Standrechtelijk Geëxecuteerd
Het vreselijke einde van het hoofd van de Groen van Prinstererschool te Kampen
In 1945 schreef ds. G.H. Kersten een terugblik. “Ik gedenk thans degenen die tijdens de oorlog ons ontvallen zijn. Van de leraars missen wij ds. J.R. van Oordt, ds. J. Vreugdenhil en ds. M. Heikoop. (…) En van het onderwijzend personeel [E.] Altena, hoofd der school te Kampen, die uit zijn school gehaald en doodgeschoten werd; een man die grote achting verworven had als rechtgeaard Nederlander en zich aan het Duits regiem niet slaafs onderwerpen kon.” 1 Wie was deze Altena die ds. Kersten bedoelde?
In dit artikel wil ik dieper ingaan op de persoon van Egbert Altena (1908-1944), die hoofd (we zouden nu zeggen directeur) was van de Groen van Prinstererschool te Kampen tijdens de Duitse bezetting. 2
Levensloop
Egbert Altena werd geboren op 24 juli 1908 te Genemuiden. Hij was de zoon van Jan Altena en Maria Beens. Op 30 augustus 1908 werd hij door ds. H. van Elst (1877-1953) van de Nederlandse Hervormde gemeente te Genemuiden gedoopt. Een scheuring in deze kerk zorgde ervoor dat de ouders van Egbert zich aansloten bij de Oud Gereformeerde Gemeente, die op 30 september 1910 aldaar geïnstitueerd werd. Men kwam bijeen in een zaaltje aan de Julianastraat.
Het broertje van Egbert, namelijk Harm Altena, was het eerste kindje dat in dit zaaltje gedoopt was door ds. G.J. Wolbers (1866-1922), die predikant was in de Vrije (Oud) Gereformeerde Gemeente te Enkhuizen. Egbert groeide op in Genemuiden en al snel bleek dat hij goed kon leren. Toen Egbert bijna van school ging, kwam het hoofd van de school vragen of hij door mocht leren. En dat mocht. Met als resultaat dat hij overdag werkte als losarbeider en één avond per week naar de Christelijke Normaalschool (voorloper van de PABO) te Zwartsluis ging. In 1926 behaalde Egbert te Zwolle zijn diploma voor onderwijzer, de akte van bekwaamheid. Hij kon toen als onderwijzer terecht op de Hervormde Lagere School te Genemuiden. Hier gaf hij ongeveer twee jaar les. Intussen leerde hij verder voor de hoofdakte, die hij in 1928 behaalde. Daarna moest hij in militaire dienst. Men lijfde hem in bij het Eerste Regiment Veldartillerie.
In die tijd richtte men te Genemuiden een jongelingsvereniging op waar Egbert secretaris van werd en de heer P. van der Meulen (1889-1989) voorzitter. Van der Meulen behoorde tot degenen die (bijna) vanaf het begin nauw bij de opbouw van de SGP als partij betrokken was. Tevens was hij hoofd van de school die uitging van de Gereformeerde Gemeente te Genemuiden. 3 Per 1 oktober 1929 kwam ook Egbert in dienst van deze school. Hij was toen 21 jaar oud. In die tijd legde hij tevens belijdenis af.
Hoofd der school
Egbert bleef niet lang aan de school van de Gereformeerde Gemeente te Genemuiden verbonden. Al in 1933 benoemde het bestuur van de nieuwe en net opgerichte lagere school te Kampen, die opgericht was vanuit de plaatselijke Gereformeerde Gemeente, hem tot hoofd. Op 1 mei 1933 begon de Groen van Prinstererschool te Kampen met ruim 80 leerlingen aan het Bolwerk. Tijdens de openingsbijeenkomst wees Altena op de gewichtige taak die de school in het leven had te vervullen, daar in de maatschappij en in het gezinsleven steeds minder rekening werd gehouden met Gods Woord en ordinanties. Ook bracht hij enerzijds het voorrecht en anderzijds de grote verantwoordelijkheid onder ogen van het onderwijzend personeel om de jeugd op te voeden en te wijzen op de enige weg ter zaligheid. 4
Een aantal maanden later op 24 augustus 1933 trouwde Egbert Altena met Jentien Monsuur (1910-1999), roepnaam Jennie. 5 Voordat ze trouwden was Jennie dienstbode bij burgemeester Wijnand Zeeuw (1892- 1957) van Genemuiden. Het echtpaar kreeg vijf kinderen: Maria (1934-2007), Hermanna (1936-heden), Jannie Hendrika (1938-heden), Hendrika Jannie (1941-heden) en Hendrik (1944-heden).
De Groen van Prinstererschool groeide in die tijd behoorlijk en al snel moest er meer personeel benoemd worden. In 1937 verhuisde de school naar de Vloeddijk. Later is het gebouw gesloopt en bleek het gebouwd te zijn op de fundamenten van een oud stadsklooster.
Altena en de SGP
Altena was lid van de SGP en werd in 1935 secretaris van de PKV-Kampen. Regelmatig was hij afgevaardigde naar de SGP-partijdagen. Hij nam zijn taak serieus en stuurde consciëntieus verslagen op naar De Banier. Hoe hij persoonlijk dacht, gaf een verslag van een ouderavond van de Groen van Prinstererschool goed weer. Op maandag 4 maart 1935 vond de bewuste avond plaats die ds. J. Vreugdenhil (1879-1944), predikant van de Gereformeerde Gemeente te Kampen, om 19.30 uur opende. Hij ging in op Psalm 127. Het verslag in De Banier van 8 maart 1935 meldde over de toespraak van ds. Vreugdenhil:
“In deze Psalm, een lied van Sálomo, ligt een juichtoon, een belijdenis en een klaagtoon. Sálomo heeft in zijn huwelijk God niet ontmoet. Dit blijkt uit de zeer weinige vruchten die hij van zijn huwelijk gezien heeft. Het is uit deze Psalm op te merken dat Sálomo het gevoelde dat [hij met] zijn vele vrouwen in strijd was met de ordinantiën des Heeren. Daarom betreurt hij het als hij opgaat naar het huis Gods, dat hij ondanks al zijn grootheid niet omringd wordt door zijn geslacht. Want de vrucht des buiks is een beloning. Grote gezinnen zijn in deze tijd een gruwel, maar het is een zegen des Heeren. Weest dankbaar, aldus spreker, dat God u deze weldaden nog schenkt. Echter, er ligt een grote verantwoordelijkheid, want terwijl alles vernietigd is door de zonde, is het kind geboren voor een eeuwigheid. Nochtans is er ook voor onze kinderen een deur der genade geopend. Hebt gij hun namen reeds gelezen in het gedenkboek dat voor Zijn Aangezicht is? Het is een voorrecht dat onze kinderen nog onderwijs ontvangen mogen overeenkomstig Gods Woord. De Heere doe ons deze weldaden erkennen.”
Nadat ds. Vreugdenhil had gesproken, was meester Altena aan de beurt. Hij sprak over het onderwerp ‘Wat ons scheidt.’ Het verslag meldde:
“Als punt van uitgang neemt deze Zondag 1. Sprekende over ellende, verlossing en dankbaarheid zegt hij dat in onze tijd met de kinderen over het stuk der ellende niet meer gesproken mag worden. Evenmin van straffen, hel en verdoemenis. Ook over de rechtvaardigheid Gods zwijgt men. Maar hoe zal men dan de kinderen op juiste wijze Bijbelse geschiedenis verhalen? Hoe kerk- en vaderlandse geschiedenis? Maar rome wordt verheerlijkt en na het vertellen van de worstelstrijd van onze vaderen, zingt men: ‘Kinderen van één vader zijn wij allemaal’. Maar mogen wij de geloofsmoed van onze vaderen verzwijgen? Christelijke bioscopen voor de school zijn in het leven geroepen. De Schoolwet van 1920, die gekocht is voor het vrouwenkiesrecht, wordt een overwinning genoemd. Laat ons daarom, zegt spreker ten slotte, één zijn in onze strijd.”
Het is duidelijk dat Altena in hart en nieren het staatkundig gereformeerde standpunt voorstond.
Moeilijke jaren
Toen brak in 1940 de oorlog uit. Op 10 mei vielen Duitse troepen Nederland verraderlijk aan. Egbert zat toen in Soest, omdat hij opgeroepen was voor de mobilisatie. Op woensdag 29 mei mocht hij vrij naar huis gaan, omdat een decreet van Hitler daarvoor zorgde.
Destijds stond het kerkgebouw van de Gereformeerde Gemeente te Kampen aan het begin van de Burgwal. De eerste zondag na de capitulatie preekte ds. H. Ligtenberg sr. (1887-1965) en liet hij zingen Psalm 79 vers 1: Getrouwe God, de heid’nen zijn gekomen. Zij hebben stout Uw erfland ingenomen…
Inmiddels was het gezin Altena verhuisd naar de Boelestraat 32 te Kampen. Ze huurden daar een woning. Ze woonden midden tussen politiemensen. Rechts woonde agent Thomas de Boer met zijn gezin en links adjunct-inspecteur Gerrit Willem Klaassen met z’n gezin. De eerste oorlogsjaren verliepen betrekkelijk rustig. De Duitse soldaten gedroegen zich - zeker in 1940-1941 - over het algemeen correct ten opzichte van de Nederlanders.
Op 30 mei 1942 kreeg Kampen een nieuwe burgemeester in de persoon van Jonkheer ir. Edward Floris Sandberg (1898-1988), een NSB’er. Hij was geboren te Pretoria in Zuid-Afrika. Tijdens zijn installatie als burgemeester moest hij zichzelf de ambtsketting omhangen, omdat er niemand bereid was dat te doen. Om zijn installatie te vieren had burgemeester Sandberg alle lagere scholen in Kampen aangeschreven om in totaal 400 arme leerlingen naar een feest van hem te doen komen. Hij had de bioscoop afgehuurd en daar konden de kinderen dan twee kinderfilms bekijken. Ook de Groen van Prinstererschool kreeg een brief of er vijftig leerlingen mochten komen. Altena weigerde. Hij schreef aan de burgemeester dat hij om principiële redenen (!) geen kinderen zou sturen, omdat zij tegen bioscoopbezoek waren. Of burgemeester Sandberg hierover verbolgen was? Het zou best kunnen!
Burgemeester Sandberg was een eigenaardig persoon. Dhr. J. Altena Hzn. schrijft: “Burgemeester Sandberg heeft ook nog wat anders in gedachten. Hij vindt de aanleiding voor een nieuwe strafmaatregel in het vernielen van bordjes ‘Voor Joden verboden’. Deze bordjes zijn geplaatst in de plantsoenen, ook in het plantsoen achter de Broederpoort. De jongelui uit de Bongerd verzamelen zich daar graag bij het witte bruggetje. Hun Joodse vrienden mogen daar, gezien het bordje, niet zitten. Het moet niet gekker worden, vinden ze. En zo hebben de jongens uit de Bongerd ’s avonds de bordjes kapotgeslagen. De politie is er echter nooit achter gekomen wie de daders zijn geweest.” Burgemeester Sandberg besluit dan dat mannelijke inwoners van Kampen tussen 18 en 60 jaar voortaan de bordjes moeten bewaken. “Officieel geldt de door de burgemeester genomen maatregel voor alle mannelijke inwoners van Kampen (…). Om de beurt moet men daar staan en inspecteur van politie De Bruin komt kijken of de mannen werkelijk op hun post staan.”
Al voordat Sandberg geïnstalleerd werd, nodigde hij zo’n honderd leerkrachten uit op het Gemeentelijk Lyceum te Kampen voor een openbare vergadering. Er kwam er echter niet één. Op maandag 20 juli 1942 werden dertig onderwijzers voor een tweede keer uitgenodigd op het stadhuis. Tijdens deze vergadering vroeg Sandberg of ze hun medewerking wilden verlenen aan de Duitse bezetter. Maar ja, wat moesten ze antwoorden? Gingen ze hiermee akkoord, dan zijn ze collaborateurs. En weigerden ze, dan beschouwde men hen als saboteurs. “Wat te doen? De ongeveer dertig onderwijzers nemen dan gezamenlijk een soort Sálomo’s besluit. Men spreekt af dat geen van hen een woord zal zeggen. Zo gebeurt het ook. De onderwijzers worden die middag door burgemeester Sandberg (…) opgewacht. De burgemeester begint te praten, maar krijgt nergens antwoord op. Hij spreekt maar door en stelt vragen. Maar geen antwoord! Zo sleept deze vreemde vergadering van 12.00 tot 16.00 uur zich voort. Op het verzoek van de locoburgemeester Lankman (…) om zich te melden voor de Arbeitseinsatz wordt niet gereageerd. De onderwijzers spreken geen woord. Voor dat zwijgen worden door de (…) burgemeester dan nog geen strafmaatregelen getroffen. Hij kan niet anders dan de vergadering opheffen en de onderwijzers naar huis laten gaan.”
Gezinsleven
Het gezin van meester Altena was in de eerste oorlogsjaren een gelukkig gezin. Zijn dochter merkte over haar vader het volgende op: “Hij was erg betrokken op ons, speelde met ons, leerde ons de zondagschoolversjes, zong met ons, bracht ons naar bed, hielp ons ’s nachts als dat nodig was, borstelde ’s morgens ons haar, kortom, hij was als vader actief. Voor het slapen gaan, kregen we altijd een snoepje. Dat is nu ondenkbaar, maar toen heel gewoon.” In juli 1944 werd Hendrik geboren. Maar hij kon niet gedoopt worden omdat ds. Johannes Vreugdenhil op 19 juli 1944 op 65-jarige leeftijd stierf.
Altena nam niet actief deel aan het verzet, behalve dan dat hij geld inzamelde voor onderduikers en dat hij weigerde werkzaamheden te verrichten voor de Duitse bezetter.
Ds. J. Vreugdenhil (1879-1944)
Ds. Vreugdenhil stond nog niet zo lang te Kampen (vanaf 1943), alhoewel hij al eerder de gemeente van Kampen had gediend. “Zal Rijssen zijn laatste gemeente zijn? Nee! Als Kampen ten tweede male hem roept, kan hij niet bedanken. In het derde oorlogsjaar, 1943, bevestigt ds. J. Fraanje hem in Kampen. Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders (1 Kor. 16:9), is het woord waarmee hij zich opnieuw aan deze gemeente verbindt. Hier klinkt geen moede toon, geen verlangen naar rust. De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak. Nog in de zomer van datzelfde jaar wordt hij in het ziekenhuis opgenomen om een zware operatie te ondergaan. Volgens het oordeel van de doktoren geheel hersteld, maar voor die hem kennen, toch niet de oude. Nochtans mag hij wederkeren in zijn gezin en zijn gemeente. (…) De winter die volgt, is een zware winter voor hem: aan bed of huis gebonden moet hij de preekstoel ledig laten. Zijn krachten verminderen zienderogen, maar zijn geest blijft verlangend uitzien naar herstel en daarmee naar het ogenblik dat hij de arbeid weer zal kunnen hervatten.
Als de lente komt, schijnt er enige verbetering in te treden. Helaas het blijkt inderdaad slechts schijn (…). Half juli is de toestand zo ernstig dat onmiddellijke opname in het ziekenhuis noodzakelijk is. Dan, in de namiddag van de 19 e juli 1944, wordt deze moede strijder afgelost. Hij mag ingaan in de vreugde zijns Heeren. Enkele dagen voor zijn sterven mocht hij zich nog verlustigen in zijn God: ‘Verzadigd van de goedgunstigheid en vol van de zegen des Heeren’. De laatste paar dagen kon hij niet meer spreken; hij die predikend door dit leven ging, is zwijgend heengegaan. Hij was een sterke persoonlijkheid, een man van grote lijnen. Maar toch ook een man die klein met de kleinen kon zijn. Een man die naar het woord en het voorbeeld van zijn Goddelijke zender: ‘Het gekrookte riet niet verbrak en de rokende vlaswiek niet uitbluste.’ Weinigen kenden hem werkelijk, maar die hem kenden, vonden in hem een vriend en raadsman. Hij was gezonden om te preken - niet op politiek terrein, noch op het gebied van onderwijs lag zijn roeping - Christus de gekruisigde. Zijn leven was een strijdend leven, zijn weg soms zwaar en donker.
Nochtans mocht hij met Job getuigen: Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan (Job 19:25); over zijn stof dat nu in Kampen rust, tot aan de jongste dag.”
Begrafenis
Tijdens de begrafenis van ds. Vreugdenhil spraken ds. W.C. Lamain, ds. J. Fraanje, ds. H. Ligtenberg sr. en ouderling M. Riezebos. Ds. Fraanje zei onder meer: “Daar ligt nu zijn afgestorven lichaam. Hij heeft zijn huwelijksbed verwisseld met het graf. Zijn huis met een doodskist. Zo ziet u de vernedering van de mensen in een graf. Maar zijn ziel is uitgegaan om in te gaan, en ik geloof dat mijn geliefde broeder Vreugdenhil daartoe veel afgelegd heeft. Maar ik geloof dat hij duizendmaal meer verkregen heeft als aflegging der zonde, en de heerlijkheid Gods ontvangen. (…) En nu is hij door die geopende deur ingegaan in de hemel. Hij heeft zijn eigen weg leren kennen en hij is die poort ingegaan. Ds. Vreugdenhil is nu dood. Ik zeg tegen mijn vrouw en kinderen: ‘Die man is mij voorgegaan.’ Toen zeggen zij: ‘Vader, dat kan jij zeggen.’ Gods kinderen zien elkaar nooit voor het laatst. Ze zullen aanschouwen de volle verheerlijking van het beeld Gods in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Moeder, daar staat u aan het graf van uw geliefde man. U bent van huis uit een Zeeuwse. Ik ook. God zij uw Man en Maker, uw eigen man is dood en leeft. (…) Ds. Vreugdenhil, die man is zalig geworden omdat God het wilde. Daar ligt hij, straks zal hij opstaan. Ik heb bij ons in Barneveld twee dingen gezien: de bruiloft en de lijkkoets. De jongste dag zal mijn blijste dag zijn en daar gaat het met de wereld op aan. Dan komt mijn geliefde oudste Broeder. Moeder, dat gij toch alle kennis en Gods zegen van Hem mag verkrijgen, is mijn wens en mijn bede om Jezus Christus’ wil.” Ds. Ligtenberg liet op het graf Psalm 89:3 zingen.
Ds. H. Ligtenberg en ds. J. Vreugdenhil waren ook de predikanten onder wie Egbert Altena kerkte. Hij zal zeker bij de begrafenis van ds. Vreugdenhil zijn geweest. Van het geld dat tijdens de begrafenis van ds. Vreugdenhil werd opgehaald, zou de gemeente een grafsteen voor de dominee kopen. Daarom werd er in de kerk voor deze steen gecollecteerd. Altena moest het opgehaalde geld beheren. Op 27 september 1944 bracht hij het geld naar een ouderling. Een dag voor zijn gewelddadige dood…
Geestelijk leven
Altena kende een ander leven. Zijn dochter schreef over hem: “Uit de verhalen van mensen die hem hebben gekend, lijkt vader een opgewekte, vrolijke man geweest te zijn, met aandacht voor de mensen om hem heen. Ook een ruimdenkend man, vergevingsgezind (…). Ik herinner me dat hij op de zondagen dat er Avondmaal was [in de Gereformeerde Gemeente te Kampen; HT], wat eerder naar de kerk ging en dan boer De Vries opwachtte. Dat was een driftige man die verscheidene kinderen op school had. Vader en De Vries konden nog wel eens stevig van mening verschillen! Voor de dienst schudden ze dan elkaar de hand, zodat ze allebei naar het Avondmaal konden.
September 1944
September 1944 was een heftige oorlogsmaand. Op 3 september 1944 werd Brussel ingenomen en de volgende dag Antwerpen. Op dinsdag 5 september vond ‘Dolle Dinsdag’ plaats en duizenden NSB’ers en Duitsers vluchtten naar Duitsland (voornamelijk richting Lüneburg). Op 14 september bevrijdden de geallieerde troepen Maastricht, de eerste Nederlandse stad. En dan landden de geallieerde troepen op 17 september te Arnhem, helaas een brug te ver. Men had er geen rekening mee gehouden dat de aanvoerlijnen lang waren en dat een grote groep SS-soldaten in de buurt van Arnhem lag uit te rusten. De Duitsers werden steeds zenuwachtiger, ook hun handlangers.
Te Kampen kregen ze een nieuwe Ortskommandant en 2.500 extra soldaten die werden ingekwartierd op scholen en soms bij burgers. Er werd hard gewerkt aan een IJssellinie en voor dit doel vaardigden burgemeester Sandberg en de Ortskommandant plakkaten uit en reden ze met een radiowagen door de stad om kenbaar te maken dat alle mannen tussen de 25 en 45 jaar zich moesten melden voor tewerkstelling voor graafwerkzaamheden te Hasselt, Zwolle en ’s-Heerenbroek. Er meldde zich echter maar een klein aantal mannen, terwijl Sandberg had gehoopt dat er zo’n duizend zouden komen. Op 20 september hebben zich - na een aantal oproepen - driehonderd man gemeld. Het geduld van de getergde burgemeester Sandberg was op. Op 21 september legde de Ordnungspolizei een cordon en werden nieuwe plakkaten geplakt. Enkele dagen later wilden de Duitsers huizen van Kampenaren in brand steken, omdat er zo weinig mannen zich meldden. Maar het loopt dan al tegen de schemering en vanwege de verduistering kon dat plan niet plaatsvinden.
28 september 1944
Toen brak 28 september 1944 aan. ’s Morgens reden auto’s met luidsprekers door de stad om de mannen op te roepen voor de graafwerkzaamheden. Om 11.00 uur moest iedereen zich gemeld hebben met spade en iedereen die zich niet gemeld had, zou worden beschouwd als saboteur en standrechtelijk worden veroordeeld. Nu meldden zich zo’n zevenhonderd man die achter het gemeentehuis op de IJsselkade moesten wachten tot 17.00 uur. Op de Groen van Prinstererschool werd die dag gewoon lesgegeven, ondanks dat andere scholen gesloten waren. Dhr. J. Altena schrijft: “Ze”, namelijk de twee onderwijzers, “realiseren zich de gevaarlijk geworden situatie nog niet. Hun collega Van Dijk is al wel ondergedoken, maar ze hebben niet het idee op een lijst te staan. Door de drukte op de Burgwal durven ze het pand” na schooltijd “niet te verlaten en overleggen dan met het schoolhoofd van de aanpalende openbare school, de heer Everaars, wat te doen. Het lijkt hun het beste nog op school te blijven en, mochten de Duitsers naar de Groen van Prinstererschool komen, dan door de deur naar de openbare school, waarvoor ze een kast hadden geschoven, te verdwijnen.” De razzia duurde van twee uur ’s middags tot zes uur ’s avonds.
Omdat leider Lütkenhus te weinig soldaten tot zijn beschikking had, kon er niet huis-aan-huis gezocht worden. Dus moest hij gericht zoeken. Lütkenhus overlegde hierover met de burgemeester en de Ortskommandant van Kampen Hinricher. Sandberg wees toen een huizenblok aan aan de Boelestraat/ Fernhoutstraat/Engelenbergstraat. Lütkenhus kreeg de opdracht om enkele werkweigeraars te arresteren. Inmiddels was Altena, die in dat huizenblok woonde, om vijf uur naar huis gegaan. Hij kwam om half zes thuis en drie minuten later werd er aangebeld. Altena kon niet meer wegvluchten. “Henk, twee maanden oud, ligt in de kinderwagen in de gang. Marietje is niet thuis. Ze is op een verjaardagspartijtje van een meisje uit haar klas. De dochters Herma, Janny en Han moeten voor hun vader gaan staan die in zijn leunstoel zit, in de hoop hem voor de Duitsers te verbergen. Maar dat mag niet baten, Egbert Altena moet mee. Het wordt hem nog toegestaan van zijn gezin afscheid te nemen.” Tegen zijn vrouw zegt hij: ‘Tot straks, of anders…’ “En hij wijst daarbij naar boven naar de hemel en wordt vervolgens in een groep soldaten meegevoerd, nog met zijn blauwe regenjas aan, richting de Hendrik van Viandenstraat, waar op de hoek een auto bus staat.” Daar werden de mannen in de bus gestopt en reden ze naar het gemeentehuis.
Executie
In twee tot drie minuten werden de opgepakte mannen verhoord. Naast Altena waren dat Piet Blokker en Joop Vredeveld en nog een aantal anderen. Die anderen werden al snel weer vrijgelaten, maar Altena, Blokker en Vredeveld niet. Die werden in de kelder opgesloten en later overgebracht naar de Koornmarktkazerne. Daar had Oberleutnant Brauer een vuurpeloton samengesteld. Toen ze daar aankwamen, werden ze geblinddoekt door de Nederlandse SS’er Visser. Hij moest de drie mannen het genadeschot geven. De executie werd uitgevoerd omdat de drie mannen weigerden de aanwijzingen op te vol-gen van de Duitse autoriteiten. Voor Altena kwam daar nog een extra belastende verklaring bij dat hij destijds als soldaat zich onttrokken had aan de Nederlandse Arbeidsdienst (NAD).
Altena had nog één wens vóór de executie. En dat was of hij voor zichzelf en zijn kameraden hardop mocht bidden… Lütkenhus stond dit toe. Toen de drie mannen gereed stonden om doodgeschoten te worden, begon Altena hardop het ‘Onze Vader’ te bidden. Later hoorden zijn dochters dat hij niet verder gekomen was dan: gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren… Toen gaf de onderofficier bevel tot vuren… De drie mannen zijn niet meer.
Geen man en geen vader meer
’s Avonds om elf uur belden twee Duitsers en een Nederlander aan op Boelestraat 32. Mevrouw Altena moest met haar jonge kinderen het huis verlaten. Ze ging naar de buren.
De volgende morgen rond zes uur kwam het hoofd van de politie de trouwring en het horloge van Altena brengen en deelde mevrouw Altena mee dat haar man gefusilleerd was. Om zeven uur verzocht men haar op de begraafplaats te zijn te IJsselmuiden (de begraafplaats van Kampen was destijds te IJsselmuiden). Mevrouw Altena was heel verdrietig, maar mocht troost ondervinden uit Psalm 118 vers 4:
De HEER’ is aan de spits getreden
Dergenen die mij hulpe biên;
Ik zal, gered uit zwarigheden,
Mijn lust aan mijne haat’ren zien.
’t Is beter, als w’ om redding wensen,
Te vluchten tot des HEEREN macht,
Dan dat men ooit vertrouwt op mensen,
Of zelfs van prinsen hulp verwacht.
Tegen haar kinderen zei ze diepbedroefd: ‘Nu hebben jullie geen vader meer.’ Voor zijn gezin was het een zeer harde slag. Tevens werd hun huis geplunderd.
De SS- en Polizeiführer liet publiek bekendmaken dat “wegens arbeidssabotage en verzet naar aanleiding van een oproep voor de arbeidsinzet” de genoemde drie mannen standrechtelijk waren doodgeschoten. Na de oorlog werd in de Prinsenstraat een gedenkplaat ter nagedachtenis aan deze brute executie aangebracht (zie onder).
Besluit
Voor Altena zelf was het niet erg om te sterven. Er ging van hem al getuigenis uit tijdens zijn leven. Hij mag nu eeuwig God grootmaken, Die hem als een arme zondaar opzocht en hem in de ruimte stelde, zodat hij vergeving mocht vinden in het bloed van de Heere Jezus Christus, Gods enige Zoon en de enige Weg tot behoud. Hij gaf hem de kracht om voor vergeving voor zijn vijanden te bidden. O, hoe groot is dat goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen (Ps. 31:20)!
Van het geld dat voor de grafsteen van ds. J. Vreugdenhil opgehaald was, was nog een deel over. Dit werd gebruikt om een steen voor Altena te kopen. Hij heeft niet geweten dat er met het door hem bewaarde geld een grafsteen voor hemzelf gekocht zou worden.
Na de oorlog is Altena herbegraven. Tijdens de herbegrafenis sprak ds. W.C. Lamain nog enkele woorden. Pierre Huet dichtte toepasselijk:
“Alles wel. Geen lijden meer,
Eeuwig bij zijn God en Heer’.
In der Eng’len reine koren,
Doet zijn stem zich juichend horen
Met het hemels citerspel, 6
Nu voor eeuwig: Alles wel.” 6
Noten:
1) Zie: ‘Geref. Gemeente’, in: De Banier, 10 augustus 1945 (herspeld)
2) Gebruikte literatuur: N.N., Geen nacht meer. Ds. Johannes Vreugdenhil, overleden te Kampen op 19 juli 1944, De Banier, Utrecht (1947); W.B. Kranendonk, Wakend aan Zijn poorten. De geschiedenis van de Gereformeerde Gemeente Kampen, Kerkenraad Gereformeerde Gemeente, Kampen (2010); H. de Koning, De zaak Siebrand. De omstreden dubbelrol van een drankenhandelaar in oorlogstijd, Aerie Uitgevers, z.p. [2012]; J. Altena Hzn., Standrechtelijk doodgeschoten. Over het leven van Egbert Altena, Genemuiden 24 juli 1908 - Kampen 28 september 1944, Uitgeverij Heijink, Hardenberg (2015).
3) Van der Meulen stierf op 17 oktober 1989 te Kampen. Hij werd 100 jaar en is begraven te Genemuiden vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk aldaar. Van der Meulen was bijna 30 jaar hoofdbestuurslid (1919-1948) van de SGP. Ook was hij ruim 40 jaar voor de SGP lid van de Provinciale Staten van Overijssel (1923-1927 en 1931-1969). Na een actieve politieke loopbaan trok hij zich in 1969 terug. In het dagelijkse leven was hij (hoofd)onderwijzer. Bovendien was hij onderscheiden met het ridderschap in de Orde van Oranje Nassau. Zie: ‘De heer Van der Meulen geridderd’, in: Reformatorisch Dagblad, 21 september 1967, en: ‘Medeoprichter SGP overleden’, in: Reformatorisch Dagblad, 21 oktober 1989.
4) Zie: ‘Kampen. Opening school der Geref. Gemeente’, in: De Banier, 3 mei 1933
5) Getuigen waren Jacob van Lente (65 jaar, koopman en oom van de bruidegom) en Roelof Boverhof (54 jaar, arbeider en oom van de bruid).
6) P. Huet, Afrikaansche gedichten, D. Bolle, Rotterdam [1891]. Dit is het achtste vers uit het gedicht ‘Alles wel’, dat negen verzen telt.
Fotoverantwoording:
a) Collectie T.A. van der Horst
b) Collectie Beeldbank WO2-NIOD
c) Collectie T.A. van der Horst
d) Collectie Beeldbank WO2-NIOD
e) Foto H. Tijssen
f) Foto H. Tijssen
g) Collectie T.A. van der Horst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 mei 2018
In het spoor | 60 Pagina's