Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Een Grondig Bewijs Tegen de Publieke Godsdienstvrijheid -3-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Grondig Bewijs Tegen de Publieke Godsdienstvrijheid -3-

19 minuten leestijd

In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen hoe ds. Maximiliaen Teellinck (ca. 1606-1653) uitvoerig en helder uit Gods Woord bewees dat overheden geenszins in het openbaar de uitoefening van afgoderij en valse godsdiensten mogen toelaten, dat kerkelijke synoden op handhaving van dit verbod hebben aangedrongen en dat Christelijke overheden, bijvoorbeeld de Christenkeizers, dit ook daadwerkelijk gehandhaafd hebben. In het volgende, hieronder afgedrukte gedeelte van zijn werkje voert ds. Teellinck tegen het publiek toelaten van de roomse godsdienst nog een vierde (het strijdt tegen de leefwijze en regels van de roomsen zelf) en vijfde argument (het strijdt tegen de stabiliteit van de staat) aan. Tolle lege, neem en lees!

Ter opfrissing van het geheugen vermelden we opnieuw dat deze argumenten komen uit het door ds. Teellinck eerst in 1636 en vervolgens in 1648 als herdruk uitgegeven werkje van circa 80 pagina’s dat als veelzeggende titel had: Een grondig bewijs dat het een Christelijke overheid ongeoorloofd is om in plaatsen waarover zij heerschappij heeft, de roomse superstities en afgoderijen toe te laten. En daarom dat de tegenwoordige reformatie door haar Hoge Mogendheid in het werk gesteld in de Meierij van Den Bosch, Baronie van Breda enz. is overeenkomstig Gods Woord en dat deze daarom door de roomsgezinden en vele libertijnse Christenen zonder reden wordt tegengesproken. Om de drempel voor het kennisnemen van zijn op zich helder betoog te verlagen publiceren we het in herspelde vorm (met dank aan dr. J.A. Bunt), waarbij tevens tussenkopjes zijn toegevoegd.

Door het lezen van Teellincks betoog mocht eenieder ervan overtuigd worden dat het publiek toelaten van valse godsdienstoefeningen en het handhaven van Gods Woord en Wet twee zaken zijn die niet tezamen kunnen gaan (met ‘publiek toelaten’ bedoelen wij hier en bedoelde ook ds. Teellinck: toelaten buiten de beslotenheid van het huisgezin). 2 Wie het publiek toelaten van valse godsdienstoefeningen voorstaat, handhaaft Gods Wet niet en wijkt wezenlijk af van de Drie Formulieren van Enigheid. Die helderheid biedt het geschrift van ds. Teellinck. Het is onze wens dat ook de SGP dit weer helder gaat verwoorden, gelijk eertijds geschiedde ten tijde van ds. G.H. Kersten, ds. P. Zandt en ir. C.N. van Dis sr.

Redactie

Vierde reden

Het publiekelijk toelaten van de roomse afgodische godsdienst “strijdt ook”, zo betoogt ds. Teellinck, “tegen de uitgangspunten 3 en regels van de roomsen 4 zelf, want zij stellen 5 dat het geenszins kan bestaan dat men de roomse 6 en gereformeerde religie tezamen zou dulden en handhaven. Want zij zeggen: ‘fieri non potest, ex institutis Politicis, ut tam disparis sententie Cultores, commode eadem Societate Civili contineantur7 , dat is: ‘Het kan niet bestaan dat aanhangers van zulk een verschillende religie bekwaam in een burgerij zouden verenigd worden.’ En daarom is het ook dat zij de gereformeerde religie overal uitroeien en nergens willen toelaten dan alleen waar zij die niet weren kunnen, gelijk zij in het innemen van Limburg, Breda, Venlo, Roermond en andere plaatsen getoond hebben. Daar hebben zij de gereformeerde religie met de predikanten niet willen dulden op gelijke voet als men hun afgoderij en vermeende 8 geestelijke personen duldt in de nieuw ingenomen 9 steden, alhoewel zij vals roemen ‘gelijke politieke welwillendheid 10 en goede begunstiging 11 aan die van de gereformeerde religie te betonen’ 12 , maar zij hebben die uitgeroeid en verdreven.

Ja, Martinus Becanus (1563-1624), een jezuïet uit Mainz, zegt in zijn Disputatio theologica de fide haereticis servanda:

“Dat die vrijheid waarin de mens wordt toegelaten te zijn een katholiek, een lutheraan of een calvinist ten enenmale ongeoorloofd is, strijdig tegen Gods Woord. En dat zulks niet mag worden toegestaan dan voor een korte tijd om een groter kwaad te voorkomen, welke vrijheid men daarna moet afschaffen, al heeft men het tegenovergestelde onder ede beloofd”. 13

Dit wordt door een andere jezuïet, Jakobus Simancha 14 , bevestigd 15 . Zodat de roomsen zelf oordelen dat twee verschillende religies toe te laten, niet kan bestaan. Bellarminus 16 zegt: ‘Non licet ulli Magistratui, vel Principi, consciëntiae libertatem, seu pacem religionis, subditis suis concedere: Sed unam tantum religionem, summa vi defendere tenetur’ 17 , dat is: ‘het is een magistraat of heerser niet geoorloofd aan zijn onderdanen vrijheid van godsdienst toe te kennen, maar er is slechts één religie die hij krachtig moet verdedigen.’ Een zekere jezuïet leert dit niet alleen, maar geeft ook verscheidene redenen op waarom niet twee religies in een staat mogen toegelaten worden. ‘Zo is het’, zegt hij,

‘een duivelse vond, tegen Gods Wet, strijdig met de wet van de natuur en tegen het wezen 18 van het Christelijk geloof. Het neemt weg de zekerheid van de Christelijke religie, van de ware godsdienst en van de Christelijke tucht. Het snijdt 19 in tweeën de eenheid van de kerk. Het strijdt tegen de praktijk van de oude 20 kerk en de autoriteit van de oudvaders en tegen de wetten van Christelijke keizers. En ten slotte wekt het Gods toorn op tegen de auteurs daarvan.’

Hier moeten alle Christelijk gereformeerde overheden van de roomsen leren. En roomsen moeten er geen bezwaar tegen hebben dat de staten hun afgoderij onder zich weigeren toe te laten, daar dit geschiedt overeenkomstig hun eigen leer en voorbeeld. Daarom, wat zij zelf niet willen toestaan aan anderen, moeten zij zelf niet begeren, daar het veel meer tezamen passend 21 is dat zij de gereformeerde religie onder zich toelaten dan dat de roomse onder ons toegestaan wordt, zoals wij hierna zullen bewijzen.”

Vijfde reden

Het publiekelijk toelaten van de roomse afgodische godsdienst is strijdig met verschillende staatkundige belangen 22 . Het is:

a. Strijdig met het behoud van de staat 23

“Want de roomse religie is geheel 23 tegen de waarheid, vol van valse gronden, bijgelovigheden, nieuwe verzinsels 24 , godslasteringen, vol van ontrouw tegenover God en alle wettige overheden, geheel 25 tegengesteld aan de ware leer en de rechte dienst die wij aan God schuldig zijn. Welnu, die met openbare autoriteit toe te laten, is een verachting van God en de waarheid. Daarom kan zo’n staat niet lang bestaan: Die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden (1 Sam. 2:30). En zo wordt ook getuigd dat de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerech-tigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden (Rom. 1:18). Hetwelk in hoge mate geschiedt, wanneer de afgodische roomse superstities openlijk worden toegelaten, want dat is anders niet dan een deel onkruid te zaaien onder het goede zaad, waardoor het verstikt wordt. Dat is anders niet dan een steen des aanstoots te leggen, opdat de zwakken en eenvoudigen daarover zouden vallen en zo schipbreuk lijden in hun geloof, waarover de Heere een vloek uitspreekt, zeggende: Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen. En al het volk zal zeggen: Amen (Deut. 27:18). Dat is anders niet dan de voetstappen van Jeróbeam na te volgen die de twee gouden kalveren te Bethel en te Dan oprichtte (1 Kon. 12:29) om Israël daardoor af te trekken van de ware godsdienst, en het volk, zo hij meende, des te vaster aan zich te verbinden. Dit strekte eindelijk tot ondergang 26 van zijn huis en van geheel Israël, volgens de profetie van Ahía die tot hem zeide: Gij zijt heengegaan en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen; daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jeróbeam brengen (1 Kon. 14:9b-10a).

Gelijk de profeet ook zei tot koning Amázia, die na een voortreffelijke overwinning die hem de Heere over zijn vijanden gegeven had, de afgodendienst in Juda 27 liet oprichten: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand? (2 Kron. 25:15b). En toen de koning die bestraffing niet goed opnam, kreeg hij ten antwoord van de profeet: Ik merk dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan en naar mijn raad niet gehoord hebt (2 Kron. 25:16b).

Gelijk de Heere ook zonder enige uitzondering 28 te allen tijde zijn volk verdorven, hun steden laten innemen, hun vijanden de overwinning over hen gegeven, de pestilentie onder hen gezonden en scheuringen onder hen gebracht heeft, wanneer zij de afgoderij onder zich hebben toegelaten. Welke gevolgen 29 nog niet zullen ophouden, wanneer dezelfde oorzaken voortgaan. Want bij God is geen schaduw van verandering, Zijn rechtvaardigheid is dezelfde zoals ze altijd geweest is.

En daarom, gelijk God Sálomo zeer zwaar gestraft heeft, omdat hij als hij door zijn vrouwen verleid was, hun afgoderij duldde (1 Kon. 11:4-12), zo zal het met ons ook gaan, als wij zo’n kwaad doen. Zo zullen wij altijd daardoor benemen alle vrucht en bekering van die mensen. Gelijk blijkt te Maastricht en elders, waar de afgodendienst en roomse geestelijkheid ingelaten is, hoe kleine vruchten daar verkregen worden. Hadden onze voorouders zo te werk gegaan, er zouden zulke gereformeerde steden in ons land niet zijn als er door Gods zegen nu zijn.

b. Strijdig met de eenheid van de staat

Want de verscheidenheid van religie kan niet dan verscheidenheid van gemoederen baren. Gelijk Cicero 30 zegt: ‘De religie, als die eens veranderd is, zo zal de verwarring en verdeeldheid van het burgerlijke leven welhaast volgen’. 31 Daarom was er een wet ‘dat niemand enige vreemde goden mocht inbrengen, opdat er geen onenigheid in de gemoederen daardoor zou ontstaan’. 32

Daaruit dan rijzen onrusten 33 , oproeren, muiterij 34 , bloedbaden 35 , binnenlandse oorlogen, grote verbittering, gelijk wij in onze tijd door de tweespalten in de religie 36 maar al te veel zijn gewaar geworden. En nog maar al te veel blijkt in die nieuw ingenomen steden 37 waar de een tegen de ander is, waar men elkander lastert en waar de een de ander de penning niet wil gunnen. Men maakt zo een staat in een staat, een lichaam in een lichaam.

Dit gebeurde ook ten tijde van Sálomo om het openbaar toelaten van de afgoderij ten gunste 38 van zijn vrouwen, als de HEERE hem een tegenpartijder verwekte, Hadad, den Edomiet (1 Kon. 11:14), door wie het Rijk gescheurd werd en eindelijk kwam te vervallen. Want een ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, zal, volgens Christus’ getuigenis, niet bestaan, maar verwoest worden (Matth. 12:25). Gelijk het de roomse geestelijkheid ook wel weet. Daarom voedt zij in alle plaatsen die onenigheid om door de val van anderen zelf groter te worden.”

c. Strijdig met de stabiliteit van de staat

Het publiek toelaten van de roomse godsdienst strijdt ook “tegen de vastigheid en zekerheid van de staat”, en dat in verschillende opzichten:

Ten eerste vanwege de eed van de roomsen

“Omdat de personen die het beleid maken en de hoofden zijn van die religie, zich door de hoogste eed verbonden hebben aan een uitheems hoofd en prins, de paus van rome. Volgens hun leer moeten zij hem boven alle prinsen en vorsten van de wereld gehoorzamen, al hadden zij het tegendeel 39 aan enige overheden gezworen. Want geen eden kunnen gelden tegen de gehoorzaamheid die zij hem schuldig zijn. Bellarminus leert in een traktaatje ‘dat hun geestelijkheid door geen werelds rechter mag geoordeeld worden, al is het dat zij politieke wetten overtreden. En dat de prinsen ten aanzien van de geestelijkheid geen soevereine heren zijn’. 40 Een ander, Emanuel Sa, zegt in enige kernspreuken 41 die hij gemaakt heeft: ‘Clerici rebellio in Regem, non est Crimen lesae Majestatis, quia non est subditus regis’, dat is, ‘de rebellie van een geestelijk persoon, is geen verraad tegen de koning of de prins, omdat hij zijn onderdaan niet is’. Naar deze leer zijn zij omwille van die eed verbonden om - als de paus dit maar goedvindt - samen te zweren 42 tegen de staat, steden te verraden, prinsen te vermoorden en om te brengen. Ja, al gebiedt hij dit niet, zo brengt hun leer dat mee, want Bellarminus zegt ‘dat het voor Christenen’, waarmee de roomsen zichzelf bedoelen 43 , ‘niet geoorloofd is om een koning of overheid te verdragen die een ongelovige of ketter is’, waarvoor zij onze overheden houden. 44 Welke leer zij ook te allen tijde hebben gezocht in het werk te stellen, zoals blijkt uit het vermoorden van prins Willem (1533-1584), zaliger gedachtenis, van Hendrik III en Hendrik IV (omdat hij maar scheen de ketters, waarvoor zij ons houden, enige gunst te willen bewijzen). En zoals ook blijkt uit al de verraderijen die zij zo menigmaal hebben aangelegd tegen koningin Elisabeth I (1533-1603), tegen al de adel van Engeland in het Buskruitverraad 45 , tegen Zijne Excellentie prins Maurits (1567-1625), zaliger gedachtenis, tegen onze overleden doorluchtige prins 46 , wanneer hij nog jong was en ook wel daarna, gelijk dikwijls berichten 47 daarvan ontvangen zijn. Verder leert ook de dagelijkse ervaring dat deze hoofden [van de roomse religie; red.], die na enige jaren grote vrijheid gehad hebben om door ons land te trekken, overal dit de onderdanen indrukken:

‘Dat de staten van dit land niet anders zijn dan gewelddadige heren die als rebellen de regering onwettig bezitten, ja, de koning zijn land dieflijk onthouden om zichzelf slechts rijk te maken en de gemeenten uit te zuigen 48 . Dat de koning van Spanje is onze wettige prins en dat daarom allen hem daarvoor behoorden te erkennen en bijtijds daarnaar te trachten, om zijn gunst 49 te verkrijgen en met hem te verenigen eer hij door zijn grote macht de landen moge overmeesteren.’

Deze boze en oproerige voorstellingen van zaken 50 hebben zij zover weten smakelijk te maken dat zelfs enige aanzienlijke personen hen hierin begonnen te helpen door zulke voorstellingen van zaken 51 - tegen zichzelf - te voeren, ja, nog voeren, niettegenstaande de koning ons voor vrije landen verklaard heeft. Zij geven voor dat hij dit alleen uit dwang gedaan heeft, dat het land hem toekomt, dat zijn nazaten altijd zijn akkoord kunnen herroepen en deze vrede niet langer zal duren dan deze koning leeft. Waartoe strekt dit alles anders dan om te veroordelen al de handelingen van onze zalige voorouders? Dan om ons schuldig te maken aan al dat bloed dat vergoten is gedurende de oorlog? Dan om ons tot het besluit 52 te brengen om onszelf over te geven aan de genade en ongenade van zo’n ongenadige prins als de koning van Spanje zich tegen de Nederlanden getoond heeft (alhoewel hij nu mooi weet te praten 53 en zich zeer barmhartig vertoont). Om de goede ingezetenen op te hitsen tegen hun wettige overheden, onwillig te maken om die lasten te dragen die tot bescherming van onze vrijheid nodig zijn? Om de jeugd 54 deze aangenomen denkbeelden 55 in te planten, opdat zij, als zij oud geworden zijn, dit als van hun ouders gehoord hebbend, geloven zouden en dan des te lichter komen om zich over te geven aan hun vijand? Maar als die meester geworden is, zal hij niet nalaten hun vrouwen en dochters te schenden, hen van goederen te beroven en hen tot slaven te maken om in zijn mijnen te werken, zoals hij voor dezen gedaan heeft.

De roomsen zijn ons tegen

Wie ziet niet in dat openbare vrijheid te geven aan dezulken grotelijks zou strekken en reeds strekt om ons lieve vaderland in de grootste ellende 56 te brengen, gelijk het in het begin van de troebelen door de nieuwe bisschoppen en andere vermeende 57 geestelijke personen gebracht was. Want hoe zullen deze adders, als wij die in onze boezem doen, ons niet uiteindelijk het hart ontnemen 58 ? Zij liggen en loeren daarop slechts. Want hoewel zij die dit graag zagen en uitwerkten, hun vrienden en maagden, hun middelen en goederen in dit land hebben, ja, met ede verbonden zijn het land houw en trouw te zijn, de welstand daarvan te zoeken en het kwade te helpen weren, toch wensen zij ons kwalijk. Ja, zij hebben op hun manier vastendagen gehouden en in ons eigen land openlijk gebeden tegen het welvaren van de staat en tegen de overwinningen van Zijne Hoogheid. Zij waren verheugd als het ons kwalijk ging, beschimpten en bespotten de goede ingezetenen, ja, Zijne Hoogheid zelfs, als de ontworpen plannen 59 zo gelukkig niet uitvielen als te wensen was. Daarom, als iemand zich inbeelt dat zij door de vrede beter geworden zijn, nu meer toegenegenheid 60 tot de overheden hebben en minder tot de koning van Spanje dan voorheen, of dat zij hem nu niet meer achten voor hun wettige heer, die bedriegt zichzelf. Datgene is nog zo diep in hun hart geworteld als ooit. Zij verblijden zich alleen over de vrede omdat zij die aanzien als een beter middel om de koning van Spanje naar verloop van tijd 61 aan zijn land te helpen dan door de oorlog.

Hoezeer zullen dezen ook niet, als de gelegenheid zich voordoet 62 , helpen bevorderen waar zij zo naar verlangen. Hoe meer dat er dan van dezulken worden ingelaten, hoe losser dat onze staat gemaakt wordt. Ja, het is te vrezen dat zij, omdat zij voortdurend waken tegen deze staat en wij hen al te veel vertrouwen, al eerder dan men wel meent de ondergang 63 van onze staat zullen veroorzaken en dan niemand zullen ontzien, zelfs niet die hen nu als een Trojaans paard inhalen, hoe goede gezindheid 64 zij die ook tonen.

Ten tweede ontneemt het ons alle zegen

Zo is het dat die toelating en vrijheid die men aan de pausgezinden nu en dan vergund heeft in de steden die wij met onze wapenen ingenomen hadden, ervoor gezorgd heeft dat de soldaten met zulk een moed 65 en vertrouwen niet gevochten hebben als zij wel plegen te doen. En dat de ingezetenen zo vurig niet gebeden hebben om de overwinning, daar zij zagen dat die niet werd aangelegd om in die plaatsen alleen de zuivere godsdienst op te richten, maar om de roomse 66 geestelijkheid aldaar in hun fleur 67 te laten zitten, als adders in onze boezem, ten spijt van God en de goeden. Daaruit is ook ontstaan dat onze legers jaar op jaar niets hebben uitgericht, hoewel wij met krijgsmacht uit Duitsland aanmerkelijk versterkt waren. Dat God enige van die steden ons wederom met smaad heeft laten ontnemen door de hulp van de pausgezinden die daarin waren. En dat men ook aldaar geen zegen ziet tot voortplanting van het zuivere Evangelie als wel gezien is in andere plaatsen waar de reformatie behartigd is. En zo men nog wil voortgaan om in enige kwartieren de roomse leer te dulden, dat zal de vromen doen zuchten, de kwaden verblijden, de overheden doen gelasterd worden alsof zij als libertijnen er niet naar vroegen wat religie zij voorstonden. Dat zal de gemoederen allengskens vervoeren van de wettige overheden naar de koning van Spanje, de mensen de ware religie niet doen achten, daardoor goddeloos worden en zo Gods toorn tegen ons land ontsteken zoals tegen Israël en Juda, wanneer die de afgoderij onder zich hebben laten inkruipen.

Maar wij hebben een beter vertrouwen in onze hoge overheid. De bewijzen 68 getuigen ook anders. De reformatie in de Meierij stelt de goeden gerust en ontneemt de pausgezinden de hoop om ooit tot hun doel 69 te komen. God make onze overheden hierin onveranderlijk enz.

Ten besluite

Om al deze redenen concluderen wij dat het niet kan bestaan om de roomse superstities te dulden of openlijk onder een gereformeerde overheid toe te laten waar zij absoluut meester zijn. En daarom ook nergens in ons land waar de Staten soeverein zijn, hetzij in de Meierij, de Baronie enz. of waar het ook zou mogen zijn. Daar het strijdt tegen Gods Woord, de concilies, keizerlijke, ja, tegen onze eigen wetten, tegen de behoudenis en vastigheid van de staat.”

(wordt Deo volente vervolgd)


Noten:

1) Zie: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 253-258 en decembernummer 2016, p. 298-303

2) De gedachte “dat islamitische gebedshuizen bij het privé domein horen en daarom een plek mogen hebben” in de publieke ruimte, is geheel in strijd met artikel 36 NGB. Helaas neemt mr. D.J.H. van Dijk geen afstand van deze gedachte. Zie: P.H. de Jong en E. Sloot, ‘Tegen megamoskeeën’, in: ND, 14 januari 2017.

3) maximen

4) Papisten: hier en verder vervangen door roomsen.

5) sustineren

6) paepsche

7) West., lib.3, cap.14, p. 198

8) gepretendeerde

9) geconquesteerde; op de Spanjaarden veroverd.

10) discretie

11) faveur

12) In de req. van Wesel

13) Martinus Becanus, Disputatio theologica de fide haereticis servanda, Mentz 1607, hfdst. 10, p. 88

14) Jakobus Simancha, Episcopus Pacensis, de Carolo. institut., hfdst. 46

15) affirmeert

16) Robertus Bellarminus (1542-1621) was een Italiaanse jezuïet, theoloog en kardinaal, die vooral bekend is als polemist tegen de Reformatie.

17) In lib. de laicis, caput 28, Possevin 1 select Biblioth.

18) substantie

19) ontween

20) primitive

21) compatibel

22) strijt tegens verscheyden redenen van staet

23) t’ eenegaer

24) inventien

25) t’ eenegaer

26) ruïne

27) Teellinck heeft hier: Israël

28) exceptie

29) effecten

30) Marcus Tullius Cicero (106-43 v.Chr.) was een Romeins redenaar, politicus, advocaat en filosoof.

31) Cicero, Act. 6. in verron

32) inter. leg. 12. tab.

33) timmulten

34) seditien; ook rebellie

35) massacren

36) Onder andere door de remonstranten, die uiteindelijk door de Synode van Dordt (1618-1619) veroordeeld zijn.

37) In 1632 werden de steden Roermond, Venlo, Sittard en Maastricht op de Spanjaarden veroverd. Daar werd zowel de gereformeerde als de roomse religie publiek toegestaan volgens de afspraak die stadhouder Frederik Hendrik van tevoren met de Staten-Generaal gemaakt had. In 1633 werden de kleine steden Rijnberk en Lingen veroverd en in 1636 Tienen (Brabant). In 1637 viel Breda weer in Staatse handen, maar gingen de steden Roermond en Venlo verloren. Daarna volgden nog enkele veroveringen van kleine steden: Gennep (1641), Sas van Gent (1644) en Hulst (1645).

38) faveure

39) contrarie

40) de exempt. cleric.

41) aphorismen

42) conspireren

43) gelijck zy zijn

44) in lib. 5, de Pontif., Rom. cap. 6

45) Het buskruitverraad (Engels: Gunpowder Plot) van 5 november 1605 is een samenzwering in de Engelse geschiedenis. Een groep roomsen probeerde onder leiding van Robert Catesby in één klap de protestantse koning Jacobus I van Engeland, zijn familie en een groot deel van de aristocratie te doden door een bom te plaatsen in het paleis van Westminster.

46) Teellinck doelt hier op prins Frederik Hendrik van Oranje (1584-1647)

47) advyzen

48) suypen

49) faveur

50) seditieuse propoosten

51) propoosten

52) sententie

53) simuleert

54) jonckheidt

55) maximen

56) miserie

57) gepretendeerde

58) eyndelijck afsteecken

59) desseynen

60) affectie

61) in tijd en wijle

62) presenteert

63) ruïne

64) mijne; of: schat

65) couragie

66) paepsche

67) vigeur

68) proeven

69) intent

Fotoverantwoording:

a) By Alain Rouiller via Wikimedia Commons


Vooraankondiging jaarvergadering

Onze eerstvolgende jaarvergadering is gepland op Deo volente zaterdagmiddag 13 mei 2017 in een zaal van de Gereformeerde Gemeente-centrum (Nairacstraat 24) te Barneveld. De vergadering vangt aan om 13.30 uur. Op deze vergadering zijn alle mannen die belangstellen in de staatkundig gereformeerde beginselen, van harte welkom, ook al zijn ze geen abonnee op ons blad In het spoor. Ds. B.J. van Boven hoopt op deze vergadering een openingswoord te spreken en ds. R. Bakker een slotwoord. Voor het houden van een referaat hebben we kandidaat D. Baarssen uit Urk bereid gevonden. Hij hoopt te spreken over Bijbelse vluchtelingenpolitiek. Een actueel onderwerp! Nadere berichten volgen nog, maar noteert u nu alvast de datum in uw agenda.

Het bestuur

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2017

In het spoor | 64 Pagina's

Een Grondig Bewijs Tegen de Publieke Godsdienstvrijheid -3-

Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 februari 2017

In het spoor | 64 Pagina's