Door Het Licht Dat Nu Ontstoken Is -8-
In de vorige nummers 1 hebt u kunnen lezen over de opkomst van de Hervorming in Frankrijk. Hoe die bevorderd werd door Marguerite, de zuster van koning Frans I. We lazen over de macht van de roomse kerk in Parijs, over verscheidene martelaren die om het geloof verbrand werden en over een pamflettenstrijd die in Parijs losbrandde voor en tegen de Hervorming. Maar ook hoe de Heere Johannes Calvijn voorbereidde om de hervormer van Frankrijk te worden, hoe hij tot bekering kwam en hoe zijn vriend Nicolas Cop (1501-1540) als rector op de Parijse Universiteit een reformatorische rede hield. Als gevolg hiervan moest hij vluchten om zijn leven te redden. 2 Maar ook Calvijn was niet meer veilig in Parijs. Hij vertrok naar Angoulême, waar hij in het huis van een studie vriend Louis du Tillet (1509-?) voorlopig veilig was.
In dit artikel beschrijven we het verblijf van Calvijn in het zuiden van Frankrijk en hoe hij daar het Evangelie verkondigde. Daar heeft hij ook een oude bekende ontmoet, Faber, die een schuilplaats gevonden had bij zijn weldoenster, Marguerite de Navarre, in het koninkrijk Navarre, waar ook zij bezig was de Reformatie te bevorderen. Ook vernemen we dat Calvijn de roomse kerk definitief de rug heeft toegekeerd door te bedanken voor zijn rechten die hij nog had in de kerk van zijn geboorteplaats Noyon.
Behoefte aan rust
Calvijn had behoefte aan afzondering en rust. In het huis van Louis du Tillet voelde hij zich gelukkig tussen de vele boeken van zijn vriend. Een uitspraak van hem was: “Nooit gevoel ik mij minder eenzaam dan wanneer ik alleen ben.” Hij hield van de afzondering. Hij noemde zijn verblijf zijn ‘Doxopolus’, stad van heerlijkheid. Daar zou hij zijn leven lang in kunnen verkeren. Hij roemde ook de gastvrijheid van zijn vriend Du Tillet.
Vanuit Angoulême schreef hij in maart 1534 aan François Daniël (?-?), een studievriend uit Orléans:
“Zelfs de luiste en traagste mens moet wel door de vriendelijkheid van mijn beschermer tot werken worden aangezet. Deze vriendelijkheid is zo groot dat ik wel begrijp dat zij eigenlijk meer mijn studie dan mijn persoon geldt. (…) Wanneer het mij vergund zij deze tijd van ballingschap of eenzaamheid in zulk een rust door te brengen, dan zou ik mij zeer gelukkig gevoelen. Maar daarvoor zal de Heere zorgen, Wiens voorzienigheid alles beter regelt dan wij denken. (…) Toen ik mij voorstelde dat alles rustig was, stond er iets voor de deur wat ik allerminst had verwacht. Aan de andere kant echter, toen ik dacht aan een afschuwelijke verblijfplaats, werd mij boven verwachting een veilig nest bereid. In dit alles is de hand des Heeren. Indien wij ons aan Hem toevertrouwen, zal Hij Zelf voor ons waken. Maar nu is de brief toch bijna vol, deels met verstandige, deels met onverstandige woorden.
Vaarwel! Groet hen die ge wilt.
Geschreven uit de Acropolis.” 3
We bemerken uit deze brief hoe schuchter Calvijn was en hoe laag hij door genade van zichzelf dacht. Hij wilde graag in alle stilte zijn weg gaan, maar de Heere had wat anders met hem voor. Daar zou hij snel achter komen.
De smederij van de godsdienst
Calvijn bracht zijn dagen door met het bestuderen van de vele boeken uit de boekenkast van Louis. Het gebeurde wel dat hij de nachten zonder slapen en de dagen zonder eten doorbracht. Al studerend vormde zich in zijn hoofd een grootse gedachte. Zijn broeders werden door het parlement beschuldigd van voorgewende ketterijen en zelfs daarom verbrand. “Moet ik zwijgen”, zei hij, “en zo aan de roomse vervolgers aanleiding geven tot het veroordelen van een leer die zij niet kennen?” Waarom zouden de hervormden niet een belijdenis hebben die zij hun tegenstanders konden aanbieden? Hij had bij het doorzoeken van de bibliotheek van Du Tillet boeken gevonden die in het bijzonder betrekking hadden op het lijden van hervormingsgezinden. Hij zag hoe er vroeger apologieën waren aangeboden aan keizers. Waren de hervormingsgezinden niet verplicht een dergelijk verdedigingsgeschrift aan Frans I aan te bieden? En zo vormden zich in zijn hoofd al gedeelten van dit geschrift wat later de Institutie zou worden. In Angoulême heeft hij het begin gemaakt van de omschrijving van deze Christelijke leer der waarheid. Later riep een van de vijanden van de Hervorming uit met het oog op het huis met de vele boeken van Du Tillet, waar Calvijn gebruik van gemaakt heeft:
“Daar is de smederij waar deze nieuwe vulkaan de bliksemen op het aanbeeld smeedde die hij van toen af naar alle zijden slingerde. (…) Ziedaar de werkplaats waar hij begon de netten te knopen die hij vervolgens wijd uit heeft gespannen om de eenvoudigen te verlokken en waaraan men niet dan met grote bekwaamheid ontkomt. Daar weefde hij het web van zijn ‘Institutie’, die men de Koran of de Talmud der ketterij kan noemen.” 4
Pierre de la Place
Langzamerhand vertoonde Calvijn zich meer in het openbaar. Hij had als schuilnaam Charles d’ Espeville aangenomen om zijn achtervolgers op een dwaalspoor te brengen. Ook de mensen in zijn omgeving kenden hem niet anders dan onder deze schuilnaam.
Zoals in het vorige artikel vermeld, verbleef hij ook wel in het buitenverblijf van Louis du Tillet. Daar was ook een wijngaard bij die later de Calvine werd genoemd.
Omstreeks die tijd werd de kleine kring waarin Calvijn zich bewoog, groter. De broer van Louis, Jean du Tillet, later bisschop van Meaux, kwam ook naar Angoulême. Hij was onder de indruk van de kennis van Calvijn en was niet bij hem weg te slaan. Net als zijn broer Louis gaf Calvijn ook hem les in het Grieks. Hij leerde hen tegelijk het Griekse Nieuwe Testament lezen.
Na een paar weken verzamelden zich steeds meer mensen rond Calvijn, zowel eenvoudigen als aanzienlijken. Steeds gingen de gesprekken met Calvijn over Gods Woord en de verklaring ervan. Voor allen was dit nieuw, leerzaam en boeiend. Nooit had de pastoor hen hierover onderwezen.
Voor een van hen, Pierre de la Place (±1520-1572), werden de gesprekken met Calvijn gebruikt tot ontdekking aan zijn staat voor de eeuwigheid. Hij schreef Calvijn later een brief, waarin hij het in herinnering bracht:
“Nooit zal ik vergeten hoe zeer uw gesprekken mij beter hebben gemaakt, toen wij samen te Angoulême waren. O, wat zal ik u in dit sterfelijk leven vergelden voor het onsterfelijk leven dat ik toen heb ontvangen?” 5
Deze Pierre de la Place is op de tweede dag na de beruchte Bartholomeusnacht van 23 op 24 augustus 1572 omgekomen.
‘Laat ons de waarheid vinden’
Dat Calvijn niet meer onbekend was in Angoulême, werd ook door de roomse geestelijkheid opgemerkt. Met argwaan werden de handelingen van Calvijn en zijn vrienden gadegeslagen. Maar niet door iedere roomse geestelijke. Antoine Chaillou (?-?) was prior van Bouteville, een abdij in de buurt van Angoulême. Hij wenste dat de eenvoudige samensprekingen van Calvijn met zijn vrienden meer openbaar zouden worden, zodat ook anderen mee konden luisteren. Antoine Chaillou bewoonde het kasteel van Gérac in de buurt van Angoulême, dat meer afgelegen was, zodat er geen argwaan gewekt werd. Hij vroeg Calvijn en zijn vrienden bij hem te komen, dan zou hij zorgen dat ook de vrienden en bekenden van Chaillou erbij kwamen.
Calvijn aarzelde. Hij hield wel van de eenzaamheid en sprak weinig in gezelschap, maar de gedachte het Evangelie te kunnen brengen gaf de doorslag. En zo verscheen hij op zekere dag te midden van de gasten van de prior van Bouteville.
Hij legde Gods Woord uit en zei: “Laat ons de waarheid vinden!” Deze uitspraak was Calvijn gewoon te gebruiken. Want waar ging het uiteindelijk om, ook bij deze besprekingen? De waarheid volgens Gods Woord moest verkondigd worden. Ook bracht Calvijn soms geschreven bladen mee, waar hij zijn gedachten over de waarheid opgeschreven had. Deze las hij voor en besprak ze met de aanwezigen. En zo groeide ook het boek dat hij eens uit zou geven, de Institutie.
Calvijn was zich er diep van bewust dat de waarheid alleen gevonden kon worden als Gods Geest erin meekwam. En die Geest kwam in de raderen, daar zijn verscheidene getuigen van.
Het Brood des levens
Weldra vroegen de vrienden zich af of het Brood des levens niet in een grotere kring gebracht kon worden. Kon Calvijn niet in kerkgebouwen voorgaan, zodat het Evangelie onder velen verkondigd kon worden? Helaas was dat nog te gewaagd. Calvijn in de roomse kerk te midden van de beelden het
Evangelie brengen? Nee, daar was de tijd nog niet rijp voor. Maar er was misschien een andere oplossing: “Maak ons korte Christelijke toespraken”, zei een vriend, waarschijnlijk Chaillou, “en wij zullen die geven aan welgezinde pastoors, die ze dan in de preek zullen voorlezen.” 6 Dat deed Calvijn en zo werden zijn Evangelische opstellen van de kansel afgelezen door roomse geestelijken! Calvijn preekte Gods Woord dus door de mond van de priesters aan arme landbewoners.
Dit moedigde met name de prior van Bouteville aan om Calvijn te verzoeken in het Latijn te preken in de kerk. Die taal zou in de kerken geen ergernis verwekken. En Calvijn, die overtuigd was dat de Hervorming moest beginnen met het onderwijs van de priesters, hield enige Latijnse redevoeringen in de Sint-Pieterskerk, de kathedraal van Angoulême.
Zo werd het Evangelie langzamerhand door Calvijn verspreid in de omgeving van Angoulême. Het was te begrijpen dat dit alles meer en meer bekend werd en een doorn in het oog van de getrouwe aanhangers van rome was. Zij beklaagden zich over Calvijn en over de prior, over al zijn vrienden. En die tegenstand dreigde gevaarlijk te worden. Een roomse schrijver verzuchtte dat het verblijf van Calvijn in Angoulême
Frankrijk groter schade berokkend heeft dan ooit de saracenen, de Duitsers, de Engelsen en het Oostenrijkse huis hebben gedaan.
Gods werk ging door in de hervorming van het Franse volk, ondanks alle tegenstand. Terwijl getracht werd de Hervorming in het noorden van Frankrijk te onderdrukken, breidde zij zich uit in het zuiden, waar velen - in het bijzonder in de streken die aan de Pyreneeën grenzen - tot bekering kwamen. Uit andere landen kwamen er ook predikers het Evangelie brengen. Een roomse schrijver getuigt dat gehele buurten en dorpen verleid werden door het horen van één enkele predicatie.
Het eenvoudige werk van Marguerite
In die tijd was Marguerite ook van Parijs naar haar koninkrijk Navarre teruggegaan. De situatie in Parijs na het uitspreken van de reformatorische rede van Nicolas Cop op Allerheiligen was er voor de gereformeerden niet beter op geworden. Marguerite had ook behoefte aan rust. Het hofleven in Parijs en alles wat er aan verbonden was, kon haar niet bekoren. Ze walgde er soms van. Dat bracht haar tot het volgende gedicht over de ijdelheid van de genoegens aan het Franse hof en de noodzakelijkheid van het werkelijke genoegen in de Heere alleen:
“Ga heen, voor eeuwig ga heen,
Leven van vermaak,
Spel van genoegen,
Vol eer en rijkdom rondom,
Zonder de werkelijke Zon te zien.
Maar ik heb er de dood in gevonden
En wil het nooit meer terug.
Ga heen!
Ga heen, voor eeuwig ga heen;
Ga heen voor altijd, het vermaak
Dat de ziel in de verdoemenis brengt.
Ga heen, verlangen naar al het goede,
Dat alleen maar beproeving geeft.
Ga heen, verlangen naar eer,
Die het hart doet branden als vuur
Ga heen!
Ga heen, voor eeuwig ga heen.
Ik wil niets meer van u weten
Noch nieuw vermaak hebben
Dan de band met mijn Echtgenoot
Als mijn Eer en mijn Goed
Het is door het geloof alles wat ik wens
Dat wil ik nooit meer verlaten.
Ga heen!
Vaarwel, voor eeuwig vaarwel
O ziel, die naar rust verlangt,
Heb het genoegen, het goed en de eer
Om een Vader en Echtgenoot te hebben,
Als zijn God, zijn Christus en zijn Heere.
Gestorven in Adam en nu van harte
Wil ik Hem prijzen, overal.
Vaarwel!
Vaarwel, voor eeuwig vaarwel
Vaarwel, denk er nooit meer aan
Terug te keren in uw oude huis.
Want het behaagt Christus
Het te werken zonder ophouden.
Hij is de Heere, de Oorzaak
Dat u eruit bent getrokken.
Vaarwel!” 7
Twee draagkoetsen met zes muilezels, sommige met koffers beladen, en drie à vier wagens voor de vrouwen van het gevolg van de koningin waren er nodig om haar naar haar paleis, het kasteel van Nérac, te brengen. Zij hield van het eenvoudige volk en kleedde zich ook eenvoudig. Daar voelde zij zich gelukkig, verlost van de pracht en praal van het Franse hof.
Maar haar komst had ook een ander doel. Zij had zich voorgenomen de Reformatie in de zuidelijke streken van Frankrijk te bevorderen. Onvermoeid was zij in het uitdenken van mogelijkheden om het Evangelie te verspreiden. Zij zond colporteurs uit die de huizen binnenkwamen onder het voorwendsel aan de vrouwen sieraden te willen verkopen. Zij boden Nieuwe Testamenten aan die met een mooie letter gedrukt waren, rood onderstreept, prachtig gebonden en verguld op snede, zodat een geschiedschrijver zegt dat alleen al het zien van deze boeken de begeerte opwekte om ze te lezen. Veel sprak zij met verschillende vluchtelingen, bekeerde monniken en priesters die bij haar in Nérac een veilige verblijfplaats kregen. Ook de oude Faber en Gérard Roussel verbleven er.
Hinken op twee gedachten
Marguerite richtte ook scholen in de omtrek op. Roussel leerde daar de kinderen lezen en schrijven. Het Evangelie werd op die manier meer en meer verspreid, maar inmiddels weten we dat zowel Marguerite als Roussel, haar leraar en hofprediker, steeds aarzelden om geheel met de roomse kerk te breken. Zij wilden de kerk wel reformeren, maar geen afscheid ervan nemen. Er bestond volgens Calvijn een zekere stilzwijgende overeenkomst tussen de waarheid en de dwaling. En dat was te merken in het onderwijs van Roussel. Hij was vermoeid van de strijd die hij moest voeren, en zocht min of meer bescherming onder de mantel van de roomse kerk. Hij deed wel geen gebeden aan de heilige Maagd en bediende het Avondmaal volgens de Bijbelse voorschriften, maar toch vierde hij ook een soort mis. Zo hinkte hij op twee gedachten. En Marguerite en Faber waren daar ook niet vreemd van. De Heere heeft ze weliswaar beiden gebruikt tot uitbreiding van Zijn Koninkrijk. Maar Hij heeft Calvijn gebruikt om de leer in zuivere banen te leiden.
De oude en de jonge reformator
Nérac lag niet ver van Angoulême, waar Calvijn verbleef. En Calvijn kende zowel Faber van zijn geschriften als Roussel uit de tijd dat hij in Parijs was. Hij wist dat beiden een middel in Gods hand waren om de Reformatie te bevorderen. Het verwondert dan ook niet dat Calvijn hen eens wilde bezoeken. Hij wilde Faber, die al op hoge leeftijd was, graag spreken en hij was ongerust over Roussel. Hij vreesde dat deze zou bezwijken voor de verleiding van de grootsheid des levens in de roomse kerk. Graag zou hij willen proberen hem de goede weg te wijzen, hem geheel af te brengen van de roomse afgodendienst. Daarom reisde Calvijn naar Nérac, toch altijd nog zo’n 200 km lopen met 1500 m hoogteverschil. Wat heeft Calvijn grote afstanden afgelegd om bij zijn doel te komen!
Waarschijnlijk eind februari 1534 kwam Calvijn aan in Nérac en begaf zich direct naar Roussel. Na zijn aankomst waren ze spoedig in diep gesprek gewikkeld. Roussel en hij waren eigenlijk twee tegenpolen. De meest gematigde stond tegenover de meest besliste. De schroom die Calvijn steeds had, zeker om belangrijke personen in het openbaar te ontmoeten, werd minder als het om de waarheid ging. Dan móest hij spreken! Recht op zijn doel afgaande probeerde hij Roussel ervan te overtuigen dat er in de roomse kerk niets goeds was overgebleven. Daarom moest deze kerk hersteld worden in haar aloude zuiverheid. 8
Maar Roussel sprak hem tegen: “Gods huis moet ongetwijfeld gezuiverd, maar niet omvergehaald worden”. “Onmogelijk”, zei de jonge hervormer, “het gebouw is zo slecht dat geen herstel mogelijk is. Wij moeten het geheel en al afbreken en een ander in de plaats oprichten.” Roussel, verschrikt, riep toen uit: “Wij moeten de kerk zuiveren zonder die in brand te steken. Als wij proberen haar af te breken, zouden wij gevaar lopen onder de puinhopen te worden verbrijzeld.” 9
Roussel was niet van zijn standpunt af te brengen. Bedroefd vertrok Calvijn. Roussel bleef de roomse kerk trouw. Later werd hij door Marguerite zelfs aangesteld tot bisschop van het bisdom Oléron ten westen van Angoulême. Een gebeurtenis waarop Calvijn, toen het hem ter ore kwam, direct een brief schreef aan Roussel, waarin hij hem in felle bewoordingen het vuur na aan de schenen legde, dat hij rekenschap moest afleggen van zijn daden tegenover de hemelse Rechter:
“De trompet aan de mond, gij die de wacht houdt! Te wapen, herder! Waarom wacht gij? Wat meent gij? Is het tijd om te slapen? (…) Ongelukkigerwijs moet gij aan de Heere rekenschap geven van de dood van zoveel mensen! Zo dikwijls zijt gij een doodslager, zo dikwijls schuldig aan het bloed waarvan er geen druppel zijn zal die de Heere niet, de een na de ander, van uw hand zal eisen.” 10
Bij Faber
Bedroefd kwam hij ook bij Faber die na zijn werk in de koninklijke bibliotheek in het kasteel van Blois zich niet meer veilig voelde en ook in Nérac onder de hoede van Marguerite een veilige schuilplaats op zijn oude dag gevonden had. Calvijn had nog les van hem gehad, toen hij in Parijs op het College de Montaigu zat. Nu was Faber oud geworden. Over zijn leeftijd wordt verschillend gedacht. De een zegt dat hij geboren is in 1435, zodat hij bij het bezoek van Calvijn 99 jaar oud was. Maar anderen hebben het over 1455 als geboortejaar. Hoe het ook zij, hij dacht dat zijn einde niet ver meer was. Hij was wel veilig nu, maar had geen rust. Hij was diepbedroefd dat hij het martelaarschap ontlopen was door te vluchten voor zijn bloeddorstige roomse vervolgers. Hij was niet eerlijk voor het Evangelie uitgekomen. Hij zag nog niet volledig in dat hervorming van de roomse kerk ijdele hoop was. Wel was hij blij Calvijn nog te ontmoeten voordat hij zou afreizen. En zo gebeurde het dat Calvijn als nieuwe hervormer van Frankrijk, voor Faber stond als de hervormer van het eerste uur.
Calvijn toonde hem aan dat men alles van het Woord en de genade Gods moet verwachten. Faber, die diep bewogen was, begon te wenen. ,,Helaas!”, zei hij, “ik ken de waarheid, maar ik ontwijk degenen die haar belijden.” Daarna herstelde hij zich van zijn ontroering, wiste zijn tranen af en geloofde dat Calvijn, nog maar 25 jaar oud, de toekomstige hervormer van Frankrijk was. “Jongeling”, zei hij tot hem,
“eenmaal zult gij een krachtig werktuig in ’s Heeren hand zijn (…) De wereld zal hardnekkig Christus weerstaan en het zal u zijn alsof alles samenspant tegen de Zoon van God, maar houd u vast op die Rots, en velen zullen tegen Hem verbrijzeld worden. God zal Zich van u bedienen om in Frankrijk het Koninkrijk der hemelen te herstellen.” 12
Toen sprak hij, en hier kwam de voorzichtige aard van Faber weer uit:
“Neem u in acht voor de al te grote ijver van uw geest. Stel u Melanchthon ten voorbeeld en laat uw kracht steeds getemperd worden door de liefde.” 13
Melanchthon (1497-1560) was een man die graag de partijen te vriend hield en trachtte gezamenlijke waarheden te vinden tussen de roomsen en gereformeerden.
De grijsaard drukte de hand van de jongeling en zij scheidden om elkaar hier beneden niet weer te zien. Zo eindigt Merle d’Aubigné zijn beschrijving van het bezoek van Calvijn aan Faber.
Calvijn en Marguerite
Waarschijnlijk heeft Calvijn Marguerite niet in Nérac ontmoet omdat zij op dat moment niet daar was. Zij stelde zeker belang in hem, maar het heeft niet zo mogen zijn dat hij haar persoonlijk ontmoet heeft. Wel heeft Calvijn haar later een brief geschreven naar aanleiding van laster die Marguerite over Calvijn ter ore kwam. Hierin drukte hij zijn achting voor haar uit:
“Wat u betreft, geenszins is het mijn bedoeling geweest u in uw eer te krenken of de achting te verminderen die al uw onderdanen u behoren toe te dragen. Ik zeg zelfs: de achting die wij allen u schuldig zijn ter wille van de koninklijke majesteit waartoe onze Heere u verheven heeft, ter wille van het Huis waaruit u stamt, en ter wille van alle voortreffelijke eigenschappen waarover u beschikt, gemeten naar de maatstaf van de wereld. (…) Ik ken de gaven die onze Heere in u persoonlijk geschonken heeft, en ik weet hoe Hij Zich van u bedient en u heeft willen gebruiken om Zijn Rijk te bevorderen. Deze dingen geven mij aanleiding genoeg u te eren en de eer die u geniet, naar waarde te schatten. Ook verzoek ik u, mevrouw, u niet te laten overreden door hen die - door u tegen mij op te zetten - noch uw belang dienen noch mij schade berokkenen kunnen, maar veeleer u trachten te vervreemden van de genegenheid die u de Kerk van God toedraagt, en u de moed willen benemen onze Heere Jezus en Zijn leden te dienen, zoals u tot op dit ogenblik gedaan hebt. (…)
Uw zeer onderdanige en gehoorzame dienaar in onze Heere, Johannes Calvijn.” 14
Calvijn keerde naar Du Tillet terug. De bezoeken bij Roussel en Faber hadden hem verontrust. Velen bleven op twee gedachten hinken. Rome wat en de Reformatie wat. Er was nog veel gebrek aan licht, aan hét Licht, hoewel er al veel veranderd was. Hij zag ook dat hij een voorbeeld moest stellen. “Hoe is het mogelijk”, zei hij,
“te goeder trouw tegen de papisten te strijden, indien ik mijzelf een leenman van de paus maakte? (…) De opperste Majesteit van God zou erdoor beledigd zijn! (…) Dan liever, niet slechts één, maar honderd en wel de schitterendste beneficiën afgestaan. O, vervloekte rijkdommen der kerk. (…) Geen enkele penning in die schatkist of hij is bezoedeld met roof, heiligschennis of knevelarij! (…)” 15
Calvijn was ervan overtuigd dat hij alles wat met rome verbond, moest opofferen. Ook de band die al in zijn vroege jeugd gelegd was. Al op zijn twaalfde jaar had hij immers in zijn geboorteplaats Noyon door de inspanningen van zijn vader verschillende kerkelijke waardigheden verkregen waaruit hij ook inkomsten verkreeg. Die banden moest hij nu zo snel mogelijk verbreken. En hij vertrok naar Noyon.
Geen rechten meer in de roomse kerk
In mei 1534 kwam hij in Noyon aan. Hij bezocht zijn familie en vrienden, die hem met vreugde begroetten. Maar zijn eerste werk was de beneficiën (rechten op inkomsten) af te staan.
Hoe verbaasd waren zijn vrienden. Moest hij zoveel goeds van de kerk afstaan om zich te voegen bij een verachte sekte! Alleen een dwaas zou dat doen. Maar zijn besluit was door Gods genade genomen, niets kon hem tegenhouden. Op maandag 4 mei 1534 stond hij in tegenwoordigheid van diverse geestelijken zijn rechten af.
Er wordt gezegd dat hij zelfs zijn vaderlijk erfdeel zou hebben verkocht.
Nu de laatste banden waren verbroken, kon hij met meer vrijheid het Evangelie verkondigen. Ook zijn beide broers, Antoine en Charles, en zijn zuster, Marie, werden voor het Evangelie gewonnen. Calvijn schijnt vlak voor zijn vertrek uit Noyon nog gevangengenomen te zijn vanwege tumult dat hij in de roomse kerk gemaakt zou hebben. Maar wegens gebrek aan bewijs werd hij ook weer vrijgelaten. De vervolgingen waren op dat moment nog getemperd. De koning had weer een van zijn buien van goede gezindheid ten opzichte van de gereformeerden. En Calvijn besloot ook in Parijs het Evangelie te gaan brengen en nog enige vrienden te bezoeken en daarna naar de stad Poitiers, ruim 300 km onder Parijs, te gaan waar hij ook enige vrienden had en een beroemde bibliotheek wilde bezoeken.
In het volgende artikel Deo volente zullen we lezen over een jongen die de straten van Parijs onveilig maakte door zijn goddeloos gedrag, maar die tot bekering kwam. Het zou kunnen zijn dat Calvijn hem nog ontmoet heeft toen hij daar vanuit Noyon heengegaan is. Ook zullen we vernemen hoe Calvijn de eerste gemeente in de grotten van Poitiers “geïnstitueerd” heeft, voordat hij Frankrijk verliet om in den vreemde zijn geboorteland te dienen.
Noten:
1) De zeven vorige afleveringen van deze serie zijn verschenen in: In het spoor, oktobernummer 2016, p. 214-224, decembernummer 2016, p. 289-297, februarinummer 2017, p. 19-27, meinummer 2017, p. 96-104, julinummer 2017, p. 158-166, oktobernummer 2017, p. 192-201 en het decembernummer 2017, p. 276-283
2) Per abuis is in de inleiding van het vorige artikel geschreven dat Nicolas Cop met Calvijn meegegaan is naar Angoulême. Dit is niet het geval, hij ging naar Bazel, wat verderop in het artikel ook vermeld is.
3) W. de Zwart, Calvijn in het licht zijner brieven, Kampen 1938, p. 11-12 (herspeld). Hierna: De Zwart
4) Florimond de Rémond, La naissance de l’ Hérésie, Livre Septième, Chapitre IX, Paris 1610, p. 883. Hierna: Rémond-7
5) J.H. Merle d’Aubigné, Geschiedenis der Hervorming in Europa ten tijde van Calvijn, dl. 3, Rotterdam 1864, p. 10 (herspeld). Hierna: Merle 3
6) Merle 3, p. 12 (herspeld)
7) Marguerite de Navarre, Les Marguerites de la Marguerite des Princesses très Illustres, Lyon 1547, p. 518. Vertaald door mij. Zoveel mogelijk de letterlijke tekst aangehouden.
8) Het is niet geheel duidelijk of Calvijn Roussel in Nérac ontmoet heeft en de genoemde discussie toen heeft plaatsgevonden. Mogelijk is dit al eerder in Parijs geweest omdat sommige schrijvers zeggen dat Roussel niet in Nérac was, toen Calvijn de stad bezocht.
9) Rémond-7, p. 921
10) Rémond-7, p. 922
11) E. Doumergue, Calvijn’s jeugd, Kampen 1986, p. 398 (herspeld)
12) Merle 3, p. 17 (herspeld)
13) Merle 3, p. 17 (herspeld)
14) De Zwart, p. 90-91, 93 (herspeld)
15) Merle 3, p. 47 (herspeld)
Fotoverantwoording:
a) Door JC Allin [CC BY-SA 3.0], via Wikimedia Commons
b) Door Thérèse Gaigé [CC BY-SA 4.0], via Wikimedia Commons
c) Door Père Igor [CC BY-SA 3.0], via Wikimedia Commons
d) Door Rolf Kranz [CC BY-SA 4.0], via Wikimedia Commons
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2018
In het spoor | 64 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 2018
In het spoor | 64 Pagina's