Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Johannes Fontanus (1545-1615): Een ‘Antiek’-SGP’Er! -2-

Bekijk het origineel

Johannes Fontanus (1545-1615): Een ‘Antiek’-SGP’Er! -2-

29 minuten leestijd

In het kader van de herdenking van 500 jaar Hervorming en de nieuwe beleidslijn van het SGP-hoofdbestuur aangaande de praktische toepassing van artikel 36 NGB 1 hebben wij in het vorige nummer 2 bij de hervormer van de Veluwe, Johannes Fontanus (1545-1615), stilgestaan. Na een beschrijving van zijn levensloop en zijn indrukwekkend sterfbed hebben wij zijn reformatiewerkzaamheden tot aan ongeveer 1580 beschreven. Hij mocht in samenwerking met de Godvruchtige graaf Jan van Nassau (1536-1606) onder moeilijke omstandigheden een zo geheel andere houding aannemen en vasthouden dan het huidige hoofdbestuur van de SGP.

We willen de reformatiewerkzaamheden van ds. Fontanus verder beschrijven en zullen vaststellen dat na het vertrek van graaf Jan in 1581 naar de Dillenburg Fontanus’ ijver niet verflauwt. Uitgangspunt is vooral het waardevolle boek Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie van A.E.M Janssen en K.G. van Manen 3 , dat een welkome aanvulling biedt op de oudere biografie over ds. Fontanus van de hand van dr. L.H. Wagenaar (1855-1910) 4 . Hoe lezenswaardig deze oude biografie ook is, de schrijver doet zich daarin ten aanzien van artikel 36 NGB gedurig kennen als een volbloed kuyperiaan. Nogal eens wordt Fontanus weggezet als een man van zijn tijd en een ‘der antiek-Calvinisten’ 5 .

Ook in dit artikel zal een en ander toegespitst worden op het handelen van ds. Fontanus in het licht van artikel 36 NGB. We hebben eerder vastgesteld dat de reformatie in Gelderland door hem en graaf Jan in voorzichtigheid, maar met vaste hand en met voortvarendheid werd ingezet.

Kerkelijke overgang

In de jaren 1578 tot 1581 kan een bepaald proces tot calvinisering in Gelderse steden worden vastgesteld. Dit proces in al zijn variaties wordt wel de ‘kerkelijke overgang’ genoemd en laat zich als volgt beschrijven. Een aanvankelijk kleine groep gereformeerden vraagt bij de overheid om een kerkgebouw en een leenpredikant om gereformeerde kerkdiensten te kunnen houden. Tegelijk wordt een voorlopige kerkenraad samengesteld. Wanneer de overheid niet mee wil werken, wordt de stadhouder om hulp gevraagd. Deze laat op de jaarlijkse ‘keurdag’ (officiële verkiezingsdag van overheidspersonen) ‘de wet verzetten’, wat inhoudt dat gereformeerde personen in de magistraat worden benoemd. Tegelijk worden een of meer kerkgebouwen toegewezen, terwijl na korte tijd vanwege de toename van het aantal gereformeerden op gezag van de wereldlijke overheid de hoofdkerk wordt toegewezen. De kerkelijke goederen worden door de overheid geïnventariseerd om vervolgens uit de inkomsten daarvan de predikanten, kosters en schoolmeesters te betalen. Kosters en schoolmeesters moesten daarbij gereformeerd zijn, als zij hun baan wilden behouden. Duidelijk is in dit proces dat vaak van onderaf het proces begint, terwijl het van bovenaf door de wereldlijke overheid, stadhouder of het provinciale Hof wordt uitgevoerd en bekrachtigd. De samenwerking tussen kerk en overheid kreeg dan verder gestalte doordat magistraatspersonen als ouderling werden verkozen zodat de magistraat wist wat in de kerkenraad speelde en omgekeerd. Zo kon men direct en indirect van elkaars wensen en standpunten op de hoogte zijn. Hier vond in beginsel een goede samenwerking tussen beide partijen plaats, waarbij de overheid zich als voedsterheer van de kerk betoonde.

Verdere opbouw

Het kerkelijke leven moet dan nog verder worden opgebouwd. En hier speelde ds. Fontanus weer een belangrijke rol. Onder voorzitterschap van Fontanus kreeg de kerkelijke gemeente van Arnhem op de vijfde provinciale Gelderse synode van 2 mei 1581 de opdracht het Hof van Gelre aan te manen om in overeenstemming met een plakkaat van 23 april van hetzelfde jaar “alle heimelijke en openbare afgoderij, misbruik van de sacramenten, bijgeloof, tovenarij en al hetgeen strijdig was met Gods geboden” 6 in Gelre en Zutphen te verbieden. Dit hield onder andere in geen roomse erediensten en geen roomse scholen meer in de hele provincie. Bovendien moest aangedrongen worden op een goede regeling voor de geestelijke goederen, nu deze bij plakkaat van 31 mei 1580 aan de roomse instellingen waren onttrokken.

Op deze synode wordt ds. Fontanus ook aangewezen als afgevaardigde naar de belangrijke Synode van Middelburg (van 30 mei tot 21 juni 1581), waar hij zijn steentje aan het opstellen van een kerkorde zal hebben bijgedragen.

De Gelderse synode van 1582 besloot: “Openlijke lastering van Gods Naam, echtbreuk, hoererij, bloedschande, vreten en zuipen hebben zozeer de overhand genomen dat men bijna daarvan geen zonde maakt. Het is het ambt van de overheid, beide Tafelen Gods te handhaven. ” 7

Teleurstellend was dat Fonatus’ inzet om na het vertrek van graaf Jan diens Godvruchtige zoon Willem Lodewijk (1560-1620) 8 , de latere stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, tot stadhouder van Gelderland te verkrijgen, geen succes had. De onbetrouwbare, roomse graaf Willem van den Bergh (1537-1586), zwager van prins Willem van Oranje, werd de nieuwe stadhouder. Hij werd vanwege verraderlijke onderhandelingen met Parma in november 1583 door de Gelderse Staten gevangengezet en trad later met zijn zonen in Spaanse dienst.

Geen wonder dat ds. Fontanus in een brief van 19 februari 1582 aan graaf Jan al het volgende moest klagen:

“De 11 e februari is een plakkaat alom in den lande gepubliceerd waarin wordt uitgevaardigd dat slechts enerlei uitoefening van de godsdienst die men de gereformeerde noemt, zal gehouden worden, waarop de nieuwe stadhouder van dit gewest zijn eed heeft gedaan. Gave God dat zulks eens met ernst ten uitvoer werd gebracht!” 9

In deze jaren moest dominee Fontanus vele teleurstellingen ervaren, maar hij mocht in geloofsvertrouwen een en ander in Gods handen leggen. Zijn leuze was: Jehova regnat (de HEERE regeert)!

Reformatiewerkzaamheden in Arnhem

In Arnhem werd op 28 april 1581 het houden van roomse godsdienstoefeningen verboden. In 1587 werd door de magistraat van Arnhem bepaald dat alle nieuwe bewoners van Arnhem moesten beloven de gereformeerde kerkdiensten te bezoeken, alle huwelijken kerkelijk te laten bevestigen en hun kinderen op gereformeerde wijze te laten dopen. Op overtreding stond een boete. Toen ds. Fontanus vaststelde dat er in het Sint-Catharinagasthuis en het Sint-Agnietenklooster roomse ceremoniën plaatsvonden, volgde na onderzoek een bevel van de stedelijke overheid dat de nog in de stad aanwezige nonnen en begijnen de gereformeerde kerkdiensten moesten bezoeken. Vanuit de kerkenraad werd in hetzelfde jaar aan de magistraat meegedeeld dat de roomsen weigerden Gods Woord in de publieke kerk te beluisteren en dat gevreesd moest worden dat zij binnen de stad muiterij zouden veroorzaken. Zij verwezen daarbij naar het voorbeeld van Nijmegen, waar bijna twee jaar eerder zoiets was gebeurd en het Staatse garnizoen met de gereformeerde ingezetenen uit de stad waren verdreven en de stad aan de hertog van Parma was overgeleverd. De kerkenraad vroeg de magistraat de roomsen ter verantwoording te roepen over hun geloof. De magistraat vroeg zich af of dit niet te ver ging in het licht van de Unie van Utrecht en vroeg advies bij het provinciaal Hof van Arnhem. Dit had tot gevolg dat een raadsheer met twee Arnhemse burgemeesters naar het Agnietenklooster ging om het bevel te geven dat de aanwezige roomsen de gereformeerde kerkdiensten moesten bijwonen. Het schriftelijke antwoord van het Hof van Gelre aan de magistraat van Arnhem kwam op 18 december 1587. In verscheidene plakkaten was voor het gewest Gelre publiekelijk bekendgemaakt dat in het gewest in steden noch op het platteland “geen andere exercitie van religie” toegestaan was “dan die ware Christelijke gereformeerde religie”. 10

Vastgesteld was dat personen zich hier vol minachting niet naar gedroegen. Daarom werd naar Goddelijk bevel en op grond van de ambtseed een plakkaat afgekondigd. Dit plakkaat “als strekkende ter ere Gods en ter verbreiding van Zijn Rijk en het Evangelie” 11 diende door alle ingezetenen gehoorzaamd te worden. Dit had tot gevolg dat de magistraat van Arnhem op 23 december 1587 mede gezien de oorlogsomstandigheden op last van het Hof een voorschrift deed uitgaan dat “alle inwoners en burgers zich begeven zullen tot het horen van het Goddelijke Woord, wanneer dat gepredikt en geleerd zal worden en in het bijzonder op zondagen en gewone feestdagen.” 12 Zij die hieraan geen gehoor gaven, zouden zich aan Gods rechtvaardige toorn en aan strenge straffen blootstellen, hier tijdelijke en hiernamaals eeuwige. Dat dit de Arnhemse magistraat ernst was, blijkt wel uit het feit dat begin 1588 twee leidinggevende zusters uit het Agnietenklooster vanwege halsstarrigheid uit het klooster en de stad werden gezet, vijf dagen later gevolgd door nog twee personen.

De controle op de kerkgang bleef overigens een moeilijk punt. Toch lijkt de magistraat van Arnhem zich werkelijk ingespannen te hebben om de plakkaten te handhaven. Het mag daarin een lichtend voorbeeld voor vele andere steden zijn geweest. Het gaat daarbij niet aan om de ijver van de magistraat geheel op rekening van de benarde oorlogsomstandigheden te zetten. Die waren overigens wel benard. Behalve de gebeurtenissen van 1585 in Nijmegen hadden begin januari 1587 de Engelse bevelhebbers William Stanley en Rowland York de stad Deventer en de schans bij Zutphen aan Parma verraderlijk overgegeven.

Gewetensdwang

Ondertussen zal wellicht bij de lezer de vraag zijn opgekomen of het inderdaad niet te ver gaat dat kerkgang aan elke inwoner wordt opgelegd. Is dat geen gewetensdwang? Nee, het Hof van Gelre en de Arnhemse magistraat gingen hierin niet te ver! Zij handelden daarin volgens de belijdenis en de leer der vaderen. Als dienaresse Gods heeft de overheid de taak om haar onderdanen tot de waarheid te brengen. Artikel 36 NGB zegt in de zogenaamde positieve uitwerking van de taak van de overheid: het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt. Het dwingen tot gebruik van de genade middelen achten onze vaderen een overheidstaak. Twee bewijzen. In zijn boek Eubulus uit 1616 bewijst niemand minder dan ds. Willem Teellinck (1579-1629) in het 27 e hoofdstuk dat

de eerwaarde overheid schuldig is haar lichamelijke dwingende macht aan te leggen, aan de ene zijde tot handhaving van de ware Kerke Gods en de rechte, zuivere Godsdienst; aan de andere zijde tot uitroeiing van de vergadering des satans en alle verderfelijke leer13 .

Dit is volledig in overeenstemming met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. In dit hoofdstuk van Eubulus ontzenuwt ds. Teellinck de tegenwerpingen en stelt hij dat de overheid haar onderdanen niet kan en mag dwingen tot het geloof, maar wel tot het gebruik van de genademiddelen. Dwingen tot het geloof kan de overheid niet want het geloof betreft de inwendige mens. Het is met andere woorden gezegd het terrein van Gods Geest waarin zij niet mag treden. Maar de dwang tot het gehoor van Gods Woord betreft de uitwendige mens. Wel stelt Teellinck dat dit “echter met alle voorzichtigheid en behoorlijke onderscheiding van de gelegenheid der personen” 14 dient te geschieden. We hebben deze ‘voorzichtigheid’ en ‘onderscheiding’ naar ‘de gelegenheid van de personen’ ook duidelijk bij ds. Fontanus en graaf Jan kunnen terugvinden.

Verder stelt ds. Teellinck dat tot de plichten die God ingesteld heeft voor Zijn kinderen, de overheid de onwedergeborenen niet dwingen mag zoals tot “de belijdenis van het geloof, het gebruik van de zegelen van het genadeverbond (…) opdat zij hen niet doe liegen en valse getuigenis geven”. 15 Het dwingen tot het horen van Gods Woord dient ertoe om de onwedergeborenen te onderwijzen en opdat het ware geloof in hen gewerkt worde.

Ook ds. Franciscus Ridderus (1620-1683) slaat tot tweemaal toe op geen ander aambeeld in zijn Daagelijcksche Huys-Catechisatie. Eerst antwoordt hij op de vraag hoe de overheid zich gedragen moet omtrent Gods Kerk, onder punt twee:

Zij moeten hun macht aanleggen om de onderdanen tot de godsdienst te leiden, 2 Kronieken 34 vers 33: ‘Josia (…) maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den HEERE hun God’. Ezra 7 vers 26: ‘Al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan’.” 16

Op de vraag of de magistraat iemand mag dwingen tot het geloof, luidt het antwoord:

“Dit kan niet geschieden omdat het geloof een inwendig werk is van de wil; maar de magistraat mag haar autoriteit wel gebruiken om de onderdanen te doen waarnemen de middelen des geloofs, 2 Kronieken 34 vers 33: ‘Josia (…) maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den HEERE hun God’ (2 Kon. 23:3; 2 Kron. 30:5).”

Op de nadere vraag of dit geen consciëntiedwang inhoudt, antwoordt Ridderus ontkennend met dezelfde woorden als ds. Teellinck omdat het een uitwendige dwang betreft:

“Neen, want het is maar een autoriteit die omtrent de uitwendige mens wordt aangelegd, zonder iemands goede consciëntie inwendig in het particulier enige dwang aan te doen. Maar het is om de dwalende consciëntie beter onderwijs te doen hebben, 2 Kronieken 17 vers 9: Josafat zond mannen opdat men zou leren in de steden van Juda (Rom. 14:23; Ezra 7:26)”. 17

Arnhem, een klein Genève

Dr. Wagenaar heeft in zijn boekje aangaande Arnhem aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw gesproken van ‘een klein Genève’. 18 Dat is zeker niet ten onrechte. Zoals vermeld, werden in april 1581 alle roomse kerkdiensten verboden en werden de inwoners van Arnhem aan de naleving van de Tien Geboden gehouden met inbegrip van de kerkgang. Openlijke lastering van Gods Naam, echtbreuk, ontucht, bloedschande, ketterse uitlatingen, onmatigheid in eten en drinken, goochelarij, tovenarij, danspartijen en vechtpartijen werden op gezag van de wereldlijke en geestelijke overheid tegengegaan. Natuurlijk kon de kerkenraad alleen censuur uitoefenen over de eigen leden. Daarom was de medewerking van de magistraat noodzakelijk. De Arnhemse magistraat was daartoe bereid. Magistraat en kerkenraad waren één, vooral op het gebied van de zedelijkheid.

Minder bereidheid was er om het toosten op de gezondheid als heidens overblijfsel te bestraffen alsook de loterij te verbieden. Ten behoeve van een gasthuis (bejaardenhuis), weeshuis en de diaconie had de magistraat een loterij toegelaten. De kerkenraad kwam in protest, waarop de magistraat een besluit van de synode wenste.

Ten aanzien van het orgel was er zelfs onenigheid. Het volk wilde ter afwisseling orgelmuziek tussen de dienst in door de stadmusicus, bijvoorbeeld na het grote gebed en tijdens het collecteren. Over het gespeelde, dat waarschijnlijk niet altijd in het kader van het gesprokene zal hebben gepast, had de kerkenraad niets te zeggen. De kerkenraad wilde dit niet, maar de magistraat weigerde omdat dit een “burgerlijke” zaak zou zijn. Op de kansel werd hiertegen gepreekt door ds. Johannes à Niecken, die na de afval van Doesberg (1585) in hartelijke eendracht met Fontanus tot aan 1591 in Arnhem mocht samenwerken. Hierop werd hij met ds. Fontanus ter verantwoording naar het stadhuis geroepen. Zij moesten de magistraat “in ’t particulier” 19 onderwijzen. Uiteindelijk boog de magistraat: de organist mocht alleen na de dienst spelen en niets wat ergernis zou wekken. Maar tegen dansen werd zonder aanzien des persoons opgetreden, zoals de burgemeesters moesten ervaren. Op de bruiloften van hun dochters werd gedanst; zij konden alleen door schuldbekentenis voorkomen dat zij in het openbaar onder censuur werden gezet. Geheime dansscholen werden gesloten.

Bepalingen werden uitgevaardigd aangaande zondagsrust, vloeken, bestraffing van godslastering, verplichte kerkgang en verbod van allerlei vermakelijkheden. De schoolmeesters moesten hun leerlingen naar de predicatie brengen. Wandelen onder kerktijd werd bestraft. Niet alleen volksfeesten met maskerades en met dierenmishandeling werden zonder meer verboden, maar ook het vieren van het Sinterklaasfeest als een rooms overblijfsel was niet toegestaan. 20 Echter, niet alleen met de tucht hielden de kerkenraad en de magistraat zich bezig. Op initiatief van ds. Fontanus werd het schoolwezen gereformeerd. Tevens werd op het sociale vlak in samenwerking met de overheid de zorg voor wezen en weduwen, zieken en bejaarden op elkaar afgestemd zodat ook voor de niet belijdende onderdanen werd gezorgd. Toevluchtsoorden voor gewonde soldaten en passerende vreemdelingen werden geopend. Wagenaar noemt Fontanus in dit verband niet alleen “een vader der gemeente”, maar ook “een voogd der stad”. 21

Verder werd het nodige aan het oplossen van onenigheid en verzoening onder de inwoners gedaan. Weliswaar beginnen de kerkenraadsnotulen pas met het jaar 1604, maar vrijwel zeker is dat een en ander al vanaf 1578 is begonnen.

De Arnhemse gezagdragers legden bij overtreding van de verboden straffen naar zwaarte van de overtreding op. Toch zal in de praktijk wel een en ander te wensen hebben overgelaten, want op 27 september 1588 kwamen de Arnhemse predikanten onder aanvoering van ds. Fontanus de overheid erop wijzen dat een Christelijke overheid haar onderdanen tot de kerkdienst had te leiden om zich daar te laten onderwijzen en op deze wijze de afgoderij af te schaffen. De overheid werd door hem bedankt voor haar goede houding ten aanzien van de zuivere godsdienst, maar tegelijk bewees Fontanus uit de Schrift dat de overheid ten aanzien van de kerkgang ook een taak had. Degenen die anderen daarvan afhielden, dienden door de overheid hierover onderhouden te worden.

In de effectieve controle op de kerkgang lijkt de magistraat dus nog wel wat tekortgeschoten te zijn. Janssen en Van Manen spreken overigens wat de verplichting tot de kerkgang betreft onterecht van ‘religiedwang’ zoals ds. Teellinck en ds. Ridderus ons leerden.

Actieprogram

Dat er wat de inzet van de magistraat betreft wel meer te wensen viel, blijk wel uit een opmerkelijke actie van de Arnhemse kerkenraad op 16 januari 1589. Toen werd een programma met zes actiepunten bij de magistraat ingediend. Het antwoord met de toezeggingen van de Arnhemse magistraat volgde ruim een maand later op 23 februari. We vatten hier de zes punten en de reactie van de magistraat samen. Roomse overblijfselen in kloosters en gasthuizen dienen afgeschaft te worden. De magistraat bepaalt daarop dat begijnen en nonnen hun kloosterkleding moeten afleggen. Roomse inwoners moeten ‘geëxamineerd’ worden, wat wordt toegezegd, maar niet in het openbaar. Zij die bij eed zich verplicht hebben de gereformeerde godsdienst aan te hangen - alleen gereformeerden kwamen in aanmerking voor openbare ambten -, dienen daartoe gedwongen te worden. De betreffenden zullen worden opgeroepen en bij weigering zal hun het burgerschap ontnomen worden. In weduwehuizen moet orde op zaken gesteld worden, wat nu bij gebrek aan middelen door de magistraat niet mogelijk wordt geacht. Voorschriften aangaande huwelijk en doop enz. dienen nageleefd te worden. Deze voorschriften zullen worden nagezien en ‘gezuiverd’. En ten slotte moeten er beurzen komen voor enkele (theologische) studenten. Hierop volgt een concrete toezegging voor twee studenten. Volgens Janssen en Van Manen is niet meer na te gaan in hoeverre de magistraat de toezeggingen heeft waargemaakt. Duidelijk is echter wel dat de Arnhemse overheid hoewel zij enige ruimte voor eigen beleid heeft verlangd, zich toch duidelijk als dienaresse Gods en als voedsterheer van de kerk wilde opstellen en zonder meer bereid was “de hand te houden aan den heiligen kerkendienst”, “alle afgoderij en valsen godsdienst” tegen te gaan en “het Koninkrijk van Jezus Christus” (artikel 36) te bevorderen.

Ds. Fontanus was wellicht mede daarom sterk verbonden aan Arnhem. Leeuwarden beriep hem in 1590, terwijl graaf Willem Lodewijk de Arnhemmers te kennen gaf dat hij Fontanus graag wilde hebben. Fontanus maakte van de gelegenheid gebruik om hun te doen weten dat als zij hem nog langer gebrek lieten lijden, hij zou gaan. Hij bleef echter trouw op zijn post, maar verlangde naar versterking toen ds. À Niecken na de herovering van Doesburg door prins Maurits naar die plaats terugkeerde. Op zijn verzoek werd Franciscus Gomarus (1563-1641) beroepen, die echter bedankte. Wel liet deze zijn waardering voor de Arnhemse voedsterheren blijken door zijn Spiegel van de ware kerke Christi (1602) 22 aan hen op te dragen.

Reformatiewerkzaamheden in Zutphen

Het hertogdom Gelre bestond uit vier kwartieren: het kwartier Veluwe (ook wel van Arnhem), het graafschap Zutphen, kwartier Nijmegen (land van Maas en Waal en de Betuwe) en het Overkwartier (let wel: het zuidelijke deel met Venlo en Roermond). Al zijn invloed heeft Fontanus aangewend om tijdens de moeilijke omstandigheden van de Tachtigjarige Oorlog dit hertogdom te reformeren. Laat overigens duidelijk zijn dat in deze tijd het strijdgewoel van deze oorlog vooral in dit hertogdom woedde. Doesburg moest vijf keer een andere bezetter binnenlaten, terwijl dit voor Doetinchem tussen 1572 en 1600 zeven keer gold. 23

In Zutphen steunde Fontanus zoveel als mogelijk de Zutphenaar Gerlach van der Capellen, die hij vanuit zijn studietijd in Genève en Heidelberg kende en die lid van het provinciale Hof was. Toen prins Maurits, bijgestaan door graaf Willem Lodewijk, in mei 1591 Zutphen ontzette - vanaf 1583 in Spaanse handen -, wees Fontanus Van der Capellen op zijn plicht Zutphen te zuiveren van alle afgoderij en door middel van vrome predikanten de ware godsdienst in te planten. Hij noemde daarbij zelfs enige namen. Tevens moet direct een Godvrezende magistraat worden aangesteld. Hoewel hij het liefst de Zutphenaren zou willen helpen, kan hij als enige predikant van Arnhem in volledige dienst niet naar Zutphen komen om de kerkelijke gemeente weer op te bouwen. De overheden hebben het hem ten sterkste ontraden; het moest daarom bij menig schriftelijk advies blijven. Op 28 november 1591 vond de eerste vergadering van de gereformeerde kerkenraad van Zutphen met twee predikanten weer plaats.

Reformatiewerkzaamheden in Nijmegen

In Nijmegen, de hoofdstad van het kwartier Nijmegen, speelde ds. Fontanus na de Reductie (terugbrenging onder Staats gezag) van Nijmegen in oktober 1591 een actieve en doortastende rol. Hoewel prins Maurits als capitulatievoorwaarde had bepaald dat “binnen Nijmegen geen uitoefening van een andere godsdienst dan van de gereformeerde zal geschieden”, waarbij niemand “in zijn consciëntie zal worden gedwongen noch enigszins onderzocht” 24 , duurde het tot eind januari 1592 totdat de roomse magistraat vervangen werd door een gereformeerde. De aanwijzing van de nieuwe overheidspersonen was een taak van prins Maurits geworden als nieuwe stadhouder van het hertogdom. Dit liet echter nog even op zich wachten zodat de oude roomse magistraat de lopende zaken moest behartigen. Voor ds. Fontanus, die al vrij direct na de Reductie persoonlijk - op 8 november 1591 - naar Nijmegen kwam, hield dit tegenwerking in. Maar hij was er de man niet naar om zich daarbij neer te leggen.

Op 10 november vervoegde hij zich met officiële brieven van het provinciale Hof bij het roomse stadbestuur. In de brieven stond dat de geestelijke goederen moesten worden geïnventariseerd opdat de (financiële) opbrengsten ervan nu voor geestelijke doeleinden der gereformeerden (ad pios usus) zouden worden gebruikt, zoals salarissen voor predikanten, onderhoud kerken en scholen enz. Deze maatregelen waren al per plakkaat in 1580 uitgevaardigd en moesten nu op bevel van het Hof uitgevoerd worden, waarbij een rentmeester door het Hof werd aangesteld. De roomse magistraat traineerde de zaak met allerhande uitvluchten, waarop Fontanus een brief eiste aan het Hof waarin de schijnargumenten van de magistraat beschreven waren. Per omgaande - op wens van ds. Fontanus - kwam het antwoord van het Hof. Ds. Fontanus moest alle mogelijke druk uitoefenen en de magistraat van Nijmegen kreeg de vermaning direct de nodige afkondigingen te doen. De officiële afkondigingen vonden daarop plaats, maar de praktische uitwerking duurde nog enige tijd. Toch werden in de loop van 1592 twee gereformeerde Nijmeegse predikanten uit de inkomsten betaald. Dit dankzij het voortvarende optreden van ds. Fontanus, die minstens een van hen had voorgedragen.

Op 9 januari 1592 vond de wederoprichting van de kerkenraad van Nijmegen plaats, waarbij Fontanus waarschijnlijk direct betrokken is geweest. Nog was daarmee de directe bemoeienis van Fontanus met Nijmegen niet ten einde. Toen in augustus en september 1598 de pest in Nijmegen heerste en onder de vele slachtoffers ook de drie gereformeerde predikanten te betreuren waren, haastte Fontanus zich op 24 september naar Nijmegen om een extra vergadering van de kerkenraad voor te zitten. Concrete maatregelen werden genomen met het oog op leenpredikanten, van wie hij zelf er één was. Ook in het jaar 1600 nam hij aan verscheidene Nijmeegse kerkenraadsvergaderingen deel, onder andere om schoolzaken de regelen. Van 22 juni tot en met 22 juli preekte hij in Nijmegen terwijl hij tevens zeven schoolmeesters en één schooljuffrouw op hun rechtzinnigheid onderzocht, van wie er slechts één volledig voldeed. Bovendien stelde hij praktische richtlijnen voor de kerkenraad op om op 22 juli afscheid te nemen. Niet voorgoed, want tijdens de latere remonstrantse twisten in Nijmegen liet hij weer van zich horen.

Reformatiewerkzaamheden in Nijkerk

Op de provinciale synode van 1580 met als voorzitter Fontanus had Harderwijk de opdracht gekregen Nijkerk en Putten te reformeren. Pas drie jaar later op 22 februari 1583 volgde een plakkaat van het provinciale Hof dat de roomse geestelijken beval naar Arnhem te komen om zich te laten onderzoeken, terwijl ruim een jaar eerder de Gelderse Landdag al bepaald had dat alleen de gereformeerde godsdienst mocht worden uitgeoefend.

In Nijkerk was de pastoor Everhardus Swaer, die overigens met zijn huishoudster in concubinaat leefde, geliefd en gerespecteerd bij de inwoners. Op instigatie van Fontanus was de uit Duitsland afkomstige Rutger van Siburg (†1587) in juni 1583 naar Nijkerk gekomen. Zoals hij per brief ds. Fontanus liet weten, stootte hij op twee ernstige belemmeringen: de pastoor en de schout. De pastoor ging ondanks het bevel van de Landdag gewoon door met zijn werk, terwijl de schout ondanks het schriftelijke bevel van het Hof niet bereid was hem het preken te beletten. Daarop wist Fontanus te bereiken dat het Hof van Gelre pastoor Swaer het preken verbood, terwijl hij ook zijn pastorie moest verlaten. Wel kreeg hij een onderkomen in een kloostergebouw toegewezen.

Mede vanwege de wisselende oorlogsomstandigheden verliep daarna de reformatie van Nijkerk nog niet voorspoedig. Verscheidene keren moest ds. Siburg de pastorie verlaten vanwege plunderende soldaten en overstromingen door doorgestoken dijken, terwijl hij met zijn gezin een armoedig bestaan leidde omdat zijn traktement nauwelijks kon worden uitbetaald. Tragisch was zijn levenseinde. In 1587 werd hij door roomse boeren aan Spaanse soldaten uitgeleverd en na vreselijke martelingen vermoord. Zo stagneerde de reformatie in Nijkerk.

In 1589 betrok de geliefde pastoor Swaer, die ondertussen ook deken was geworden, met toestemming van het Hof de pastorie weer. Een latere provinciale synode met als voorzitter ds. Fontanus zou spreken van “Everhardus Swaer met zijn huichelarij” 25 . Swaer kwam eenvoudig niet op classicale vergaderingen om zich te verantwoorden en zal richting het Hof wel de nodige beloften gedaan hebben.

Reformator van Nijkerk

Na de successen van prins Maurits in Gelderland werd de reformatie van Nijkerk een speerpunt van de overheid van Gelre. Ds. Fontanus kreeg in 1593 de opdracht dit op zich te nemen en de Arnhemse overheid gaf haar toestemming. Hij kreeg een uitvoerige instructie van het Hof mee, waarin hem behalve de prediking ook de ordening van de school en de inventarisatie en administratie van de geestelijke goederen alsook het toezicht op de reformatie van Putten, Hoevelaken en Scherpenzeel werd opgedragen. Ten slotte moest hij hierover en over de andere kerken in de omgeving het Hof rapporteren.

Op 6 oktober 1593 kwam Fontanus in Nijkerk aan. Direct ging hij met grote voortvarendheid aan het werk. De koster beloofde alle roomse streken bij het luiden van de klokken na te laten, maar de oude schoolmeester wilde niet meewerken. Een maand lang bleef ds. Fontanus in Nijkerk, waarbij verdere praktische maatregelen werden genomen. Ondertussen visiteerde hij Garderen.

In zijn rapport maakt hij melding van goed bezochte kerkdiensten in Nijkerk (op zondagmorgen 600/700 en ’s middags en in de week 200), terwijl alleen op de eerste zondag de dienst door enigen werd verstoord die later om vergeving vroegen.

De schoolmeester te Nijkerk wilde voor zijn meer dan zestig leerlingen de Catechismus niet invoeren en hen niet naar de kerk brengen. Maar zijn gezondheid was zwak, dus komt men overeen dat hij zijn functie aan het eind van het schooljaar neerlegt. De kerken werden in- en uitwendig gerepareerd: inwendig verdwenen altaren, beelden en muurschilderingen. De diaconie werd georganiseerd, doopboeken werden aangelegd, terwijl de organist pas mocht gaan spelen na de dienst. Net als vele gereformeerde ambtgenoten was ds. Fontanus eigenlijk tegen het orgelspel omdat dit alleen maar leidde “tot wereldse lusten en de wellustigheid van het vlees”. 26 Het onderzoek naar de inkomsten van de geestelijke goederen leerde dat bij goede administratie de gewezen pastoor Swaer onderhouden en een predikant betaald konden worden. Voor zijn vertrek werden twee ouderlingen, onder wie de nieuwe schout, bevestigd, terwijl Fontanus zorgde voor voorgangers voordat de nieuwe predikant kwam.

De situatie in Scherpenzeel en Hoevelaken was minder goed omdat daar het pausdom heerste door middel van twee ‘papen’, van wie de ene van tovenarij werd beschuldigd en de ander van dronkenschap.

In zijn rapport laat Fontanus niet na om de noodzaak van een voldoende traktement voor gereformeerde predikanten het Hof op het hart te binden.

Ten slotte lukte het ds. Fontanus door middel van brieven aan de bekende predikant Menso Alting (1541-1612) in Emden om ds. Johannes Switterius (†1623) op 8 maart 1594 uit Oost-Friesland naar Nijkerk te laten komen. Na een door ds. Fontanus gehouden preek wordt ds. Switterius officieel op 4 april bevestigd. Heel wat moeilijkheden had ds. Switterius overigens bij de verdere reformatie te overwinnen. In Nijkerk kwam de reformatie dus niet zozeer uit het volk op, maar werd zij min of meer door de Gelderse overheid bewerkstelligd. De rol van ds. Fontanus is daarbij wel van beslissende betekenis geweest.

Ten besluite

Na het vertrek van graaf Jan van Nassau werd de ijver van ds. Fontanus voor de reformatie van Arnhem en het hele gewest Gelre in geen enkel opzicht minder. Onvoorstelbaar veel heeft hij mogen verrichten en betekenen. Op vele classicale en provinciale vergaderingen was hij nadrukkelijk als reformator aanwezig. Hij probeerde predikanten uit Duitsland alsook uit de hele Republiek naar het gewest te halen. Veel heeft hij ook voor het onderwijs gedaan zoals in een volgend artikel Deo volente verder aan de orde komt. Gereformeerde leerkrachten, kosters, maar ook de inhoud van het onderwijs hadden zijn aandacht, terwijl hij zijn best deed voor een regelmatige bezoldiging van de predikanten. Hier speelden eigen pijnlijke ervaringen mee. Kortom, met het volste recht kan hij de hervormer van Gelderland genoemd worden.

Van belang is tevens dat hij onwrikbaar vasthield aan de Bijbelse plicht van de overheid. Voorzichtig, maar vasthoudend en doortastend trachtte hij met behulp van de overheid de roomse afgodendienst tegen te gaan. We vinden in hem een onverschrokken strijder voor de volledige toepassing in de praktijk van artikel 36 NGB. Hierin is hij een voorbeeld voor het huidige hoofdbestuur van de SGP en voor alle SGP-bestuurders tot aan de dag van vandaag. Alleen zijn optreden in Arnhem is er al het bewijs van dat hij niets van het Bijbelse ambt van de overheid wilde afdoen. Zo ging hij onder andere persoonlijk naar de Arnhemse magistraat om deze zijn Bijbelse plicht aangaande de kerkgang van de onderdanen voor te houden.

Duidelijk is eveneens geworden dat de Gelderse overheden tijden hebben gekend waarin zij hun plicht recht hebben verstaan. De reformatie kwam in menige Gelderse stad vanuit de bevolking op, maar ook kweten sommige stedelijke en provinciale Gelderse overheden zich goed van hun Bijbelse plicht. Er was een goede samenwerking tussen kerk en overheid. Zo mocht de overheid iets verwerkelijken van haar taak “om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken”.

Natuurlijk, het kon altijd beter. De handhaving van de plakkaten liet, zoals in heel de Republiek, nog wel te wensen over. Maar de omstandigheden tijdens de Tachtigjarige Oorlog waren ook allesbehalve eenvoudig. Het gewest Gelre lag in de frontlijn. Wanneer wij echter de beschreven situatie vergelijken met de houding van onze huidige regeringen, dan moesten onze ogen rivieren van tranen voortbrengen. Nederland was en is een gidsland in de zonden wanneer we alleen al denken aan het zogenaamde ‘voltooide’ leven. En de afgelopen verkiezingen (maart 2017) hebben ons weer geleerd dat Nederland wil doorgaan in de verbreking en verloochening van het verbond dat de vader des vaderlands met de Potentaat der potentaten mocht sluiten. De bede mocht daarom wel in ons aller hart leven dat de Heere op de genade des ouden tijds mocht terugkomen en dat Hij Zijn volk ertoe verwaardigen mocht om met de nood van land en volk in de schuld gebracht te worden!


Noten:

1) Zie: A. Verwijs, ‘De nieuwe SGP-lijn betreffende godsdienstvrijheid’, in: In het spoor, 40 e jrg., nr. 4, 2016, p. 240-249 en A. Verwijs, ‘Een nieuw SGP-verkiezingsprogram’, in: In het spoor, 41 e jrg., nr. 1, 2017, p. 42-48

2) Zie het februarinummer van In het spoor van dit jaar, p. 2-14

3) A.E.M. Janssen & K. G. van Manen, Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie [1545- 1615], Nijmegen 2015, 304 pagina’s (voortaan: Johannes Fontanus)

4) L.H. Wagenaar, De Hervormer van Gelderland, Kampen 1898, 172 pagina’s (voortaan: Wagenaar)

5) Dit begint al op de tweede pagina van de inleiding, die geen paginatelling kent, en zet zich in het hele werkje voort. Zo heet het bijvoorbeeld op pagina 35 “de antieke Calvinisten” en op pagina 66 staat naar aanleiding van het verzoek van de Arnhemse kerkenraad om het verbod van de uitoefening van andere dan de gereformeerde godsdienst de denigrerende opmerking te lezen: “Hier ziet ge de grote man in zijn zwakheid of liever in de zwakheid van zijn eeuw”. Verder op pagina 76: “het antiek-gereformeerde streven”.

6) Johannes Fontanus, p. 66. Zie ook Wagenaar, p. 70

7) Geciteerd bij Wagenaar, p. 86. Waar nodig zijn de citaten uit het Oudnederlands vanwege de leesbaarheid door mij herspeld en soms licht hertaald.

8) Zie over deze stadhouder de artikelenserie van mijn hand onder de titel: ‘Graaf Willem Lodewijk (1560- 1620): Een voedsterheer van de kerk -1- ’, in: In het spoor, 33 e jrg., nr. 6, 2009, p. 220-230, de tweede aflevering in het februarinummer van 2010 (nr. 1, p. 22-33) en de laatste aflevering in het oktobernummer van 2010 (nr. 4, p. 184-196) van In het spoor. Deze serie naar aanleiding van het lezenswaardige boek van L.H. Wagenaar, Het Leven van Graaf Willem Lodewijk. Een Vader des Vaderlands, ”Uz Heit”, Amsterdam z.j., 496 pagina’s.

9) Geciteerd bij: J.W. Staat Evers, Johannes Fontanus, Arnhem’s eerste predikant [1577-1615] en zijn tijd. Arnhem 1882, p. 29. Een hertaling staat bij Wagenaar: Wagenaar, p. 75.

10) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 69

11) Idem

12) Idem

13) W. Teellinck, EUBULUS Ofte TRACTAET, Vervatende verscheyden aenmerckinghen over de teghenwoordighe staet onser Christelicker Ghemeynte: midtsgaders een ghetrouwe bericht/hoe datmen de swaricheden onder ons geresen/best soude mogen weeren. Middelburg 1616, p. 231-246. Vooral is de derde sectie van belang, de pagina’s 236-242. Deze sectie heeft als titel: “Bewijs: dat alhoewel men de mensen de ware religie en het geloof niet kan opleggen noch afdwingen, het nochtans oorbaar is dat men hen dwinge tot de middelen, waardoor de ware religie en het geloof in de harten van de mensen gewrocht wordt.” (voortaan: Eubulus). Zie verder het artikel: ‘Dwingen tot gebruik van genademiddelen: Een overheidstaak!’, in: In het spoor, 23 e jrg., nr. 3/4, 1999, p. 98-103

14) Eubulus, p. 236

15) Eubulus, p. 241

16) F. Ridderus, Daagelijcksche Huys-Catechisatie, bestaende in MORGEN-OEFFENINGEN, Over de Artijkelen Des Christelijken Geloofs. In MIDDAGH-OEFFENIN- GEN, Over de Plichten van een Christelijck Leven. Ende in AVONDT-OEFFENINGEN, Over de Geschiedenissen der H. Schriftuure. Amsterdam 1692 10 , p. 300 (voortaan: Ridderus). In de herspelde uitgave is dit citaat terug te vinden in: F. Ridderus, Dagelijkse Huiscatechisaties, dl. 2, Barneveld 1990, p. 171

17) Beide citaten in: Ridderus, p. 301. In de herspelde uitgave p. 172

18) Wagenaar wijdt hieraan onder deze titel een heel hoofd stuk (IX): Wagenaar, p. 86-96. Het hoofdstuk loopt in het werkje tot p. 114, maar dit is een fout zoals onder de ‘errata’ staat aangegeven. Hoofdstuk X moet dan zijn XI enz., terwijl hoofdstuk X loopt van p. 96-114.

19) Geciteerd bij: Wagenaar, p. 90

20) Zie: Wagenaar, p. 88 en Johannes Fontanus, p. 73. Ook: H.A. Enno van Gelder, Revolutionnaire Reformatie. De vestiging van de Gereformeerde Kerk in de Nederlandse Gewesten, gedurende de eerste jaren van de Opstand tegen Filips II, 1575-1585, Amsterdam 1943, p. 156-157

21) Wagenaar, p. 93

22) F. Gomarus, De spieghel van de waere kercke Christi, Leiden 1602. Wagenaar (p. 94) noemt als jaar van uitgave 1604. Dit is een vergissing of er moet een tweede, nu onbekende druk zijn verschenen.

23) Zie: H. Noordzij, Handboek van de Reformatie. De Nederlandse kerkhervorming in de 16 e en 17 e eeuw, Utrecht 2012 2 , p. 132

24) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 88, 89

25) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 104

26) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 108

Fotoverantwoording:

a) By Chris06 [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons

b) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0]

c) Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed [CC BY-SA 4.0] via Wikimedia Commons

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2017

In het spoor | 64 Pagina's

Johannes Fontanus (1545-1615): Een ‘Antiek’-SGP’Er! -2-

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2017

In het spoor | 64 Pagina's