Johannes Fontanus (1545-1615): Een ‘Antiek’-SGP’Er! -3-
In dit derde artikel 1 over ds. Johannes Fontanus willen we in dit herdenkingsjaar van de Hervorming verder stilstaan bij zijn reformatieactiviteiten. Hij heeft als wachter op Sions muren geijverd voor gereformeerd onderwijs, voor het weren van afgoderij, ketterij en openbare zonden en voor het beleggen van een nationale synode om het remonstrantisme de pas af te snijden. Voor hem gold wel in het bijzonder dat het hier op aarde het land der ruste niet is.
Uitgangspunt is het waardevolle boek Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie van A.E.M Janssen en K.G. van Manen 2 , dat een welkome aanvulling biedt op de oudere biografie over Fontanus van de hand van dr. L.H. Wagenaar (1855-1910) 3 . Hoe lezenswaardig de levensbeschrijving van Wagenaar ook is, we hebben deze gereformeerde predikant wel leren kennen als een volbloed kuyperiaan, die ds. Fontanus vanwege zijn reformatiewerkzaamheden in het licht van artikel 36 NGB nogal eens typeerde als een man van zijn tijd en een “der antiek-Calvinisten”. 4 Wie nu nog onverkort achter artikel 36 staat ook wat de praktijk betreft, moge zich met het oog op de nieuwe on-Bijbelse beleidslijn van het SGP-hoofdbestuur in dezen troosten met de gedachte dat er niets nieuws onder de zon is. Maar voor het hoofdbestuur als fiatterende instantie geldt in het bijzonder: Doch wee dien mens door welken de ergernis komt (Matth. 18:7).
Kerkelijk inspecteur
De kerkelijke indeling in classes in het gewest Gelre verliep vanwege de wisselende oorlogsomstandigheden moeizaam. Een classis heeft onder andere als taak de plaatselijke kerkenraden ter zijde te staan en toezicht op hen uit te oefenen. Een zaak die hardnodig was mede gezien de moeizame doorwerking van de reformatie op het platteland. Na de veroveringen van prins Maurits (1567-1625) konden pas vanaf 1592 in Gelre classes gaan functioneren, terwijl dit bijvoorbeeld in Holland al twintig jaar eerder het geval was. Vanaf 1592 tot 1614 ontstonden er zeven classes op Gelders gebied. Met al deze classes had ds. Fontanus als gerespecteerd en vooraanstaand man bemoeienis. Maar ook al vóór deze tijd verrichtte ds. Fontanus met tomeloze ijver heel wat werk. Zeker nadat de Nationale Synode te ’s-Gravenhage hem in 1586 tot inspecteur van heel het gewest Gelre had benoemd, kwam hij vele plaatsen te hulp, hetzij direct hetzij indirect door advies. Veel moest hij reizen, adviseren en improviseren. Bij het ontbreken van een classis moest en kon hij zelfstandig te werk gaan. Zeer veel diensten heeft hij verricht.
Na de instelling van de classes in 1592 werd door de provinciale synode in 1593 voor elke classis een inspecteur benoemd. Ds. Fontanus werd inspecteur van de classis Over-Veluwe (Arnhem). Zoals uit het navolgende zal blijken, deed hij echter zelfs daarna zowel vanuit de kerkenraad van Arnhem als vanuit de classis Over-Veluwe zijn invloed zowel ambtelijk als persoonlijk gedurig gelden in de andere classes, zeker in de tijd vanaf 1611-1612 toen hij met het opkomend remonstrantisme te maken kreeg. Zijn doorgaans goede verstandhouding met de magistraat in Arnhem en het provinciale Hof gaf hem daartoe alle gelegenheid. Men wist hem van kerkelijke zijde om die reden goed te vinden en hij wist die verstandhouding van zijn kant ook goed te benutten. Hier vond menigmaal een goede samenwerking plaats tussen kerk en overheid, geheel in overeenstemming met de belijdenis zoals vastgelegd in artikel 36 van de NGB.
IJveraar voor gereformeerd onderwijs
Vanaf het begin van zijn optreden in Gelderland zette ds. Fontanus zich in voor goed gereformeerd onderwijs. Op twee hoofdproblemen stuitte hij. Verantwoorde onderwijzers en hun salariëring. In 1580 had hij samen met graaf Jan van Nassau (1536-1606) bij plakkaat weten vast te stellen dat de inkomsten van de geestelijke goederen aan de roomse kerk onttrokken werden en voor goede doeleinden als kerk en school (ad pios usus) gebruikt dienden te worden. Kerk, school en gezin dienden een eenheid te zijn. De praktijk was echter weerbarstig. Door de oorlogsomstandigheden en het verzet van de roomsen konden goede rentmeesters door het Gelderse Hof en de Rekenkamer niet of nauwelijks worden aangesteld. Salarissen voor predikanten en schoolmeesters waren daarmee eveneens niet of nauwelijks gegarandeerd. In een brief van 25 september 1580 klaagt ds. Fontanus zijn nood al in deze zaak aan stadhouder graaf Jan van Nassau en blijkt hoe zeer Fontanus in zelfverloochening zich ook voor deze zaak gaf: “De kerken schooldienaren, van wie ik er nu 6 of 7 bij mij in huis gehad heb en deels nog op mijn grote kosten heb, krijgen niets anders dan woorden tot troost.” 5 Dit probleem zou lange tijd blijven spelen.
Ook liet de zuiverheid in de leer, vooral op het platteland, veel te wensen over. Op 29 januari 1582 werd door het Hof van Gelre bij plakkaat bepaald dat alleen de gereformeerde godsdienst in het gewest was toegestaan. Uiteraard viel hieronder ook het schoolonderwijs.
Vanwege de oorlogsomstandigheden kwam er weinig van controle. Pas tien jaar later, in 1592, volgde een onderzoek op bevel van het Hof. Alle geestelijken en onderwijzers van het kwartier van de Over-Veluwe moesten zich in Arnhem melden voor onderzoek. Van 26 tot 28 juni werden zij op de zuiverheid in de leer onderzocht. Op 5 en 6 juli was dit het geval met hen van de Neder-Veluwe in Harderwijk. Sommigen gaven aan de oproep geen gehoor, zoals we gezien hebben bij de pastoor van Nijkerk. 6 Voorzitter van de examencommissie was ds. Fontanus. Dat het onderzoek geen wassen neus was, daarvoor stond de voorzitter garant. Niemand werd bevoegd verklaard. Op twee pastoors na mochten allen echter aan het werk blijven na de ondertekening van een intentieverklaring waarbij toegezegd werd dat zij alle valse leringen zouden tegengaan. In 1601 vond een examen plaats van de classes Over-Betuwe en Tiel.
Weerbarstige praktijk
Op 1 maart 1587 besloot de magistraat van Arnhem twee schoolinspecteurs aan te stellen. Zij moesten de scholen reformeren en controleren. Alleen goedgekeurd lesmateriaal mocht gebruikt worden, de jeugd moest uit de catechismus onderwezen worden en de leerkrachten dienden de leerlingen zondagsmiddags in de kerk te brengen om hen daar de catechismus op te laten zeggen en de catechismusprediking te beluisteren. Indien (roomse) ouders dit laatste weigerden, werden zij herhaaldelijk vermaand. Bij volharding werd hun kinderen de toegang tot de school ontzegd, want niemand “in onze stad, van welke stand en hoedanigheid hij ook zijn mag, moest het recht hebben om zijn kinderen van de catechismusprediking weg te houden tegen Gods gebod en deze onze verordening in”. 7 De geestelijke vader van deze verordening is zeer waarschijnlijk ds. Fontanus geweest. In de praktijk werd bij roomsen waarschijnlijk volstaan met het catechismusonderwijs op school. Uit de acta van de kerkelijke vergaderingen blijkt zelfs dat gedurig gewezen moest worden op de ondertekening door onderwijzers van de geloofsbelijdenis en dat zij lidmaat moesten worden van de gereformeerde kerk.
Dat de praktijk in het gewest niet meeviel, blijkt ook uit de provinciale synode van 1599 te Harderwijk. Onder voorzitterschap van ds. Fontanus besloot deze synode:
“aangezien grote verhindering ten aanzien van het punt van de reformatie wordt vastgesteld en dat met als oorzaak dat er vele goddeloze of onbekwame schoolmeesters en kosters in hun werkzaamheden gevonden worden, zal er bij het Hof op aangedrongen worden dat er een algemeen plakkaat dienaangaande in het hele land wordt gepubliceerd waarin vermeld staat dat voortaan geen paapse of ongedisciplineerde ludimagistri [onderwijzers] en custodes [oppassers] aangenomen worden…”. 8
Soms moest ds. Fontanus van de synode bij de verantwoordelijke persoon of instantie bemiddelen voor de aanstelling van een gereformeerde onderwijzer opdat ouders geen reden zouden hebben hun kinderen naar een roomse school te sturen. Vanwege wanordelijkheden op de scholen werd hij in het jaar 1600 door de kerkenraad van Nijmegen te hulp geroepen. Hij wist van de overheid gedaan te krijgen dat zeven schoolmeesters en een schooljuffrouw zich voor hun gedrag op 7 juli voor de kerkenraad en een afvaardiging van de magistraat moesten verantwoorden.
Op bevel van de overheid volgde op 11 juli in een bijzondere zitting van de kerkenraad de treurige uitslag. Slechts één voldeed in alle opzichten. Eén bezocht meer de herberg dan de kerkdiensten, één kreeg vanwege zijn levenswandel nog een proeftijd van twee maanden, een ander was zonder overheidstoestemming een school begonnen terwijl weer een ander doperse ideeën had en een school wilde beginnen. Dit laatste werd hem streng verboden. De schooljuffrouw had de kinderen geleerd dat de aanroeping van heiligen was toegestaan bij overleden kinderen. Zij erkende haar dwalingen en beloofde de gereformeerde kerkdiensten te bezoeken.
Overigens leidde slechte en onregelmatige bezoldiging er soms toe dat onderwijzers bijbaantjes aannamen. Zij dienden ook wel als koster, voorzanger, doodgraver of klokkenluider. Gevolg was wel dat zij het onderwijs deels aan een oudere leerling overlieten, wat het niveau niet ten goede zal zijn gekomen. In andere gevallen richtte men een bijschool op, waar men dan op verzoek van roomse ouders het catechetisch onderwijs naliet. De provinciale synode van 1598 zag zich verplicht om de kerkelijke gemeenten erop te wijzen dat regelmatige schoolgang noodzakelijk was, en om de stedelijke overheden te manen dat kinderen uit arme gezinnen gratis onderwijs moesten krijgen. Tevens werd aangeraden dat jongens en meisjes vanaf tien jaar gescheiden onderwijs zouden krijgen om onzedelijkheid te voorkomen. Kortom, ideaal is het in de praktijk zeker niet geweest
Voortgezet en hoger onderwijs
Ook het voortgezette en hoger onderwijs hadden vanaf het begin van zijn komst de volle aandacht van ds. Fontanus opdat predikanten en onderwijzers goed in de gereformeerde leer onderlegd zouden zijn. Al in 1580 had de provinciale synode met als voorzitter ds. Fontanus besloten te komen tot een universiteit waarbij de kerkenraad van Arnhem de uitwerking werd opgedragen. Door oorlogsomstandigheden, de tegenwerking van de roomse landadel en de rivaliteit tussen de steden kwam dit punt pas in 1598 weer op de agenda van de provinciale synode. Een jaar later werd onder voorzitterschap van ds. Fontanus op de synode besloten dat de vestigingsplaats Harderwijk zou zijn terwijl op aandrang van Fontanus een rector met naam en toenaam werd voorgesteld. Vanwege wedijver tussen de kwartieren duurde het tot 1647 voordat het tot een volwaardige academie voor het gewest Gelre kwam. Wel kwam er vanaf 1600 een opleidingsinstituut (seminarium ecclesiae et reipublicae) tot stand waarvan Fontanus een invloedrijk curator werd. Ieder half jaar was hij bij de examens aanwezig en had hij zeggenschap over de benoeming van de hoogleraren en de begroting. De provinciale synode van juni 1606, die ds. Fontanus presideerde, drong bij het Hof aan op meer uniformiteit op de Latijnse scho-len in het gewest, die in de voorbereiding op het universitair onderwijs voorzagen. In hetzelfde jaar werd ds. Fontanus samen met anderen door de provinciale synode aangewezen om toezicht op de uitvoering van de betreffende maatregelen te houden. Op de provinciale synode van 1606, waaraan ds. Fontanus weer leiding gaf, werd tevens besloten elke Veluwse stad te verzoeken om twee beurzen voor studenten aan de illustere school van Harderwijk beschikbaar te stellen en bij de andere kwartieren op hetzelfde aan te dringen. Zo konden de steden studenten aan zich binden. In 1611 bepaalde het Hof welke boeken op de Latijnse scholen gebruikt moesten worden.
Kortom, zijn hele werkzame leven heeft ds. Fontanus geijverd voor goed gereformeerd onderwijs.
Verhouding met het Huis van Oranje
Graaf Jan (1536-1606) en ds. Fontanus waren aan elkaar verbonden. Deze verstandhouding berustte vooral op de hartelijke verbondenheid aan de gereformeerde godsdienst. Aan de verdediging en verbreiding daarvan hebben beiden zich volledig gegeven.
Natuurlijk was sinds de keuze van prins Willem van Oranje voor de verdrukte Nederlanden het welzijn van het Huis Oranje-Dillenburg ten nauwste met de afloop van de oorlog verbonden. Sieraden, zilverbestek en meubels waren verpand of zelfs verkocht om de oorlog te kunnen bekostigen. Na het overlijden van zijn moeder Juliana van Stolberg (1506-1580) en zijn vrouw keerde graaf Jan terug naar de Dillenburg om daar orde op zaken te stellen. Hij trouwde opnieuw (13 september 1580) en wel met de dochter van de Godvrezende Frederik de Derde (1515-1576) 9 Cunigonda Jacoba (1556-1586). Wellicht heeft ds. Fontanus hierbij “schriftelijk vanuit Arnhem of zelfs persoonlijk in de Palts” bemiddeld. 10
Hierna meende graaf Jan gezien de benarde positie van zijn eigen land en huis definitief geen gehoor te kunnen geven aan de dringende beden van ds. Fontanus tot terugkeer naar de Nederlanden. Behalve de ontgoochelende ontvangst en behandeling in de Nederlanden alsook de erbarmelijke woonomstandigheden in Arnhem zal hierbij ook de op de hulp van het roomse Frankrijk gerichte politiek van zijn broer prins Willem een rol gespeeld hebben. Hiervan was hij een verklaard en principieel tegenstander.
Zelfs zijn Godvruchtige zoon Willem Lodewijk (1560-1620) 11 , de latere stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, was niet in staat geweest hem tot terugkeer te bewegen, toen hij hem in een brief van 26 november 1580 zeer op het gemoed werkte en hem erop wees dat het welzijn van het hele Huis van Nassau “bijna geheel en al aan deze Nederlanden hangt” 12 en dat graaf Jan na God verantwoordelijk was voor de ondergang van dit land en de daaropvolgende wraak van de vijand in dit land. Graaf Jans besluit stond echter vast. Hij wilde zijn eerste roeping in gezin en eigen land volgen. Op 20 januari 1581 nam hij officieel ontslag als stadhouder.
Blijvende betrokkenheid
Dat nam niet weg dat graaf Jan vanuit Duitsland hartelijk meeleefde. Ds. Fontanus hield hem schriftelijk op de hoogte en rapporteerde over de oorlogsomstandigheden en de vordering van de reformatie, die vaak nauw aan elkaar verbonden waren. Niet alleen goed offerde graaf Jan, maar ook bloed. Hij liet vier zonen in Nederlandse krijgsdienst treden, van wie er drie het leven voor de verdrukte Nederlanden lieten. Zijn vierde zoon graaf Filips (1566-1595) liet het leven in de slag bij de Lippe (bij Bislich aan de Rijn). De begrafenis vond plaats op 22 oktober 1595 in de Grote of Eusebiuskerk van Arnhem en stond onder leiding van ds. Fontanus. Zijn jongere broer Lodewijk Gunther (1575-1604) werd ernstig ziek na de inname van Sluis in 1604 en overleed kort daarop, waarna hij bij zijn broer Filips in de Eusebiuskerk werd begraven. Ernst Casimir (1573-1632), de zesde zoon van graaf Jan, sneuvelde in 1632 tijdens de veldtocht van Frederik Hendrik (1584-1647) langs de Maas. In de kerken van zijn graafschap liet graaf Jan voor de verdrukte Nederlanden bidden.
In een brief uit het jaar 1600 meldde Fontanus aan graaf Jan dat de oorlogssituatie zich ten gunste van Maurits gewend had, en drukte hij de hoop uit dat de Duitse vorsten eindelijk eens wakker zouden worden.
“Mocht het God behagen dat de Duitse vorsten nu wakker werden en zich tegen de antichrist keerden en deze met zo’n beslistheid werd aangepakt dat de vrijheid van de ware godsdienst over de hele Christenheid verbreid werd. Het is daarvoor nu de allerbeste gelegenheid, die wanneer ze verzuimd wordt, zo spoedig niet meer zal terugkomen.” 13
Ten slotte moet nog gewezen worden op de hartelijke zorg van ds. Fontanus voor de vier jonge zonen van graaf Jan die hier hun leven op het spel zetten. Ongevraagd informeert hij graaf Jan over de gedragingen van zijn zonen. Hij ontraadt een studie aan de universiteit Leiden omdat daar een libertijnse geest ingang heeft gevonden. Waarschijnlijk hebben twee zonen enige tijd onder de hoede van het gezin Fontanus verkeerd. Willem Lodewijk verbleef wellicht na zijn verwonding bij Coevorden enige tijd in huize Fontanus. Een verblijf bij ds. Fontanus ligt ook voor de hand bij Lodewijk Gunther, over wiens lichtzinnige levenswandel Fontanus veel zorg heeft gehad. Diens buitenechtelijke zoon heeft Fontanus waarschijnlijk bij zijn dochter en schoonzoon Ellardus van Mehen (1570-ca.1639), predikant te Harderwijk, ondergebracht. Wellicht heeft hij ook het huwelijk van Lodewijk Gunther bevestigd. In elk geval kon hij later graaf Jan meedelen dat Lodewijk Gunther na zijn huwelijk in de voetstappen van zijn vader ging.
Examinator
Op 29 januari 1592 hernieuwde het Hof het plakkaat dat alleen de gereformeerde godsdienst in het gewest Gelre-Zutphen mocht worden uitgeoefend. Zo’n plakkaat was eerder al in 1582 uitgevaardigd, maar vanwege de oorlogsomstandigheden en het grote tekort aan predikanten en onderwijzers was aan een uitwerking ervan in het gewest nauwelijks toegekomen. Toen de oorlogssituatie door de overwinningen van prins Maurits voor het gewest gunstiger werd, bleef het grote tekort aan gereformeerde leidsmannen het probleem. Dit speelde vooral op het platteland. Een onderzoek van roomse geestelijken en onderwijzers kon wellicht uitkomst bieden. Zoals eerder vermeld, vond dit in juni van hetzelfde jaar plaats in Arnhem (kwartier Over-Veluwe) en begin juli in Harderwijk (kwartier Neder-Veluwe).
Onder leiding van ds. Fontanus werden de kandidaten bevraagd over de kennis van de gereformeerde leer, die in 25 punten was samengevat. De uitslag was ronduit schokkend. Geen van de oud-pastoors voldeed. Toch werden zij nog niet aan de kant gezet. Gezien de goede wil en de grote nood besloot de synode tot een praktische oplossing en bepaalde dat zij dertien punten, vooral wat de praktische uitoefening van hun ambt betreft, zonder meer moesten onderschrijven. De Schrift moest als enige norm voor leer en leven erkend worden, de Heidelbergse Catechismus aanvaard, de Wet iedere zondag worden voorgelezen en slechts twee sacramenten volgens de formulieren zonder roomse bijgelovigheden gebruikt worden. Vier pastoors maakten nog een voorbehoud.
Twee maanden laten kon voorzitter Fontanus op de provinciale synode vaststellen dat behalve de pastoor van Scherpenzeel, die ontslagen wenste te worden, bijna iedereen onderschreven had. Zij die nog een voorbehoud maakten en dit bleven doen, zouden ontslagen worden. Zij die niet voor het onderzoek verschenen waren, hadden inmiddels getekend of weigerden ook nu op de provinciale synode te komen zoals de pastoor uit Nijkerk. Overigens achtte de synode het nog geen goede zaak om de aangenomen personen aan alle beraadslagingen op de kerkelijke vergaderingen te laten deelnemen.
In 1598 deed ds. Fontanus op verzoek van de provinciale synode onderzoek naar het vroegere leven van een bekeerde jezuïet die predikant wilde worden. In juni 1600 kwam hij na onderzoek tot de conclusie dat ene Paulus Ceporinus uit Gent ongeschikt was voor het predikantschap, zelfs na drie maanden uitstel ten behoeve van verdere bekwaming. Wanneer het om predikanten ging die zich ontgaan hadden, ging ds. Fontanus vanuit de rechte zelfkennis met geduld en mildheid te werk. Janssen en Van Manen merken op: “In zeker zevenentwintig individuele gevallen heeft Fontanus zich persoonlijk ingezet voor een ontspoorde ambtsbroeder, waarbij hij rigoureuze tuchtmaatregelen trachtte te voorkomen en probeerde met tact en geduld een collega weer op het rechte pad te brengen.” 14
Weren van roomse afgoderij en openbare zonden
In 1594 vroeg de classis Neder-Veluwe ds. Fontanus schriftelijk om bij het Hof erop aan te dringen dat “de papistische papen op het platteland, en in het bijzonder te Putten, Oene, Elspeet en Epe, verwijderd en in hun plaats gereformeerde dienaars weer ingeplant werden”. 15 Op 31 januari 1596 volgde een plakkaat van de stadhouder en het Hof dat pastoors die niet zuiver gereformeerd waren en of in concubinaat leefden en niet wilden trouwen, afgezet en dat alle beelden, altaren, en wijwatervaten enz. verwijderd moesten worden. 16 Met de opbrengst van de stenen konden kansels, banken en (Avondmaals) tafels worden gekocht. In 1599 gaf het Hof nogmaals opdracht om alle roomse overblijfselen zoals altaren, wijwater vaten, sacramentshuisjes uit de kerken, (kruis)beelden, kapelletjes in bossen of op de wegen te verwijderen, waarbij de plaatsen Bennekom, Ede, Lunteren, Scherpenzeel, Barneveld, Hoevelaken, Ermelo, Doornspijk, Elspeet, Nunspeet en Oldebroek met name werden genoemd. Kerkelijke vergaderingen spraken zich uit tegen lijkpredicaties, bloemen en kransen op de lijkkist. Ds. Fontanus stond toe dat de klok voor de begrafenis en als de stoet naar de kerk ging, kort geluid werd en dat een kort woord bij het open graf gesproken werd.
Alle werk moest op de rustdag verboden worden. De markt diende naar maandag verplaatst te worden. In 1596 zond de provinciale synode Fontanus samen met een ambtsgenoot naar de synode van Overijssel om daar op het verbod van ‘lombarden’ (pandjeshuizen, banken van lening) en waarzeggers, wiche-laars, ‘tekenduiders’ en toneelspelers aan te dringen. In 1596 werd een duivelbanster na aangifte van ds. Fontanus door het stadsbestuur uit de stad gezet. Hij bestreed vanaf de kansel ook het dansen en het vieren van Vastenavond. Op aandringen van ds. Fontanus verbood het stadsbestuur van Arnhem in januari 1600 het volgende:
“dat niemand er behagen in zal scheppen om deze Vastenavond of Bacchusdag te vieren, enige ongeregelde gemaskerde spelen of dergelijke heidense, in de Christenheid binnengedrongen misbruiken erop na te houden, noch enige ganzen te paard, te voet, of op het water in of buiten de stad te trekken [een volksvermaak waarbij de kop van een gans werd getrokken die aan een touw tussen twee palen was opgehangen, met blote handen of door het gooien van knuppels, messen of zwaarden, te voet, te paard, per boot of op schaatsen, al dan niet geblinddoekt; PHoptH], hanen te werpen [een volksvermaak, waarbij een op een hoge paal vastgebonden haan met stokken werd bekogeld totdat hij dood was; PHoptH] of dergelijke losbandige spelen hetzij met dansen of anderszins in het werk te stellen…”. 17
Dat het stadsbestuur waarschijnlijk uit eigen beweging ook al oplettend was, blijkt daaruit dat in 1596 bepaald werd dat een predikant die zich in Arnhem wilde vestigen, zich als “een oprecht lidmaat van de gereformeerde religie moest gedragen” 18 en dat de plaatselijke boekverkoper niets mocht drukken zonder dat het stadbestuur ervan wist. 19
Weren van ketterij
De Gelderse synode van 1593 onder voorzitterschap van ds. Fontanus bepaalde met het oog op de overheid in overeenstemming met artikel 36 NGB dat
“het de wederdopers, papisten en alle andere sektariërs met ernst verboden zal worden om geen kerkdiensten [dubbele ontkenning zonder positieve betekenis!; PHoptH] heimelijk of in het openbaar te houden, waarbij inbegrepen is dat zij niemand de Heilige Doop of het Avondmaal toedienen of ook echtelieden aan elkaar verbinden zullen, waaronder mede de doop der wijze moederen [vroedvrouwen] en van verder alle anderen te verstaan is…”. 20
Op dezelfde synode werden enkele pastoors uit het ambt gezet.
In juli 1595 kreeg ds. Fontanus met drie andere collega’s de opdracht een publicatie te onderzoeken waarin het perfectionisme geleerd zou worden.
In 1598 hadden de Staten-Generaal alle gewesten opgedragen alle socinianen uit het land te verbannen. Toen de Franeker hoogleraar Sibrandus Lubbertus (ca. 1555-1625) in 1611 zijn weerlegging van het socianisme publiceerde De Jesu Christo Servatore (Over Jezus Christus als Verlosser) 21 , schreef ds. Fontanus hem brieven waarin hij hem prees voor zijn werk en uiting gaf aan zijn zorgen over de ketterijen in de kerk van Gelre.
In september van hetzelfde jaar deed Fontanus in opdracht van de classis Nijmegen onderzoek naar sociniaanse uitlatingen van ds. Henricus Slatius (1585-1623), predikant te Herveld. Een buitengewone vergadering van de classis sprak na een betoog van ds. Fontanus uit dat het te begrijpen was dat hij onder sociniaanse verdenking stond. Slatius verzekerde daarop de vergadering dat hij het niet met de socinianen eens was, en beloofde beterschap. Later werd hij als remonstrant in 1618 uit het ambt gezet en door de Dordtse Synode uit het land verbannen. Vervolgens nam hij deel aan de samenzwering van Van Oldenbarnevelts zonen tegen prins Maurits, waarna hij in 1623 te Den Haag is onthoofd. 22
Ook verzette ds. Fontanus zich tegen het lutheranisme. In 1583 had Fontanus per brief bij graaf Jan erop aangedrongen dat hij en de andere hoge Duitse edelen zoals paltsgraaf Johann Kasimir (1543-1592), zoon van Frederik III van de Palts, het lutheranisme met zijn ubiquiteitsleer (alomtegenwoordigheid van Christus naar Zijn menselijke natuur) niet behoorden in te voeren in hun gebieden.
In 1605 verzocht de Franse synode de Noord-Hollandse om te onderzoeken of de verzoeningsleer van Johannes Piscator (1546-1625) wel zuiver was. De Noord-Hollandse synode gaf de opdracht door aan de Gelderse, die ds. Fontanus en ds. Wilhelmus Baudartius (1565-1640) daarmee belastte. Een jaar later was na een belofte van Piscator de Franse zorg afgenomen en werd de Bijbelvertaling van Piscator door de Gelderse synode positief beoordeeld.
Vele inspectiereizen heeft ds. Fontanus gemaakt om orde op zaken te stellen en afwijkingen van de zuivere leer tegen te gaan. Zo kreeg hij onder anderen te maken met wederdopers. Het voert te ver hierop nog verder in te gaan. Te vermelden is nog het feit dat de aanwezigen op de classis Over-Veluwe in april 1610, waarvan weer ds. Fontanus voorzitter was, een mede door Fontanus opgesteld formulier aangaande de Heidelbergse Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekenden. Met het oog op het opkomend remonstrantisme is ongetwijfeld het initiatief daartoe van de voorzitter uitgegaan.
IJveraar voor een nationale synode
Ondertussen waren op staatkundig gebied de wapens voorlopig neergelegd. Het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) had zich aangediend. Wel moest ds. Fontanus met groot leedwezen vaststellen dat in deze tijd van de zuivere leer afwijkende meningen hand over hand toenamen en men de kerkorde nogal verschillend uitlegde. De noodzaak van een synode die op beider gebied orde op zaken stelde, stond hem duidelijk voor ogen. Hij zag daarin gezien de door de oorlogsomstandigheden en onderlinge verdeeldheid weinig krachtige kerkelijke vergaderingen voorshands een plicht van de overheid als voedsterheer van de kerk. Een opvatting die geheel in de lijn van artikel 36 NGB ligt. Ter verdediging en uitbreiding van de waarheid heeft hij zich daarvoor dan ook met inzet van al zijn krachten gegeven zoals uit het volgende kan blijken.
Al in 1591, vijf jaar na de laatste nationale synode te ’s-Gravenhage (1586), schreef hij tot tweemaal toe (in februari en mei) aan Arnoldus Crusius (1547-1605), predikant te Delft, over de noodzaak van een nationale synode om de verwarringen door onrechtzinnige leringen in de kerk tegen te gaan. In 1593 klaagde hij zijn nood in een brief van 14 juni aan graaf Jan.
In zijn eigen gewest Gelre was de kerkelijke situatie uiterst bedroevend door de toename van roomsgezinde en libertijnse predikanten en onderwijzers vanwege het wegvallen van oude en het ontbreken van nieuwe Godvrezende, bekwame mannen. In Gelre zijn er maar twaalf of dertien personen die als kerkdienaar kunnen worden aangemerkt. Daarom zijn de verenigde gewesten verplicht elkaar te ondersteunen, wat in een nationale synode die afdoende volmachten van kerkelijke en wereldlijke zijde heeft verkregen, het best geregeld kan worden. Graaf Jan, de keurvorst van de Palts en andere voorname Godvrezende mannen zouden van buitenaf daartoe ook druk moeten uitoefenen op de wereldlijke overheid in de Verenigde Provinciën. Ruim een half jaar later herhaalde hij dit verzoek aan graaf Jan. 23
Iets meer dan twee jaar later, in maart 1596, volgde weer een schrijven naar de Dillenburg. Het zijn libertijnse, wereldlijke overheidspersonen, onder wie met name Van Oldenbarnevelt (1547-1619), die een nationale synode tegenhouden. Graaf Jan zou zich direct tot de Staten-Generaal, stadhouder Maurits en de landsadvocaat Van Oldenbarnevelt dienen te wenden. Lang niet als enige heeft dominee Fontanus getracht de overheid tot een nationale synode te bewegen, maar wel was hij de enige die ook internationale druk daarbij wilde inzetten. De landsadvocaat Van Oldenbarnevelt kwam echter op voor het belang van het eigen gewest en was tevens erastiaan, dat wil zeggen iemand volgens wie het staatsgezag ook over kerkelijke zaken ging.
Voorbereidende vergadering en verdere acties
Na voortdurend aandringen bij de overheid kwam een commissie van zeventien personen 24 in Den Haag bijeen om in opdracht van de Staten-Generaal een rapport uit te brengen over tijd, plaats en werkwijze van een aanstaande synode. Deze commissie (conventus praeparatorius) werd op 26 mei 1607 door de Staten- Generaal ontvangen en benoemde ds. Fontanus op dezelfde dag tot haar voorzitter. Tijdens de besprekingen werden de verschillen heel duidelijk. Over vijf van de acht punten werd men het eens, over drie volgde een minderheidsnota van Jacobus Arminius (ca. 1559- 1609) en Johannes Wtenbogaert (1557-1644) en twee Utrechtse afgevaardigden. Een belangrijk verschilpunt was of men gebonden was aan de catechismus en de geloofsbelijdenis. De meerderheid wilde geen herziening van de belijdenisgeschriften; het was duidelijk dat de anderen leervrijheid wilden en het gezag van een synode niet wilden erkennen. Het rapport werd op 1 juni aan de Staten-Generaal overhandigd. Onder leiding van Van Oldenbarnevelt stelden de Staten- Generaal echter een nationale synode steeds maar uit.
Op 17 oktober 1607 kwamen Fontanus en de zijnen nog informeel in Amsterdam bijeen om te besluiten bij de zuivere leer te blijven en een revisie van de belijdenisgeschriften af te wijzen. Hierop volgde in 1610 een reactie van Wtenbogaert, de zogenaamde Remonstrantie, die aan de Staten van Holland werd aangeboden. De Leidse predikant Festus Hommius (1576-1642) stelde daarop in 1611 een Contra-Remonstrantie op, die vervolgens ook aan de Hollandse Staten werd aangeboden. Sindsdien spreken we van remonstranten en contraremonstranten.
In juni 1610 werden Fontanus en Baudartius door de Gelderse provinciale synode benoemd om samen met afgevaardigden van andere provinciale synoden de Staten-Generaal tot spoed te manen ten aanzien van een nationale synode. In een brief van 8 november 1610 aan de geestverwante predikant van Groningen Johannes Acronius (1565-1627) uit Fontanus zijn zorgen over de kerkelijke toestand. De Staten van Holland heersen te veel over de kerk en dwingen jonge predikanten de Remonstrantie te ondertekenen, terwijl de Staten-Generaal niets ondernemen. Zelfs is op aanbeveling van Wtenbogaert de naam van de sociniaan Conrad Vorstius (1569-1622) als opvolger van Arminius genoemd. Fontanus besloot vervolgens op te treden.
Confrontatie met Van Oldenbarnevelt
Met een machtiging van het Arnhemse provinciaal Hof reist ds. Fontanus in maart 1611 weer naar Den Haag om op 20 april met acht gelijkgezinden uit vijf gewesten een schriftelijk verzoekschrift tot een nationale synode bij de Staten-Generaal in te dienen. Omdat het merendeel van de afgevaardigden in de Staten-Generaal afwezig was, zag men kans een beslissing voor onbepaalde tijd uit te stellen. Nog leggen ds. Fontanus en de zijnen het bijltje er niet bij neer. Op 27 september 1612 overleggen 14 vertegenwoordigers namens de gereformeerde kerken van 6 gewesten met aan het hoofd ds. Fontanus aan de Staten-Generaal een uitgebreid verzoekschrift waarin op het houden van een nationale synode ter voorkoming van verdere verdeeldheid en scheuringen wordt aangedrongen. Alleen een nationale synode met het gezag van de Staten-Generaal achter zich kan gezien de huidige zwakte van de kerkelijke synoden aan de geschillen een einde maken. Al te lang hebben de Staten-Generaal hun instemming daarmee, die al op 15 maart 1606 onder voorwaarde gegeven was, niet waargemaakt. Echter met de voorwaarde van een revisie van catechismus en belijdenis kan men niet instemmen. Na een vurig pleidooi van ds. Fontanus constateerde Van Oldenbarnevelt dat niet alle volmachten van de Gewestelijke Staten in orde waren. De volgende dag zou een beslissing genomen worden.
Ds. Fontanus vroeg daarop een onderhoud met de landsadvocaat aan, dat hem samen met ds. Baudartius en de Amsterdamse predikant Johannes Hallius (1549-1619) werd toegestaan en dezelfde dag (27 september 1612) nog plaatsvond. Dit werd voor deze drie een ontgoochelend twistgesprek. Van Oldenbarnevelt, die in Heidelberg gestudeerd had, was een overtuigd aanhanger van Thomas Erastus (1524-1583) en van de algemene verzoening geworden. Voor hem ging de gewestelijke (Hollandse) soevereiniteit boven alles en had de overheid ook de macht over de kerk. Hij verklaarde dat de oorlog niet gevoerd werd om de gereformeerde godsdienst ingang te doen vinden en te handhaven (haec religionis), maar omwille van de gewestelijk vrij heden (haec libertatis). De drie contraremonstranten waren geschokt. Ds. Fontanus antwoordde: “Maar mijnheer de Advocaat, als dat niet neerkomt op het afsnijden van de zenuw van kerk en staat, dan weet ik niet wat het wel is.” 25
De volgende dag werd hun meegedeeld dat de Staten-Generaal bereid waren tot een nationale synode, maar dat eerst alle vertegenwoordigers een machtiging van hun gewesten moesten overleggen. Uiterst teleurgesteld brachten de predikanten prins Maurits en Willem Lodewijk van een en ander op de hoogte. Fontanus moest constateren dat het heft nu in de handen van de overheid lag en was daarover bezwaard. Hij schreef even later aan Lubbertus dat zij nu geen herders meer over de kudde van Christus waren, maar schapen onder het gezag van de overheid.
Ten besluite
Ongelooflijk veel heeft ds. Fontanus in de dienst des Heeren voor de reformatie van de Veluwe mogen verrichten en betekenen. Uit dit en de voorgaande artikelen moge reeds duidelijk zijn dat artikel 36 NGB voor hem niet slechts een ver gelegen ideaal was, maar hij heeft artikel 36 NGB als Bijbelse norm gehanteerd en ervoor geijverd om daaraan in de praktijk handen en voeten te geven. Van een vorm van godsdienstvrijheid in de huidige betekenis van het woord, waar waarheid en leugen gelijke rechten krijgen, wilde hij niets weten. In het besef van eigen verdorvenheid was hij mild voor zijn in zonde gevallen medemens en in het besef dat Gods Geest vrij en soeverein werkt, beleed hij de gewetensvrijheid. Terecht merkt de neogereformeerde Wagenaar in dit verband op: “Vergeleken bij de roomsen was hij de verdraagzaamheid zelve”. 26 Inquisitiemethoden als pijnbanken, brandstapels enz. ter verdediging en handhaving van het geloof wees hij als een ingrijpen in het terrein van Gods Geest af. Onderwijs uit Gods Woord achtte hij het geëigende middel. De kerkgang, waartoe de overheid als uitwendig dwangmiddel haar onderdanen diende te verplichten, stond daarbij centraal. Hij beleed artikel 36 NGB niet alleen met de mond als een ideaal, maar trachtte met ingespannen krachten aan Gods rechtvaardige eis te voldoen, in de wetenschap dat het hier alles zeer onvolkomen blijft. Een lichtend voorbeeld voor elk mens, maar zeker voor elke SGP’er en niet in de laatste plaats voor het hoofdbestuur, dat wij de genade en de standvastigheid van deze hervormer van de Veluwe alleen maar kunnen toewensen!
Noten:
1) Zie het februarinummer van In het spoor van dit jaar, p. 2-14 en het meinummer van dit jaar, p. 79-90
2) A.E.M. Janssen & K.G. van Manen, Johannes Fontanus. Een Gelders predikant in dienst van de orthodoxie [1545- 1615], Nijmegen 2015, 304 pagina’s (voortaan: Johannes Fontanus)
3) L.H. Wagenaar, De Hervormer van Gelderland, Kampen 1898, 172 pagina’s (voortaan: Wagenaar)
4) Dit begint in deze biografie al op de tweede pagina van de inleiding, die geen paginatelling kent, en zet zich in het hele werkje voort. Zo heet het op pagina 35 “de antieke Calvinisten” en op pagina 66 staat naar aanleiding van het verzoek van de Arnhemse kerkenraad om het verbod van de uitoefening van andere dan de gereformeerde godsdienst de denigrerende opmerking te lezen: “Hier ziet ge de grote man in zijn zwakheid of liever in de zwakheid van zijn eeuw”. Verder op pagina 76: “het antiek-gereformeerde streven” en ten slotte op pagina 168 de “antiek-Calvinist”.
5) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 126. Omwille van de leesbaarheid is het citaat uit het Oudduits door mij vertaald. Waar nodig, zijn voor de leesbaarheid alle verdere citaten eveneens door mij vertaald of herspeld.
6) Zie het meinummer van In het spoor van dit jaar, p. 87
7) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 128
8) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 129. De verklarende woorden tussen vierkante haken zijn van Janssen & Van Manen.
9) Aan deze Godvruchtige keurvorst hebben wij in een reeks van 13 artikelen onder de titel ‘Frederik III van de Palts (1515- 1576): Een voedsterheer van de kerk’ in dit blad uitgebreid aandacht geschonken. Zie het oktobernummer (nr. 4, p. 211-219), het decembernummer (nr. 5, p. 236-247) van 2012, het februarinummer (nr. 1, p. 27-37), het meinummer (nr. 2, p. 79-91), het julinummer (nr. 3, p. 120-130), het decembernummer (nr. 5, p. 241-255) van 2013, het februarinummer (nr. 1, p. 30- 41), het julinummer (nr. 3, p. 135-145), het decembernummer van 2014 (nr. 5, p. 258-277), het februarinummer (nr. 1, p. 9-21), het julinummer (nr. 3, p. 133-149), het oktobernummer van 2015 (nr. 4, p. 243-256) en ten slotte in het februarinummer (nr. 1, p. 25-36) van 2016 van In het spoor.
10) Johannes Fontanus, p. 140
11) Zie over deze stadhouder de artikelenserie van mijn hand onder de titel: ‘Graaf Willem Lodewijk (1560- 1620): Een voedsterheer van de kerk -1- , in: In het spoor, 33 e jrg., nr. 6, 2009, p. 220-230, de tweede aflevering in het februarinummer van 2010 (nr. 1, p. 22-33) en de laatste aflevering in het oktobernummer van 2010 (nr. 4, p. 184-196) van In het spoor. Deze serie naar aanleiding van het lezenswaardige boek van L.H. Wagenaar, Het Leven van Graaf Willem Lodewijk. Een Vader des Vaderlands,”Uz Heit”, Amsterdam z.j., 496 pagina’s.
12) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 139. Zie ook p. 144
13) Geciteerd bij: J.W. Staat Evers, Johannes Fontanus, Arn hem’s eerste predikant [1577-1615] en zijn tijd. Arnhem, 1882, p. 83 (voortaan: Staat Evers). Zie ook: Johannes Fontanus, p. 149, 150 en Wagenaar, p. 160
14) Johannes Fontanus, p. 160
15) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 165
16) Het hele plakkaat staat afgedrukt bij: Staat Evers, p. 68, 69
17) Geciteerd bij: Staat Evers, p. 62. Zie ook: Johannes Fontanus, p. 167
18) Staat Evers, p. 61. Raadsignaat 1596
19) Staat Evers, p. 61. Raadsignaat van 24 augustus 1600
20) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 169. De tweede toelichting tussen vierkante haken is van Janssen & Van Manen.
21) S. Lubbertus, De Jesu Christo Servatore, hoc est, cur et qua ratione Jesus Christus noster Servator sit, Libri quattuor. Contra Faustum Socinum, Franeker 1611, 632 pagina’s
22) Zie: A.Th. van Deursen onder het lemma ‘Slatius’ in: Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, dl. 1, Kampen 1978, p. 345-346
23) Janssen & Van Manen spreken op pagina 199 van “ruim anderhalf jaar later”, maar volgens noot 10 op de vorige pagina en noot 12 op de volgende pagina gaat het maar om ruim een half jaar, namelijk van 14 juni 1593 tot 25 januari 1594.
24) Janssen & Van Manen maken op pagina 203 melding van 14 personen. Dit lijkt mij onjuist, want er waren behalve de professoren Gomarus en Arminius van elke provincie twee afgevaardigden aanwezig. C. van der Woude noemt in zijn werk Sibrandus Lubbertus. Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie (Kampen 1963, p. 152) een commissie van zeventien personen, terwijl G.P. van Itterzon het in Franciscus Gomarus, Groningen-Castricum 1979, p. 114 weer over zestien personen heeft. We houden hier Van der Woude aan die het uitvoerigst over deze zaak schrijft.
25) Geciteerd bij: Johannes Fontanus, p. 215. Zie ook Wagenaar, p. 139
26) Wagenaar, p. 168
Fotoverantwoording:
a) Beeld RD
b) Door Bourdon16 [CC BY-SA 3.0] via Wikimedia Commons (bewerkt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 2017
In het spoor | 60 Pagina's