Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -4-

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -4-

25 minuten leestijd

In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen over Faber, de priester in Parijs, die tot bekering kwam en reformatorisch ging preken, over Marguerite d’Angoulême (1492-1549), de zuster van koning Frans I. We vernamen dat Frans I (1494-1547) gevangen werd door Karel V (1500-1558) in de slag bij Pavia in Italië en dat Marguerite probeerde om haar broer vrij te krijgen uit de Spaanse gevangenschap en hoe de Sorbonne, het zenuwcentrum van de roomse kerk in Parijs, haar kans waarnam om de vervolging tegen de gereformeerden te verhevigen. Briconnet (1472-1534), de bisschop van Meaux, werd tot afval gedwongen en Louis de Berquin (1490-1529), een prediker van het Evangelie, gevangengenomen.

In dit artikel zullen we zien dat de koning vrijkwam en ervoor zorgde dat verscheidene gevangenen om het geloof, onder wie Berquin, weer vrijkwamen. We zullen vernemen dat Berquin die vrijheid direct waarnam en 12 stellingen tegen de roomse leer schreef en de koning Frans I hem daarin steunde. Maar ook hoe de roomse kerk daarop reageerde en de vervolging weer toenam, toen in Parijs het beeld van Maria beschadigd werd en Frans dat beschouwde als een aanval op zijn waardigheid. Toen was de terechtstelling van Berquin niet meer af te wenden.

Vrijgelaten onder voorwaarden

Tot grote blijdschap van Marguerite werd haar broer Frans in maart 1526 door Karel V vrijgelaten, zij het onder vernederende voorwaarden. Op 14 januari van dat jaar had hij met Karel V het Verdrag van Madrid ondertekend, dat zijn vrijlating tot gevolg had. De belangrijkste voorwaarden waren zwaar, maar hij had geen keus, wilde hij vrijkomen: hij moest een groot bedrag als losgeld aan Karel V betalen, afstand doen van verscheidene door hem overwonnen gebieden en vele Spaanse gevangenen loslaten.

Om ervoor te zorgen dat Frans I, zodra hij weer vrij was, zijn onder ede bevestigde beloften ook waar zou maken, moesten zijn twee oudste kinderen als gijzelaars dienen. Zij werden uitgewisseld toen Frans de grens overstak. Wat zal dat geweest zijn voor de jonge kroonprins Frans (1518-1536), die toen 8 jaar was, en Hendrik(1519-1559), die nog maar 7 jaar oud was. Ze hadden toen hun moeder Claude (1499-1524) al verloren en nu moesten ze naar een vreemd land om daar gevangengezet te worden, zij het wel dat zij behandeld werden als prinsen.

Mede een voorwaarde van het Verdrag van Madrid was dat Frans I moest trouwen met Eleonore, de zuster van Karel V. Daarmee dacht Karel V zijn belangen in Frankrijk veilig te kunnen stellen.

Maar wat had Frans gedaan? Juist vóór de onderteke ning van het Verdrag van Madrid en de eedzwering daarvoor had hij in aanwezigheid van belangrijke Franse hovelingen, beambten en dienaars onder ede gezworen dat hij geen van de eisen van het verdrag zou uitvoeren! Alleen kon hij er niet onderuit om zijn kinderen als gijzelaars ter beschikking te stellen. Na zijn vrijlating hoopte hij die wel weer op een of andere manier terug te krijgen.

Toen Marguerite hoorde dat haar broer vrij was, snelde zij hem tegemoet. Hij kwam over de Pyreneeën Frankrijk binnen met de uitroep: “Ik ben weer koning! Ik ben weer koning!” 2

Zodra Frans weer in Parijs was, begon Marguerite hem weer te smeken graaf Sigismund von Hohenlohe (1485-1534) naar Parijs te laten komen. Dat was volgens haar de man om de Hervorming te leiden. Maar helaas, de koning had geen behoefte aan de volgens hem overdreven beginselen van graaf Von Hohenlohe. Om haar niet te diep te bedroeven zei hij dat Sigismund na de vrijlating van zijn kinderen naar Frankrijk mocht komen. Diep teleurgesteld schreef zij de graaf een brief waaruit echter bleek dat haar hoop toch niet geheel verdwenen was, maar gesteld was op een Ander:

“De begeerte die ik heb om u te zien, is nog toegenomen door hetgeen ik van uw vroomheid en van de bestendigheid der Goddelijke genade in u verneem. Maar, mijn waarde neef, al uw vrienden hebben beraadslaagd dat het om een of andere reden nog geen tijd voor u is om tot ons te komen. Zodra wij daaraan iets zullen gedaan hebben met Gods hulp, zal ik het u meedelen. (…)

Weldra zal de Almachtige ons de genade bewijzen van te voleinden, want Hij heeft ons de genade bewezen van te beginnen. Dan zult gij getroost worden… Dat de vrede des Heeren, die alle aardse genoegens te boven gaat en welke de wereld niet kent, zo overvloedig aan uw hart gegeven worde dat geen tegenspoed het kan bedroeven. Ik heb goede moed voor u, meer om reden van de broederlijke genegenheid, dan om de banden van een vergankelijk vlees en bloed. Maar de andere geboorte en tweede kindwording, ziedaar de wezenlijke en volmaakte vereniging”. 3

Marguerite verdubbelde haar verzoeken aan de koning, maar de koning voegde zijn zuster toe: “Wilt gij dan dat mijn kinderen in Spanje blijven?” 4 Hij was bang dat hij te veel in ongenade bij de roomse geestelijken en de paus zou vallen, te meer omdat zijn kinderen nog gegijzeld waren. Als hij te veel met de Hervorming mee zou gaan, zou het wel eens slecht met zijn kinderen kunnen aflopen. Hij bleef onverzettelijk. Graaf Von Hohenlohe, de leerling van Luther, kwam dus niet naar Parijs.

Henri d’ Albret, de koning van Navarre

Aan het Franse hof bevond zich een jonge man, Henri d’Albret (1503-1555). Hij was een vriend van koning Frans I. Beiden waren gevangengenomen in de slag bij Pavia in Italië. Henri was ontsnapt uit zijn gevangenis. Hun gemeenschappelijk ongeluk en hun beider interesses waren de oorzaak ervan dat Frans en Henri een nauwe vriendschap hadden gesloten. Door overerving was Henri koning geworden van Navarre, een gebied in het zuidwesten van Frankrijk. Het koninkrijk Navarre bestond vroeger uit een gedeelte in het huidige Frankrijk, het Basse (Neder of Lage)-Navarre en een gedeelte in Noord-Spanje en in de Pyreneeën, het Haute (Opper of Hoge)-Navarre (zie p. 100). Het Opper- Navarre was in het verleden op een oneerlijke manier in handen van de Spaanse koning gevallen, zodat Henri nu alleen nog het Neder-Navarre bezat. Wel regeerde hij tegelijk over de Franse provincie Béarn met de hoofdstad Pau en nog een gedeelte in het zuiden van Frankrijk met als belangrijkste stad Nérac. Door zijn vele contacten met zijn vriend, de koning Frans I, kwam Henri ook in aanraking met Marguerite. Hoewel hij ruim 10 jaar jonger was dan Marguerite, begeerde hij haar als vrouw. Eerst had Marguerite geen interesse, maar de liefde werd uiteindelijk door haar beantwoord; zij was immers al enkele jaren weduwe en nog maar 34 jaar. Maar haar broer Frans verzette zich tegen het huwelijk. Hij had andere politieke plannen. Hij wilde Marguerite verbinden aan Hendrik VIII (1491-1547), de koning van Engeland, opdat deze hem zou kunnen helpen om zich op Karel V te wreken. Maar voor deze verbintenis voelde Marguerite helemaal niets en zij liet het haar broer ook blijken. Maar de koning had een belangrijke stem in die tijd als het om een koninklijk huwelijk ging en het leek erop dat Marguerite zich moest onderwerpen. In alle teleurstellingen bracht Marguerite haar zorgen voor de Troon der Genade om geholpen te mogen worden. Tegelijk leefde ze in, het niet waard te zijn dat de Heere naar haar omzag. Zij dichtte:

“O Gij, mijn Koning, mijn Voorspraak, mijn Priester,

Van Wie mijn leven en mijn wezen afhankelijk is.

O Gij Heer’, Die er het eerst van hebt gedronken,

Die weet wat het is (…) dat vergif…, die harde doornen,

Die struiken en alle wonden die zij veroorzaken;

O, mijn Heiland! O mijn Vriend! Mijn Koning!

Bepleit Gij mijn zaak, spreek, ach kom en red mij (…)

Niet één hel, maar duizend miljoenen

Heb ik voor mijn weerspannigheid verdiend (…)

Maar in U werd mijn veroordeling door de wind meegevoerd En mijn zonde werd in U gegeseld (…)”. 5

En mijn zonde werd in U gegeseld (…)”. 5

Zo verzuchtte zij in een van haar klaagzangen.

De gunstige gedachten van de koning

Marguerite bleef bij haar broer pleiten om de gevluchte hervormingsgezinden terug te laten komen en gevangenen te bevrijden. Van lieverlee werd Frans gunstiger gestemd en toen enkele maanden van het jaar 1526 verlopen waren, werden verscheidene andere gevangen hervormingsgezinden vrijgelaten. Michel d’Arande (?-1539), de hofprediker van Marguerite, nam zijn functie weer op. Lefèvres d’Etaples, die we Faber noemden, en de gereformeerde prediker Gérard Roussel, die in Straatsburg verbleven na hun overhaaste vertrek uit Meaux vanwege de val van Briconnet, werden in april 1526 zelfs teruggeroepen door de koning.

“Wat een vreugde! De oude Lefèvre, de vurige Roussel worden teruggeroepen met eer” 6 , zei Erasmus. De Straatsburgers waren bedroefd om hun vertrek, maar de oude Faber voelde zich gelukkig. Hij wilde sterven in het land waar hij geboren was. Er kwam weer hoop onder de hervormingsgezinden. Ze herinnerden elkaar in hun vergaderingen aan de woorden uit Jesaja 35 vers 10: En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden. Faber en Roussel begaven zich tot hun beschermvrouw Marguerite. Zij ontving hen op haar kasteel in Angoulème, waar zij geboren was. Daar voelden zij zich thuis, beter dan aan het Franse hof. Op haar kasteel hield zij met haar geliefde Faber en Roussel vele gesprekken over geestelijke zaken. Zij vertelden haar ook over de voortgang van de Reformatie in Straatsburg en over de broederlijke gemeenschap die zij daar genoten hadden.

Wij waren daar met Guillaume Farel, Michel d’Arande, Francois Lambert, Jean Vedaste, de ridder d’Esch en vele andere evangelischen, (…) verstrooide leden van een verscheurd lichaam, maar één in Jezus Christus. Wij vermeden zorgvuldig alles wat de eendracht onder de broeders kon storen. (…) De vrede die wij smaakten, was geheel bewierookt door de liefelijke geur van de dienst van God”. 7

Zodra de uitgewekenen terug waren, moest er ook voordeel uit hun aanwezigheid worden getrokken ten gunste van de Hervorming. Nee, zich voortaan stilhouden, dat was Gods wil niet. Roussel brandde van verlangen het Evangelie in Frankrijk te gaan brengen. In het begin van juni 1526 begaf hij zich naar Blois, ten zuiden van Parijs, gelegen aan de rivier de Loire. Daar werd hij ook hofprediker op voorspraak van Michel d’Arande. Het kasteel in Blois was een geliefkoosd verblijf van de Franse koningen. Marguerite wilde van deze stad een wijkplaats voor de vervolgden maken. Ook Faber ging er heen op verzoek van de koning, die hem belastte met de opvoeding van zijn derde zoon Charles (1522-1545) en met de zorg voor de bibliotheek van het kasteel.

Zo was de situatie in Frankrijk weer ten gunste van Reformatie veranderd. Het zou niet lang meer duren of het Evangelie zou in Frankrijk regeren, zo werd gedacht en gezegd.

Ook Berquin weer vrij

De mildere stemming van Frans ten opzichte van hervormingsgezinden had ook tot gevolg dat Berquin in november 1526 de gevangenis mocht verlaten. Hij gaf bevel aan de Sorbonne hem vrij te laten en Noël Béda, het hoofd van de Sorbonne, durfde het bevel van de koning niet te weerstaan.

Direct na zijn invrijheidstelling werd Berquin geadviseerd door verscheidene mensen die de Reformatie ter harte ging, maar die het voorzichtig - zonder uit de roomse kerk te gaan - wilden aanpakken. Vooral Erasmus (ca. 1467-1536), die zich afzijdig wilde houden en het midden hield tussen het Evangelie en rome, schreef hem brief op brief om hem te vermanen dat hij zou afzien van het plan om de roomse kerk aan te vallen en dat hij zich afzijdig moest houden.

Het enige resultaat was dat de moed van Berquin verdubbelde. Hij besloot met Gods hulp te proberen Frankrijk te redden uit de handen van de paus en die van zijn handlanger, de man van de Sorbonne, Noël Béda. Hij bedacht dat de Hervorming in Frankrijk niet zonder de wil van de koning tot stand kon komen. Niet dat hij zijn hoop alleen op koning Frans I stelde, nee, hij besefte dat hij alleen met de hulp van de allerhoogste Koning zou slagen, maar als de Franse koning hem ter wille was, zou dit menselijkerwijze gesproken gunstiger zijn.

Hij begon de geschriften van zijn grote tegenstander Béda te bestuderen. Hij haalde er twaalf stellingen uit die hij ketters en strijdig met de Bijbel achtte, en stelde ze aan de Franse koning voor. Hij liet de koning ook zien dat hij zaken gevonden had die tegen zijn regering ingingen. Toen de koning dat zag, liet hij beslag op de geschriften van Béda leggen. De 12 stellingen waren minder belangrijk voor hem, maar een aanslag op zijn regering kon hij niet negeren.

De 12 stellingen van Berquin werden door de koning aan de Sorbonne ter hand gesteld met het bevel ze te laten onderzoeken door de beste leraren van de godgeleerdheid, te toetsen aan de Bijbel en het resultaat hem ter hand te stellen.

De reactie van de Sorbonne

Groot was de verontwaardiging. De verdedigers van het ware geloof, de zuilen van de kerk, werden nota bene van ketterij beschuldigd door een lutheraan, die duizendmaal de schandelijkste dood verdiend had! Zij die anderen vervolgd hadden, moesten nu zichzelf gaan verdedigen!

Berquin schreef verheugd een brief naar Erasmus, waarin hij het geval meedeelde. Maar Erasmus werd door schrik bevangen. Het zou nooit wat kunnen worden, dacht hij:

“Uw tegenstanders zullen hun ongelijk nooit erkennen, waarvan u ze ook beschuldigt. Bedenk dat Béda een draak is met verschillende koppen. U hebt te doen met een ‘onsterfelijke’ vijand. Een faculteit zal nooit sterven. De gunst van de koning is veranderlijk; iemand zal hem beïnvloeden door hem leugens te vertellen”. 8

En:

“Uw pogingen bij de koning zullen slechts dienen om de wespen te verbitteren (…) U zult in uw verwachting bedrogen worden. De bedisten [aanhangers van Béda; CV] beramen een verschrikkelijk complot (…). Neem u in acht! (…) Gij zegt dat de koning u beschermt (…). Vertrouw daar niet op. De gunst van de vorsten is van zeer korte duur. Gij bekommert u niet om uw leven, wel denk dan ten minste aan de letteren en aan onze vrienden, die helaas met u zullen omkomen”. 9

Erasmus wilde helemaal niet tegen de roomse kerk ingaan. En hoe meer Berquin hem trachtte te overtuigen van de waarheid, des te meer trok hij zich terug. Meer en meer werd Berquin in hem teleurgesteld. Erasmus”, zei hij, “bewondert in het Evangelie bepaalde overeenstemmingen met de wijsheid der oudheid; maar hij aanbidt niet daarin de ‘dwaasheid’ van het kruis.” 10 . Maar wat betreft zijn mening over de koning, dat hij niet betrouwbaar zou zijn, de geschiedenis heeft helaas geleerd dat hij gelijk had. De koning veranderde gemakkelijk weer van mening naar dat de situatie zich voordeed. We zullen dat snel weer bemerken.

De Sorbonne ging nog niet op de eis van de koning in, maar besloot krachtige weerstand te bieden. De roomse predikers moesten in hun preken hun gal spuwen over de stellingen van Berquin. Er werd gedreigd met de gevangenis en brandstapel. Zelfs werden zogenaamd geesten opgeroepen uit het vagevuur om de ketterse doemwaardige sekte te overtuigen van de waarheid van de roomse kerk. Nee, Berquin was er nog niet. Hij moest de voetstappen van zijn grote Meester nog meer drukken. Het zou een zware weg voor hem worden, een kruisweg die uit zou lopen op zijn terechtstelling.

Marguerite, koningin van Navarre

Hendrik VIII, de koning van Engeland, bleek geen interesse te hebben in Marguerite, maar in haar vriendin. Anna Boleyn (1501-1539) was degene die hij als tweede vrouw begeerde. Toen Frans I dit vernam, gaf hij uiteindelijk toe dat Henri d’Albret, de koning van Navarre, trouwen mocht met zijn begeerde bruid, Marguerite. Op 24 januari 1527 vervulde een schitterende hofstoet de kapel van het kasteel van St. Germain, ten westen van Parijs. Hier werd het huwelijk van Marguerite en Henri d’Albret gesloten en gedurende acht dagen werden er prachtige ridderspelen en diverse galadiners gehouden. Frans I deed aan het paar de schoonste beloften. “Wees gerust,” zei hij tot Henri, “ik zal de keizer aanmanen, u uw koninkrijk Navarre terug te geven. En als hij het weigert, zal ik u een leger geven om het te heroveren.” 11

De koning zou dus bij Karel V pleiten om teruggaaf van het Spaanse gedeelte van Navarre. Maar het was alles bluf van de koning. Een van de voorwaarden van het Verdrag van Madrid, dat zijn vrijlating uit de gevangenis tot gevolg had, was zelfs dat Frans I Henri d’Albret moest dwingen af te zien van het Opper-Navarre!

Toen Marguerite getrouwd was met Henri d’Albret, namen zij eerst hun intrek in het kasteel van Fontainebleau, ongeveer 65 km ten zuidoosten van Parijs.

Het kasteel was al gebouwd in de 12de eeuw en op last van Frans I uitgebreid.

Het bruiloftsfeest had Marguerite als het ware gelaten over zich heen laten komen. Zij had geen behoefte aan de feesten en eer. Ze schreef aan een vriendin dat de wereld haar niet bekoorde. Toen ze getrouwd was, kwam ze er ook achter dat het humeur van haar echtgenoot niet altijd gemakkelijk was, maar ook dat hij niet veel om de Hervorming gaf, hoewel hij Marguerite nog vrij liet in haar inspanningen voor de Hervorming. Dit deed ze te meer verlangen naar haar geestelijke Minnaar:

“Heere, wanneer zal de zo lang gewenste dag komen waarop ik in liefde tot U getrokken zal worden? En wanneer zal de vereniging met U zodanig zijn dat men mij de gemalin en U de Gemaal zal noemen?

Heere, ik verlang zozeer naar die bruiloftsdag dat ik met geen goed of eer tevreden ben. Ik kan van de wereld geen genoegen noch goed hebben. Indien ik U niet kan zien (…), helaas (…) dan heb ik niets.” 12

Het echtpaar bleef voorlopig op het kasteel van Fontainebleau wonen en de aanwezigheid van Marguerite in de buurt van haar broer was menselijkerwijs gesproken een rem op de vervolging van de hervormingsgezinden. De koning kon de Sorbonne en niet te vergeten kardinaal Duprat, die met Louise de Savoye een grote stem had in de regering van het land, nog enigszins in bedwang houden.

Nieuwe bedreigingen

Koning Frans I dreigde in de roomse val te lopen, want de schattingen die het Verdrag van Madrid hem oplegde, moesten opgebracht worden. Maar de koning had weinig geld meer over na de oorlog in Italië. Waar moest hij het geld vandaan halen? Béda en Duprat boden hem aan het geld te betalen als hij de “doemwaardige en onverdraaglijke lutherse sekte, die sedert enige tijd verborgen in het koninkrijk was ingeslopen, zou uitroeien.” 13

Toen Marguerite van dit aanbod hoorde, beefde zij van schrik. Zij wist niet hoe snel zij zich naar haar broer moest begeven om hem van het vreselijke plan af te helpen. En zij slaagde. De koning had de belofte al gedaan aan de geestelijkheid, het geld gekregen, maar zijn belofte om de luthersen uit te roeien weer ingetrokken. Maar zij had er geen vertrouwen in dat haar broer op den duur de strijd vol zou houden. De tijd zou leren dat zij daarin gelijk had.

Omdat Marguerite in blijde verwachting was van een kind, wilde haar man, Henri, graag dat de geboorte in zijn koninkrijk zou plaatsvinden. Henri was sinds hun huwelijk niet in zijn koninkrijk geweest. Het werd ook tijd dat hij daar orde op zaken ging stellen. In oktober 1527 vertrokken zij en namen hun intrek in het kasteel in Pau, de hoofdstad van Béarn, de winterresidentie van de koning van Navarre. Daar werd op 7 januari 1528 een dochter geboren, Jeanne. Deze Jeanne is meer nog dan haar moeder een voedstervrouw van de Kerk geweest. Zij was van harte de Hervorming toegedaan. Zij zag in dat het onmogelijk was om, zoals haar moeder, in de roomse kerk te blijven. We hopen daar later meer van te vernemen. Zo was het jaar 1527 voor de hervormingsgezinden vol met wederwaardigheden verlopen. Marguerite en velen met haar hoopten nu dat er vele deuren geopend zouden worden om de Hervorming in geheel Frankrijk door te voeren. Nu was de tijd gunstig. Nu zou de Heere Zijn Woord door geheel Frankrijk verspreiden. Dat zou zeker gebeuren, maar de Heere zou dat op een andere manier doen dan de hervormingsgezinden verwachtten. Want Gods gedachten zijn hoger dan de gedachten van mensen. De Hervorming zou wel in heel Frankrijk verspreid worden, maar door het bloed der martelaren.

Een streep door de rekening

In mei 1528 gebeurde er iets in Parijs dat een lelijke streep door de rekening van Marguerite en van vele hervormingsgezinden met haar haalde. Het Pinksterfeest was op 30 Mei 1528 met veel pracht gevierd. Nee, de uitstorting van de Heilige Geest werd nauwelijks herdacht. Het beeld van de heilige Maagd was aangebeden. Dat beeld bevond zich in Parijs in de Rue (straat) des Rosiers. Maria had het Kind Jezus in haar armen. Dagelijks kwamen er vrome mannen en vrouwen in grote getale voor dit beeld neerknielen. Tijdens het Pinksterfeest was dit aantal meer dan verdubbeld. Prachtige namen waren voor Maria verzonnen:

“O, heilige Maagd!

O, bemiddelaarster der mensen!

O, vergiffenis van de zondaren!

Oorsprong der gerechtigheid,

die ons van onze misdaden wast!

Toevlucht van al degenen

die tot God wederkeren!” 14

Zo verblind was het volk in het eren van een mens boven de God van alle leven en zaligheid.

Op maandagmorgen echter kwamen enkele voorbijgangers langs het beeld. En wat bleek? Het hoofd van Maria en van het Kind waren weggenomen en verborgen achter een paar stenen in de buurt. De hoofden werden eerbiedig opgenomen en naar het gerecht gebracht. Als een lopend vuurtje ging het gerucht door de stad en een menigte mensen van alle standen, geestelijken en kinderen verzamelde zich rond het verminkte beeld. Zo’n heiligschennis was nog nooit vertoond! Dat was het werk van de lutheranen.

De reactie van de koning

De koning werd in kennis gesteld van dit feit. Hij zag deze daad als een aanslag op zijn waardigheid en macht.

Dadelijk deed hij wat hij kon om de schuldige te ontdekken. Gedurende twee dagen liepen de stadsomroepers door de straten en riepen:

“Indien men weet, wie dat gedaan heeft, dat men het te kennen geve en het zegge aan het gerecht en aan de koning. [Men] zal hem duizend kronen van louter goud geven. En als de aanbrenger enig kwaad heeft gedaan, zal de koning hem voor alles genade schenken. En dat men zich wel wachte van het te verzwijgen!15

Maar er werd niets gemeld. De koning werd steeds meer vertoornd. Alle huizen moesten doorzocht worden. De roomse kerk liet voortdurend processies houden langs het beschadigde beeld. De koning ging zich persoonlijk op de hoogte stellen van de verminking van het beeld. Te midden van een roomse processie schreed hij devoot langs het beeld en knielde ervoor neer. Hij ontving uit de handen van zijn grootaalmoezenier een nieuw standbeeld van de maagd Maria van verguld zilver en zette dat in de plaats van het beschadigde beeld. Met een waskaars erbij als teken van zijn geloof. Al de omstanders, die onder het geklank van de trompetten voorbijtrokken, plaatsten ook een waskaars en betuigden hun vreugde door de koning toe te juichen: “Leve de koning der Franse lelie en geheel zijn edel verbond!” 16

De Sorbonne en het Parlement zeiden tegen elkaar dat de koning eindelijk zijn verstand had herkregen. Daar moesten ze hun voordeel uit halen. De zojuist ontstoken vlam van de Hervorming van het land leek in één keer uitgedoofd te worden.

De Sorbonne verkondigde dat de verminking van de maagd Maria een samenzwering was, een aanslag op rome, op de koning en de wet van het koninkrijk. Nu zouden alle wetten met voeten getreden worden. Dit was nu de vrucht van de leerstellingen die door Berquin waren verkondigd. Nu was er geen genade meer voor de ketters! En de Sorbonne maakte zich op om een grote slag te slaan onder de door hen zo genoemde luthersen. Dit ging de koning toch te ver. Zo had hij het niet bedoeld. Maar hij kon niet voorkomen dat Berquin voor de vierde maal in de gevangenis werd gebracht.

Het gepeupel van Parijs werd opgezweept en met veel propaganda voor de roomse kerk werd Berquin veroordeeld. Frans I durfde nu niet meer te gelasten tot zijn vrijlating. En Marguerite was verslagen. Berquin zou nu niet meer ontkomen. Zij durfde hem niet te bezoeken, maar zij liet hem enige vertroostende woorden van haar bezorgen. Mogelijk in de vorm van het onderstaande gedicht, waarin zij, alsof zij een gevangene was, zich in een roerende klacht tot de Heere wendde. In ieder geval is dit gedicht van haar op deze situatie zeer toepasselijk.

“O, Toevlucht in de nood, tot Wie men zonder vrezen De vrije toegang heeft! Gij die het recht van de wezen Verdedigt. Schat van troost voor het bedrukt gemoed! ’k Zie mij, helaas, gedoemd om achter ijz’ren deuren, Van grendels wel voorzien, te kwijnen en te treuren; Aan vriend en bloedverwant meedogenloos ontrukt. Maar toch smaak ik de troost dat, hoe ’k ook ben verdrukt

En waar ’k mij ook bevind, het niemand zal gelukken Om U, o Heer’, aan mij of mij aan U te ontrukken.” 17

Tot de dood veroordeeld

Twaalf door het Parlement benoemde commissarissen veroordeelden Berquin tot het openlijk afzweren van zijn ketterse gevoelens en tot levenslange gevangenisstraf, nadat men hem de tong met een gloeiend ijzer zou doorboord hebben. “Louis de Berquin”, zeiden de rechters,

“gij zijt ervan overtuigd het met de sekte van Luther gehouden te hebben en slechte boeken tegen de majesteit van God en van Zijn roemrijke moeder gemaakt te hebben. Wij veroordelen u daarom voor de belediging door u gedaan tot het doen van behoorlijke boete, door met ontbloot hoofd en een toorts van brandende was in de hand op het grote plein van het paleis tot God, tot de koning en tot het gerecht om genade te roepen. Daarna zult gij met ontbloot hoofd te voet naar de Place de Grève gevoerd worden, waar gij uw boeken zult zien verbranden. Vervolgens zult gij gebracht worden voor de Notre- Dame, waar gij u zult verootmoedigen voor God en voor de roemruchte Maagd, Zijn moeder. Waarna men u de tong, dat werktuig van ongerechtigheid waarmee gij gezondigd hebt, zal doorsteken”. 18

Door het horen van dit vonnis bleef Berquin eerst verstomd van schrik, maar kort daarna herkreeg hij zijn spraak. Hij beriep zich toen op de koning. Maar het antwoord van een van zijn rechters was dat wanneer hij zich niet aan deze uitspraak onderwierp, zij zouden zorgen dat hij zich nooit op iemand meer zou kunnen beroepen. Nadat een van de rechters, die hem nog gunstig gezind was, sterk geprobeerd had hem tot afval van de waarheid te bewegen door alleen zijn schuld te erkennen, wankelde hij even. Maar versterkt door Gods Geest, zei hij: “Ik wil liever sterven dan de veroordeling van de waarheid, zelfs al ware het slechts door mijn stilzwijgen, goedkeuren”. 19 Toen was het oordeel van de rechters dat Berquin zijn eigen vonnis geveld had. Hij moest geworgd worden en verbrand op de Place de Grève. 20 Men wachtte tot de afwezigheid van de koning om het vonnis ten uitvoer te brengen, uit vrees dat misschien nog een overblijfsel van toegenegenheid in zijn hart ontwaken zou voor zijn edele dienaar.

Het einde van Berquin

Op 17 april 1529 (er is enig meningsverschil over deze datum) voerden zeshonderd mensen Berquin naar de strafplaats. Het gerucht van de terechtstelling was al door de stad gegaan en men zegt dat er meer dan 20.000 toeschouwers 21 zich rond het plein verzameld hadden. Berquin gaf geen enkele blijk van verslagenheid. De Heere ondersteunde hem. Volgens een ooggetuige leek het dat hij in zijn bibliotheek was om zijn studie voort te zetten of in de kerk om over heilige dingen na te denken. Toen de scherprechter zijn vonnis voorlas, veranderde zijn gezicht niet. Hij klom van de kar af met vaste tred. Het was niet de verdoving van een verhard booswicht, het was de rust, de vrede van een goed geweten en geloof in Zijn Zaligmaker, Die dezelfde weg voor hem gegaan was. Hij wilde tot het volk spreken. Maar men hoorde hem niet, want de monniken hadden een aantal omstanders opgestookt om door hun geschreeuw zijn stem te verdoven. Hij boog zijn knieën en sprak: “Jezus, onze Zaligmaker, Gij hebt voor mij de zeer harde dood geleden, het is dus recht dat ik voor U hem onderga”. 22 Na de strafoefening - hij werd eerst gewurgd en daarna werd zijn lichaam verbrand - moest Merlin, de strafrechter, openlijk betuigen dat er misschien gedurende honderd jaar geen beter Christen in Frankrijk gestorven was.


Noten:

1) De vorige afleveringen van deze serie zijn verschenen in: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 214-224, decembernummer 2016, p. 289-297 en februarinummer 2017, p. 19-27.

2) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming in Europa ten tijde van Calvijn, dl. 1, Rotterdam 1863, p. 266 (hierna Merle 1)

3) F. Génin, Lettres de Marguerite d’Angoulême, Paris. 1841, p. 212

4) Merle 1, p. 267

5) Merle 1, p. 268 (herspeld)

6) Merle 1, p. 273

7) Merle 1, p. 273 (herspeld)

8) P. Bayle, Historical and Critical Dictionary, 2nd Edition, Volume 1, London, 1734, p. 777 note F

9) Merle 1, p. 307 (herspeld)

10) Merle 1, p. 308

11) Merle 1, p. 286

12) Merle 1, p. 286 (herspeld)

13) Isambert, Recueil général des anciennes lois francaises, Tome XII, Partie 1, Paris 1827, p. 298

14) Merle 1, p. 318

15) Merle 1, p. 319 (herspeld)

16) Merle 1, p. 320

17) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming in de zestiende eeuw, dl 3, Stichting De Gihonbron, Middelburg 2011, p. 358 (herspeld)

18) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming ten tijde van Calvijn, dl. 2, Rotterdam 1869, p. 27 (herspeld). Hierna: Merle 2

19) Merle 2, p. 28, 30

20) Merle 2, p. 30

21) George Guiffrey, Chronique du roi Francois I, Paris 1860, p. 76 note.

22) E. Doumergue, Calvijns jeugd, Kampen 1986, p. 284 (herspeld)

Fotoverantwoording:

a) Illustratie C. Verdouw

b) Illustratie C. Verdouw

c) Par Guilhem Vellut from Paris, France [CC BY 2.0] via Wikimedia Commons

Dit artikel werd u aangeboden door: In het spoor

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2017

In het spoor | 64 Pagina's

Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -4-

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 2017

In het spoor | 64 Pagina's