsdienstoefeningen bestemd, generhande spelen, hetzij golven, balslaan of dergelijke, mogen plaatshebben.” 11

In de Memorie van Antwoord op het Voorlopig Verslag merkte de regering voorts op dat “een meer stringente regeling” evenwel “door andere bevolkingsgroepen onaanvaardbaar” zou worden geacht en dat de overheid ook met “de laatstbedoelde zienswijze” rekening moet houden. 12

Uit het bovenstaande blijkt wel zeer duidelijk dat de regering, van wie dit wetsontwerp uitging, zich in plaats van op de grondslag van Gods Wet, op die van de volksmenigte stelde. Zodoende kon er van de heiliging van de dag des Heeren in dit wetsontwerp geen sprake zijn.

Gods toorn en oordelen te verwachten

De SGP-Kamerleden konden dan ook [met het wetsontwerp van 1953] onmogelijk hun instemming betuigen. Het was ds. P. Zandt die hun bezwaren tegen het ontwerp vertolkte in een uitvoerige rede, waaruit wij een gedeelte willen weergeven. Ds. Zandt dan sprak als volgt:

“De huidige wetgever verklaart zich onmachtig te zijn om omtrent de heiliging van Gods dag maatregelen te treffen, maar geeft voor in elk geval de rust op die dag te willen bevorderen. Doch dit is veel meer schijn dan werkelijkheid. Zelfs wordt het tegendeel ons in de wetgeving geboden. Daarin wordt de schending van de rust in sterke mate bevorderd, als daarin niet alleen wordt toegestaan dat er sport en spel, allerlei sportwedstrijden en vermakelijkheden op des Heeren dag kunnen plaatsvinden, maar deze ook daarin zelfs nadrukkelijk beschermd en gewettigd worden. De heiliging van Gods dag, nee, deze acht de regering niet met haar maatregelen te kunnen beschermen en te doen eerbiedigen, maar wel acht zij zich in staat om sport en spel en allerlei vermakelijkheden te beschermen en wettig te sanctioneren, aldus eerbied betuigend aan de sportvergoding van deze tijd. Naar Gods gebod wordt niet gehandeld, maar wel worden de lusten en zinnen van mensen gediend.

Arm Nederland, waarin zulk een jammerlijke Zondagswet wellicht ingevoerd zal worden! Hoe staan ons nog de zo vele grotere en zwaardere oordelen Gods te wachten. De acta van de oude Christelijke kerk en die van de Reformatie spraken geen ijdele, zinloze taal als daarin verklaard werd dat de overheid over zichzelf en haar onderdanen Gods toorn en oordelen brengt als zij de dag des Heeren niet zou eerbiedigen. En dat doet de regering niet, waarom naar de uitspraken van die synodes zwaardere oordelen te wachten zijn. (…).” 13

Somber Christendom?

Het was (…) het roomse Tweede Kamerlid de heer J.H.J. Maenen (1903-1979), die in zijn rede het volgende aan het adres van ds. Zandt opmerkte:

“Ik heb vooral behoefte iets te zeggen, nadat ik gisteren heb geluisterd met verbazing, soms met geamuseerdheid, naar de redevoering van de geachte afgevaardigde de heer Zandt. Het zal uit mijn rede wel gebleken zijn dat ik nogal veraf sta van het ‘sombere Christendom’ dat ons gisteren door de heer Zandt is voorgehouden.” 14

Ds. Zandt liet [het woord van] de heer Maenen niet onbeantwoord. Aangezien het voor de jongeren onder ons van groot belang is om van deze beantwoording kennis te nemen, laten wij hieronder het gedeelte volgen van de rede van ds. Zandt dat daarop betrekking heeft. Ds. Zandt sprak als volgt:

“Ik zou voorts nog iets willen zeggen over dat ‘sombere Christendom’ dat de heer Maenen met betrekking tot ons naar voren heeft gebracht. Aan zulke uitdrukkingen zijn wij gewend. Reeds Plinius heeft zich eertijds over de oude Christenen uitgelaten op een wijze die sterk aan de uitlating van de heer Maenen herinnert. En ook van roomse zijde heeft men menigmaal min of meer smalend over dat ‘sombere Christendom’ van de Reformatie gesproken. De geachte afgevaardigde de heer Maenen heeft hier bovendien de kwestie van de onkerkelijkheid bij ter sprake gebracht en heeft gezegd dat dit zogenaamde ‘sombere Christendom’ de onkerkelijkheid in de hand werkt. Gelukkig zijn de feiten totaal anders. In de kringen waar dat door de heer Maenen zogenoemde ‘sombere Christendom’ wordt gevonden, zijn de kerken ’s morgens en ’s middags vrijwel altijd gevuld. In die kringen worden er altijd nog mensen gevonden die ’s morgens en ’s middags, ondanks het feit dat zij in de week veelal hard moeten werken, de kerk bezoeken, onder wie er zijn die soms het David kunnen nazeggen: ‘Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen! Mijn ziel is begerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des HEEREN. (…) Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders’ (Ps. 84:2-3a, 11a). Mensen die onder de prediking van het Woord kracht, sterkte, vertroosting en vermaak, dat allesbehalve somber is, mogen opdoen. In die kringen gaat men ’s morgens en ’s middags ter kerke en bovendien komt men daarin nog weleens ’s avonds in gezelschappen, zogenaamde conventikels, bijeen. Zelf heb ik daarin met stichting en genoegen mogen verkeren en daar een vermaak gekend dat geenszins somber was. In die gezelschappen was het een vaste regel dat er nooit over andere mensen gesproken werd. Smalend spreken werd daar ook nooit gehoord. Ook heb ik uit die kringen, waarin ik vaak met arbeiders verkeerd heb, mensen gekend die op hun sterfbed juichend zijn heengegaan, voor wie de dood verslonden was tot overwinning. Dit is wel heel iets anders dan somberheid! (…)” 15

Hiermee zullen wij [de behandeling van] artikel 4a, dat betrekking heeft op de heiliging van Gods dag en op het strafbaar stellen van de ontheiliging daarvan, besluiten.”


Noten:

1) Zie: In het spoor, julinummer 2016, p. 181-191

2) Dit gedeelte van de toelichting van ir. C.N. van Dis sr. is opgenomen in De Banier van 5 mei 1966, 12 mei 1966 en 19 mei 1966.

3) Een houten vogel wordt boven op een hoge paal of boom geplaatst. De bedoeling is dat deze vogel eraf wordt geschoten. Dit kan met een handboog, een kruisboog, een windbuks of een ander vuurwapen gebeuren.

4) Volksvermaak waarbij de spelers lopend of varend of te paard, in een wagen of op schaatsen rijdend de met vet besmeerde kop van een aan de poten opgehangen gans zoeken af te trekken.

5) C. Eubulus, De pointen van nodige reformatie omtrent de kerk, en kerkelijke, en belijders der Gereformeerde Kerke van Nederlandt, Rotterdam 1678, p. 300-304

6) Geciteerd bij: J.Th. de Visser, Kerk en Staat, dl. 3, Leiden z.j., p. 557-558 (herspeld). Hierna: De Visser

7) Geciteerd bij: De Visser, p. 559

8) De Visser, p. 559

9) De Visser, p. 562

10) Toen telde de Tweede Kamer nog 100 Kamerzetels.

11) Voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag, zitting 1950-1951, nr. 2176, Memorie van Toelichting, no. 3, p. 1

12) Voorschriften ter wegneming van beletselen voor de viering van en ter verzekering van de openbare rust op de Zondag, zitting 1952-1953, nr. 2176, Memorie van Antwoord, no. 6, p. 1

13) Handelingen Tweede Kamer, 19 maart 1953, p. 2491 (herspeld)

14) Handelingen Tweede Kamer, 20 maart 1953, p. 2509 (herspeld)

15) Handelingen Tweede Kamer, 20 maart 1953, p. 2512 (herspeld)

Fotoverantwoording:

a) Foto Stokvis, collectie Haags Gemeentearchief.

b) Op deze illustratie berust copyright.

c) KDC Nijmegen, foto K. Helmers


Christelijke huishouding - deel 5

Er wordt momenteel hard gewerkt aan de uitgave van het vijfde en tegelijk het laatste deel van de Christelijke huishouding van ds. Petrus Wittewrongel. Naar we hopen zal dit laatste deel Deo volente in december dit jaar verschijnen en ook nog dit jaar naar alle intekenaars verzonden worden.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

In het spoor | 68 Pagina's

Zondagsrust en Zondagsheiliging -22-

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 oktober 2016

In het spoor | 68 Pagina's