Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -5-
In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen over Faber (ca 1450-1536), de priester in Parijs, die tot bekering kwam en reformatorisch ging preken, over Marguerite d’Angoulême (1492- 1549), de reformatorische zuster van koning Frans I. We vernamen dat Frans I (1494-1547) gevangen werd genomen door Karel V (1500- 1558) en pas weer vrijkwam na uitwisseling met zijn twee oudste zonen als waarborg voor de uitvoering van het Verdrag van Madrid. Frans I zorgde daarna voor de vrijlating en terugkomst van verscheidene gereformeerden, ook van Louis de Berquin (1490-1529). In het vorige artikel hebben we beschreven hoe dat de vervolging weer toenam, toen in Parijs het beeld van Maria beschadigd werd en Frans I dat beschouwde als een aanval op zijn waardigheid, wat onder andere uitmondde in de terechtstelling van Berquin.
Nu zullen we lezen van de reactie van Marguerite op de dood van Berquin en dat zij in haar hoop op iemand die de Hervorming in Frankrijk zou kunnen leiden, steeds weer beschaamd werd. Ook maken we kennis met het martelarenboek en met een van de eerste Parijse martelaren, Jacques Pavanes, die door genade standvastig is gebleven.
Verder lezen we van het verlies van een pasgeboren zoontje van Marguerite en van het sterven van haar moeder. En dat zij ondanks dat, alles bleef doen voor de Hervorming. Zij was zelfs een predikster aan het hof van de koning. Ook bevorderde zij de Reformatie in het koninkrijk van Navarre, maar ging toch weer terug naar Parijs omdat zij dacht dat zij daar nuttiger kon zijn voor de zaak van de Hervorming.
Marguerites reactie
Toen het treurige nieuws van de terechtstelling van Berquin Marguerite bereikte, dichtte zij als reactie daarop het volgende gedicht:
Het lied der martelaren
“Ontwaak, Heere God,
omgord U met sterkte.
Wreek op alle plaatsen
de dood van Uw kinderen.
Gij wilt dat Uw Evangelie,
in eenvoudigheid steeds
verkondigd wordt door Uw knechten
in kastelen, dorpen en steden.
Geef dan aan Uw knechten
een moedig en sterk hart.
Dat Uw innige liefde
hen de dood niet doet vrezen.
En dat zij door het levend geloof,
tot in de dood,
de haven der redding bereiken,
zoals door U is beloofd.
Maar als hun harten U niet gevoelen
omdat Gij Uw heldere zon verbergt
door verduistering
en ze de werktuigen voor zich zien,
waarmee Uw kinderen gemarteld worden;
Wilt U hun dan kracht geven
en hen troosten
tot in de dood.
Gij zijt hun Leven en hun Alles,
zonder U hebben zij gevoel noch vermogen.
Als het U behaagt met hen te zijn,
dan voelen zij geen leed.
Want zolang zij in U zullen zijn,
zullen zij getroost zijn,
door de vreugde, die zij zullen gevoelen
tot in de dood.
De dood die verslonden wordt
tot overwinning,
om tot U te gaan,
Gij Die hun God en hun Sterkte zijt.
Kom daarom, Heere,
met Uw zoete ondersteuning.
Geef hun tot Uw eer
een blijde dood.” 2
Dit gedicht, het lied der martelaren genoemd, werd op muziek gezet en door velen in die tijd gezongen. Vanzelf dan in het Frans, waardoor de rijm beter is en geschikt is om op muziek te zetten.
Geen hoop meer op een Hervormer voor Frankrijk?
En zo werd de hoop van Marguerite, ja, de hoop van velen dat het Evangelie van vrije genade de overhand zou krijgen in Frankrijk, steeds kleiner. De koning bleek roomser dan gedacht. Marguerite had eerst nog een hoop op haar neef, Sigismund van Hohenlohe (1485-1534) uit Straatsburg, de man met wie we eerder al hebben kennisgemaakt. Maar de koning wilde niet dat hij kwam.
Vervolgens was de hoop van Marguerite en van velen in het land op Louis de Berquin (1490-1529) gevestigd geweest, nadat de koning had bevolen hem los te laten. Was hij het niet die de roomse kerk zou kunnen omvormen tot een kerk die naar de regel van Gods Woord zou handelen? Zijn grote verstand in godsdienstzaken en zijn redekunst was veelbelovend. En nu was hij ter dood gebracht door de woedende roomse wolven in schaapskleren.
Was Gérard Roussel (1500-1550), de hofprediker van Marguerite, soms de man? Hij brandde toch van verlangen het Evangelie in Frankrijk te gaan brengen? Ach, hij wilde wel, maar was te aarzelend, te veel nog gericht op de hervorming van de roomse kerk. Hij zag niet in dat hervorming van de roomse kerk onmogelijk was. Dan zou het gehele roomse systeem in duigen moeten vallen. Nee, Roussel was het ook niet. Hij was niet doortastend genoeg.
En was eerder niet de hoop gevestigd geweest op Guillaume Farel (ca. 1450-1536) met zijn grote kennis en indrukwekkende preken? Maar nee, hij leek toch niet de juiste persoon daarvoor te zijn, althans dat vonden de gematigden onder de vrienden van de Reformatie. Die vonden hem te radicaal. Farel hoopte dat men hem nodig had, en stond gereed om de Reformatie in zijn geboorteland te leiden. Maar er kwam geen vraag uit Frankrijk. Juist toen de koning vrijkwam uit Spanje, vertrok Farel teleurgesteld naar Zwitserland. Zijn eigen landgenoten wilden geen gebruikmaken van het licht en de gaven aan hem geschonken. De Heere leidde hem naar een ander arbeidsterrein.
Was er dan niemand meer overgebleven? Ook Marguerite zag - net als Roussel - niet in dat het ‘binnenhuis’ veranderen van de roomse kerk een weg was die ten koste van de waarheid zou gaan, wat later Calvijn (1509-1564) wel duidelijk heeft ingezien. Ze begreep wél dat de Heere alleen de Hervorming kon bewerk-stelligen. Was Hij Zelf niet de grote Hervormer, de grote Reformator? Zijn werk ging door, al zag Marguerite het niet altijd. Hij had al degene aangewezen die een middel in Zijn hand zou zijn om de Hervorming in Frankrijk in zuivere banen te leiden. Dat was Johannes Calvijn! Maar deze wilde zich graag op de achtergrond houden, totdat het Gods tijd was. Toen kon en mocht hij zich niet meer afzijdig houden. Echter, ook zonder die hervormer waren de gevolgen van de verspreiding van het Evangelie al groot. Ondanks het woeden van de roomse kerk, of misschien moeten we zeggen dankzij het woeden van de roomse kerk, nam de verbreiding van het Evangelie steeds toe. Van lieverlee was een groot gedeelte van Frankrijk in beroering gekomen. Overal werd gesproken over de nieuwe leer. Een nieuwe geest waaide door het land, ja, we kunnen wel zeggen dat de Heilige Geest Frankrijk aan het bewerken was. Daarbij was zelfs het Franse koningshuis nauw betrokken! Dat hebben we in vorige artikelen gezien en we zullen het nog meer bemerken.
Maar… ook de duivel zat niet stil. De roomse kerk schudde op haar grondvesten. Als die ‘nieuwe leer’, zoals ze genoemd werd, niet de kop werd ingedrukt, dan zag het er slecht voor de roomse kerk uit, dan waren de roomse geestelijken hun baantje kwijt en konden ze hun luie leventje niet meer voortzetten! Een Contrareformatie kwam op gang. De roomse geestelijken hielden felle preken tegen de ‘nieuwe leer’. De afvalligen moesten gevangengenomen worden en, als ze niet herriepen, terechtgesteld, opgehangen, verbrand worden!
Het martelarenboek
Er was in Frankrijk een man, Jean Crespin (1520- 1572) geheten, die nauwkeurig optekende wie de slachtoffers waren van de roomse kerk, waar zij van beschuldigd werden en hoe de omstandigheden waren van hun marteldood. Hij heeft die beschrijvingen in 1554 voor het eerst in boekvorm uitgegeven in de Franse taal.
Wij kennen in Nederland ook de Historie der Martelaren, voor het eerst uitgegeven in 1559 door Adriaan van Haemstede (ca 1525-1562), een van de eerste Nederlandse calvinistische predikanten. Vroeger was na de Bijbel dit het belangrijkste boek waar heel veel uit gelezen werd. Bij het samenstellen van dit boek heeft ds. Van Haemstede onder meer gebruikgemaakt van het boek van Crespin.
Hoeveel martelaren zijn er niet geweest in de verschillende Europese landen die door een zware lijdensweg de voetstappen van hun Zaligmaker moesten drukken en de eeuwige heerlijkheid zijn in gegaan? Duizenden, tienduizenden, honderdduizenden? We weten het niet exact. Ds. Adriaan van Haem stede zegt in zijn Historie der Martelaren dat zijn verzameling van beschreven martelaren nog maar een greep is uit de vele duizenden die er geweest zijn. We laten een gedeelte uit de voorrede van zijn boek hier volgen:
“Het is genoeg bekend dat de gelovigen van de vroegchristelijke kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus Christus, aan vele en zware vervolgingen onderworpen zijn geweest, want zelfs de apostelen van Christus hebben uit de Joden en heidenen tot vijanden gehad diegenen die in deze wereld, naar het oordeel van de mensen, de geleerdste, machtigste en uitnemendste waren. Die hebben hen met alle macht en wreedheid vervolgd en uiteindelijk gedood en omgebracht. (…)
En aangezien God wilde dat ook de gedachtenis aan Zijn heilige martelaren onder de mensen behouden zou blijven, zo hebben de oude Christenen niet alleen voor hun gevangen medebroeders in het leven zorg gedragen, maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus gedood waren, hebben zij de gedachtenissen aan deze martelaren levendig gehouden. Omdat zij vast geloofden dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en onsterfelijke leven verreisd en nu waarlijk wedergeboren waren. Ook om zichzelf en hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot een gelijke standvastigheid op te wekken. En opdat de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden geraken, zijn er sommigen geweest die deze schriftelijk te boek hebben gesteld (…).
Maar wat zullen wij zeggen van de verschrikkelijke vervolgingen die in en een weinig voor onze tijd hebben plaatsgehad? Het aantal van de vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren zijn gruwelijk gepijnigd en gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met wat vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken, ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en dergelijke wrede doodstraffen, de martelaren in onze tijd omgebracht zijn? En daarom verdienen zij geen geringe lof die zich benaarstigd hebben dat de gedachtenis van onze martelaren onder de mensen levendig gehouden mocht worden, (…) die de namen van de martelaars (…) en de martelingen hun aangedaan en dergelijke omstandigheden meer tot een eeuwige gedachtenis van hun standvastigheid beschreven hebben en de nakomelingen nagelaten. (…)
Het aantal van hen ‘die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis die zij hadden’ (Openb. 6:9b), is zo groot en ontelbaar geworden dat het door niemand ter wereld kan worden berekend. Waarom ook de namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet opgenomen konden worden, die niettemin in de hemel, in het boek des levens, geschreven zijn.” 3
Ook Frankrijk, ja, misschien wel vooral Frankrijk is getuige geweest van vele martelaren.
Een van de eerste bloedgetuigen: Jacques Pavanes
Een van de eersten die in Frankrijk levend verbrand werd, was Jacques Pavanes (?-1525). Hij was geboren in Boulogne, vlakbij Calais, en was een leerling van Faber. Hij werd beschuldigd dat hij geschreven had dat het vagevuur, de aanroeping van de heilige maagd en van de heiligen en het wijwater allemaal verzinsels van de roomse kerk waren. Hij was, zoals Crespin zegt, een man van grote oprechtheid en degelijkheid. 4
Vanwege zijn ‘laster’ tegen de roomse kerk werd hij in 1524 veroordeeld om levend verbrand te worden op de Place de Grève, het plein voor het Parijse stadhuis. De nog jeugdige Pavanes deed echter in een ogenblik van zwakheid min of meer boete, waarop hij werd vrijgelaten. Maar direct daarna kreeg hij berouw en wroeging dat hij zijn Zaligmaker als een Petrus verloochend had. De Heere liet hem echter niet los. In geschrift en openbaar deed hij toen belijdenis van de waarheid volgens Gods Woord en sprak vooral over de inzetting en het rechte gebruik van het Avondmaal des Heeren. Hij werd weer gevangengenomen. De roomse kerk kende geen genade meer voor hem, maar dat kon hem niet deren. Als hij maar genade ontving van zijn Zaligmaker. En dat mocht hij ervaren. Kalm en zonder vrees ging hij naar de strafplaats. Het was hem gelukkiger te sterven voor de belijdenis van zijn waarachtig geloof dan te leven door zijn geloof te verloochenen.
Aan de voet van de brandstapel sprak hij met zoveel kracht over het teken van het Heilig Avondmaal dat een roomse leraar zei: “Ik wenste dat Pavanes niet gesproken had, al had het de kerk ook een miljoen aan goud moeten kosten”. 5
Het zou kunnen zijn dat het getuigenis van Pavanes voor iemand of meerderen van de toehoorders tot zegen is geweest.
Marguerite weer naar Parijs
Omdat Marguerite hoorde dat haar broer de toenemende vervolging niet tegenging, wist zij niet hoe snel zij vanuit Nérac, het zomerverblijf van de koning van Navarre, waar zij op dat moment verbleef, weer naar Parijs moest gaan om hem over te halen alles te doen om de vervolging te stoppen.
Inmiddels had Frankrijk nog twee vergeefse oorlogen gevoerd tegen keizer Karel V (1500-1558), met grote verliezen voor de Fransen, mede door een besmettelijke ziekte, waardoor twee derde van het leger stierf! Ook zaten de zonen van de koning, Frans en Hendrik, nog steeds gevangen in Spanje. Ze werden steeds slechter behandeld. Het werd hoog tijd dat ze vrijkwamen.
De koning Frans I was ten einde raad. Hij zag wel dat de keizer niet te overwinnen was en daarom werden opnieuw onderhandelingen opgestart. Dit keer door de moeder van Frans, Louise van Savoye (1476-1531), en door Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) als vertegenwoordigster van Karel V. Het kwam tot een vergelijk, wat de Damesvrede van Cambrai genoemd wordt. De zware eisen van het Verdrag van Madrid van 14 januari 1526 werden grotendeels gehandhaafd en Frans I moest verschillende veroverde gebieden in Italië en Vlaanderen loslaten en 2 miljoen Franse kronen betalen. Die werden met veel moeite bijeengebracht door hemzelf en de Franse steden. De Vrede van Cambrai werd gesloten op 24 juli 1529. Het duurde echter nog tien maanden voordat de kinderen werden uitgewisseld. Met de kinderen kwam ook de zuster van Karel V, Eleonora (1498-1558), naar Frankrijk. Het was immers al bij het Verdrag van Madrid bedongen dat zij zou trouwen met de Franse koning. En dat zou, op bevel van Karel V, direct moeten gebeuren, zodra Eleonora de Spaans-Franse grens zou passeren. Daarom begaf in juli 1530 de gehele koninklijke familie, behalve Marguerite, zich op reis naar het zuiden om Eleonora met de kinderen tegemoet te gaan. Op 7 juli 1530 werd het huwelijk gesloten in Bordeaux, in het zuiden van Frankrijk, ver van Parijs.
Vereniging van de Duitse en Franse gereformeerden?
Marguerite was eenzaam achtergebleven in Blois, het koninklijke kasteel ten zuiden van Parijs. Zij was in verwachting van haar tweede kind. Daarom was het voor haar niet mogelijk om de vermoeiende reis naar het zuiden te doen. Haar man, Henri de Navarre (1503-1555), was wel meegetrokken. In haar eenzaamheid gedacht zij aan het belang van Gods Kerk. Zij schreef brieven aan diverse personen die de Hervorming een warm hart toedroegen. Helaas was er ook toen al tussen de Franse protestanten en de luthersen verschil van opvatting over enkele leerstukken. Marguerite verzocht Bucer (1491-1551), de hervormer van Straatsburg, ja, ze beval hem eigenlijk, alles te doen wat in zijn vermogen was om de eenheid te bevorderen. Als Bucer nu eens Luther en zijn volgelingen in Duitsland zou kunnen verenigen met Marguerite en de gereformeerden in Frankrijk, wat zou dat ten voordele van de Hervorming kunnen strekken, zo werd gedacht.
Marguerite deed zelfs zoveel ten gunste van de Hervorming dat de roomse priesters eens verzuchtten:
“Hoe meer koning Frans aan zijn kant werkte om zijn koninkrijk tegen het stijgende water en de overstromingen van de Rijn [de Hervorming uit Duitsland; CV] te beschermen en de loop van de kettervloed te stuiten, zoveel temeer trachtte aan haar kant de koningin van Navarre, zijn zuster, de dammen en dijken te slechten”. 6
Maar Marguerite was steeds met bange gedachten vervuld dat ook na de terugkomst van de koning en zijn twee zonen de vervolging niet getemperd zou worden, laat staan zou ophouden. Frans had Marguerite toch beloofd dat als zijn zonen weer vrij zouden zijn, hij meer kon doen voor de gereformeerden? Maar zij kende haar broer. Hij was menigmaal onberekenbaar.
Gegeven en genomen
Marguerite moest haar inspanningen voor de Hervorming afbreken. Op het kasteel van Blois mocht zij tot haar grote blijdschap het leven schenken aan een zoon, Jean genoemd. Maar zij mochten zich maar korte tijd erin verheugen.
Op Kerstdag 1530 moesten Henri en Marguerite het vijf en een halve maand oude kind weer afstaan aan de dood.
In haar grote droefheid ondersteunde de Heere haar en zij mocht door genade met Job getuigen: De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd (Job 1:21b). Zij liet een Te Deum Laudamus (Wij loven U, o God) zingen in de kerk. Ze mocht geloven dat haar zoon opgenomen was in heerlijkheid. Zij liet het overlijdensbericht bekendmaken met daarbij de woorden: God had hem gegeven, God heeft hem genomen. Zwaar was het verlies. Maar zij mocht getuigen: “Zonder de hulp des Heeren zou de last mij zwaarder geweest zijn dan ik dragen kon”. 7 “Ik smeek u beiden”, zo schreef zij aan haar broer Frans en aan haar moeder Louise, “u te verheugen in Zijn eer, zonder er in het minst om bedroefd te zijn”. 8
Toen haar kind nog maar enkele weken in zijn grafje lag, werd Marguerite bericht dat zij en haar man verwacht werden op het kroningsfeest van Eleonora. Een groter tegenstelling kon zij zich niet indenken. De moed ontbrak haar om de kroning bij te wonen, maar zij kon het haar broer niet aandoen om weg te blijven. Zij begaf zich naar St. Germain-en-Laye, waar op 3 maart 1531 de kroning plaats moest vinden. De kroning van Eleonora vond plaats in het kasteel van St. Germain-en-Laye, waar Frans ook gekroond was.
Eleonora hield van Frans, maar helaas werd die liefde niet door Frans beantwoord. Er kwam bij dat zij de zuster van zijn vijand en streng rooms was en daardoor niet gunstig gezind was ten opzichte van Marguerite en haar pogingen ten gunste van de Hervorming.
Predikster aan het Franse hof
Op het feest voelde Marguerite zich niet thuis. Zij hield zich zoveel mogelijk afzijdig. Bedroefd dacht zij aan het verlies van haar zoontje, maar ook over de moeilijke voortgang van het Evangelie in haar vader-land. Maar nu zij toch op het feest moest zijn, wie zou haar beletten een predikster van het Evangelie te zijn voor verschillende feestgangers die zich om haar heen verzamelden? Die ook meer wilden weten over de ‘nieuwe leer’, over het Evangelie van vrije genade. Mocht zij daar ook iets van de geestelijke Fontein in haarzelf gewaarworden? Naar Wie zij dorstte, om te drinken en gereinigd te mogen worden, zoals zij in een van haar gedichten schreef:
“Tot de zuivere Fontein,
het levende Water,
worden alle zondaars geroepen.
Tot God, het enige Goed,
om waarachtige vergeving
te ontvangen,
door de zuivere Fontein.
Mijn vriend, als u wilt
drinken van dit levende Water,
dan zult u van alle slechtigheden,
waarin u verward zit,
bevrijd worden.
Wees niet gehinderd
door vrees, maar loop
tot de beloofde prijs,
tot de zuivere Fontein
Komt allen om te drinken
van dat levende Water,
voor alle kwalen gezond;
Het is een nieuwe drank
van de zuivere Fontein.
Het is het bloed
van het geslachte Lam,
dat elke smet afwast.
Komt, zonder goud, zonder geld,
tot de zuivere Fontein.
O, kom snel, zondaren,
tot dit Water, zuiver en goed.
Vul hiermee uw harten,
zodat u er door versterkt wordt.
Was hierin al uw zonden af,
waarmee u bent bezoedeld.
Komt, door hemelse liefde vrijgemaakt,
tot het eeuwige leven, 9
tot de zuivere Fontein”. 9
Roepstemmen
De feestvreugde was nauwelijks gestild of deze ging over in een diepe droefheid. Een besmettelijke ziekte waarde rond in Parijs en directe omgeving. Waarschijnlijk de pest. Ook de zwarte dood genoemd. Er stierven in enkele weken circa 50.000 mensen! Juist in die tijd werd Louise van Savoye, de moeder van Frans en Marguerite, door hevige koorts aangetast. Op het ontvangen van dit bericht snelde Marguerite naar haar moeder. Toen Louise iets opknapte, ontvluchtte zij met haar dochter Marguerite Parijs, waar de pest nog heerste, naar een andere plaats, 200 km verderop. Maar haar gezondheid verbeterde niet. Ze werd steeds zwakker. Desondanks hield zij zich steeds bezig met de regering van het land. Frans kreeg allerlei instructies en adviezen voor de regering van het land. Zij bekommerde zich echter niet om haar staat voor de eeuwigheid, hoewel Marguerite haar erop wees wat er nodig was. In vorige artikelen is gezegd dat haar mening ten opzichte van de Reformatie niet duidelijk was, maar meer en meer bleek wel dat ze veel gedaan heeft om de gereformeerden te vervolgen, samen met Duprat, haar roomse raadgever.
De droefheid van Frans en Marguerite was groot, toen Louise op 29 september 1531 het tijdelijke met het eeuwige verwisselde. Met grote staatsie werd zij bijgezet in het graf van de Franse koningshuis, in de kerk van Saint-Denis, een voorstad van Parijs.
Terug naar Navarre
Door alle doorgestane leed was Marguerite aan het eind van haar krachten en zij had behoefte aan rust. Ook haar man wilde weer terug naar zijn koninkrijk Navarre. Frans had zijn belofte ervoor te zorgen dat het Spaanse gedeelte van Navarre voor Hendrik zou worden teruggewonnen, nooit waar kunnen maken. Mede door allerlei omstandigheden was de verhouding tussen de zwagers er niet beter op geworden. In de herfst van 1531 trok Marguerite met haar man naar Nérac. Hun dochter Jeanne (1528-1572) bleef echter onder de hoede van Frans I, die erop stond dat zij in Parijs bleef. Hij had veel met haar op en beschouwde haar als een dochter, maar had ook daarmee weer een politiek doel. Blijkbaar konden of wilden Hendrik en Marguerite het verzoek van Frans niet afwijzen.
Toen ze aankwamen in Nérac, werden zij verwelkomd door een aantal reformatorischgezinden. Marguerite had hun asiel verleend. Zij voelden zich in het koninkrijk Navarre veilig. Ook de inmiddels bejaarde Faber was daar. We hebben voor het laatst van hem gehoord, toen hij in Blois de bibliotheek van de koning Frans I op orde moest brengen en de opvoeding van Charles d’Angoulême, de derde zoon van Frans I, op zich nam. Zijn taak was echter afgerond. Op zijn verzoek had de koning - die hem hoogachtte - hem toestemming verleend om naar Nérac te gaan om daar in het gebied van de koning van Navarre een rustige oude dag te hebben, veilig voor de grijparmen van de roomse geestelijken. Ook de hofprediker van Marguerite, Roussel, was in Nérac en zo kon Marguerite weer vele gesprekken over het gereformeerde geloof houden met gelijkgezinden die - naar het zich laat aanzien - het ware geloof ook deelachtig waren, maar nog wel veel overgehouden hadden van de roomse zuurdesem.
Later verzamelden zich in deze stad Nérac veel gereformeerden, die vanwege de vervolging gevlucht waren. Zij waren daar onder de bescherming van Marguerite. Haar man voelde weliswaar niet veel voor de Hervorming, maar hij liet zijn vrouw in de ontvangst en huisvesting van de hervormingsgezinden geheel vrij.
Hendrik en Marguerite zaten, toen zij in hun koninkrijk waren, niet stil. Nee, er was veel te doen. Grote delen van het land waren nog woest en er werd veel gedaan om het te ontginnen en geschikt te maken tot het verbouwen van graan en andere gewassen. Koning Hendrik begeleidde het ontginningswerk en koningin Marguerite bezocht de armen en voorzag ze van het nodige. Zo probeerden ze in hun hele gebied een zekere welvaart te brengen. Geen wonder dat ze op handen gedragen werden.
Marguerite peinsde er ondertussen weer over hoe zij de Reformatie van Frankrijk kon bevorderen. Zij hoopte dat Frans, nu minder beïnvloed door zijn moeder, voortvarender te werk zou gaan om de Reformatie te bevorderen.
Maar Frans had weer andere zaken aan zijn hoofd. Hij zon op middelen om zich te wreken aan keizer Karel V. Hij had voor hem diep door het stof moeten gaan om zijn zonen vrij te krijgen. Hij had geprobeerd met de Duitse protestantse vorsten een verbond te sluiten, maar daar kwam uiteindelijk niets van.
Luther was fel tegen. Hij vertrouwde de Franse koning niet en ook had hij grote bezwaren de wapens zonder noodzaak op te nemen. Nu zocht Frans I contact met de Engelse koning Hendrik VIII (1491- 1547), die ook met de keizer wilde afrekenen. In 1532 hadden beide koningen in het noorden van Frankrijk een bespreking en zij kwamen overeen om elk 50.000 man op de been te brengen en de keizer aan te vallen. Ook Frans wilde net als Hendrik VIII niet onder toezicht van de paus staan. Wat een schrik veroorzaakte dat onder de roomse landen. Vooral in Italië en niet te vergeten bij de paus zelf. De koning van Frankrijk en de koning van Engeland zouden een grote overwinning kunnen behalen. Wat voor gevolgen zou dit niet kunnen hebben?
Veel politieke zaken gaan we voorbij en we keren terug naar Marguerite, die nog steeds een grote rol speelde in de Reformatie van Frankrijk.
Tot bevordering van de Hervorming
In de winter van 1532/33 keerde Marguerite terug naar Parijs. Haar broer Frans verlangde naar haar en zij verlangde naar haar dochter Jeanne. Hendrik bleef in zijn land om regeringszaken te regelen, maar Marguerite dacht ook in Parijs meer mogelijkheden te hebben om de Hervorming te bevorderen. Zij wilde nu met betrekking tot de Reformatie onder de zegen des Heeren een grote stap voorwaarts doen. Zij liet eerst haar eigen Latijnse gebedenboek uitgeven! Kon dat roomse boek de Reformatie wel bevorderen? Dat hoopte ze van wel. Uit dit boek had zij namelijk alle gebeden tot de heilige maagd en tot andere heiligen uitgesneden. Toen riep ze de biechtvader van de koning Frans I en beval hem dit in het Frans te vertalen en uit te geven. De biechtvader was geen felle roomse geestelijke, hij vond het wel moeilijk, maar durfde de zuster van de koning niet te weigeren. Het boek werd in 1533 uitgegeven onder titel: Heures de la Reyne de Navarre (Uren met de koningin van Navarre). Helaas is het niet terug te vinden, ook niet digitaal, om te zien wat dit boek precies inhield. Daarna nam zij een beslissing die nog veel belangrijker was en groot opzien baarde in Parijs. Maar daaraan hopen we Deo volente de volgende keer aandacht te schenken.
Noten:
1) De vorige afleveringen van deze serie zijn verschenen in: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 214-224, decembernummer 2016, p. 289-297, februarinummer 2017, p. 19-27, meinummer 2017, p. 96-105
2) Marguerite de Navarre, Les Marguerites de la Marguerite des Princesses très Illustres, Lyon 1547, p. 508 (hierna: Marguerite de Navarre)
3) De Historie der martelaren, Leiden 1747, voorrede, z.p. (herspeld)
4) Jean Crespin, Histoire des Martyrs, vol. 1, Toulouse 1885, p. 263
5) Bibliothèque Chretienne online, http://www.regard.eu.org/ Livres.14/Portraits-recits_huguenots/07.php; G.de Félice, Ontroerende Geschiedenis van de Protestanten in Frankrijk, Schiedam 1853, p. 33
6) Florimond Remond, Opgang, voortgang en nedergang der ketteryen dezer eeuwe, Antwerpen 1690, 3de boek, p. 203 (herspeld)
7) F. Genin, Lettres de Marguerite d’Angoulême, Reine de Navarre, Paris 1841, p. 269, note
8) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming ten tijde van Calvijn, dl. 2, Rotterdam 1863, p. 48
9) Marguerite de Navarre, p. 505-508
Fotoverantwoording:
a) © Pau, Musée de Pau, © Direction des musées de France, 2009
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juli 2017
In het spoor | 60 Pagina's